Pagina's

Posts tonen met het label Iets voor kinderen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Iets voor kinderen. Alle posts tonen

zaterdag 5 december 2020

Een boom vol licht

'Speciaal voor 'Magisch Park' schreef Koen D'haene het verhaal Een boom vol licht.'
Dat deed ik inderdaad. 

De mama van Harry voelde zich ziek en zwak en had vaak honger toen ze hem in haar schoot droeg. Zijn papa had niet veel tijd en nog veel minder geld en keek al niet meer naar Harry om toen hij nog in de buik van zijn mama leefde. Veel hoorde Harry niet van wat er al die maanden om hem heen gebeurde. Toen hij eindelijk naar buiten kon, kwam hij in een uitbundig feest van licht en kleur. Iedereen was blij en vrolijk en er was vreugde en liefde. Maar toen zijn papa te veel had gedronken, zei hij dat zijn mama een feeks was en vervolgens liepen ze van elkaar en van Harry weg.

Harry sloeg een duister pad in. Hij groeide op bij een papa en mama die hij niet kende en zij kenden ook hem niet. Toen hij jong en sterk genoeg was, liep hij van hen weg. Hij vond in het midden van een donker bos een leuke plaats met zicht op een mooie vijver en grote groene bomen in de verte. Maar toen het winter werd, waren de bomen koud en kaal en als hij in de donkere vijver keek, spiegelde zijn gezicht op het ijs. Harry vluchtte van de winter weg en ging verder, nog dieper het donkere bos in. 

Harry zwierf vele jaren op zijn eentje door het oneindig grote bos, hij sliep op een bed van takken en bladeren en leefde van bessen en noten. Nadat hij heel lang in het bos had rondgedoold, zag hij in de verte een sprookjeshuis. Zo’n mooi huis had hij in zijn hele leven nog niet gezien. Het was rond en rood en er waren wel twintig mooie ramen en prachtige kantelen rond het fraaie dak. Een elegante trap leidde naar de deur aan de voorkant van het huis. Harry voelde zijn hart kloppen in zijn keel. Zou hij het wagen om in het sprookjeshuis te gaan kijken? Wie zou hier wonen? Vast een prins of een prinses of, wie weet, een koning of koningin van een land dat hij niet kende.

Harry waagde zich stoer maar ook vol angst en met trillende benen op de sierlijke trap en keek bevend door het raam als hij aan de voorkant van het huis kwam. Voorzichtig gluurde hij door het venster. Hij viel haast achterover, zo erg schrok hij. Hij keek recht in de doffe ogen van een oude vrouw met vieze tanden in haar mond en diepe groeven in haar gezicht. Harry wilde zo snel als hij kon de trap weer naar beneden lopen en weg rennen, ver van de vieze vreemde vrouw. Maar de vrouw lachte naar hem en riep hem terug.
‘Wees niet bang, jongen, en zeker niet van mij,’ zei ze luid. Haar stem galmde tussen de bomen.
Harry bleef stokstijf staan en keek aarzelend achterom.
‘Kom,’ zei de vrouw. Haar stem klonk ineens mooi en zacht en ze wenkte met haar rechterhand. Harry keerde op zijn stappen terug en ging dicht bij haar aan de deur staan.
‘Ik ga je helpen, jongen. Je hebt geen gelukkig leven, maar ik ga zorgen dat je dat wel krijgt.’
Ze bleef hem star in de ogen kijken en Harry in die van haar. Ze was een mooie vrouw, zag hij. Hoe meer ze sprak, hoe meer groeven in haar gezicht verdwenen, hoe mooier en blauwer haar ogen werden en hoe witter haar tanden.
‘Wil je gelukkig worden?’
De vrouw keek hem lief en uitnodigend aan en wachtte tot Harry iets zei. Hij kreeg geen woord over zijn bevende lippen, maar knikte hard van ja. Natuurlijk wilde hij gelukkig worden. Iedereen wil dat toch?
‘Kom nog wat dichter,’ zei ze. ‘Kom zo dicht als je kan.’
Harry schoof dichterbij en zag dat haar vieze tanden nu wit en glanzend waren en in haar  mond en om haar lippen was een mooie lach. Haar ogen waren nu zo blauw als de zee.
‘Je bent al veel te lang alleen op de wereld, jongen. Ik ga je helpen. Luister wat je moet doen. Kijk voor je naar het kronkelende pad dat naar beneden leidt. Ga voorzichtig tot op het eind en tel de lichtjes links en rechts van jou. Als je er twintig telt, zal het geluk je toelachen. Dan zal je nooit meer alleen of eenzaam zijn, je zal met een mooi meisje in een mooi huis gaan wonen en alle eenzame mensen blij en gelukkig maken.’
Ze bleef even zwijgen en keek Harry tegelijk streng en blij aan en Harry was tegelijk doodsbang en reuze benieuwd. Hij keek voor zich en zag de lampjes aan de zijkant van het pad voor het huis. Hij wilde zo snel als hij kon de lichtjes zoeken en tellen omdat hij zo snel als hij kon gelukkig wilde worden. Hij knikte even naar de vrouw en liep haastig naar het eerste lichtje.
‘Wacht!’ riep de vrouw en haar stem klonk weer luid zoals in het begin en op haar gezicht waren er ineens weer meer groeven en haar tanden waren weer vuil en vies en haar ogen dof en donker.
‘Ga niet overhaast te werk! Je mag geen enkel lichtje overslaan. Als je beneden komt en je hebt minder dan twintig lichtjes geteld, zal je voor de rest van je leven even ongelukkig zijn als je nu bent. Je zal voor altijd eenzaam blijven en weer op een bed van takken en bladeren in het koude donkere bos moeten slapen. Voor altijd.’
Harry voelde zijn tanden trillen en zijn handen beven. Nee, niet weer, dacht hij.
‘Vergeet het niet, jongen. Twintig lichtjes. Het mogen er meer zijn, maar niet minder. Meer is vreugde en geluk, minder is verdriet en ongeluk.’
Harry keek angstig in haar ogen. Hij durfde niet meer weggaan vooraleer zij hem daarvoor het teken gaf.
‘Ga nu,’ fluisterde ze. ‘Ga, kijk niet achterom, tel de lichtjes, ga altijd verder en word gelukkig.’
Harry keek van haar weg en liep naar het pad met de lichtjes.

