Pagina's

Posts tonen met het label schrijvers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schrijvers. Alle posts tonen

donderdag 2 maart 2017

Afscheid van een raam

Van 20 februari tot 6 maart 2017 verbleef ik voor een tweede keer als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem. 
Ik schreef en sleutelde er aan teksten. En ik werd vriend van een schrijver en zijn huis.

Dag Stijn,

Ik ben dan stillekesaan weer weg hé. Dank dat ik nog eens in je fantastische huis mocht vertoeven. Je was een goede gastheer: je liet me gerust en ik jou, zo hebben we het allebei graag.
Ik ben wel blij dat ik me welkom voelde in het Lijsternest. Je bent gene gemakkelijken hé! Maar ik probeerde je leven hier niet al te veel te verstoren. Ik was geen vorte zage, zoals André Demedts dat voor jou wel was. Je joeg me ook niet weg, zoals je mijn vader ooit eens wegjoeg toen hij hier eind de jaren ’60 even halt hield op zijn wekelijkse diensttrip naar Ronse. Je verstopte je ook niet achter een gordijn zodat je de deur niet moest open doen, zoals wel eens gebeurde als alweer een journalist of een biograaf langskwam om je enkele vragen te stellen.

Ik vraag me eigenlijk af waarom je me liet betijen. Misschien omdat ik een klein beetje koersschrijver ben? Zag je in mij een vage opvolger van je vriend des huizes Karel Van Wijnendaele? Hoopte je dat ik na Kuurne-Brussel-Kuurne zou binnenkomen met in mijn kielzog Peter Sagan zoals Van Wijnendaele ooit bij jou op bezoek kwam met de Italiaanse wonderboy Gino Bartali? Bartali was blij dat hij niet al je boeken moest lezen, zei hij, maar jij was evenzeer verheugd dat je al die bergen in Frankrijk en Italië niet moest beklimmen, ook al was je een fietser. En kijk, daar zijn we toch wel een beetje verwant, jij en ik. Ik ga ook graag dretsen met mijn velo en ik hou al evenmin van bergen. Ik rij er ook omheen, stukken makkelijker. Maar ik mag me dit allemaal niet inbeelden, want ik ben op het terrein van collega-resident Patrick Cornillie gekomen. Hij is de koersauteur en hij was hier vorige herfst te gast. Hij zou inzoemen op jouw boek 'Mijn rijwiel'. Wat vond je van de oldtimerfiets die hij meebracht?

Wees gerust, ik heb goed voor alles gezorgd. Je souvenirs, kunstobjecten en prullaria staan er nog. Op je vensterbank heb ik er zelfs nu en dan tijdelijk eentje bijgeplaatst, maar die kleinigheden neem ik straks weer mee naar huis. Er is zo al geen plaats meer bij jou. Het is ook niet min als je meer dan 60 jaar in hetzelfde huis woont. Wat je al niet verzamelt dan!
Ik heb bijna geen boeken uit de kasten gehaald. Nu en dan eens, maar met grote voorzichtigheid en wees maar zeker dat ik ze op de juiste plaats heb teruggezet. Dat mag je van een bibliotheekmens ook wel verwachten. Ik ontdekte geen classificatiesysteem of rangschikking in je bibliotheek. Een beetje per auteur, toch? Hopelijk vind je het niet erg, maar ik heb een D’haene in je leeshoek achtergelaten. Ik weet niet of mijn roman iets voor jou is hoor, je ziet maar of je tijd vindt om hem te lezen.
Ik heb verder je bad niet gebruikt, slechts heel uitzonderlijk je toilet en een keer ging ik voor een foto op je bed liggen. Ik at nooit in je keuken en maakte er geen eten klaar. Ik ging nauwelijks in je leeszetels zitten. Vanavond at ik in de zon op een bank in je tuin, maar die was vast niet van jou? Ik tikte verder niet op je AEG-schrijfmachine, speelde niet op je piano, rookte je pijp niet, schoot niet met je revolvers, trok niet aan het touw van je torenklokje. Ik deed wél eens je hoed aan … maar hij hangt er weer terug, niemand die het ziet.
's Avonds als het pikkedonker en muizestil was in je huis en ik de vreemde geruchten hoorde, ging ik wel eens aan je mooie tafel in je mooiste plaats zitten. Dan las ik in 'Dag Streuvels' van Hedwig Speliers en leerde ik je wat beter kennen. Sommigen zijn boos op Speliers, las ik ondertussen. Tja, er staan passages in die vreemd lijken. Dat je niet vooraan in de kerk wou zitten omdat je de pastoor niet wou behagen. Maar sommigen zeggen dat je liever achteraan zat om de mensen te observeren en te kiezen als personages voor je boeken. Die speelden zich toch in de streek af, dus waar kon je hen makkelijker op het spoor komen dan in de kerk, met hun zondagse kleren aan? Elders zag je hier geen kat. Kwatongen beweren zelfs, nog altijd volgens Speliers, dat je achteraan ging zitten om naar de jonge meisjes te kijken. Ook die had je nodig voor je boek, toch? Je had nu eenmaal een fotografisch oog. En waar kon je de Mira's uit de Waterhoek en elders beter bekijken dan achteraan in de kerk? En als het niet voor je boeken was … et alors? Heb je Mitterand nog gekend eigenlijk?

