Pagina's

Posts tonen met het label afscheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label afscheid. Alle posts tonen

zaterdag 10 november 2018

Reveil voor een overleden dichter

Op 1 november bracht Moorsele hulde aan overleden geliefden tijdens Reveil. Ik had een vage maar zachte herinnering aan dichter Hedwig Verlinde.

Hedwig,

We hebben elkaar nauwelijks gesproken en je hebt het mij dus nooit verteld. Hoe de mensen in Moorsele over je dachten, over je spraken. Of ze je onbegrijpend of bewonderend nakeken. Of ze je kenden of negeerden. Was je de schoonzoon van de burgemeester? Werkte je in een glasbedrijf? Was je de vader van Kaïn, Soetkin en Han? Speelde je een beetje raar toneel? Was je de echtgenoot van Treeske? Of was je de dichter – en ik hou mijn lippen stijf op elkaar om er het woord charlatan niet aan toe te voegen.
Ik heb het voordeel dat ik je in de omgekeerde volgorde leerde kennen. Eerst de dichter, dan de man. Toen ik leraar Nederlands werd, volgde een periode waarin ik veel poëzie las en in die grote stroom van verzen vielen jouw gedichten mij op. Ik had er toen geen flauw idee van dat jij in dezelfde gemeente woonde als ik - nou ja, buurgemeente dan toch. Veel van je gedichten las ik vaak opnieuw. ‘Bij een foto van oma’ bijvoorbeeld vond ik een bijzonder mooi gedicht, ik hield ook erg van mijn oma. Of ‘Rendez-vous’: dat gebruikte ik zelfs als kerngedicht in een lessenreeks rond communicatie. ‘Bij de geboorte van Soetkin’ is een pareltje, ik kende het  toen uit het hoofd. Ik vond het fascinerend hoe je de geboorte van je dochter tegen de horizon van het universum hield. Ik zal maar toegeven: in mijn jeugdig enthousiasme dacht ik wel eens: zo moeilijk is dat toch niet, negen simpele regeltjes. Ondertussen ben ik vijfendertig jaar ouder en nauwelijks een regel opgeschoten.

“Dat is van mijn vader,” zei Han toen ik in het Sint-Pauluscollege van Moorsele met ‘Rendez-vous’ op de proppen kwam. “En Soetkin is mijn zus”. Ze zat enkele banken achter hem in de klas. Ik was helemaal van mijn melk. In een flits wist ik: Hedwig Verlinde is naast dichter ook een man en een vader. De panoramische uitkijk en de macrokosmos uit zijn gedichten zijn niets meer dan het zicht door zijn raam over de akkers en het vliegveld van Moorsele. Sinds dat moment kijk ik anders naar dichters, naar schrijvers en naar charlatans.

Hedwig,
Ik weet niet hoe mensen in Moorsele zich jou nu herinneren. Dichters en schrijvers leven na hun dood verder in de boeken die ze hebben geschreven, zegt men. Wat mij betreft kun je gerust zijn: al jouw bundels staan in mijn boekenkast. Sommige heb je voor mij gesigneerd en ik ben er heel blij om. En soms, vaker dan je vermoedt, lees ik dit zacht gedicht van jou opnieuw. Kijk, ook nu weer. Rust jij ondertussen voor altijd heel zacht, Hedwig.

Nooit. Nooit rafelen wolken zachter
op de vensters uiteen, noch buigt
de wind het gras
alsof hij erin wegduikt, ver, ver
weg met mijn gevoelens.

Niets. Niets aan gewicht reik ik
dan wat verdicht is
en verder niet gezegd kan zijn.

Nooit. Nooit
tussen de melkfles en het blik tonijn
rolden mijn handen blanker, leger
uit hun polsgewricht.

Niets. Niets zeggen de jouwe
maar ze gaan er in liggen, zachter en warmer
dan ik ooit in jou
en zachter
dan zacht ooit gezegd kan zijn.

‘Zacht gedicht’ komt uit de bundel De sprong van de eland (1974) van Hedwig Verlinde



woensdag 31 januari 2018

Een leven vol boeken

Op 31 januari 2017 (zijn verjaardag, hij werd 77 jaar) overleed de Wevelgemse letterkundige Lionel Deflo
Voor Jaarwerk MMXVII, het jaarboek van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijversmemoreerde ik een literaire vader.

“Ik kijk graag naar boeken. Ik kom tot rust in mijn bibliotheek, als ik vanuit mijn zetel naar de veelkleurige ruggen zit te kijken. Ik ruik er ook graag aan. Boeken hebben een heel eigen geur. Zelfs met een blinddoek voor mijn ogen kan ik menig werk uit mijn kast identificeren. Ik heb er een echte sensuele affiniteit mee.”
(Lionel Deflo in VWS-cahier 196, februari 2000)

Ik zag Lionel Deflo voor de eerste keer in levenden lijve in het voorjaar van 1985.
In de Wevelgemse bibliotheek, waar ik toen nog niet werkte, werd zijn bundel met literaire kritieken Bij nader inzien voorgesteld. Ik zat stilletjes en onopvallend in de zaal, tussen heren (vooral) en dames (soms) die ik niet of nauwelijks kende. Maar ik was pas afgestudeerd als leraar Nederlands, had me net geabonneerd op het literair tijdschrift Kreatief en stond aan de vooravond van wat een leven vol letteren zou worden. Enkele keren zag ik Lionel van op het podium mijn kant opkijken – of stelde ik me dat alleen maar voor? Wie is die jonge snaak in het publiek, dacht hij ongetwijfeld. Aan de signeertafel keek hij verrast op toen ik mijn naam zei. “Dan ben jij die nieuwe abonnee van Kreatief,” vroeg hij zich luidop af. Enkele maanden voordien was hier ten huize Deflo wellicht een moment van verbazing aan vooraf gegaan. Het moment waarop een illustere en piepjonge dorpsgenoot zich spontaan abonneerde op zijn tijdschrift. Net diezelfde verwondering had ik zelf al eerder gevoeld. Ik wou me als kersvers leraar Nederlands abonneren op een literair tijdschrift en na zorgvuldige selectie in de leeszaal van de bibliotheek, koos ik voor het ‘literair en kunstkritisch tijdschrift Kreatief’. Groot was mijn verbazing toen ik merkte dat het secretariaat van dit culturele blad zich in de Groeningestraat in Wevelgem bevond. Even om de hoek dus en de hoofdredacteur was zowat mijn buurman.
Deflo’s recensiebundel Bij nader inzien gidste mij naar de poëziegeneratie van nieuw-realistische dichters als Roland Jooris, Patricia Lasoen, Stefaan van den Bremt en Herman De Coninck. Lionel Deflo was in die jaren de combattieve woordvoerder van deze stroming in de Vlaamse poëzie en zijn publicatie Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen uit 1972 is een belangrijk tijdsdocument voor wie de Vlaamse poëzie in de tweede helft van de twintigste eeuw bestudeert. 
Naar aanleiding van de twintigste verjaardag van het tijdschrift Kreatief in 1986 nodigde hoofdredacteur Deflo een twintigtal vooraanstaande Vlaamse dichters uit voor een boeiende gespreksnamiddag in de Wevelgemse bibliotheek. Vele dichters herinneren zich nu nog levendig de drukkende warmte in de zaal, het snel lessen van de grote dorst achteraf en het lange napraten in café ‘De Drie Molentjes’ bij dichtend kroegbaas Den Dantom.
In de vijftien jaar die volgden kwam ik Lionel wel vaker tegen. Ik las zijn tijdschrift en volgde zijn carrière, die zich al snel naar de uitgeverswereld verlegde. Ik voelde gedeelde trots toen ik op een middag in 1986 op het BRT-radionieuws hoorde dat West-Vlaming Lionel Deflo, Julien Weverbergh zou opvolgen als directeur bij het prestigieuze uitgevershuis Manteau. Hij werd geselecteerd uit zowat 200 kandidaten. Lionel bleef uitgever-directeur tot in 1993. Toen zette hij een stap opzij omdat ook een uitgeverij niet langer moest worden geleid door een literator maar door een manager. Lionel was hierna nog enkele jaren docent literaire creatie aan de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord in Ieper.
Ondertussen was ik medewerker in de Wevelgemse bibliotheek en daar was Lionel kind-aan-huis. Al kwam hij niet vaak naar de hoofdbibliotheek. Lionel was trouwe klant van het kleine filiaal op de wijk Wijnberg. Daar waren de boeken minder bevuild of beschadigd en las hij vaak als eerste (als enige?) de nieuwste romans. Lionel werd later voorzitter van de bibliotheekraad en bleef dat tot bij zijn overlijden in 2017. Overigens was Lionel rond de eeuwwisseling ook een tijdje voorzitter van de Wevelgemse culturele raad, maar zijn inzet en visie botsten met het wel eens logge administratieve functioneren van de raad.