Opgewonden begon hij te tellen. Er waren veel lampjes, maar twintig is ook veel. Hij mocht geen lichtje overslaan. Hij keek speurend om zich heen en telde luid de lichtjes langs het pad. Zijn tong zat gespannen tussen zijn lippen, zo hard deed hij zijn best om geen enkel lampje te missen.
‘1, 2, 3 …’
Traag ging hij langs het pad. Hij mocht niet lopen, hij mocht geen lichtje missen.
’… 8, 9, 10 …’
Hij bleef even staan. Hij was halfweg. Hij wilde achterom kijken om de afstand achter hem te zien, maar hield nog net in. ‘Niet achterom kijken,’ had de vrouw gezegd.
Snel ging hij weer verder.
’… 13, 14, 15 …’
Harry keek om zich heen. Er was niemand in de buurt en hij telde steeds luider en krachtiger. Nog even en hij was bij twintig. En er zijn zeker nog tien lichtjes te zien!
’… 18, 19, 20!’
Hij had de opdracht volbracht! Even bleef hij staan en keek om zich heen. Hij was benieuwd uit welke richting het geluk zou komen.
Maar het geluk kwam niet op hem af. Het bleef donker en stil. Misschien moest hij het geluk wel zelf tegemoet gaan? ‘Niet achterom kijken,’ zei de vrouw. ‘Ga altijd verder,’ zei ze ook.
Harry stapte verder en voelde zich licht en vrolijk, alsof twintig lichtjes hem vergezelden op zijn weg door het bos. Ook al kwam het geluk niet op hem af: zo blij als hij nu was, had hij zich nog nooit gevoeld.
‘Hé, waarom staat er zo’n mooie glimlach op je mond?’
Hij maakte een sprongetje, want het meisje dat ineens naast hem liep, had hij niet zien aankomen. Woonde ze dan in de bomen of tussen de struiken?
Maar ze gaf hem niet de kans om vragen te stellen.
‘Mag ik met je mee? Iemand die zo blij is als jij, gaat vast naar een plaats waar je heel gelukkig kan zijn.’
Harry snapte er niets van.
‘Ik .. Ik weet niet eens waar ik naartoe ga,’ zei hij terwijl hij een lach moest inslikken omwille van de vreemde vraag van het meisje.
‘Dan ga ik met je mee,’ zei het meisje. ‘En ik heet Happy.’

Ze nam Harry’s hand vast en liep met hem mee over het pad. Happy was mooi, zag Harry. Ze had blauwe ogen, witte tanden en glanzende wangen.
‘Ben jij misschien een prinses?’ vroeg Harry met bevende stem. Want zo mooi vond hij haar.
‘Neen,’ lachte Happy. ‘Ik ben geen prinses. Prinsessen bestaan niet. Ik ben het geluk en je hebt me gevonden omdat je lang hebt gezocht en je lachend en vrolijk om je heen keek.’
Harry moest er even over nadenken, maar kneep dan zachtjes in haar hand.
‘Nu zijn we allebei gelukkig,’ zei ze.

Samen liepen ze verder door het bos. Het was aardedonker, maar het pad dat ze volgden, leidde naar een feest van licht en kleur. Hetzelfde licht als dat wat hij zag toen hij uit de schoot van zijn mama kwam.
Het meisje liet zijn handen los als ze dicht bij het licht waren gekomen.
‘Hier gaan we ons huis bouwen,’ zei ze. ‘Ons huis van geluk.’
Ze keek Harry diep in de ogen reikte hem een grote bijl aan. Harry dacht niet na want hij kon niet wachten om dat huis te bouwen. Met alle macht die er in zijn armen zat, kapte hij de grootste boom uit het bos. Uit de boom maakte hij lange, stevige planken en met de planken bouwde hij het mooiste huis van het bos. Het was nog mooier dan het sprookjeshuis van de vrouw die hem de weg naar het geluk had getoond.
Zonder nadenken keek hij achterom en zocht naar het sprookjeshuis in de verte.  Te laat bedacht hij dat hij dat niet mocht doen. Ineens was de vrouw uit het sprookjeshuis bij hen in het huis.
Maar ze was niet meer vies, dof en vol groeven.
‘Ik ben blij dat je het geluk hebt gevonden,’ lachte ze.
‘Dat heb jij me getoond,’ prevelde Harry.
‘Ik ben gelukkig omdat ik jou geluk heb geschonken,’ zei ze. Maar dan keek ze Harry en Happy weer streng en lief tegelijk aan.
‘Nu moeten jullie dat ook doen. Ga op zoek naar de boom vol licht en hang de twintig lichtjes die je langs het pad hebt gevonden aan de takken van die boom. Twintig lichtjes zorgen voor twintig gelukkige kinderen.’
Harry keek aarzelend naar Happy. Ze kwam dicht bij hem staan en legde haar arm op zijn schouder. Samen keken ze om zich heen en zochten naar de bijzondere boom in de vlakte die voor hen lag. Hun ogen gleden over het landschap. De hoge huizen in de verte, het pad naar het donkere bos, de bomen in het licht van de sterren. Maar geen van de bomen die ze zagen was bijzonder.
Teleurgesteld keek Harry naar Happy.
We zullen die boom nooit vinden,’ klaagde hij. ‘Het is veel te donker.’
Happy keek diep in zijn ogen.
‘Natuurlijk zullen we die boom vinden,’ zei ze zacht en ze gaf Harry een zoen op zijn wang.
Harry voelde het geluk bonken in zijn hart. Nog nooit kreeg hij een zoen als deze. Happy nam zijn arm, stak hem in de hoogte en wees naar een glinsterende boom in het veld.
‘Zie je hem?’ fluisterde ze. ‘Zie je de boom van het geluk?’
Harry wou antwoorden maar schrok dan van de snerpende stem van de oude vrouw. Door al dat geluk om hen heen waren ze haar helemaal vergeten.
‘Ga nu!’ lachte ze rauw. ‘Ga, schenk licht en maak gelukkig! En kijk niet achterom!’

Happy aarzelde niet en huppelde vrolijk over het gras tussen de struiken in de richting van de bijzondere boom. Vol van vreugde liep Harry achter haar aan en al snel stonden ze bij de boom vol licht. Ze namen elkaars hand en keken met grote ogen door de takken van de boom naar de sterren in de hemel.
Ze maakten vele kinderen blij en leefden ook zelf nog lang en gelukkig.


Je kan het 'Magisch Park' bezoeken van 19 december tot 3 januari in het Park van de Bib in Wevelgem.
Alle info: https://www.wevelgem.be/magischpark
Op deze pagina kan je het verhaal ook beluisteren.

Meer voor kinderen:
- De twiggies
- Keaukeaubelli
- De bib beu

https://www.youtube.com/watch?v=ovwXM_Qg52g


zaterdag 21 april 2018

Keaukeaubelli

Voor het wereldfestival Kokopelli schreef ik naar aanleiding van wereldwaterdag een verhaal over water dat tegen de stroom oproeit en de wijde zee opzoekt. 