Ik hoop dat je het niet kwalijk neemt, maar ik heb ook je vrienden opgezocht. Ik weet dat je veel aan hen had. Je vond Ingooigem verder een van de banaalste dorpen om in te wonen. Je houdt je ook niet in, jij. Het waren wel je buren hé!
Maar ik botste op Hugo Verriest in zijn statige pastorie en zijn pompeuze ouderlingenhuis. Kunstschilder Valerius De Saedeleer: het wordt echt tijd dat hij zijn huisje opknapt, anders verzakt het in de Tiegemberg. Ik ontmoette dorpsschrijver Torie Mulders aan zijn kapelletje, de ene keer vanuit Tiegem en de andere keer vanuit Ingooigem. Dorpsschilder Staf Stientjes kwam ik ook tegen in zijn lusthof ’t Vossenhol. Waar woonde Gustave Van de Woestijne eigenlijk? Op de Tiegemberg, las ik. Maar vanuit je raam bekeken is dat wel een immense berg, hoor! Wat is dat overigens een vreemd verhaal van die molen van Torie Mulders! Hebben ze die echt in brand gestoken voor de opnames van een film? Ik ken molenliefhebbers die het jullie kwalijk zouden nemen. Het armtierige prentje van de molen gaf je een plaats aan een muur in je nest. Je kreeg toch geen spijt?
Je miste hen hé, de laatste jaren van je leven. Al die vrienden-kunstenaars-geestegenoten bij wie je zo graag langsging. ‘Als ik de blik laat gaan over de streek, is er niets meer dat mij aantrekt: vrienden en kennissen die ik er vroeger wonen wist zijn weg of gestorven, geen posten meer om bezoeken af te leggen. Ik kan er alleen nog aan denken hoe het geweest is.’

Ach, ik hoop maar dat je mij geen onaangename huisgenoot vond. Ik zei niet veel en deed in stilte voort. Ik zorgde goed voor je huis, ook toen die Franssprekende klusjesmannen en overenthousiaste schoolkinderen eens langskwamen. Haha, een jongen dacht dat ik Stijn Streuvels was! Ik liet mijn ouders binnen en zij bleven een hele tijd tussen de boeken zitten. Het mocht toch wel hé? Je bent in de jaren ’60 niet erg vriendelijk geweest tegen mijn vader. Het was nochtans uit bewondering voor jou hoor dat hij even halt hield aan het Lijsternest!
En ach, nu ga ik jou en je vrienden op mijn beurt missen. Ik ging nog even langs, vanavond. Langs het huis van kapelaan Verriest, het kapelletje van Torie Mulders, de stulp van De Saedeleer. Zondagmiddag ga ik met mijn vrouw en kinderen eten in Stientjes’ Vossenhol. Daarna ga ik nog een laatste keer aan je raam zitten. Het panoramische raam van schrijver Stijn Streuvels. Want daar heb ik, de vorige twee weken en de afgelopen twee jaar, met de goedkeuring van het Provinciebestuur en een vrijgeleide van Passa Porta, uren en uren gesleten. Daar kon zelfs jij me niet weghouden. Sorry als het je pijn deed.