In 1999 kruiste mijn aarzelende pad in de letteren ineens weer onverwachts dat van Lionel. De Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers was op zoek naar een nieuwe hoofdredacteur en op een bestuursvergadering signaleerde Christiaan Germonpré mijn naam voor deze functie. Ik aanvaardde de opdracht en tijdens mijn eerste kennismaking met de raad van bestuur bleek ook Lionel bij de wijze heren (en één even wijze vrouw) van de West-Vlaamse letteren te horen. Het toeval wilde dat mijn eerste opdracht als redacteur de afwerking van een auteursmonografie over Lionel Deflo zou zijn. VWS-cahier 196 verscheen onder de titel ‘Leven in dienst van de letteren’ en werd geschreven door Lionels goede literaire vriend Willy Spillebeen. Bij de redactionele afwerking van het cahier vielen me het oog voor detail en het bijzondere taalgevoel van Lionel op.
In de jaren die volgden reisden we vaak samen naar de bestuursvergaderingen van VWS in Brugge: de Kortrijkse dichters Christiaan Germonpré en Alain Delmotte en Lionel en ik. We waren de Kortrijkse connectie in het Brugse VWS-bastion. In de wagen hadden we het over het literaire reilen en zeilen van de dag. Lionel vertelde tijdens die onderhoudende gesprekken boeiende verhalen uit de binnenkamers van de literatuur. Vooral herinneringen aan zijn vriendschap met Willy Spillebeen, Clem Schouwenaars en Hedwig Verlinde leverden fijne anekdotes en spitante verhalen op. Maar hij vertelde even graag over zijn broer Gilbert, regisseur in grote operahuizen all over the world, de muzikale verdiensten van zijn dochter Elly en het onovertroffen antiquariaat ‘Het Ivoren Aapje’ van zijn zoon Frederik in hartje Brussel.
Tijdens de bestuursvergaderingen drong Lionel er telkenmale op aan om niet alleen in Brugge te vergaderen, vermits vier bestuursleden uit het zuiden van de provincie kwamen. Hierdoor werd in de beginjaren 2000 de jaarlijkse algemene vergadering niet op het vertrouwde adres in Brugge, maar in de Wevelgemse bibliotheek georganiseerd. Het zorgde voor licht tandengeknars bij de Brugse delegatie, vooral die ene keer toen Lionel zich zelf liet verontschuldigen op de vergadering.

In 2004 moest Lionel Deflo zijn geesteskind Kreatief loslaten. Verschrompelende subsidies vanwege het Vlaams Fonds voor de Letteren en tanende belangstelling bij het lezerspubliek noopten hem ertoe het tijdschrift te sluiten. Het laatste nummer met als titel ‘The end’ werd een collector’s item. Veel bevriende auteurs schreven een mooie ‘krans ten afscheid’ van het tijdschrift en de waardering en dankbaarheid voor Lionel waren erg groot.
Lionel kreeg wat meer tijd voor de West-Vlaamse schrijversvereniging. Hij was medeauteur van het Lexicon van West-Vlaamse schrijvers (6 delen, 2008-2013) en schreef auteursmonografieën over Johny Van Tegenbos en over zijn goede vriend Hedwig Verlinde. Het plotse overlijden van zijn Moorseelse levenslange compagnon in 2009 trof hem zeer. Zijn ontroerende en gevatte inleiding bij de opening van de tentoonstelling over Verlinde in de Wevelgemse bibliotheek eindigde met stokkende woorden en onhoudbare tranen.
Lionel was trouw op post toen boeken van Wevelgemse auteurs werden voorgesteld. Ik herinner me zijn waardering voor mijn jeugdroman De oversteek – Lionel was erg geboeid door de oorlogsliteratuur. “Ik heb het heel graag gelezen,” zei hij me. “Maar wat het hoofdpersonage Aloïs op het einde van het verhaal doet, kan niet echt zijn gebeurd. Je kon niet zomaar met een auto het Etappengebied binnenrijden, hoor…” zei hij streng. Ik moest even slikken. Hoe lang had ik zelf niet getwijfeld of ik die historische fout in mijn verhaal kon schrijven. Maar ach, welke lezer zou dit ooit opmerken, dacht ik.

In het VWS-cahier over Lionel Deflo schreef Willy Spillebeen: “Na hernieuwde lectuur van de verhalen die opgenomen zijn in verzamelbundels (…) blijf ik het jammer vinden dat we van Lionel Deflo niet ‘wat meer’ hebben mogen lezen. Zijn verhalen, waarvan sommige ruim dertig jaar oud zijn, blijven goed geschreven en opgebouwd en ze zijn nog steeds heel leesbaar. Men kan ernaar gissen waarom Lionel Deflo, die een vindingrijk, enthousiast, boeiend en kleurrijk verteller is, zo weinig creatief werk heeft geschreven.” Alleen in zijn vroege schrijversjaren waagde Lionel zich aan scheppend proza. De verhalen verschenen in tijdschriften en verzamelbundels en in 1979 kreeg hij o.m. een premie in de prijs voor het kortverhaal van de provincie West-Vlaanderen. In 2012 bundelde hij een twaalftal kortverhalen uit die vroege jaren in de bundel Eerste sergeant-majoor Clausewitz.

Het werd het laatste literaire wapenfeit van Lionel. De roman over de Geuzentijd en het artikel over de Claus-biografie van Georges Wildemeersch die hij in gedachten had, zijn er niet meer gekomen. In 2017, op zijn verjaardag, verloor hij de strijd tegen kanker. Plots kwam een einde aan een boeiend leven in dienst van de literatuur. 
Lionel heeft voor altijd zijn plaats in de galerij der Vlaamse letteren en zal vooral herinnerd worden als hoofdredacteur van het tijdschrift Kreatief, als uitgever bij Manteau en als woordvoerder van de nieuw-realistische dichters in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw.

https://www.youtube.com/watch?v=99RaijSzBvY


woensdag 23 september 2015

Perez de Cuellar

Bijna een kwarteeuw geleden lag al mijn hoop in de handen van secretaris-generaal Perez de Cuellar van de Verenigde Naties. Hij alleen was toen nog in staat om mijn verbittering om het nakende einde van de wereld te laten verdwijnen. De bommen van Bush lagen klaar om Irak van de wereldkaart te vegen. Maar Saddam stelde zijn scuds op scherp zodat hij tijdens zijn verzinken in het zand nog snel Israël en de rest van  de wereld mee naar de verdommenis kon helpen.
En ik? Ik bleef maar schuren en schilderen.

Er was een ultimatum. Volgens resolutie 660 van de Veiligheidsraad moest Irak zich voor 15 januari 1991 onvoorwaardelijk uit Koeweit terugtrekken. Als dat niet gebeurde, zou de internationale coalitie de oorlog tegen het ongehoorzame land inzetten. Saddam Hoessein wreef zich in de handen en streek vaderlijk door de haren van gegijzelde jongetjes in Koeweit. Nog even en de wereld zou kennismaken met zijn vreselijke massavernietigingswapens. Ali Chemicali zou zijn giftige dampen over de hele wereld laten neerstrijken. Meer dan 1 miljoen Iraakse soldaten stond klaar om de Westerse coailtie in de pan te hakken. Mosterdgas, antrax, waterstofcyanide en andere bacteriële giffen zouden de soldaten van de coalitie aan een vreselijke dood toen sterven. Eenmaal de soldaten overwonnen, hield niets nog de bloeddorstige Iraakse soldaten tegen om de hele Arabische wereld te veroveren en in één en dezelfde tijd Europa onder de voet te lopen. De Derde Wereldoorlog zou een korte oorlog zijn.

Ik volgde de berichtgeving op de voet in die winter van 1991. Ik hoopte dat de zoveelste bemiddelingspoging van Perez de Cuellar de onverbiddelijke Hoessein alsnog zou bekeren. Dat een nieuw dreigement uit Amerika Hoessein en de zijnen op andere gedachten zou brengen. Dat de vreselijke generaal Norman Schwarzkopf de Iraakse soldaten schrik zou inboezemen. Dat de Amerikaanse precisiebommen Hoessein uit zijn paleisbunker zouden slingeren. Dat de dreiging van Belgische F16’s de paniek in het Midden-Oosten zou doen inslaan. Dat Gorbatsjov het zou oplossen, de paus, Bono of Wilfried Martens. Ik hoorde hen allen vredesboodschappen en verzoeningspogingen naar voor brengen. 

Urenlang was ik in januari 1991 aan het werk om de oude slaapkamer met de charmante ingebouwde kasten om te toveren tot een vrolijke kinderkamer. Ik had ook een ultimatum. Midden april zou de baby er zijn. Ik moest voortmaken. De brander die de oude verflagen van de houten kast moest helpen verdwijnen, was mijn hoogsteigen Scud-raket. Tegen beter weten in. Ik maakte de vlam groter telkens als een nieuw extra-journaal verslag uitbracht van een zoveelste falen van een zoveelste bemiddelingspoging. De brander werd een vernietigingswapen toen op 15 januari het ultimatum verstreek. En het trilde in mijn handen toen op 17 januari de luchtaanvallen werden aangekondigd. Ik zette mijn wapen af en ging beneden naar CNN kijken. Naar Operatie Desert Storm. Werken aan een kinderkamer was ineens zo wezenloos. Intriest en dom. Ik hoopte op een mooie wereld. En dan kreeg ik dit.