Het water wentelde zich nog eens in de rimpels van de rivier. Hoe anders leek het ineens. Vroeger, niet eens zo heel lang geleden, was het puur verwennerij als het water zijn armen even uitstrekte, de rivier lang bleef knuffelen en genoot van de blinkende karpers en gladde palingen tegen zijn randen en de springende visjes en zoemende insecten boven zijn oppervlak. Ineens leek alles zoveel zwaarder in zijn eens zo zoete meander in de luwte van de brede rivier. De visjes waren er nog, maar zwommen in stilte in het water, dat zich steeds donkerder zag worden. De karpers blonken nog wel, maar lagen vooral lui en saai in hun eigen dikheid onder hem. De schuld van de toeristen en de oma’s en opa’s en hun uitgelaten kleinkinderen, wist het water. Ze bleven maar brokken brood, stukken koek en weke wafels in de rivier werpen. Het water zag vaak geen steek meer voor zich uit door de papperige deegwaren in zich. Het leek op de mist die vroeger boven hem hing, maar dan in een vuile en vieze versie. En dan had het water het nog niet over de zwevende plastic zakjes en de roestende blikjes op de bodem die hem dagelijks kopzorgen baarden.
Steeds meer vroeg het water zich af wat het bond aan deze doodlopende bocht van de rivier. Niet alleen de rivier, maar ook hetzelf kwam hier tot stilstand. Water moet vloeien, leerde het vroeger op school. Maar enkele jaren later verkommerde het zielloos in deze sombere uithoek van de wereld. Hoe bekrompen was zijn leven geworden! In deze verstomde rivierbocht voelde het water zich niet langer als een vis in zichzelf. Het voelde zich gevangen in de meander, alsof het helemaal op zichzelf en brood zat.
Was het niet de hoogste tijd om de wereld te verkennen? Het water voelde steeds meer de drang om de wijde zee op te zoeken. Het waagde zich wel eens naar de rand van zijn meander en maakte een praatje met voorbijkomend water in de stroming van de rivier. Zij lieten het verhalen horen van hoe wijd de zee en hoe diep de oceanen wel waren. Hoe mooier de vissen en hoe kleurrijker de planten. Verhalen over felgekleurde koraalvissen en sierlijke zeeanemonen. Het water kon zich nauwelijks voorstellen dat het even goed in de diepte van de Noordzee of, stel je voor, van de Stille Oceaan had kunnen terechtgekomen zijn. En diep in zich koesterde het de droom om ten minste één keer in zijn leven naar het Groot Barrièrerif te kunnen vloeien.
En dan keek het water weer hoe troebel het zelf was geworden. Neen, het was genoeg geweest.

Net voor de zomer en de jaarlijkse intocht van toeristisch geweld eraan kwam, waagde het water de duik. Het wou niet nog eens de schreeuwende mensen en de dreunende muziek aan de rand en de invasie van blikjes, papier en andere rommel ondergaan. Bovendien zou het in zee minder koud zijn nu waardoor de aanpassing niet zo drastisch zou zijn. In de meander was het nauwelijks twee meter diep, maar in zee zou het tot vele tientallen meters diep worden. Er werd wel wat aanpassingsvermogen van het water verwacht. Maar dit was het uitgelezen moment voor zijn emigratie naar zee.
Het water voelde zich vederlicht toen het zich aan de vertrouwde bocht liet meevoeren met de snel stromende rivier. Het had zich goed voorbereid. Niets hoefde het te doen, alleen maar vloeien en een beetje uitkijken dat het niet te vaak aanbotste tegen steigers en houtbalken die de schepen op zijn oppervlak veilig naar de havens en de loskaaien moesten leiden. In de drukke steden probeerde het water snel te stromen, wat niet meeviel want op veel plaatsen was geprobeerd om het water tot stilstand te brengen en aan de rand stukjes strand na te bootsen. Maar het water was niet meer tevreden met nepstranden. Het wou zo snel als mogelijk naar de zee, hoe verleidelijk het wel eens was om zich te nestelen in de brede rivier die nooit leek te eindigen.
Na enkele dagen vloeien maakte het water kennis met de schaduwzijde van de grote waterwereld. De rivier was ineens zo breed geworden dat het water even in paniek raakte. Dreef het nog wel in de goede richting? Even was het ter plaatse blijven trappen en liet het zich naar boven voeren. Het piepte even boven het oppervlak en zag schepen zo hoog als kerktorens en zo lang als de meander van zijn jeugd. Maar dan moest het snel weer naar beneden, want toeterend kwam zo’n reuzenschip zijn kant op. In zijn paniek botste het tegen ander water aan dat terstond begon te schelden.
‘Doe nu eens normaal, drek. Drijf voort!’
‘Hou de stroom niet op! Verder spoelen vooraan alstublieft!’
‘Als je niet durft vloeien, hoef je hier niet te zijn, smurrie.’
‘Aan de kant, kliederboel!’
Zoveel agressie was het water niet gewoon. In zijn veilige meander was het ons-kent-ons. Iedereen zorgde voor elkaar en de kleine ergernissen werden met de golf der liefde doorgespoeld. Het water keek wat bevreesd om zich heen en zocht naar bekenden, maar nu viel het ineens wel heel erg op dat ze allemaal als twee druppels van zichzelf op elkaar leken.
Het water besloot niet meer na te denken en liet zich met het verstand op zeeniveau meedrijven. Na een tijdje wende het aan de oneindige ruimte waarin het was terechtgekomen. De stroom werd nog breder en zelfs de schepen aan zijn oppervlak leken nu nietig en klein.
Op een plaats waar algen en wieren welig tierden, was er ineens zenuwachtig gewriemel. Er werd geroepen en gescholden en het water zag ander water dat op zijn schreden terugkeerde. Het kostte veel moeite om de tegenwaartse stroming te trotseren.
Plots werd ook het water vastgegrepen. 
‘Wat doe jij hier? Jij hoort in de rivieren thuis. Hier is geen plaats meer voor jou. De zee zit vol!’
Het water was de kluts kwijt. Dit had niemand hem verteld. Moest het zich nu verantwoorden waarom het naar de zee wou verhuizen? Water eindigde toch nooit. Strikt genomen was het water van zijn meander hetzelfde als dat van de Atlantische Oceaan.
‘Ik… Ik wou wel eens de zee leren kennen. Al mijn hele leven sta ik stil waar ik stroom. Er was geen toekomst meer voor mij.’
‘En die hoop je nu in zee te vinden? Weet je dan niet dat het ook daar vol zit? Dat het ook daar stikt van dode vissen, zwevende viezigheid en rottend afval? Dat vissen vreselijke pijnen lijden door de plastics in hun maag en dat ze een vreselijke dood vinden in de netten van de vissers?’
‘Ik dat zo? Daar heb ik nog niet over nagedacht…’ prevelde het water. Even kroop het in zijn schelp.
‘Ha, daar had je nog niet over nagedacht! Dat had je misschien wel eens kunnen doen, dan was die hele drijftocht naar hier niet nodig geweest. Je dacht toch niet dat alle water even welkom was in de zee?’
De wereld van het water stortte in elkaar. Was het dan echt allemaal voor niks geweest? Mocht het water vanaf hier niet meer verder en werd het op botte wijze verplicht om terug te keren naar zijn uitzichtloze meander?
Tegelijk voelde het zich in opstand komen. Het wou tegen de stroom in vloeien. Kon dit vijandige water dat zomaar verhinderen? Wie gaf het het recht om de toekomst van ander water in de weg te staan? Het water van de zee en van de rivieren van elkaar te scheiden?
‘Slechter dan in mijn meander kan het hier niet zijn,’ zei het water stoer. ‘Daar is nog veel meer viezigheid dan in de hele wijde zee. Ik wil het erop wagen. Mijn toekomst ligt hier.’
‘Dat zegt al het water dat hier aanspoelt. Allemaal denken ze dat het water blauwer is aan de overkant. Enkele maanden later kost het veel meer moeite om met hangende pootjes terug te vloeien. Dan is het stroomopwaarts hé, vergeet het niet.’
‘Ik ben jong en sterk…’ zei het water moedig. ‘Dit voelt niet alsof ik mezelf naar zee draag.’
Even werd het stil.
‘Dit heb je mooi gezegd. Vloei jij maar verder, jij redt het wel. Veel succes!’