Heel veel dank voor je gastvrijheid, Stijn! Wees gerust, ook al vertoeft residentieverantwoordelijke Tom hier bijna elke dag, lopen in de zomer de toeristen je deur plat en neemt in de winter de ene na de andere schrijver je raam en je huis even over: het Lijsternest blijft altijd van jou. Op je klijtkop ‘leef en heers je’ voor eeuwig ‘als een koning te rijk’. Van hier op de hoogte gaat ‘alleen jouw blik over de vier windstreken’ en mag je ‘tot op het einde der tijden de wereld overschouwen’. ‘De blijdschap, de jubel in de ziel en het bovenmenselijk geluk om elke morgen van hier uit de zon te zien opstijgen en de blik te laten scheren over een oneindige ruimte’ zijn voor eeuwig van jou. Jij bent voor altijd The Lord of the Hill.

https://www.youtube.com/watch?v=U2no4xBL-zc



maandag 1 februari 2016

Selfie met raam

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem. 
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een heel klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Maandag 1 februari

Het is 18u28 nu. Ik ben amper een uurtje in het huis van Streuvels en eigenlijk kan ik nu al naar huis. Ik heb gedaan (ik doe het terwijl ik dit schrijf) waar menig literatuurliefhebber van droomt. Ik ging het Lijsternest binnen en ging aan het raam zitten. Het beroemdste schrijversraam van de Nederlandse letteren. Ik keek door het panoramische raam, over het veld, naar de Tiegemberg. Ik nam mijn laptop en schreef.
Streuvels schreef hier zijn Vlaschaard terwijl de werkmenschen voor hem aan het raam voorbijkwamen, lees je wel eens. 'Ik had maar mijn venster open te zetten om de velden te zien bewerken en bezaaien, om de geelgroene vrucht te zien wassen, om de liedjes te horen der wiedsters en het spel te zien en de leute der slijting,' schrijft hij zelf. De waarheid is evenwel dat dit venster er in 1907, toen De Vlaschaard verscheen, nog niet eens was. Het kwam er vele jaren later, na een van de vele verbouwingen in het huis. Toen Streuvels nog maar pas in zijn Lijsternest woonde (hij kwam er in 1905), schreef hij aan een schrijftafel voor het raam naast de voordeur van het huis, met uitzicht op de golvende Scheldevallei in het oosten. De zon in zijn gezicht dreef hem naar een schrijfplek met een betere lichtinval - en een weidser panorama.   
Ik zit aan het beroemde raam te schrijven dus. Het hoogtepunt van mijn veertiendaagse is nu al voorbij en het moment van glorie duurde amper twee minuten. Mijn selfie met raam heb ik nu al. 

Wees gerust, ik keer nog niet huiswaarts. Er is nog zoveel te ontdekken. De schroom valt nog niet helemaal van mij af. Streuvels zelf was op elke plaats die ik betreed of bekijk in dit krakende huis. Elke stoel, elke tafel, elke zetel: het was ooit die van hem. Hij zat er, hij at er, hij las er, hij keek er, hij schreef er. Het huis hangt vol foto's, kunstattributen, bekende koppen en bustes. En er zijn boeken natuurlijk. Boeken boeken boeken. Als openbaar bibliotheekmens doet het raar om deze Streuvelsbibliotheek te verkennen. Ik mag de boeken in de volgestouwde rekken niet vastnemen omdat Streuvels zelf ze ooit heeft geplaatst waar ze nu staan. En ook omdat de bibliotheek nog niet is gecatalogiseerd. Daar word je als bibliotheekmens dan weer intriest van. Dat tot hiertoe niemand deze rijke bibliotheek heeft ontsloten! Maar er is hoop. Tom, de residentieverantwoordelijke, verzekerde me dat er werk van wordt gemaakt. Het zal een immens werk zijn maar het moet ook fantastisch zijn om dit te mogen doen. Voor een bibliotheekmens.
Morgen maak ik tijd voor wat het tweede hoogtepunt van mijn verblijf moet worden. Ik wil over alle boekenruggen gaan. Zien en weten wat Streuvels heeft gelezen. Genieten van de versierde ruggen. Het zal een wandeling door zowat een eeuw Vlaamse en Europese literatuur worden. Deze kennismaking zal veel langer duren dan twee minuten. De bibliotheek kronkelt zich door de vele gangen en kamertjes van het huis. Streuvels bouwde veel bij tijdens zijn leven. De bibliotheek groeide met het huis. Of was het omgekeerd?