Alles kwam goed toen zoals alles altijd goed komt. Zo’n zeven weken volgde ik elke avond het verloop van de oorlog terwijl ik me krampachtig verdedigde met mijn brander, mijn spatel, mijn schuurmachine en mijn schuurpapier. De angst dat mijn dochter nooit levenslicht zou zien, was groot. Maar ik gaf niet op. De kast was volkomen krasvrij en gladgestreken toen president Bush op 27 februari het staakt-het-vuren afkondigde en met lieflijke pastelkleuren geverfd toen mijn dochter die een zoon bleek te zijn werd geboren. In een wereld vol kleur, vrede en vertrouwen.
Sinds gisteren is de kamer leeg. Mijn zoon ging een paar straten verder wonen met zijn Aude. Hier zitten we nu met die vrolijke kleuren (en die posters van Avril Lavigne en Blink 182 en The Offspring en die affiches van Groezrock en Graspop en als je 't mij vraagt Chiro).
Deze bom valt minstens even hard als die op 17 januari in Bagdad.

https://www.youtube.com/watch?v=2cMPj58Vrp8


zaterdag 6 december 2014

De oversteek

Het was best behoorlijk grof deze middag op het journaal op Eén. Dat werd geopend met een ongemeen lange reportage over het overlijden van ene koningin Fabiola. Was dit echt nodig op de dag dat de hele helft van een land rouwt om het heengaan van een held, een jeugdidool, een voorbeeld, een icoon? Wat betekende het zachte heengaan van een vrouw op hoge leeftijd in het licht van de collectieve rouw om het plotse verlies van Vossieboy? 
Het afscheid van Luc kwam pas na dat van de oude dame. En toen ik burgemeester Termont in de bomvolle kerk opmerkte, bedacht ik hoe blij ik was dat Luc De Vos een Gentenaar was.

Ik stel me voor dat de voorbije week talloos veel mensen geschrokken zijn dat de dood van zanger Luc De Vos hen zo raakte. Ik behoor zelf tot die kring. Die menigte, wellicht. Altijd veel respect gehad voor Gorki en Luc De Vos, maar de cd’s staan niet in mijn platenkast. Ik heb denk ik nooit een volledige cd van de groep beluisterd, maar als ik hun liedjes hoorde (bij mij was dat altijd op Radio 1), luisterde ik steevast met wat meer aandacht. ‘Anja’ of ‘Lieve kleine Piranha’ maakten me vrolijk en ik neuriede, zong of floot gelukzalig mee. ‘Mia’ dwong respect af: het nummer maakte me even stil en ik zong in mezelf de woorden mee – zo mooi! En naar een nummer dat ik niet zo goed kende, bleef ik luisteren. De teksten van Luc De Vos boeiden me, maar ik kon ze nooit helemaal begrijpen. Hij maakte wel eens vreemde capriolen en sprongetjes en heel vaak kon ik ze ook letterlijk niet begrijpen. Die gitaren en die rauwe stem, weet je wel. Maar ik wou zijn teksten echt wel helemaal doorgronden, want er vielen me altijd weer prachtzinnen op. 
Een interview met Luc De Vos liet ik nooit ongelezen: hij vertelde altijd zo’n rake dingen. Als hij op televisie kwam, had hij mijn aandacht en interesse. Ik had al heel lang door dat die gekke zanger uit mijn prille jeugd veel intelligenter was dan ik toen dacht. 

Zo’n tien jaar geleden was hij één van de literaire gasten op een regionaal literatuurfestival in Kortrijk. Het publiek die keer was wat ouder (ik ben altijd een vriendelijke jongen geweest…) en ik hoorde een licht afkeurend gemompel toen Luc De Vos werd geïnterviewd. Hij hoorde niet bij de schone letteren, vonden velen. Terwijl Luc net zo zijn best deed om uit te leggen dat hij zijn schrijven wél au sérieux nam en dat hij zich wél schrijver voelde. En of de interviewer dan echt aan alle schrijvers die die avond passeerden zou vragen of ze hun gitaar hadden meegebracht? Ik keek erg geamuseerd en met heel veel belangstelling toe naar die schrijver op het podium.
Ik heb hem één keer gesproken. Tijdens de finale van Humo's Rock Rally in 2008  stond hij na de set van Steak Number Eight ineens naast mij aan de toog van de AB. Ik deed me voor als de vader van de bassist (sorry Brecht) en prompt stak hij de loftrompet over de pubers die ze toen nog waren. ‘Ze worden beter dan Metallica,' zei hij. En ‘ongelooflijk hoe die gasten met hun gitaren omgaan.’ Even later werd Steak uitgeroepen tot winnaar van de Rock Rally. Luc zal er blij om geweest zijn. Hij bleef de band volgen en was een halve god voor de jonge gasten van de groep. Hij was amper dood verklaard en er kwam al een 'Farewell to a special man' op hun FB-pagina.

Vorige zaterdag sloeg het bericht over zijn dood in als een bom. Ik was alleen thuis en maakte er een tribute-avond van. Ik speurde naar al zijn nummers op You Tube en zocht de versie with lyrics. Nu kon ik wél begrijpen wat hij zong. Ragfijn en haarscherp. Ik merkte hoe doorleefd zijn teksten en hoe doorwrocht zijn woorden waren. Hij was nog beter dan ik dacht, verscheen al snel op mijn FB-tijdlijn. De vorige dagen las ik vaker dat zijn teksten pure poëzie waren. Neen hoor, dat waren ze zeker niet. Een goede liedjestekst is lang geen poëzie en dat moet hij ook niet zijn. Maar zijn teksten gingen wel recht naar het hart en de man die ze schreef had zo veel te vertellen. Hij zong over het leven en de angst die hij ervoor had. Hoe bang hij was van de boze wereld om hem heen. Hoeveel troost hij zocht in de Anja’s, Mia’s en piranha’s dezer wereld. Hoe goed hij zijn best wou doen om voor iedereen te zorgen en hoe intens hij hoopte dat de anderen voor hem zouden zorgen. Stilaan maakte  een ongemakkelijk gevoel zich van mij meester. Ik vrees dat Luc de Vos zijn hele leven lang ongelukkig is geweest. Bang ook. Het gevoel sluimert al een hele week in mijn hoofd. Neen, ik ga dit gevoel nu niet inkleden met hartverscheurende en naar de keel grijpende zinsflarden uit zijn liedjes. Het zijn zijn woorden en ik wil ze niet adopteren. Het klein beetje schrijver dat ik ben weet dat ik de veel grotere schrijver die hij was niet mag plagiëren. Een schrijver lees je en schrijf je niet over.

Of zijn dood een gespreksitem voor jonge gasten was gisterenavond, vroeg ik die zondagmorgen aan mijn zoon die de bar van het plaatselijke jeugdhuis runde. En of, hij werd de hele avond op hun vraag gedraaid. Het deed me deugd. Ook toen ik diezelfde zondagmorgen de verhalenbundel De volksmacht van schrijver Luc De Vos op het nachtkastje van mijn andere zoon zag liggen. Hij had het boek dus ooit gekocht en hij had er die nacht weer in gelezen. Als dat geen eerbetoon is.

Het verdriet om Luc vond stilaan een plaatsje in mijn hart en ik hoop dat ik me verder vooral zijn luim, zijn humor, zijn authenticiteit, zijn muziek, zijn rock ’n roll zal blijven herinneren. Want ook die vind je op You Tube. Ik lachte me tussen de sluimerende tranen door ook een bult om Vossieboy. In de AB, op Marktrock, tijdens de Radio 1-sessies, als gast in Café Corsari. Een programma dat me nauwelijks boeit en me steeds weer ergert, tenzij Luc De Vos zijn opwachting maakt. Of Griet Op de Beeck – ik beken.
Het zal straks raar oudejaarsavond vieren zijn. Onze gelegenheidsfeestgroep is best wel into Gorki en in mijn herinnering opende het feest de voorbije dertig jaar altijd met ‘Mia’. Het nummer stond gewoon altijd op 1 in De Tijdloze 100. Het zal dit jaar dus niet anders zijn. Maar wel helemaal anders.

Wie wel eens een blogbericht van mij leest, weet dat ik altijd eindig met een vrij onverwachts en op het eerste gezicht niet-passend lied. Ik ben ook wel eens een beetje contrarie. Vossiaans, zo je wil. Maar vandaag doe ik het niet. Het nummer dat verborgen zit achter de anders mysterieuze en hopelijk verrassende URL-code is mijn favoriete nummer van Gorki from Belgium. Luister allen goed naar 'Ooit was ik een soldaat'. En hoe schrijnend ‘Ik geef je alles’ klinkt. Met die halve seconde stilte die erop volgt. Nooit eerder betekende alles zo veel.



maandag 17 november 2014

De vijftig genaakt

In het jaar waarin ik zelf vijftig werd, wordt de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers dat niet. Of althans, het tijdschrift van de eerbiedwaardige vereniging. Jammer maar helaas: er komt geen vijftigste jaargang voor de VWS-cahiers. De reeks zal immer jong blijven.