Ineens voelde het water hoe het weer onhoudbaar werd voortgestuwd. De rivier die al zo’n brede stroom was geworden opende zich toen nog veel verder tot een oneindige zee. 
‘Is dit het dan? Ben ik er echt?’
Het water had moeite om het zich voor te stellen. Het keek om zich heen. Om zich heen zag het vermoeid en wat onthutst water. Aarzelende en onzekere blikken, maar ze stonden vol verwachting en hoop. Water dat hier was, dreef niet meer tegen de stroom in, maar liet zich gulzig verder drijven. Steeds dieper kroop de zee. Steeds sneller vloeide het water. Steeds hoger sloegen de golven van de branding. Even moest het water nog tegen de stroom in beuken, maar het was niet meer te stoppen. Het duurde niet eens heel lang voor het zich veilig in de loom deinende zee voelde. De angst op de gezichten om zich heen was verdwenen. Overal zag het de schittering van de hoop. O ja, er dwarrelde meer plastic dan het had gedacht in deze zee. En niet alle vissen met hun slokoppen en holle ogen keken het even vriendelijk aan. Kreeften met griezelige grijparmen en kwallen met zuigende lippen lieten het van angst de andere kant opkijken. Het rook hier meer dan in zijn meander naar olie en viezigheid en ook hier voelde het zich al eens mistig. Maar het water plaatste zijn blik op oneindig. Het keek hoe ruim dit sop wel was. Hoe mooi de vissen, hoe sierlijk de planten. Hoe onmetelijk was deze waterzee, hoe veelbelovend de toekomst! Het water had geen idee waar zijn vloed naar het leven zou leiden. De zee had geen einde en geen begin en overal lagen de kansen voor het grijpen. Het leven is aan de drijvers.
Bye bye, stille meander. Ik kom eraan, wijde zee. Nooit eerder voelde het water zich zo gelukkig.

Geschreven voor Kokopelli Festival Gullegem: embrace the world (11-12-13 mei 2018)

https://www.youtube.com/watch?v=zUwEIt9ez7M

Meer voor kinderen:

dinsdag 5 december 2017

De twiggies

Opeens stond het park rond de bibliotheek vol kleine huisjes. Daar woonden de twiggies.

1.

‘Nu moet jij,’ lacht Elsje. ‘Ga met je ogen dicht tegen de boom staan en tel tot dertig. Pas dan mag je je ogen weer openen en moet je mij zoeken.’
Karim vindt het maar niks. Hij haat dit spelletje. Je verstoppen in dit enorme bos is een makkie. De bomen hebben grote stammen waarachter je helemaal kan verdwijnen en je kan makkelijk op de takken klimmen en in de bladeren verdwijnen. En dan zijn er nog die oude muren van het vervallen kasteel. Als Elsje zich niet zelf vertoont, raakt Karim nooit op tijd thuis en krijgt hij van pa straks weer een bolwassing.
Maar Elsje wou voor hem als keeper in de goal staan zodat hij zijn strafschoppen kon trappen. Wel twintig keer moest ze in de struiken achter het vangnet op zoek naar de bal. Haar benen zitten vol schrammen nu. Hij had met haar te doen toen hij het bloed op haar kuiten zag. Dus moet hij nu ook maar eens verstoppertje met haar spelen. Ze is zijn beste vriendin. Alleen jammer dat ze niet graag voetbalt.
Het wordt muisstil als hij met zijn handen voor de ogen tegen de boom leunt. Hij telt in stilte, maar bij tien roept hij zo hard als hij kan. Zijn stem echoot in het bos. Dan telt hij in gedachten weer verder.
… elf, twaalf, dertien, veertien…
Hé, wat ziet hij daar beneden tegen de boom? Dat had hij daarstraks niet opgemerkt. Het lijkt een wegwijzer, maar dan een hele kleine. Een pijltje.
Eerst verder tellen, hij kijkt straks wel.
… zeventien, achttien, negentien…
‘Twintig!’ roept hij weer hard. Het hele bos hoort hem, maar hij denkt niet dat er op Elsje en hij na nog iemand is. Hij vond het altijd al zo vreemd. Een heus bos bij hem om de hoek en niemand die er zich durft te vertonen. Ook zijn pa zegt het wel eens. ‘Ga maar niet te vaak in dat bos ronddwalen,’ moppert hij vaak.
Karim wil verder tellen, maar een stekelige pijn aan zijn knie houdt hem tegen. Hij slaat er met zijn hand op. Smerige muggen, denk hij.
… eenentwintig, tweeëntwin…
‘Auw!’ Verdomme…!’
Hij kreunt van de pijn. Weer zo’n beest op zijn knie.
Hij kijkt met een half oog. En dan met een heel, want wat hij ziet is geen mug. Het lijkt wel een wandelende tak. Een smal langwerpig insect dat kort en hevig op zijn knie prikt.
Hij houdt op met tellen en buigt zich tot bij het dier.
Dit is geen gewoon insect, ziet hij nu. Het kleine diertje is heel harig en heeft een kleur die hij niet kent. Het lijkt het meest op paars, maar dat is het niet. Ook geen rood of oranje. Iets ertussen. Als hij heel goed kijkt, ziet Karim twee armen, twee benen, een hoofd met een neus, twee oren, twee ogen en een mond. Het diertje houdt op met prikken als Karim nog wat dichter komt met zijn gezicht.