En toch ben ik niet voor het raam en de boeken naar hier gekomen. Ik mag me niet laten afleiden. 'Nulla dies sine linea' hangt boven Streuvels' raam en nu ook boven mij. Geen dag zonder regel, geen dag zonder schrijven. Er moet een misdaadroman worden afgewerkt, er moet een kinderboek worden geschreven, er moet een oorlogsdagboek worden geredigeerd. En ik wil een Vlaamse jeugdroman aanpakken. Het idee is er. Streuvels zal me helpen, maar ik heb even wat tijd nodig om van mijn schroom af te geraken. 
Hij moest het eens weten... Ik las wat af de voorbije weken. Streuvels was lang niet de vrolijke gezellige opa die je omwille van zijn hoge leeftijd, groezelige haar en grappige snor zou verwachten. Hij was nogal nors en stuurde pottenkijkers van zijn erf. Hij had het niet echt voor de mensen van het dorp of de passanten langs de weg. En dan kom ik, klein klein schrijverke, oneerbiedig bezit nemen van zijn schrijverspaleis en keizerlijke raam. Moet ik me bij hem verontschuldigen? Hem op het hart drukken dat het mocht van het provinciebestuur? Hem beloven dat ik niet aan zijn boeken zal raken en dat ik verblijf in zijn tot studio omgebouwde schuur? Niet in zijn bed maar in een bed van de Molecule zal slapen? Dat ik niets zal meenemen naar huis?
Iets in mij zegt dat hij mij alleen mijn gang zou laten gaan als ik hem verzeker dat ik hem bewonder. Hem vertel dat ik veel van zijn boeken heb gelezen, dat ik naar hem opkijk en dat ik maar al te goed besef dat mijn geschrijf in het niets verzinkt vergeleken met zijn belangrijke boeken. 
Als 'IJs' in mei wordt gepresenteerd, schenk ik in gedachten het eerste exemplaar aan Stijn Streuvels. Als late verblijfsvergoeding. Kan hij het boek bijzetten in zijn bibliotheek. Als hij dat wil tenminste.

https://www.youtube.com/watch?v=ekrzLtCKMJg

Lees ook: Karel


Op de beroemde vensterbank zijn niet alle prullaria van Streuvels. Mijn kleinood moet me de komende dagen dicht bij mijn verhaal brengen.

maandag 17 november 2014

De vijftig genaakt

In het jaar waarin ik zelf vijftig werd, wordt de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers dat niet. Of althans, het tijdschrift van de eerbiedwaardige vereniging. Jammer maar helaas: er komt geen vijftigste jaargang voor de VWS-cahiers. De reeks zal immer jong blijven.

Al is dat in de literaire wereld wel even anders. Een literair tijdschrift dat vijftig jaar zonder tussenpozen, met quasi onveranderde redactionele richtlijn en met een bijna legendarische regelmaat bleef verschijnen, mag zich zonder blozen een grijze eminentie onder de literaire bladen noemen. Toegegeven, de cahiers zijn Dietsche Warande niet, ook niet Belfort, evenmin Dietsche Warande & Belfort en al zeker DW B niet. Net zo min als ik Hugo Bousset ben. Maar toch: vijftig jaar kan tellen, daar ben ik sinds dit jaar persoonlijk heel zeker van.
Het eerste cahier verscheen in 1966. Fernand Bonneure leidde de vierde druk van het verhaal ‘Het Turkse kromzwaard’ van Marcel Mattijs in. In de halve eeuw die volgde, kwam VWS met de regelmaat van een klok op de proppen met een biografische monografie over een West-Vlaams publicist – in een mooi evenwicht tussen de diverse disciplines jeugdliteratuur, proza, poëzie, theater en essay. Binnen enkele dagen verschijnt aflevering 283, een biografisch essay en tevens mooi eerbetoon aan West-Vlaanderens kunstpaus Willy Vandenbussche, die net een jaar geleden in Washington overleed. 

In 1999 werd ik als nobele onbekende (‘bibliotheekmens en beginnend jeugdauteur’) gekatapulteerd tot redacteur van de tijdschriftenreeks. Ik aanvaardde het redacteurschap met lichte aarzeling – ik had al zoveel te doen! – maar nam me  toch voor om het minstens vijf jaar te blijven doen. De schrijvers moeten op hun redacteur kunnen rekenen, vond ik.
Ik hield het lang niet voor bekeken na vijf jaar, want al snel liet ik me met graagte opslorpen door de cahiers. Het samenstellen van een ‘mooie jaargang’, het aftoetsen van het belang en de belangstelling van de auteur, het zoeken naar de juiste samensteller: het bleek veel leuker dan ik ooit had gedacht. De samenwerking met (bijna alle) samenstellers van de cahiers was bijzonder aangenaam en leverde fijne contacten en kennissen op. Het sleutelen aan teksten en het nalezen van proefdrukken werd een geliefkoosde bezigheid – als het een beetje kon, vulde ik er heel deugdzaam mijn zondagnamiddagen mee. Als de deadline het toeliet: want ook die leerde ik snel van heel nabij kennen.
Ik redigeerde in totaal 87 afleveringen van de cahiers en elk nummer dat op tijd en mooi afgewerkt in de bus viel, ontlokte een stil, ingehouden wauw-moment. En ze roken elke keer zo goed, die gloednieuwe boekjes!