Al is dat in de literaire wereld wel even anders. Een literair tijdschrift dat vijftig jaar zonder tussenpozen, met quasi onveranderde redactionele richtlijn en met een bijna legendarische regelmaat bleef verschijnen, mag zich zonder blozen een grijze eminentie onder de literaire bladen noemen. Toegegeven, de cahiers zijn Dietsche Warande niet, ook niet Belfort, evenmin Dietsche Warande & Belfort en al zeker DW B niet. Net zo min als ik Hugo Bousset ben. Maar toch: vijftig jaar kan tellen, daar ben ik sinds dit jaar persoonlijk heel zeker van.
Het eerste cahier verscheen in 1966. Fernand Bonneure leidde de vierde druk van het verhaal ‘Het Turkse kromzwaard’ van Marcel Mattijs in. In de halve eeuw die volgde, kwam VWS met de regelmaat van een klok op de proppen met een biografische monografie over een West-Vlaams publicist – in een mooi evenwicht tussen de diverse disciplines jeugdliteratuur, proza, poëzie, theater en essay. Binnen enkele dagen verschijnt aflevering 283, een biografisch essay en tevens mooi eerbetoon aan West-Vlaanderens kunstpaus Willy Vandenbussche, die net een jaar geleden in Washington overleed. 

In 1999 werd ik als nobele onbekende (‘bibliotheekmens en beginnend jeugdauteur’) gekatapulteerd tot redacteur van de tijdschriftenreeks. Ik aanvaardde het redacteurschap met lichte aarzeling – ik had al zoveel te doen! – maar nam me  toch voor om het minstens vijf jaar te blijven doen. De schrijvers moeten op hun redacteur kunnen rekenen, vond ik.
Ik hield het lang niet voor bekeken na vijf jaar, want al snel liet ik me met graagte opslorpen door de cahiers. Het samenstellen van een ‘mooie jaargang’, het aftoetsen van het belang en de belangstelling van de auteur, het zoeken naar de juiste samensteller: het bleek veel leuker dan ik ooit had gedacht. De samenwerking met (bijna alle) samenstellers van de cahiers was bijzonder aangenaam en leverde fijne contacten en kennissen op. Het sleutelen aan teksten en het nalezen van proefdrukken werd een geliefkoosde bezigheid – als het een beetje kon, vulde ik er heel deugdzaam mijn zondagnamiddagen mee. Als de deadline het toeliet: want ook die leerde ik snel van heel nabij kennen.
Ik redigeerde in totaal 87 afleveringen van de cahiers en elk nummer dat op tijd en mooi afgewerkt in de bus viel, ontlokte een stil, ingehouden wauw-moment. En ze roken elke keer zo goed, die gloednieuwe boekjes!

Vanavond liet ik mijn ogen wat meewarig over de 87 witte rugjes van de cahiers die ik redigeerde glijden. Ach, bijna elk nummer heeft zijn petite histoire, bedacht ik. De brief van Veerle De Wit, mevrouw Hugo Claus (nr. 200), de bezorgde maar charmante ernst van Jozef Deleu (204), de gemarmerde tekst van Jef Ector over Peter Verhelst (211), het gesakker van Christiaan Germonpré tijdens het schrijven over de roespoëzie van Mark Dangin (210), de tekst over Karel Verleyen en hoe dankbaar hij me daar om was (220), dorpsgenoot Lionel Deflo die heel mooi schreef over zijn vriend en dichter Hedwig Verlinde (229), de vijf velletjes papier die ik kreeg van cahier-pionier Raf Seys en die ik moest uitvullen tot een volwaardig cahier over ene Dries Masure (233), de altijd weer veel te late maar desondanks bijzonder vriendelijke mails van Etienne Vermeersch (238), mijn tijdelijke held van vroeger Petrus Plancius (249), de vrije-blije en soms erg boze poëzie van de sxities die weer tot leven kwamen in de cahiers over Johan Sonneville (207), Herman J. Claeys (254) en Ludwig Alene (281), de gevreesde samenwerking met Hedwig Speliers die een heel aimabel man bleek te zijn en Willem Vermandere die voor ons zong in het stadhuis van Veurne (260), de vertwijfelde maar waardige huldiging van oude knar Roger Verkarre door youngster Fien Devos (265), de rimpelloze samenwerking met de Nederlandse literaire coryfee Cyrille Offermans die resulteerde in een mooi nummer over Luc Devoldere (273), mijn tijdelijke literaire liefdesaffaire met Katrien Vervaele (274) en het mooie wat eigenzinnige cahier over klasgenoot-dichter Philip Hoorne (282).
Ik noem voor de vuist weg maar enkele van de vele mooie cahierervaringen. Ik memoreer voor mezelf ook de vele bijzondere presentaties bij bevriende bibliothecarissen, in kunstenaarsateliers of heemkundige huizen, de redactievergaderingen ten huize Renaat Ramon en de prettige samenwerking met Jet Marchau die een mooie inkijk bood in leven en werk van collega-jeugdauteurs als Lieve Hoet, Patrick Lagrou, Brigitte Minne of Kristien Dieltiens.

Liep het dan altijd zo makkelijk? Neen hoor, er waren ook tegenvallers. Nu en dan viel een tekst tegen, andere keren werd de deadline niet gerespecteerd, soms waren er niet in te lossen verwachtingen van samensteller of auteur. En soms – heel soms – liet een samensteller me ook wel eens in de steek. Zo vind ik het ontzettend jammer dat de door mij zo gewaardeerde jeugdauteur Jan Simoen niet het cahier kreeg dat was voorzien omdat de samensteller schromelijk de voeten veegde aan steeds weer met veel goede wil vooruitgeschoven deadlines. Jan overleed begin 2013 en het cahier dat hij zo erg verdiende, haalde helaas de eregalerij van de West-Vlaamse letteren niet.
Maar dit is alleen maar jammer. Veel erger is dat er geen nieuwe cahiers meer zullen verschijnen. Nooit meer. Neen, de redactie gooide de handschoen niet zoals veel tijdschriften de afgelopen decennia dat wel deden of moesten doen. Er was absoluut geen gebrek aan kopij en – dat al zeker niet – aan auteurs. De redacteur was het niet beu – oh nee! Met tegenzin schrap ik het regeltje ‘redacteur van de VWS-cahiers’ van mijn cv. Het uitgebreide word-mapje ‘Cahiers’ verdwijnt van mijn harde schijf, de West-Vlaamse auteurs verhuizen naar de ‘cloud’. 

What happened? Ewel… de cahiers verschenen al die jaren onder auspiciën (lees: met financiële steun en warme bekommernis) van het West-Vlaamse provinciebestuur. En net met die auspiciën loopt het nu ineens verkeerd. De interne staatshervorming geeft de provincies niet langer de kans, het geld en de bevoegdheid om zich vol overgave te bekommeren om kunst en cultuur. Daar zal de Vlaamse overheid zich voortaan wel mee bezig houden.
Ik kan kort zijn nu. Bye bye West-Vlaamse scribenten. And no regrets please.

https://www.youtube.com/watch?v=lE0kivjHvDw

Lees ook:  Veel meer dan meisje van de zee
Lees ook: Een goed jaar voor schrijvers
Lees ook: Petrus Plancius


maandag 9 september 2013

Heartbeat

Als ik aan Luc denk, denk ik aan een megafoon, maar dan een van een vorige generatie. Een die kraakt en sputtert als je erin wil praten. Die huilt en briest als je ermee in de wind staat. Die gevaarlijk ploft als je hem neerzet. Die principieel onverstaanbare klanken spuwt als je erin spreekt.