Karim verstijft. De kleine minioogjes van het insect kijken smekend in die van hem. Het diertje zegt iets, maar hij hoort niets. Hij gaat nog dichter bij de mond en houdt zijn adem in. Hij hoort iets. Een zacht gesis. Het diertje glijdt ineens over Karims been naar beneden, over zijn schoen, door het oog van zijn veter tot bij de boom. Het gaat bij het pijltje van daarstraks staan.
‘Zeg, waar blijf je? Je hield gewoon op met tellen, jij! Niet leuk hoor, flauwerik…’
Elsje is er ineens. Karim neemt haar vast en houdt zijn vinger voor haar mond. Hij wenkt haar om bij hem te komen zitten.
Snel krijgt ze het diertje ook in de gaten.
‘Het lijkt wel of we moeten volgen…’
‘Volgen? We kunnen toch niet tegen die boom lopen nu. Of wil je dat ik straks ook vol schrammen zit?’ fluistert Karim.
Het diertje wijst naar de boom.
Karim neemt zijn smartphone, knippert zijn zaklamp aan en gaat op de grond liggen.
‘Dit kan niet…’ zegt hij.
Elsje gaat naast hem liggen. Nu ziet ze het ook. Er is een deurtje in de stam van de boom. Een piepklein houten deurtje met een klink en een brievenbus. Het diertje opent de deur, gaat binnen in de donkere opening staan en kijkt achterom.
Het zwaait met zijn arm en zijn mond gaat open. Weer zijn er de smekende ogen.
‘Het wil echt dat we binnengaan!’ zegt Elsje.
‘Doe nu niet zo gek,’ zegt Karim. ‘Hoe kunnen we nu in godsnaam…’
Hij knippert met zijn wijsvinger tegen het deurtje. Hij voelt warme, hevige wind op zijn lichaam. Hij moet even zijn ogen sluiten, zo hard is de luchtstroom om hem heen. Het lijkt wel alsof een storm hem voortstuwt. Wanneer hij zijn ogen weer opent, ziet hij een vreemde persoon met een paarse mantel en lang rood haar naast hem.
‘Waar ben ik…?’ roept Karim verdwaasd. Hij wil weglopen, maar hij ziet geen deur en voor hem is alleen een donkere opening.
De man naast hem neemt zijn arm vast.
‘Wees niet bang…’ zegt hij. ‘Je bent veilig hier. Ik moet je iets vertellen. Maar laat eerst je vriendin ook binnenkomen…’
Elsje! Waar is Elsje nu ineens naartoe?
Hij kijkt naar de paarse man. Zijn ogen wijzen naar beneden.
Karim moet even slikken. Bij het topje van zijn schoenen, bij het zwarte gat, ziet hij Elsje staan. Ze is piepklein, maar hij herkent haar aan haar witte haar. In paniek kijkt hij om zich heen. Pas nu merkt hij waar hij is. Hij staat aan de andere kant van het deurtje van daarstraks. Hij staat in de boom en het diertje van daarnet is de paarse man die nu naast hem staat!
Hij gaat op zijn knieën zitten en wil Elsje in zijn hand nemen. Maar hij heeft haar nog maar even aangeraakt of ze staat al naast hem. Net zo groot als ze anders is.
‘Hé, waar was jij plots? Je was ineens zomaar verdwenen!’
‘Dat was ik ook, Elsje… Kijk eens waar je bent nu…’
Elsje kijkt om zich heen. Haar mond valt open. Pas nu ziet ze de paarse man.
‘Dat is…  Ik wil hier weg, Karim. Zo snel mogelijk. Dit is... dit is… Kom, weg hier!’
Ze wil door het zwarte gat verdwijnen, maar de paarse man trapt met zijn voet een deur dicht. Elsje bonkt hard tegen het hout en valt naast hem op de grond. Ze legt haar handen op haar voorhoofd.
Karim kijkt met bange ogen naar de paarse man.
‘Sorry, ik moest dit wel doen,’ zegt hij kordaat. ‘Probeer de deur niet meer te openen nu, het lukt je toch niet meer.’
Karim duwt met beide handen zo hard als hij kan tegen het hout. De deur geeft geen krimp. Ook de klink zit vast.
Elsje barst in tranen uit.
‘Wat ben je met ons van plan…?’ zegt Karim met trillende stem.
‘Ik snap dat jullie bang zijn, maar dat ben ik ook. Al meer dan tien jaar ben ik ontzettend bang. En eindelijk vind ik iemand die mij van die angst kan bevrijden. Jullie moeten me helpen…’
Karim ziet dezelfde smekende ogen van daarnet.
‘Helpen waarmee?’
‘Me helpen om jullie te redden.’
‘Je spreekt in raadsels,’ zegt Karim. ‘Ik snap hier niks van.’
‘Volg me naar de hoofdwortel…’
‘Naar wie?’
‘Naar de hoofdwortel. Hij zal jullie alles uitleggen.’
Hij gaat hen voor in het donker. Waar hij voorbijkomt, licht een fel licht op. Karim kijkt omhoog. Hij ziet de takken van de boom die door elkaar in alle richtingen verdwijnen.
Hij legt zijn arm om Elsjes middel.
‘Kom,’ fluistert hij. ‘We moeten wel met hem mee nu…’
De paarse man blijft ineens staan.
‘Oh ja, zei ik jullie al hoe ik heet?’
Beduusd schudden Karim en Elsje van neen.

2.