Vanavond liet ik mijn ogen wat meewarig over de 87 witte rugjes van de cahiers die ik redigeerde glijden. Ach, bijna elk nummer heeft zijn petite histoire, bedacht ik. De brief van Veerle De Wit, mevrouw Hugo Claus (nr. 200), de bezorgde maar charmante ernst van Jozef Deleu (204), de gemarmerde tekst van Jef Ector over Peter Verhelst (211), het gesakker van Christiaan Germonpré tijdens het schrijven over de roespoëzie van Mark Dangin (210), de tekst over Karel Verleyen en hoe dankbaar hij me daar om was (220), dorpsgenoot Lionel Deflo die heel mooi schreef over zijn vriend en dichter Hedwig Verlinde (229), de vijf velletjes papier die ik kreeg van cahier-pionier Raf Seys en die ik moest uitvullen tot een volwaardig cahier over ene Dries Masure (233), de altijd weer veel te late maar desondanks bijzonder vriendelijke mails van Etienne Vermeersch (238), mijn tijdelijke held van vroeger Petrus Plancius (249), de vrije-blije en soms erg boze poëzie van de sxities die weer tot leven kwamen in de cahiers over Johan Sonneville (207), Herman J. Claeys (254) en Ludwig Alene (281), de gevreesde samenwerking met Hedwig Speliers die een heel aimabel man bleek te zijn en Willem Vermandere die voor ons zong in het stadhuis van Veurne (260), de vertwijfelde maar waardige huldiging van oude knar Roger Verkarre door youngster Fien Devos (265), de rimpelloze samenwerking met de Nederlandse literaire coryfee Cyrille Offermans die resulteerde in een mooi nummer over Luc Devoldere (273), mijn tijdelijke literaire liefdesaffaire met Katrien Vervaele (274) en het mooie wat eigenzinnige cahier over klasgenoot-dichter Philip Hoorne (282).
Ik noem voor de vuist weg maar enkele van de vele mooie cahierervaringen. Ik memoreer voor mezelf ook de vele bijzondere presentaties bij bevriende bibliothecarissen, in kunstenaarsateliers of heemkundige huizen, de redactievergaderingen ten huize Renaat Ramon en de prettige samenwerking met Jet Marchau die een mooie inkijk bood in leven en werk van collega-jeugdauteurs als Lieve Hoet, Patrick Lagrou, Brigitte Minne of Kristien Dieltiens.

Liep het dan altijd zo makkelijk? Neen hoor, er waren ook tegenvallers. Nu en dan viel een tekst tegen, andere keren werd de deadline niet gerespecteerd, soms waren er niet in te lossen verwachtingen van samensteller of auteur. En soms – heel soms – liet een samensteller me ook wel eens in de steek. Zo vind ik het ontzettend jammer dat de door mij zo gewaardeerde jeugdauteur Jan Simoen niet het cahier kreeg dat was voorzien omdat de samensteller schromelijk de voeten veegde aan steeds weer met veel goede wil vooruitgeschoven deadlines. Jan overleed begin 2013 en het cahier dat hij zo erg verdiende, haalde helaas de eregalerij van de West-Vlaamse letteren niet.
Maar dit is alleen maar jammer. Veel erger is dat er geen nieuwe cahiers meer zullen verschijnen. Nooit meer. Neen, de redactie gooide de handschoen niet zoals veel tijdschriften de afgelopen decennia dat wel deden of moesten doen. Er was absoluut geen gebrek aan kopij en – dat al zeker niet – aan auteurs. De redacteur was het niet beu – oh nee! Met tegenzin schrap ik het regeltje ‘redacteur van de VWS-cahiers’ van mijn cv. Het uitgebreide word-mapje ‘Cahiers’ verdwijnt van mijn harde schijf, de West-Vlaamse auteurs verhuizen naar de ‘cloud’. 