Die megafoon dus. Luc introduceerde hem in het Wevelgemse straatbeeld. Als coördinator en hoofdanimator (als alles eigenlijk) van ‘het patronaat’ (zo heette de speelpleinwerking in Wevelgem toen en wie Luc heeft gekend zal dat blijven zeggen – zoveel schoner dan Katjeduk) zeulde hij het apparaat altijd met zich mee. Hij gebruikte de megafoon om een spel uit te leggen, kinderen aan te moedigen, richtlijnen te geven, instructies te verspreiden. Kinderen keken vol bewondering naar de man met de megafoon. Maar ze begrepen zijn spitse opmerkingen bestemd voor de oren van de begeleiders niet. De kwinkslagen die hij losliet op de toehoorders en passanten. Wie dicht bij hem stond, zag de typische Luc-grimas. De pretoogjes, de gespannen lippen, de kuiltjes in de wangen. Jarenlang liet Luc kinderen spelen en hij smeedde van zijn animatorengroep een enthousiast team. Toen was ’t Vliegske er nog niet, maar Luc leerde de jongelingen hun eerste aarzelende stappen in een beginnend uitgaansleven zetten. We trokken naar De Vaze en Luc organiseerde hilarische leidersfeestjes in de verblijfshoeve van de kinderboerderij in Marke.
‘Zaterdag ga ik naar Rock Torhout,’ zei hij. ‘Ik wil Chris Rea wel eens zien. Ik vind hem wel iets hebben.’ Ik schrok toen nogal. Luc was tenslotte al 29 en toch nog naar Rock Torhout! Hij was zijn tijd ver vooruit. Jaren later werd hij schooldirecteur maar in zijn hoofd bleef hij zijn hele leven een enthousiaste tiener. Tot gisteren.
Mijn carrière bij het patronaat duurde niet zo lang als die van Luc, al bracht ik het ook tot hoofdanimator in zijn team. Ik leerde veel van hem. Hoe hij dingen aanpakte en nooit tevreden was met ‘gewoon’. De animatoren moesten hun activiteiten uitschrijven in een schriftje en Luc las die voorbereiding aandachtig door. Waar het pedagogisch niet helemaal klopte, kwam hij tussenbeide of hij ging de groep ter plaatse bekijken. Maar hij genoot ervan als je je spelvoorbereiding kruidde met een onzinnige of absurde inkleding. En dan kon je een even leuke kwinkslag van zijn kant terugverwachten. Luc ging op zoek naar betere kinderprogramma’s (‘Samson’ kwam ooit, herinner ik me, lang voor de hond gecommercialiseerd was), streefde naar creativiteit en originaliteit en koppelde dit aan een stevig organisatietalent. Op het einde van de spelnamiddag was er een evaluatie en Luc leerde ons leren van elkaar. De vergadering begon hij overigens altijd met de rituitslag van de Tour (Bernard Hinault won toen elke dag). Onze monden vielen open toen hij plots zei dat hij voor het patronaat een aftandse bestelwagen had gekocht. De wit-groene Volkswagen-camionette verscheen op straat en bewees niet alleen het patronaat maar ook vele jeugdbewegingen en organisaties mooie diensten. Thanks to Luc.

Enkele jaren later kwam Luc weer helemaal in beeld nadat hij begonnen was als reporter van Het Nieuwsblad. 
Toen hij voor het eerst een uitgebreide reportage mocht schrijven (een interview van een volledig blad… toen bestond dat), kwam hij bij mij terecht. Hij interviewde me over het begin van het nieuwe werkjaar van kinderfilmclub Jefi. Het werd een lange babbel: een uur voor de krant en twee uur voor onszelf. Want Luc interesseerde zich écht voor de onderwerpen waarover hij zijn reportages schreef en dat bleef hij zijn hele journalistenbestaan doen.
Luc was een gedegen reporter. Hij maakte werk van zijn teksten en ging uitstekend om met het steeds strakker redactioneel kader. In weinig zinnen kon hij een sfeer oproepen, informatie verstrekken, een mens schetsen. Wie hem te woord stond, herinnert zich zijn rake vragen en was best ook op zijn hoede. Als je niet oppaste, liet je hem ongewild het achterste van je tong zien. Velen herinneren zich ongetwijfeld ook zijn spottende grijns en zijn zoekende blik. Toen ‘wij’ hem ooit vertelden over een optreden van ons Tsjechisch Mannenkoor, verscheen er een frons van ongeloof op zijn voorhoofd, maar wie goed keek zag dat hij eigenlijk veel zin had om zijn balpen weg te kieperen, een snor aan te trekken en duchtig mee te zingen. Chiroleider for ever. En centervoor van SV Wevelgem.

Luc was een doorgewinterd verslaggever van Het Nieuwsblad geworden toen ik even passeerde als collega-reporter bij Het Wekelijks Nieuws. We gingen vaak samen op reportage en Luc had geen moeite om een primeur met mij te delen. Het Wekelijks Nieuws verscheen enkel op vrijdag en als tegenprestatie gunde ik hem altijd wel de woensdag of de donderdag. Toen het persgild nog uit een grote groep reporters bestond, smeedde Luc plannen om een ‘Avond van de Pers’ te organiseren. Die ging enkele jaren door en de avond groeide uit tot officieuze ontmoetingsavond van de Wevelgemse verenigingen. In een ludieke spel- en quizavond (getekend: Luc) namen die het tegen elkaar op. De voorbereidende vergaderingen waren hilarisch, vooral omdat de persmannen elkaar toen ook toevertrouwden wat ze níet hadden geschreven. 
Maar kranten vergaan en reporters gingen, de perskring bleef niet bestaan. Ik heb een huis met een grote zolder en Luc vertrouwde me de spelattributen toe. Wat moet ik daar nu in godsnaam mee?

Wat moet ik met die herinneringen? We zaten samen in de redactie van Klein Tokyo, de themakrant die enkele keren verscheen in het kader van het cultureel project Anno ’02. We lieten ons schrijvenderwijs nogal gaan toen en bedachten o.m. een leuke reportage rond het thema: wat gebeurt er als je op een doordeweekse dag een uur op een Wevelgems plein blijft zitten? Hij nam Gullegem voor zijn rekening, ik ging postvatten op de Wevelgemse Grote Markt. We kwamen tot dezelfde conclusie toen…
Luc kwam onverwachts weer eens op de proppen als presentator van de medewerkersquiz van het gemeentepersoneel. Net iets voor Luc. 'Komaan mannen, er moet voor één keer gewerkt worden vanavond!' Met Luc-grimas.
Onze laatste samenwerking dateert van enkele jaren geleden. Luc was ondertussen schooldirecteur geworden en moest een scriptie schrijven na het volgen van de directeursopleiding. Of ik eens wou nalezen…? Alsof zijn tekst niet goed genoeg zou zijn... Maar Luc was niet tevreden met 'goed genoeg'. Hij moet een ontzettend goede onderwijzer en schooldirecteur zijn geweest.

De laatste maanden zag ik Luc niet zo vaak meer. Hij schreef niet meer voor de krant en het leven gaat niet altijd over rozen. Maar op zijn Facebookpagina zag ik hem onlangs getooid in een kleurrijk hemd, met een enorme ketting om de hals én met de Luc-grimas op het gezicht Balthazar Boma interviewen. En op het Cactusfestival (ja, hij ging nog steeds naar muziekfestivals!) zag ik hem in de verte met zijn dochter: vader-dochter-dag. Het ging goed met Luc. 

Zaterdag stond hij ineens voor mij in de bibliotheek. ‘Hé, da’s lang geleden!’ We hadden een korte babbel. En nu is hij er niet meer.

http://www.youtube.com/watch?v=5URqWXi2elQ

Lees ook Fietsend reporter.


maandag 2 juli 2012

Veel meer dan jezelf

‘Koen D’haene schrijft nu en dan eens wild om zich heen’. Dat is de baseline van deze blog, die niets meer dan wat vrije woordspielerei wou zijn bij dingen onderweg en tussendoor die me boeien of intrigeren. Meer dan ik het zelf wil, wordt het stilaan een dead man’s blog. Na Jonathan, mijn oversteker, Eva en Oscar is er nu Hans. 

Ik wou eerst niet over Hans schrijven. Het klopt nog steeds niet, ook niet drie dagen nadat het overlijdensbericht binnensijpelde. Ik kan het maar niet aan elkaar lijmen: Hans en de dood. Ook nu hij er niet meer is, blijf ik hem associëren met liefde en passie voor het leven. 
Ik weiger om afscheid van jou te nemen, Hans. Kom, laten we een Omer drinken en praten over de dingen die we samen deden.

Vorig jaar in Bourgogne bijvoorbeeld. We hadden afgesproken naast de kerk van het historische stadje Autun. We kwamen terecht in het decor van de opnames voor een Chinese film (het kan ook een Japanse geweest zijn, weet jij het nog?). We dronken eerst een koffie terwijl de Oosterse acteurs en actrices om ons heen liepen en zich even verderop in een caravan gingen omkleden. Het was een mooie dag. We slenterden wat door de nauwe straatjes en over de restanten van een Romeins amfitheater. Je vertelde over wat je de vorige dagen op reis al had bezocht. Weet je nog hoe we lachten omdat je enkele keren een begonnen zin niet kon afmaken? Middenin vond je een woord niet en je begon opnieuw. Tot hetzelfde woord weer niet kwam. Ik gaf je nog een derde kans en je waagde je moedig aan de laatste poging. Maar weer lukte het niet. ‘Nu is het genoeg geweest’, zei ik, ‘zo kan je blijven proberen. Nu vertel ík wel iets, je zal me niet blijven aan het lijntje houden’. We lachten wat af toen.
Op een groot plein maakten we tijd voor een lange babbel met een groot glas wijn. Je vertelde over je joie de vivre tijdens de korte opeenvolgende reizen die je die zomer maakte. Je wou leven en vreugde opzuigen. Want diep binnenin sluimerde de angst. Er stond je een delicaat onderzoek te wachten, enkele dagen later in Leuven. ‘We gaan moeten springen’, zeiden jullie in duet. Een sterk duet. Together waren jullie zó strong. En wij erg stil toen we even later terug naar ons vakantiehuis in de Morvan reden.