‘Ach, wat doet het er toe hoe ik heet…’ mompelt de paarse man. ‘Jullie heten Karim en Elsje, hé?’
Hoe weet hij dat nu, vraagt Karim zich af. Hij knikt van ja, maar de paarse man is alweer vertrokken. Waarom zegt hij zijn naam dan niet?
Met hun drieën gaan ze verder door de donkere en vochtige gangen in de aarde. Hier en daar moeten ze klauteren over wortels of kruipen door een smalle tunnel in de grond. De grillige vormen van de wortels maken het Karim en Elsje niet makkelijk om de paarse man te volgen. Hij is groter dan hen, maar heeft geen moeite om snel te lopen. Alsof hij deze weg al honderd keer heeft afgelegd.
Ineens blijft hij staan. Hij zegt niets en wijst met zijn hoofd naar een grote open ruimte die verborgen zit tussen grote wortels en rotte bladeren. Meteen wordt de ruimte ondergedompeld in een helder licht.
Karim laat stomverbaasd zijn ogen over de duisternis zweven. Hij valt achterover van de schrik. Gelukkig kan Elsje hem in haar armen opvangen.
‘Wat is er?’ roept ze bang.
‘Kijk… kijk zelf maar…’ prevelt hij.
Ook Elsje kijkt nu in de verlichte ruimte. Overal liggen mensen die eruitzien als de paarse man in het rond. Ze liggen kriskras door elkaar, hun benen en armen in elkaar verstrengeld. Net als de man dragen ze lange jassen, maar die hebben allemaal een andere kleur. Geen twee jassen zijn dezelfde. Karim wist niet eens dat er zoveel kleuren bestonden.
‘Het lijkt alsof ze slapen…’ zegt Elsje. ‘Wie zijn dit?’ vraagt ze met ogen vol angst aan de paarse man.
‘Ze slapen ook,’ mompelt hij. ‘Sinds drie jaar hebben ze geen oog meer geopend. Soms dromen ze hardop. Dan hoor ik hen roepen, of zingen. Of lachen. Maar ze worden niet meer wakker…’
‘Maar… wie zijn het?’ zegt Elsje opnieuw.
De paarse man staart voor zich uit. Karim ziet een traan over zijn wang glijden.
‘Kom maar mee…’
Zonder nog iets te zeggen haast hij zich weer door de doolhof van wortels, takken en bladeren.
Karims knieën knikken. Waar zijn zij in godsnaam aanbeland? Hij kijkt achterom en neemt Elsjes hand vast.
‘Ben je bang?’ vraagt hij.
‘Natuurlijk ben ik bang…’ zegt ze. ‘Heel erg bang.’
‘Het komt wel goed,’ zegt Karim stilletjes. Maar hij is lang niet zeker of dat wel zo is.
De paarse man wacht hen zwijgend op bij een zware houten deur. Als ze naast hem staan, kijkt hij hen vriendelijk aan. Hé, dat doet deugd! Ineens is Karim wat minder bang.
Dan trapt de man met zijn voet keihard tegen de deur, die met een harde bonk openklapt.
Hij kijkt ernstig hun kant op.
‘We zijn bij de hoofdwortel gekomen,’ zegt hij. Tegelijkertijd knikt hij met zijn hoofd in de donkere ruimte, die ogenblikkelijk weer in een helder licht baadt.
Karim en Elke komen dicht bij elkaar staan en houden elkaars hand stevig vast.
Maar veel is er niet te zien. Alleen een groot hol in zwarte aarde, hier en daar doorstoken met dikke en forse wortels. Die leiden allemaal naar het midden, waar niet meer dan een grote stronk is te zien. Een enorme klomp hout. Eigenaardig genoeg is die niet verlicht. Je kan hem alleen zien omdat de rest van het hol helemaal verlicht is nu.
De paarse man gaat even aan de kant staan om Karim en Elsje door te laten.
‘Ga maar…’ zegt hij.
Karim kijkt hem verbaasd aan.
‘Gaan? Naar waar dan?’
‘Naar de hoofdwortel. Hij wacht op jullie.’
‘Op ons?’
‘Ja, op jullie. Al drie jaar wacht hij. Eindelijk zijn jullie er.’
Ze blijven trillend op hun benen staan. De paarse man duwt tegen Karims rug.
‘Komaan, ga dichter. Maak hem niet boos!’
‘Maar...’
‘Ga nu!’
Bevend staan Karim en Elke bij de hoofdwortel. Ze weten niet goed waar ze moeten staan, want hij heeft geen gezicht. Staan ze nu voor, naast of achter hem?
Dan klinkt ineens een heel zachte, vriendelijke stem. Karim denkt meteen aan juffrouw Olga. Die heeft ook zo’n mooie stem. Alleen ziet ze er veel leuker uit dan deze knoest.
‘Dag Karim en Elsje. Jullie lieten me wel heel erg lang wachten. Maar ik ben blij dat jullie er zijn…’
‘Euhm… Dag,’ fluisteren Karim en Elsje.
‘Jullie hoeven niets te zeggen, laat dat maar aan mij over. Ik zeg wel wat jullie moeten doen.’
‘Oké…’ zegt Karim. De paarse man legt brutaal zijn vinger op zijn mond. Karim ziet hem driftig van neen schudden.
‘Jullie bovenmensen hebben het leven van de twiggies helemaal verstoord…’ begint hoofdwortel.
Karim zoekt vanwaar de stem komt. Ergens uit de wortel, dat is hij nu wel zeker. Maar hij ziet geen mond.
‘De twiggies hadden een prachtig bestaan. Hier onder de bomen van het park hadden we ons eigen land. In de holen bouwde elke twiggie zijn eigen kamertje. Maar er waren ook speelzalen, feestzalen, leeshoeken en knuffelkamers. Onder het kasteel was er zelfs een zwembad met water dat altijd warm en helder was. En tijdens de vakantie speelden we met de bovenmensen…’
‘De bovenmensen... dat zijn jullie,’ fluistert de paarse man stilletjes in Karims oor.
Hoofdwortel vertelt onverstoord verder.
‘Maar die tijden zijn lang voorbij. Jullie bovenmensen maakten onze wereld kapot. Jullie goten de grond vol beton en overal zitten nu buizen en leidingen. Onze holen stortten in en vele twiggies verdronken in water, stikten door gas of schrokken zich dood aan de elektriciteitsleidingen. Maar dit was lang niet het ergste…’
Karim en Elsje luisteren met open mond naar wat de hoofdwortel vertelt.
‘Het ergste is… Jullie zijn er niet meer. In de bovenwereld zijn geen kleine bovenmensen meer. Er rijden overal auto’s en motoren. Er klinkt harde muziek en er ronken grote machines. Maar er wordt niet meer gespeeld en verteld. Wie weet nog wat bosgeesten zijn? Wie zoekt nog naar boselfen en toverprinsen? Wie gelooft nog in kabouters en paddenstoelen als kastelen? De twiggies verveelden zich te pletter. Zij die niet door asfalt en beton werden verpletterd, gingen ten onder aan verveling. Boven was er niemand meer om te spelen…’
Het blijft even stil. Karim en Elsje kijken elkaar onwennig aan.
‘Jullie hebben de twiggies gezien. Ze zijn ingedommeld in de grote zaal. Ze hebben nog wel vrolijke kleuren, maar de lach is van hun gezicht verdwenen. Ze hadden nergens nog zin in. Daarom kropen ze dicht bij elkaar en vielen in een slaap waaruit ze nu al jaren niet ontwaken. Vroeger klonk overal gelach, werd er gezongen en gespeeld, ging het er vrolijk aan toe. Nu is het hier stil. De twiggies vielen in slaap van verveling en verdriet.’
Karim snapt wat er is gebeurd. Nog niet eens zo lang geleden kwam hij hier ook vaker met zijn pa spelen. Er waren toen ook veel meer kinderen. Ze maakten kampen in de bomen en speelden spannende bosspelen. Maar nu is het veel stiller geworden. De grote parking maakte het leukste stukje van het bos kapot. Rond de vijver verscheen een traliehekken. De hoogste bomen werden gekapt. En het kasteel is in verval en mag niet meer betreden worden.
‘Alleen jullie spelen hier nog, Karim en Elsje. Jullie verstoppen zich tussen de bomen, hollen door het bos en spelen voetbal op het veld. Jullie zijn de overblijvers en de laatste kans om de twiggies uit hun slaap te halen. Misschien krijgen ze dan weer zin om te leven en wordt het ook voor de bovenmensen weer veel leuker in het bos.’
Karim is in de ban van wat de hoofdwortel vertelt. Hij kijkt naar Elsje. Haar ogen fonkelen.
‘Ik snap het wel…’ zegt Karim. ‘Maar hoe moeten wij dat dan doen?’
De hoofdwortel zucht.
‘Helaas… Ik heb geen idee. Ik zie wat er gebeurt, maar ik ben niet sterk genoeg om er iets aan te doen. Ik kan ook niet weg van deze plaats. Ik zit voor eeuwig vast in de grond. Maar… Ik heb iets dat jullie misschien kan helpen.’
Meteen komt de paarse man tot bij de hoofdwortel. Hij buigt zich en haalt iets uit een verborgen holte.
‘Dit is de sleutel van het kasteel. Met de sleutel kunnen jullie in alle kamers en zalen. En elke vervallen ruimte waar jullie komen, zal weer schitteren als voorheen. De ruïne zal veranderen in het schitterende kasteel dat er vroeger was. Met de sleutel in de hand kunnen jullie de prinsen en prinsessen, de ridders en jonkvrouwen en de tovenaars en kunstenmakers van vroeger weer tot leven wekken. Het haardvuur zal weer branden in alle kamers.’
Opeens valt de sleutel voor Karims voeten. Hij neemt hem voorzichtig op. Hij is zwaar en koud.
‘Alleen jullie beschikken over de toverkracht. Probeer de twiggies weer tot leven te brengen. Laat kinderen spelen en doe het bos weer leven.’
Karim staat trots voor de hoofdwortel. Hij voelt zich ineens heel belangrijk.
‘Je kan op ons rekenen!’ zegt hij wat overmoedig.
‘Dat dacht ik al de hele tijd. Het duurde lang voor jullie mij vonden. Maar vandaag is de dag. Ga nu, Karim en Elsje. En vergeet niet: de toverkracht hebben jullie alleen in het kasteel. Veel geluk…’
Op hetzelfde moment gaat het licht uit en is er een felle windscheut. Er is geen spoor van de hoofdwortel meer te zien.
Karim en Elsje wrijven in hun ogen. Dan zien ze dat ze weer voor de boom in het bos staan. Waar zijn die twiggies nu? Waar is de hoofdwortel? Waar is de paarse man? Dit was toch niet gewoon een droom!
Karim buigt door zijn knieën. Jawel, hij ziet het kleine deurtje in de boom. En pas nu merkt hij de grote sleutel aan zijn voeten.
Hij kijkt naar het vervallen kasteel aan de andere kant van het bos.
‘Kom…’ zegt hij tegen Elsje.