What happened? Ewel… de cahiers verschenen al die jaren onder auspiciën (lees: met financiële steun en warme bekommernis) van het West-Vlaamse provinciebestuur. En net met die auspiciën loopt het nu ineens verkeerd. De interne staatshervorming geeft de provincies niet langer de kans, het geld en de bevoegdheid om zich vol overgave te bekommeren om kunst en cultuur. Daar zal de Vlaamse overheid zich voortaan wel mee bezig houden.
Ik kan kort zijn nu. Bye bye West-Vlaamse scribenten. And no regrets please.

https://www.youtube.com/watch?v=lE0kivjHvDw

Lees ook:  Veel meer dan meisje van de zee
Lees ook: Een goed jaar voor schrijvers
Lees ook: Petrus Plancius


vrijdag 3 mei 2013

Shit never happens

Vanaf vandaag heb ik te doen met thrillerauteur Guido Strobbe uit Sint-Denijs-Westrem. Guido publiceerde in het voorbije anderhalf jaar twee misdaadromans. Zijn laatste roman Odium speelt zich af rond de Sint-Baafskathedraal in Gent en het gestolen paneel van het Lam Gods neemt een prominente rol in het verhaal in. Het ziet er evenwel niet naar uit dat er heel snel een derde roman komt, want de auteur is sinds vorige dinsdag zelf betrokken in een spannende speurtocht. Die naar zijn verloren manuscript.

Het is en blijft het schrikbeeld van een schrijver. Je tekst kwijtspelen. En tegelijk acht je het onmogelijk dat het these days nog kan gebeuren. De tijd dat schrijvers schreven (met een ganzenveer en Oostindische inkt op een papyrusvel of met een balpen op een cursusblad) ligt eeuwen achter ons. Schrijvers schrijven nu op de computer en ze zijn al lang meer dan computervaardig genoeg om de vruchten van hun creatief tikwerk niet ongewild kwijt te spelen. Je kan je tekst opslaan en kopiëren zo vaak je wil en je kan er even makkelijk voor zorgen dat je script elk moment veilig bij jou is. Dat je er op elk moment in kan lezen. Dat je er op elk moment van de dag iets kunt aan toevoegen. Of iets schrappen, wat voor een schrijver even belangrijk is.

Toch liep Guido Strobbe in de val. Vorige dinsdag stapte hij omstreeks acht uur ’s morgens uit de trein in het station van Brugge. Ongetwijfeld waren zijn gedachten helemaal bij de personages van zijn roman-in-wording, want te laat merkte hij op dat hij zijn rugzak op de trein was vergeten. In die rugzak zat zijn laptop waarop al zijn schrijfwerk was opgeslagen. Alle documentatie en research van zijn vorige romans, maar ook meer dan honderd bladzijden van zijn uit te brengen thriller. Guido Strobbe is misschien wel een vergeetachtig type, want hij heeft van al zijn schrijfwerk een back-up op een externe harde schijf die hij altijd veilig bij zich houdt. Hij gaat nooit het huis uit zonder de harde schijf mee te zeulen. Dus zat die ook vorige dinsdag in zijn rugzak. Samen met zijn laptop. Op de trein naar Oostende. Terwijl hij in het station van Brugge...
Zo erg… Ondertussen loofde de auteur 300 euro uit voor de eerlijke vinder van zijn laptop. Ik vermoed dat die laptop hem kan gestolen worden (is ie eigenlijk al een beetje), maar dat hij vooral zijn script terug wil. Dezer dagen gaat hij ongetwijfeld door een hel. Hopen maar dat zijn zoektocht naar de vergeten laptop hem ooit het scenario van een spannende roman oplevert.

Ongetwijfeld zijn er in de literatuurgeschiedenis tientallen voorbeelden te vinden van kwijtgespeelde manuscripten. Het kan een prachtig onderwerp zijn voor de scriptie van een literatuurstudent. Verloren manuscripten. Vooral in de tijd van de ganzenveren en de balpennen moeten er vele voorbeelden te vinden zijn. Verstrooide schrijvers, waaiende wind op het strand, computerpannes, achtergelaten rugzakken… ze zorgden ongetwijfeld al voor veel ellende bij schrijvers.
Dan heb ik het hier even niet over een ander soort verloren verhalen. Schrijvers horen van hun uitgever wel eens dat hun boek is uitverkocht, tot ze het ineens zien verschijnen op de website van een buitenlandse webshop. In een heel nieuwe versie. Gestolen manuscripten zijn dat. Zit misschien ook een spannend verhaal in, maar toch komt hier eerder een rechtszaak van, vrees ik. Of een scriptie van een student rechten.