Weet je nog vele jaren terug toen we samen naar het Bronx jeugdtheater gingen? Jij werkte als programmator in het cultuurcentrum en je nodigde me uit om mee op prospectie te gaan. ‘Vallen’, naar het jeugdboek van Anne Provoost. Altijd nodigde je mensen uit, je gunde iedereen alles en je wist heel goed waarmee je iemand kon boeien of een plezier doen. Het was een heel mooie voorstelling. Over iemand die valt, lang voor jij wou springen om niet te vallen. Wat ik me ook nog herinner van die prospectieavond… Dat hij ontzettend lang duurde ;-) Omer moesten ze nog uitvinden en ik weet niet wat we toen dronken. Maar ik weet wel dat ik met een heel gelukkig gevoel thuiskwam. Een avond met jou doorzakken leverde boeiende tooggesprekken op. Het is wel eens anders.

Gesprekken over boeken bijvoorbeeld. We wisselden vaak tips met elkaar uit. Ook toen je ziek was, bleef je trouwe klant van de bibliotheek. Om je boeken te kiezen, maar ook om ‘de meisjes’ en ‘de heren’ van de bibliotheek te zien. Een praatje te maken. Je was door iedereen zo graag gezien, Hans. Als je binnen was, ging het als een lopend vuurtje door de wandelgangen. Jij vertelde ons honderduit over wat je deed en meemaakte. En wij waren blij om je te zien en te horen en ondertussen groeide onze bewondering voor zoveel enthousiasme en levenskracht.
Weet je dat je mij eens heel blij maakte? Toen je me zei dat je had moeten denken aan Oosterschelde windkracht 10 toen je mijn Gek van een eiland had gelezen. Verdomme, die heeft dat aangevoeld, dacht ik bij mezelf. Je kan niet denken hoe blij ik was met dat complimentje. Jan Terlouw is de held onder de schrijvers die ik als tiener las en jij plaatste me naast hem op het schavotje. En ja, jij had het en mij goed gelezen. Ik merkte dat je trots was toen ik zei dat het wel een beetje mijn bedoeling was om een gelijkaardig verhaal te schrijven en eenzelfde sfeer op te roepen. En dat jij de enige was die het had gemerkt.

Over muziek praatten we ook natuurlijk, maar daarover had jij zoveel meer te vertellen dan ik. Maar ken je het liedje hieronder? Het past wel bij jou nu, vind ik. Zo levenslustig, ondanks alles. En de muziek... misschien is het wel iets voor je jazz-combo? Ik haal er de contrabas zo uit! Luister maar eens, het applaus op het einde is helemaal voor jou.

Over hoe je ernaar verlangde om weer eens een tijd zonder pijn te leven. Zonder zorgen om nakende onderzoeken. Om je vrouw (je Mieke) en je kinderen niet met die ellende te moeten blijven opschepen. Maar ook over je grote droom die je alsmaar bleef koesteren: na de vakantie (altijd weer de volgende) hoopte je weer les te geven. Wellicht parttime, maar je wou les geven, musiceren, bij je leerlingen en de collega’s zijn, iets doén! Elke week probeerde je binnen te springen in de leraarskamer van je college. Je moet nog altijd eens bij ons thuis langskomen als je naar het college fietst, Hans. Onze woonkamer is nogal veranderd sinds de tijd toen Janne bij ons in de kinderopvang was. Je Janne en je Jitse, je schatten.

Hoe is het met het boek dat je wou schrijven? Ik herinner me nog heel goed de dag toen je het me vertelde. Dat je tussen al die behandelingen door zoveel tijd had om te lezen en onderwijl groeide die schrijfdroom. Ik weet wat ik dacht toen je het zei: dit zou wel eens kunnen lukken. Er zijn er zovelen die me zeggen dat ze ook een boek zullen schrijven, als ze even wat tijd hebben. Altijd weer moet ik de lippen op elkaar houden. Hen niet vertellen dat het er waarschijnlijk nooit van zal komen. 'Heb je al een thema', vraag ik dan voorzichtig. ‘Een thema? Ik schrijf gewoon over mezelf. Wat ík allemaal al heb meegemaakt!’ Dit wordt niets, denk ik dan en ik heb nog nooit een eerste zin, laat staan een eerste hoofdstuk, gelezen van deze would-be schrijvers. Maar toen jij het zei, dacht ik in mezelf: doen Hans! Ik ben er zeker van dat ergens op je harde schijf het begin van een stevige plot en de aanzet voor een mooi verhaal staan. Niet over je eigen leven. In die val zou jij nooit trappen. Je eigen leven is nooit boeiend genoeg om er een boek over te schrijven. Zelfs niet dat van jou. Jij had zoveel meer te vertellen.

Ik heb op mijn gsm een berichtje bewaard van jou. Datum: 30 oktober 2011, de dag na het muziekfestival Chanté. ‘Proficiat aan de Chantéers. Schitterend! (ik heb niet alle nummers maar ’t is voor de vele organisatoren!)’ Misschien best dat je niet alle nummers had, want je zou vast aan elk van hen een bericht gestuurd hebben. Wij waren blij dat je er was, op het podium met jouw Ortierkoor. Jij dacht niet aan jezelf, maar aan het initiatief vol muziek en lawaai waarvoor je zo hard supporterde. Je was zó sterk, Hans.

Tot mijn verrassing bots ik bladerend door mijn inbox nog op een tweede berichtje van je. ‘Wij zitten tussen de Chinese acteurs naast de St-Lazare. We eten iets op terras van Le Lutrin. Tot straks.’ Het is een schitterend vooruitzicht. Tot straks!

https://www.youtube.com/watch?v=VN_LpWDJesk


Tekening: Brecht Carton

maandag 18 juni 2012

Fietsend reporter

Soms gebeurt er iets dat je herinnert aan een lang vervlogen episode in je leven. Zo verzeilden mijn gedachten deze week meer dan eens naar een ver verleden waarin ik actief was als plaatselijk persmedewerker. 

‘Het Wekelijks Nieuws’ heette het weekblad dat gebruik maakte van mijn pennenvruchten. Als jonge reporter schuimde ik zo’n drietal jaar de gemeente af om organisatoren de zo begeerde promotie voor hun jaarfeest, clubkampioenschap, opendeurdag of jubileumfeest te bezorgen. Computers waren er toen nog niet – althans niet voor plaatselijke reporters. De krant verscheen op vrijdag en ten laatste op maandag moesten mijn bijdragen netjes zijn ingetikt op briefpapier van de krant. Ik wist perfect hoeveel ruimte een vol getikte pagina in beslag nam – en wat mijn rijkelijke gage per blad was (150 frank, meen ik me te herinneren – maar er werd serieus geknipt in de eindafrekening). De enveloppe met het wereldnieuws uit eigen gemeente moest voor de laatste postlichting in de brievenbus om het de vrijdag daarna in de krant te krijgen. Voor de foto’s hadden we een dag respijt: de maandag bij de fotograaf, de dinsdag in de brievenbus. Telkens weer een heel gedoe. De regionale redacteur ratelde ooit over een speciale computer die we eerlang zouden krijgen: we zouden de artikels thuis kunnen intikken en hij zou die automatisch kunnen ontvangen in zijn kleine bureau aan de Dolfijnkaai in Kortrijk. Een fantast, vond ik hem.

Elke maandag hadden we met de plaatselijke medewerkers een korte bijeenkomst, waarop we de opdrachten onder elkaar verdeelden. De redacteur zag er nauwlettend op toe dat we niets vergaten en het grote lokale nieuws helemaal coverden. We hadden een goed team. Een collega focuste op ongevallen, brandstichtingen, botsingen, huwelijksjubilea en winkeldiefstallen. Over de gemeentelijke politiek wou en mocht ik niet schrijven, maar daar hadden we een specialist voor. Ook voor de sportverslaggeving (de miniemen van SV Wevelgem en de studaxen van SK Gullegem) was er een deskundige. Al de rest was voor mij.

Er kon dus heel veel voor een jongeman die vrijuit wou schrijven over wat hem boeide in eigen gemeente. Ik wijdde mij met grote plichtsbewustheid aan de verslaggeving over de culturele gebeurtenissen: het programma van het cultureel centrum, de activiteiten van de bibliotheek, de artikels in het heemkundig tijdschrift, de initiatieven van de wereldwinkel, de werking van de jeugdraad, het programma van de open-monumentendag, de seizoenskeuze van het filmforum. Ik zocht naar een originele invalshoek of een boeiend persoon die een eigenzinnige kijk op het obligate reportagewerk kon bieden. De redacteur moedigde me aan en keek er ook op toe dat mijn bijdragen niet te lang werden. ‘Het Wekelijks Nieuws’ was ‘De Standaard’ niet en de lezers van de krant waren niet altijd even gepassioneerd door de historiek van een verdwenen abdij, de artistieke drijfveren van een schilder, de passie voor Italiaanse films van een cinefiel of de creatieve roeping van een beeldhouwer.