3.

Karim en Elsje kijken van ver naar het vervallen kasteel. Hier woonde vroeger een rijke baron, zei vader eens. Hij had geen kinderen en na zijn dood bleef het gebouw leeg staan. Grote stukken van het dak zijn ingestort en de meeste vensters zijn aan diggelen geslagen. Maar het voorste deel van het gebouw staat er nog. Er is een grote inkomdeur met mooie versieringen. Aan beide kanten van de deur zitten hoge ramen, maar door modder en stof kun je er nauwelijks nog door kijken.
Karim aarzelt als hij de sleutel in het oude roestige slot van de deur wil steken.
‘Mogen wij dit wel doen?’
Elsje kijkt hem verbaasd aan.
‘Het is toch wat de hoofdwortel ons vroeg? Het kasteel binnengaan en alle kamers en zalen weer doen schitteren.’
‘Ik weet het wel,’ zegt Karim. ‘Maar mag het wel? Het kasteel is toch niet van ons. Misschien komt de politie wel langs. Of boze buren die zien dat we binnengaan…’
Ineens kijkt hij paniekerig om zich heen.
‘Soms zijn er camera’s in de buurt van zo’n gebouw. In het politiekantoor staren agenten de hele dag naar een computerscherm. Ze zien alles wat je doet. Hé, misschien zijn ze al onderweg naar hier…!’
Karim haalt de sleutel snel weer uit het slot.
‘Ik weet niet of ik dit wel durf hoor, Elsje. Eigenlijk weten we niet eens wie die hoofdwortel is. Kunnen we hem wel vertrouwen? Misschien is hij een misdadiger. Misschien is het een valstrik en worden we zelf wel opgepakt. Misschien liggen we straks ook wel in dat donkere hol tussen de wortels van de boom!’
Elsje zucht. Ze komt op hem af en rukt de sleutel uit zijn hand.
‘Bangerik! Natuurlijk is die boomwortel geen bedrieger. Hij heeft ons nodig! We moeten de twiggies redden en die reddingsactie begint hier en nu in het kasteel!’
Karim laat zich de sleutel ontfutselen en zet een stap achteruit als Elsje die weer in het slot steekt. Het kost haar moeite om hem om te draaien. Het slot is roestig en de sleutel zwaar.
‘Yes…!’
Met een doffe plof springt het slot open. Elsje kijkt even achterom.
‘Kom je mee?’
Ze duwt voorzichtig de deur open. Een vieze geur dringt haar neus binnen. Het ruikt naar mos en dode ratten. Althans, dat denkt ze, want ze weet eigenlijk niet goed hoe dode ratten ruiken.
‘Bwah!’ roept Karim nu ook. ‘Wat een stank!’
Met hun vingers rond hun neus duwen ze de deur helemaal open en zetten enkele stappen in de inkomhal. Het is er erg donker. Maar de ruimte is heel groot en het plafond mooi versierd.
Aarzelend gaan ze naar binnen. Zodra de deur dichtvalt, licht de zaal helemaal op. Ineens werpen wel honderd fijne fonkelende lampjes een helder licht in de zaal. Er staan mooie houten kasten vol glinsterende glazen en borden en op zuiltjes tegen de muur staan porseleinen vazen te glanzen in het licht.
Helemaal verstomd kijken Karim en Elsje in het rond.
Elsje steekt haar hand uit.
‘Kom,’ zegt ze. ‘Daar verder is weer een deur.’
Karim neemt haar hand en volgt haar terwijl zijn ogen door het gebouw zweven. Waar komen al dat licht en dat sierlijk huisraad ineens vandaan?
Ook de deur die naar de andere ruimte leidt, zit op slot.
Elsje neemt de sleutel, opent de deur en duwt die voor zich uit.
Ze moeten even wennen aan de duisternis, maar ze zijn amper binnen en de zaal wentelt zich in een feestelijk licht. Er staan mooie banken waarop wel honderd mensen kunnen zitten aan een zware houten tafel met mooie tekeningen op het tafelblad en sierlijke krullen aan de poten. De mooie kasten tegen de muur zijn volgestouwd met boeken met kleurrijke ruggen en naast de ramen hangen stijlvolle schilderijen. In het midden is er een grote haard met houten blokken en knetterend vuur.

Sprakeloos lopen Karim en Elsje op de toppen van hun tenen door de zaal. Ze komen bij een andere deur en weten dat ze ook nu weer zullen worden verrast.