Jeugdauteur Katrien Vervaele had het ook eens voor en ook bij haar was er een bijzonder verhaal aan verbonden. Ze was ver gevorderd in haar historische jeugdroman over Johannes Gutenberg en de uitvinding van de boekdrukkunst. In het verhaal wou Gutenberg net zijn eerste pagina tekst drukken. Op hetzelfde moment, maar eeuwen later werd Katrien evenwel te grazen genomen door een computerpanne. Niets drukken, alles kwijt. Even curieus als de auteur van speurdersverhalen die willens nillens naar zijn eigen verhaal moet speuren.
Maar dat weet ik dan weer uit eigen ondervinding - ik vergat wel eens een bestand op te slaan: een tekst die je hebt schoongeschreven en gepolijst, schrijf je achteraf als vanzelf weer neer. Veel zal er niet aan veranderd zijn. Al moet het natuurlijk geen halve roman worden… Katrien kreeg het wel voor elkaar. Ze begon opnieuw en het werd een prachtige roman. Inkt heet hij, al schreef ze digitaal.

Mij overkomt het niet. Van elk beginnend script en van elke geredigeerde tijdschrifttekst heb ik altijd acht versies bij (of achter) de hand. Acht dus. Op de laptop waar ik altijd werk (daar staan overigens twee versies van het bestand – word zou eens kunnen vastlopen). Op een stick die is opgeborgen in een lade van mijn werkkamer. Op de laptop die in de keuken staat. Op een stick die in de werktafel in de keuken zit. Op een externe harde schijf. Als bijlage bij een mailbericht. Op een pc op mijn werkplaats in de bibliotheek. En ik hou me elke dag weer in om een van de sticks niet mee te zeulen in mijn broekzak. Maak je geen zorgen: ik doe het niet.

Ik ben gek, zegt mijn zoon. "Ga toch in de cloud!" Dan kan je je tekst niet kwijtspelen. Never. Ik geloof hem wel en ik weet dat hij gelijk heeft. Maar ik laat me dat strijden tegen de ultieme schrijversangst niet ontnemen. Laat het nog wat echt blijven. Ambachtelijk, met een laptop en een stick. Laat mij maar elke avond gaan slapen met de zekerheid dat de laatste versie van een tekst op de acht voorziene plaatsen is terug te vinden. Zo veilig! Vroeger (zo’n tien jaar geleden) was het bovenstaande overigens nog veel spannender: dan stond de tekst op vier diskettes. En waar ik die telkens opborg…!

Maar een script kwijtspelen? Nooit. Want dan ga je dat je verdere leven even erg blijven missen als Bob Dylan zijn Sarah.



zondag 10 februari 2013

Veel meer dan meisje van de zee

Sinds meer dan dertien jaar ben ik redacteur van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers. Tweemaandelijks verschijnt als aflevering van het tijdschrift VWS-cahiers een monografie over een West-Vlaamse schrijver. Voor elke tekst gaat de redactie op zoek naar een gastauteur die vertrouwd is met het werk van de schrijver. 
In februari verschijnt aflevering 274 over auteur Katrien Vervaele uit De Haan. Deze keer schreef ik zelf de tekst. Katrien schreef jeugdboeken die ik erg graag heb gelezen en ik leerde haar door de jaren heen kennen als een boeiende en verrassende schrijfster. 

De eerste keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette… Ik had haar uitgenodigd in de bibliotheek voor een auteurslezing in het kader van de Jeugdboekenweek 2001. Gezeten in een gemakkelijke sofa werd ze geïnterviewd door leraar-criticus Marc De Smet, die zijn leerlingen badinerend door het leven en het werk van de schrijfster loodste. Het was een merkwaardige babbel die het vrij gratuite auteursgesprek oversteeg. Marc slaagde erin om zijn leerlingen te laten kennismaken met de ziel van de schrijfster en de leerlingen bleven met grote aandacht en stijgende bewondering luisteren. Katrien had het vrijmoedig en eerlijk over wat er in haar hoofd leefde en over de thema’s waarover ze wou schrijven. Kastanjes was toen net uit en het thema homoseksualiteit kwam eerlijk en met veel inleving en gevoel op de leerlingen af. Marc De Smet: “Ik herinner me het interview nog heel goed. Ik heb er echt van genoten. Katrien Vervaele was geconcentreerd en ad rem. Haar toen pas verschenen roman Kastanjes wekte vele en soms delicate vragen op bij de jongeren, maar ze ging het thema niet uit de weg en antwoordde zonder omwegen en recht uit het hart.”