Ik denk overigens dat hij me erg nauwlettend en soms hoofdschuddend in de gaten hield, die brave redacteur. Voor mij was het een uitdaging om ook gebeurtenissen in eigen vriendenkring in de krant te krijgen. Een vriend die schilderde? Vertel maar op. Vrienden die samen wat musiceerden? Laat maar horen. Een vriend die trouwde in een tent? Tell it. Een buurman die met een bakfiets boodschappen deed voor vrouw en vijf kinderen? Een half blad en foto op de cover. Een oom die een reuzegrote pompoen had gekweekt? Voorpaginanieuws! Een nephuwelijk met fake priesters in de jeugdclub? Goed voor een sterreportage. Mijn eigen vrouw naast Stef Bos aan de piano in de catacomben van het cultuurcentrum? Ik verzin wel een artikel. En je raadt nooit wie Johnny Guitar, de leadzanger van ‘The Tropicana’s’, was die tijdens het vrij podium in Jeugdclub Ten Goudberge het publiek én zijn gitaar verpletterde. De foto zit in map drie.

Mijn journalistieke hoogtepunt was evenwel de verslaggeving over de eerste verkiezing van Miss Belgian Beauty in Parkhotel Cortina. De beroepsjournalist van de krant had er geen zin in en gaf zijn vrijkaart grootmoedig aan mij. ‘Maak er maar iets moois van,’ zei hij. In mijn mooiste jeansbroek en minst gekreukte hemd stalde ik mijn fiets tegen de gevel van het parkhotel en bood ik me aan bij de stralende Ignace Crombé. ‘En u bent?’ zei hij, terwijl hij me wat ongerust monsterde. Ik zou zelf de foto’s maken die avond en ik had mijn fototoestel opgeborgen in een oude sporttas (in hel groen en flitsend rood) die over mijn schouder hing. Hij loodste me naar de tafel van de collega’s van de Kortrijkse perskring, die me wat verrast maar snel heel hartelijk begroetten. Ik vergaapte me aan jurylid Jean-Marie Pfaff die via een wijde omweg naar de toiletten ging om toch maar alle dames de kans te bieden een handtekening van hem te krijgen. Trots als een gieter ging ik na de verkiezing naar de persruimte, waar Rani De Coninck, een 21-jarige schone uit Lochristi, het journalistengild te woord stond. Of er nog vragen waren? Ik stak als eerste mijn hand op. Wat haar toekomstplannen waren? Je gelooft het nooit: het meisje verklaarde dat ze ‘iets in de media wou doen’. Toen was dat nog nieuws. Overigens, haar foto zit in map vijf.

Ach, het was een leuke tijd… Ik hield het voor bekeken toen ik vader werd en dat ambt niet langer kon combineren met dat van fietsend reporter. Het zal je van een bibliotheekmens niet verwonderen: alle artikelen die ik bijeen schreef heb ik netjes verzameld in mappen, geordend per week. Als ik eens tijd heb, moet ik ze eens opnieuw lezen. Ik schreef maar een goede drie jaar voor de krant en toch is de artikelenberg 12 cm hoog. Ik zal veel tijd nodig hebben om ze te herlezen en het zal mijn neiging tot nostalgie aanzwengelen.

Stel je voor dat ik die reportersjob pakweg 41 jaar had volgehouden! Geen enkele heemkundige of lokale geschiedschrijver zou ooit zoveel petite en grande histoire bijeen kunnen schrijven als ik zou gedaan hebben. Geen enkele vrijetijdsmedewerker of cultuurbeleidscoördinator zou ooit zoveel kennis van het plaatselijke verenigingsleven kunnen opbouwen als ik schrijvenderwijs zou verzameld hebben. Geen enkele politicus zou ooit zo’n groot netwerk van contactpersonen en referenties kunnen opbouwen als dat van mij. Geen enkele inwoner zou even goed op de hoogte zijn van de grote emoties, kleine verdrietjes en stille dromen van zijn dorpsgenoten.

Niemand zou zoveel respect, vriendschap en waardering verdienen als ik. (KDW)

In dankbare herinnering. Het ga je goed, Oscar.

http://www.youtube.com/watch?v=ErRx1bZXhCE&feature=fvwrel


vrijdag 16 maart 2012

Boemballen


Dag Eva,

We gaan zo’n steentje laten maken en het in het portaal van de kerk plaatsen. 'Vanwege de vrienden van het Kotje'. Je zal er ongetwijfeld erg blij mee zijn. Denk ik toch?
Zo’n steentje maken ze van graniet en dat krijg je erg moeilijk stuk. Het is een beetje onsterfelijk en dat mag ook wel. Een stenen herinnering aan een periode in je leven waarin je echt gelukkig moet geweest zijn. Toen alles zo vreugdevol en zorgeloos begon.
Het Kotje bestaat al heel lang niet meer en het is er ook maar heel kort geweest. Maar God, wat beleefden we een mooie tijd daar in en rond dat vervallen krot op de koer van je vaders koekjesfabriek! Hij vond ons wellicht maar een zootje ongeregeld, maar hij liet ons betijen, want jij was zijn oogappel. Toen je trouwde gaf hij je een huis in geschenkverpakking. Van ons kreeg je een varken in een houten kist.
Het Kotje doofde stilaan uit, er kwamen kinderen. Weet je nog de communiefeesten in de tent in jullie tuin? Amai!
Maar je leven ging niet over rozen en het geluk ontglipte je steeds meer. Letterlijk en figuurlijk, want je kwam steeds minder op plaatsen waar het prettig vertoeven was. De tuin werd stil, het huis duister. Het lukte je niet meer in het licht te komen. Geen mens die het begreep.
Je kwam vaak bij ons langs, soms te vaak, maar altijd welkom. 'Mijn zorgenzusje', zei Elsy, maar je werd een goede vriendin. Zoekend naar wat geluk kon je om kleine domme dingen lachen. Zoals tijdens jullie hilarische zoektocht naar levende duiven voor het verjaardagsfeest. En hoe kon je genieten van de kop koffie die we samen dronken! Met die smakeloze koeken die je meebracht. Ik wou er niet van eten en hoe meer ik dat zei, hoe meer je aandrong. De namiddag voor die nacht stond je nog aan mijn werkkamer en ik beloofde om naar de keuken te komen voor die kop koffie. Maar ik bleef werken en kwam niet, de koffie dronk ik pas toen je al naar huis was. Je liet zo’n smakeloze koek voor me achter. Voor als ik eens tijd had. 
Hij ligt nog steeds onaangeroerd op het aanrecht. 
Misschien zal dit je ook wel blij maken nu. Deze zomer trouwt je Tom. Hoe zag je daar naar uit! Tijdens het feest zal ik even met hem boemballen. Net zoals ik met hem voetbalde toen hij bij ons in de papschool zat. Het is beloofd!
Bye Eva, het ga je goed. We zullen je missen.

http://www.youtube.com/watch?v=m6PLeiFWsBE

vrijdag 24 februari 2012

Alle remmen vast

Plots was hij er totaal onverwacht: de eerste lentedag. Het deed vreemd om pas na de middag het huis uit te gaan. Dan stap je buiten en heb je ineens last van de verkeerde schoenen, een overbodige sjaal en een veel te warme jas. Ik ga maar net niet in de schaduwzijde van de straat lopen.

Het is stil als ik aan de schoolpoort voorbijkom. Toch mis ik de kinderen niet, daarvoor is deze vakantie te kort. Op 1 juli mis ik de joelende bende wel. Het past niet, twee maanden lang een lege speelplaats. Nostalgie nog voor de zomer echt begint. Nu weet ik dat ze er maandag weer zullen zijn. Schreeuwend. Lachend. In het midden van de straat. Met fietsen zonder remmen. Hun ouders met de auto op het trottoir of op het zebrapad. Toeterend voor dat ene plaatsje bij de schoolpoort. En ik mij weer inhoudend om zeker geen vermanende opvoeder te worden. Laat ze maar roepen en de straat innemen. Alhoewel, er moet hen niets overkomen. Het zal weer een evenwichtsoefening zijn om een zorgend én verdraagzaam burger te zijn. 
Ik weet wie ik wél zal missen maandag. Mijn oversteker. De man van wie ik tot voor enkele dagen niet eens de naam wist. Pas nu hij ineens gestorven is, kreeg hij ook voor mij een naam.

Ik blijf hem nog even mijn oversteker noemen. Elke morgen en middag stond hij er, als een rots in de branding. Ik kwam van mijn huis de school voorbij en volgde de tegenovergestelde richting van de schoolkinderen. Maar mijn oversteker zag geen verschil. Van zodra hij mij zag opdoemen, ging hij prompt en bijna zonder uitkijken de straat op en deed de aanrijdende auto’s bruusk stoppen. God, wat was ik vaak bang als ik hem bezig zag. Hij nam zijn taak veel te ernstig, denk ik. Toen ik aan het zebrapad kwam, het zijne, was soms net een hele rij wagens voorbijgeschoven - rijden kunnen ze daar niet ’s morgens om 8 uur - en was er enkel nog de staartwagen van een lange file. De brave burger in mij zou die wagen altijd laten voorbijrijden en dan pas oversteken. Alleen als ik middenin een bijna stilstaande file aankom, maak ik van mijn recht om auto’s te doen stoppen aan het zebrapad gebruik. Maar mijn oversteker deed dat nooit. Altijd hield hij de auto’s tegen. Ook al was er ’s middags maar één wagen in de verre buurt te zien: hij moest stoppen voor mij. Daarvoor was hij gemachtigd: auto’s doen stoppen voor voetgangers, met gevaar voor eigen lijf en leden. Wat voelde ik me soms beschaamd tegenover de autobestuurders. Een arme hulpeloze man die door een man in een oranje jas moet worden geholpen om de lege straat over te steken. Het voelde ook altijd zo betuttelend en paternalistisch. Hate that.