Elsje opent de deur en een helder licht floept aan van zodra ze een stap in de zaal zetten. Weer zien ze een grote ruimte, gehuld in een helder licht, gevuld met mooie meubelen en versierd met prachtige schilderijen. De zaal daarnaast is de keuken waarin de potten en pannen en het zilveren bestek glinsteren in de glazen kasten. Daarnaast komen ze in een slaapkamer met een heerlijk hemelbed waarop wel twintig vrolijke knuffeldieren zitten. De deur in de slaapkamer leidt naar een grote binnentuin vol bloemen en hoge bomen met slingers tussen wel tien boomhutten en met in het midden speeltuigen rond een grote zwemvijver.
Karim en Elsje vallen van de ene verbazing in de andere. Ze komen al jaren in het park en ze konden niet vermoeden dat achter de grijze muren en donkere ramen van het oude kasteel zo’n schitterende plaatsen waren verborgen. Of komt het dan toch door de wonderlijke sleutel die ze van de hoofdwortel kregen?
Op het einde van de tuin die groter lijkt dan het park zelf is er een klein houten poortje. Ook hier past de sleutel in het slot.
Hé, dit is schrikken. Ineens staan ze op het saaie asfaltpad dat naar de parkeerplaats naast het park leidt. Verder is er niemand te zien. Zelfs de eenden en zwanen in de vijver laten niets van zich horen.
‘Hoe saai hier,’ zegt Karim.
‘Ja hé,’ zegt Elsje een beetje triest. ‘Kom, we keren terug. Ik wil het kasteel verder verkennen!’
Karim knikt en wacht tot ze het deurtje weer opent.
Neen! De tuin is er niet meer! Wat ze zien, is een grote vieze koer. Omgevallen muren, resten bakstenen en dakpannen en verweerde houtbalken liggen slordig over elkaar. Twee ratten snellen weg over de stenen.
‘Hoe komt dit nu?’ roept Elsje. ‘Waar is die tuin nu?’
Ook Karim snapt er niks van. Hij grijpt naar de sleutel in Elsjes handen en loopt haastig naar de deur van de slaapkamer. Hij vreesde het al. De prachtige slaapkamer vol kleuren en knuffels is verdwenen. Hij ziet alleen een oude bergplaats waarin een oude bestelwagen staat en het ruikt naar olie en roestend ijzer.
Hij gaat ontgoocheld zitten. Elsje komt bij hem staan.
‘Misschien moeten we maar eens kijken in de andere kamers. Die meubels kunnen toch niet zomaar verdwenen zijn…!’
‘Ach, Elsje… Alles is weg. Het kasteel is niks meer dan een vervallen gebouw. We beeldden het ons allemaal maar in. Hoe kon dat ineens?’
‘Wat we zagen was toch echt? Neen hoor, Karim. Je geeft het veel te snel op. De hoofdwortel gaf ons een toversleutel om de twiggies te redden. Er moet iets zijn. Hebben we hem niet goed begrepen misschien?’
Elsje gaat naast Karim zitten.
‘Dankzij deze sleutel zou de ruïne weer veranderen in een kasteel, zei de hoofdwortel…’
‘Ja, dat was wel zo. Maar alleen die ene keer…’
Elsje denkt diep na.
‘We vergeten iets, denk ik. Maar wat?’
Opeens springt Karim recht. Hij houdt zijn hoofd tussen zijn handen.
‘Ik weet het!’ roept hij. ‘Ik weet wat de hoofdwortel wou zeggen!’
Elsje kijkt hem vol verwachting aan.
‘Wel… Met de sleutel moesten we niet alleen van de ruïne een kasteel maken. Hij zei ook…’
Elsje laat hem niet uitspreken.
‘Dat is het! We moesten ook de prinsen en prinsessen, de ridders en de jonkvrouwen en de tovenaars en de kunstenmakers weer tot leven wekken!’
Karim schiet in de lach.
‘Dat is het! Dat is ook normaal, toch! Een kasteel en een tuin waar niemand is… Wat heb je daar aan?’
‘Niks!’ lacht Elsje nu ook.
Maar dan worden ze ineens weer stil en kijken ze elkaar aan.
‘Denk je wat ik denk?’ vraagt Karim plots ernstig.
‘Ik denk het,’ zegt Elsje. Ze kijken om zich heen. Waar moeten ze die prinsen en prinsessen, tovenaars en kunstenmakers vandaan halen? Ze kijken in het rond. Niemand te zien… In de verte horen ze alleen het geronk van voorbijrijdende auto’s en vrachtwagens.
Ontgoocheld kijken ze naar elkaar.
‘Dit komt niet goed,’ zegt Karim. ‘De hoofdwortel heeft makkelijk praten. Hij zegt wat we moeten doen, maar niet hoe. Met die toversleutel kunnen we het kasteel wel mooi maken, maar sprookjesfiguren die kun je niet zomaar toveren…’
‘We moeten de kinderen uit hun huis halen. Misschien zitten ze nu voor de televisie. Of zitten ze te gamen of op hun smartphone…’
‘Konden ze maar zien hoe mooi dit kasteel kan zijn!’
‘Dan kwamen ze wel… Er zit niks anders op. We gaan overal aanbellen. Iedereen naar buiten, iedereen naar het kasteel!’
’Dat zijn wel heel veel kinderen, hoor.  Hier zijn we dagen zoet mee…’
‘Dat is zo. Iemand moet ons helpen…’
‘Maar wie?’
Ineens horen ze geritsel in de struiken aan de overkant van het pad. Het lijken wel naderende voetstappen. En nu is er ook gefluister.
Ze kijken elkaar onbegrijpend aan.
Ineens komen wel twintig twiggies uit het struikgewas. Ze wrijven zich de ogen uit en kijken nog wat verdwaasd in het rond. De paarse twiggie in de eerste rij blijft stokstijf staan en wijst naar het kasteel.
Ook Elsje en Karim kijken in die richting. Hé, kijk eens! Nu komt er wel weer licht uit de ramen! Van waar ze hier staan, kijken ze binnen in de haardzaal en zien ze de kleurrijke ruggen van de boeken.
Opgewonden beginnen de twiggies door elkaar te praten. Maar ineens worden ze muisstil en kijken met zijn allen naar de paarse twiggie die voor Karim komt staan.
Hij maakt een diepe buiging en spreekt met een diepe, plechtige stem.
‘We gaan jullie helpen. Jullie brachten het kasteel weer tot leven. Dat geeft ons moed. Nu gaan we samen bewoners zoeken. Loop maar mee…’
‘Maar…’ stotteren Karim en Elsje tegelijk. ‘Hoe…’
‘Laat het maar aan ons over…’
Verbouwereerd lopen Karim en Elsje achter de paarse twiggie aan. Achter hen lopen de andere twiggies druk vertellend en luidop lachend.
Karim kijkt naast zich door het grote raam van de haardzaal. Hé, ziet hij daar een man voorbijkomen? En draagt hij echt een kroontje? Karim probeert beter te kijken, maar de ramen zijn te hoog en de paarse twiggie maakt haast.
Ze komen nu voorbij de slaapkamer. Ziet hij die knuffels in het rond vliegen? En hoort hij kinderstemmen achter de ramen?
Hij kijkt achterom. Net op dat moment zwaait het poortje van de kasteeltuin open. Wel tien kinderen die hij kent uit de klas van juffrouw Olga lopen naar buiten. Ze zijn verkleed als ridder en stormen luid roepend en met hun zwaard boven hun hoofd het park in.
Zou Elsje het ook gezien hebben? Maar Karim ziet haar niet. Zijn ogen dwalen in het rond en plots ziet hij haar. Twee twiggies staan gebogen voor het raam van de keuken. Elsje staat op hun rug en kijkt naar binnen.
‘He, Karim, moet je zien! De twiggies zijn aan het werk in de keuken!’
Karim staat stil. Hij snuffelt met zijn neus. Wafels!
Dan vliegt ineens de grote deur van het kasteel open. Verbluft ziet Karim juffrouw Olga naar buiten komen. Ze ziet eruit als een prinses.
‘En nu allemaal naar buiten!’
Een hels kabaal komt uit het kasteel. Wel honderd kinderen stormen naar buiten. Karim herkent veel jongens en meisjes uit zijn school. Ze zijn allemaal verkleed. Je kan het niet gek genoeg bedenken waarin ze zijn verkleed. In geen tijd is het park vol leven.
Karim zoekt de andere twiggies. Maar die zijn er niet meer. Hij speurt de omgeving af. Even verderop ziet hij bij de grote beuk naast het kasteel gewriemel op de grond.
Karim slikt.
‘Kom,’ zegt hij tegen Elsje. Ze lopen naar de boom en gaan op hun knieën zitten. De kleine harige diertjes lopen vrolijk in het rond.
‘Als je heel goed kijkt, kun je zien dat ze een vreugdedansje maken…’ zegt Elsje.
Karim kijkt blij naar de dansende twiggies en naar de spelende kinderen in het park.
‘Kom,’ zegt hij tegen Elsje. ‘We gaan ook spelen…’
Hij kijkt nog een laatste keer naar de twiggies. De paarse twiggie is dichter bij hem komen staan.
Als Karim heel goed luistert, hoort hij hem ‘dank je’ zeggen. En hij knipoogt.

Geschreven in de zomer van 2017 voor een speels avontuur van de Jeugddienst Wevelgem in het Park van de Bib in Wevelgem.

https://www.youtube.com/watch?v=B0jMPI_pUec

Meer voor kinderen:
- Keaukeaubelli
- Boom vol licht