Hij moest eens weten, mijn oversteker… Soms ging ik toch met de fiets naar het werk zodat ik niet weer zou verplicht zijn om aan de overkant van de straat post te vatten bij het zebrapad zodat hij het verkeer kon lamleggen om mij veilig naar de overkant te loodsen. Als hij er niet was, zou ik het zebrapad dan negeren, de andere kant van de straat is makkelijker en veiliger, want dan moet ik maar één keer een straat dwarsen. Ik ontdekte ook dat de omweg via het park nauwelijks een minuut vertraging opleverde. Die minuut offerde ik graag op om het verkeer niet onnodig op te houden, de files zijn zo al lang genoeg.
Maar hij was zo enthousiast, mijn oversteker. En nu is hij niet meer. Hij zei me elke morgen een goedendag, alhoewel hij nauwelijks durfde opkijken als ik voorbijkwam. Zo erg waren zijn ogen al gefocust op de volgende wagen die hij straks abrupt tot stilstand zou brengen. Zich niet bekommerend om sakkerende chauffeurs met tikkende wijsvingers of opgestoken middenvingers.

Die keer dat hij zich van vader vergiste. ‘Hoe is het met je vader, is hij al beter?’ vroeg hij. Ik zocht ver in mijn geheugen om er zeker van te zijn dat ik thuis niets had gemist. Ik ga soms veel te weinig langs bij mijn ouders. Wat was er met mijn vader? Niets, zo bleek. Mijn oversteker had zich van klant vergist, hij verwarde de man-van-de-bibliotheek met de man-van-het-cultuurcentrum. En dus ook hun vaders.
‘Bij wie moet ik zijn om schade aan de weg aan te geven?’ zei hij op een morgen, na het oversteken. Hij wees op een venijnige put in het wegdek die het de jonge fietsers wel erg gevaarlijk maakte. Ik verwees hem naar de bevoegde ambtenaar maar zei erbij dat het wel even kon duren vooraleer ze zouden langskomen. ‘Zie je het?’ zei hij ’s middags trots als een aap. Het putje was gedicht met een klad asfalt. Alles voor zijn kinderen en dat verwachtte hij ook van de bevoegde ambtenaar. Voor putjes vullen waren zij gemachtigd en ze moesten dat met evenveel overgave doen als hij bij het oversteken. Vond hij. En zij dus ook, blijkbaar.

Maandag zal hij er niet zijn. Ik ben nauwelijks benieuwd wie zijn vervanger zal zijn. Nooit zullen auto’s nog even bruusk tot stilstand komen in de Lode de Boningestraat. Het ga je goed aan de overkant, Alfred….

http://www.youtube.com/watch?v=rn_YodiJO6k

vrijdag 16 september 2011

'Waarom Jote, waarom?'

Jongeman stikt door frietketelbrand. Een kop in de regionale bladzijden van een krant die ik normaal gezien niet eens opmerk. Het is het soort berichtgeving dat me niet raakt. Een slippartij, een klapband, een omgevallen boom, een schouwbrand, een steekpartij. Het ruikt naar sensatie of non-news.

Maandagmorgen ging ik over de zin en mijn ogen bleven staan. Zopas had mijn zoon gevraagd of hij zaterdag de auto kon gebruiken om naar de begrafenis van een vriend te gaan. Ja, hij was het. Jonathan kwam zaterdag thuis van het Schippersweekend in Lauwe, hij had (ongetwijfeld) wat gedronken en besloot ‘s morgens om vijf uur nog een frietje te bakken. In slaap gedommeld terwijl de olie warm werd. Heet werd. Te heet werd. Jonathan stikte in zijn diepe slaap. Als een ware schipper die zijn schip niet verlaat.

Ik heb Jonathan niet gekend en nooit gezien. Maar god, wat moet hij een toffe gast zijn geweest! Een warme goedgeluimde vent, waar iedereen graag bij was. Je kon altijd op hem rekenen. Hij knuffelde, hij maakte plezier, hij deed veel dingen samen met zoveel vrienden. Met zijn hele lijf en leden in de maatschappij. Chiroleider. Kandidaat Prins Carnaval toen hij 19 was. ‘Skivendraaier’ en tapper achter den toog. Hij zette het feest klaar en hij ruimde het op.
Zijn verhaal is zo herkenbaar. Mijn zonen zijn ook chiroleider, ze gingen ook naar het Schippersweekend, ze komen ook wel eens met honger thuis.

1284 vrienden had Jonathan vorige maandag op Facebook. Vandaag, vrijdag, heeft hij er al 1329. Er komen er bij, over zijn dood heen. Geen nepvrienden. Echte vrienden die nooit eerder op Facebook kwamen maakten een account omdat ze iets op Jonathans prikbord wilden schrijven. Anderen hebben hun account gereactiveerd. Een hele generatie jongeren uit de regio is in shock.

Ik huilde tranen met tuiten toen ik de posts en reacties op zijn prikbord las. Ismael zat maandag op de bus en hoopte een glimp op te vangen van Jonathan. Elke morgen zwaaide hij terwijl hij de krant las als hij wachtte op de bus. Kimberly zal zijn knuffeltje missen dat hij haar altijd gaf als hij een pintje teveel op had. Voor Jelle was hij een gouden jongen die voor alles en iedereen klaar stond. En dan de zus van Jonathan, die de verweesde vriend troost: 'je was écht zijn vriend hoor'. Het zal Jelle deugd hebben gedaan om dat te lezen - zijn verdriet des te groter. Veel woorden die je alleen begrijpt als je in onze streek woont: dat Jote ne bjistige keirel was. Niet te tellen hoe bjistig. Veel godverdommes ook en fuck yous en shits. Hoe poëtisch deze woorden ineens klinken. Margot wenst veel sterkte aan familie en vrienden. Zin moaten, wuk zagen ze hem geirne.

Jonathan was een leutemaker, een zeveraar, ne sjieken, een gjistigaard, ne zaligen tip, een matje, ne gast waar je op kon rekenen. De positivo van Menen City. Daphne had net zijn sjaal van het galabal teruggevonden, ze hoopt dat ze hem op een dag kan teruggeven en zal er in afwachting heel goed voor zorgen. Een geruststelling ook voor wie niet op Facebook komt: in den Beepop ligt een boekje klaar waarin je iets kunt schrijven. Den Beepop op de markt van Menen, waar iedereen Jonathan nu hard zal missen. Het zal nooit meer hetzelfde zijn op de markt van Menen, in den Overkant, in de Jukte, in ’t Schipke, in de JC, in den Abatoir, op het secretariaat van de school waar hij werkte.

Jongeren hadden hem graag, ouderen keken naar hem op. Jonathan ging ooit bij drie vriendinnen langs om hun BBQ aan te steken. Ge moe roep’n é vo de barbecus! En wie gaat ter Nicoline nu ut heur bedde beln gat in nacht om te bluvn slaapn omdat tie nie mji tus grakte? De leraar Nederlands leest mee en vindt het jammer dat deze woorden moeten geschreven worden. Jonathan was een stoere kerel met een gouden hart, zegt hij. Van Chou zal hij altijd de grote liefde blijven. Zijn klasgenoten uit de lagere school, zijn homomatje, zijn eerste lief, zijn swarovskibabe. Allemaal missen ze hem. Jonathan wordt weer tot leven gewekt op steeds meer getagde foto’s, op filmpjes waarop je zijn stem hoort, met muziek die hij graag hoorde. Stand by me, oh darling stand by me en den Bob. Maar Afscheid van een vriend van Clouseau staat er ook tussen. Er is een online rouwregister. En een RIP-Facebookpagina voor Jote, the legend.

Jonathan ligt heel mooi in het funerarium. Met een sjiek kostuum aan, hij mag er trots op zijn, zegt Lobke. Morgen wordt hij begraven, ze zullen er allemaal zijn. En binnen drie weken zullen ze voor Jote allemaal Dwars door Geluwe lopen.

Al die jongeren die geen woorden vinden om hun verdriet uit te drukken, het ontroert me zo. Jonathan, ze zijn boos op je omdat je er niet meer bent… Dat ze je niet meer zullen horen lachen en dat je hen niet meer aan het lachen zal brengen. Ze gaan je heel hard en heel lang missen. Maar ze zijn ook superblij dat ze je gekend hebben. Als dat geen mooi compliment is.

Deze blogpost wil niets meer dan een bloemlezing zijn. Said krijgt het laatste woord: Jote, we misn je bère ard vint.

Veel sterkte aan de familie en vrienden.