De tweede keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette… We waren in 2002 allebei genomineerd voor de Kleine Cervantes, de jeugdliteratuurprijs van de stad Gent. De genomineerde auteurs werden op 23 april, op wereldboekendag, uitgenodigd in de Kopergieterij, waar de leerlingen van de deelnemende scholen na een dag van discussie en beoordeling het mooiste boek van het jaar zouden kiezen. Katriens Inkt en mijn De oversteek moesten nipt de duimen leggen voor Zwarte sneeuw van de Nederlandse schrijfster Simone Van der Vlugt. Drie historische romans, het was opvallend die dag. De jonge lezers waren niet lief voor de uitgenodigde auteurs. Ze vuurden gretig kritische en doorwrochte vragen op ons af. Ik herinner me dat Katrien geïrriteerd voor de dag kwam en verveeld reageerde op stekelige commentaar van een van de leerlingen. Ze was het niet eens met de stelling die de woordvoerder van de klas naar voor bracht. Katrien had gelijk, weet ik nog, maar het verraste me dat ze zich zo opwond. Maar van die dag herinner ik me ook hoe lovend en geamuseerd ze even later op de dag terugkeek toen ze tijdens de afsluitende drink in het cafetaria op haar zoon wachtte. En hoe hoog ze haar kritische lezers inschatte.

Een volgende keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette – het was al lang niet meer de derde keer… Naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen was er op 26 november 2005 in de Gentse Vooruit een groot verjaardagsfeest voor begeleiders en auteurs. Met Katrien ging alles goed, maar zonder veel poeha vertrouwde ze me en passant toe dat ze het als jeugdauteur wat had gehad. De respons op haar boeken viel wat tegen (vond ze zelf) en het hoefde niet meer zo nodig. Ze wou iets anders gaan doen, alleen wist ze nog niet goed wat. Een dipje dacht ik, het komt wel goed. Maar in de jaren die volgden verschenen enkel nog de jeugdromans Korstmos en De adem van de godin - en dat waren inderdaad haar laatste.

Een daaropvolgende keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette, heette ze Zee Meermin en de ontmoeting gebeurde via Facebook. Onder haar nieuwe alter ego post ze foto’s, herinneringen en gebeurtenissen uit het leven van garnaalvissers, strandjutters, vissersvrouwen en zeelieden en deelt die met iedereen die het lezen wil. Ze gaat op zoek naar het verhaal achter de vele monumenten of legendes van de kust. Ze schrijft en herschrijft de histories en reizen van oude schepen en schuiten. Ook een streepje kunst en een vleugje cultuur passeren de revue. Maar altijd heeft het iets te maken met de zee. Onderwijl krijgen de vele jeugdauteurs die elkaar volgen, groeten en steunen op het sociale netwerk schouderklopjes, aanmoedigingen en knipoogjes. Dan wordt Zee Meermin weer even Katrien Vervaele. Maar enkele berichten later vertoeft ze alweer met een stoere zeebonk op een aftandse schuit in het zilte water van haar geliefde zee.

De auteursmonografie Veel meer dan meisje van de zee over Katrien Vervaele verscheen op 22 februari 2013 als VWS-cahier 274.
Het cahier werd op zondag 10 maart voorgesteld in de bibliotheek van De Haan.
Contacteer me voor alle inlichtingen over VWS en het cahier over Katrien Vervaele.

http://www.youtube.com/watch?v=j5CNZwbY9Uo


vrijdag 4 januari 2013

Af

Op 29 december tikte ik als status op mijn Facebookpagina ‘Af’. Ik wist natuurlijk dat dit ultra korte antwoord op de vraag van Facebook ‘wat er aan de hand was’, veel vragen zou opwekken. Ik zal maar bekennen dat ik dat best graag doe, dat teasen. Prijsgeven dat er iets is waarover je verder niets zal vertellen. Foei zeker...

In mijn jeugdjaren, lang voor Facebook, bestond de status ‘af’ ook al. 'Het' was namelijk ofwel ‘aan’, ofwel ‘af’. In deze gaat het niet daarover. Tussen Elsy en ik is het al heel lang ‘aan’ en niets laat vermoeden dat het snel ‘af’ zal zijn. Van die hypothese zijn jullie dus al af.
Wat wel af is, is wat bij vele lezers vaak uit is. Een boek dus. Dat van Gent-Wevelgem was net voor kerstmis al af, dus ook daarover ging het niet. Het ‘boek’ dat op 29 december af was, is ook weer niet echt een boek. Het bevat namelijk 48 pagina’s en volgens de Unesco-normen spreken we dan niet van een boek, maar van een brochure. De ‘brochure’ die af is, is een biografisch essay over de Oostendse schrijfster Katrien Vervaele. De tekst zal eind februari verschijnen als nummer 274 in de reeks cahiers van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers. Ik voer al ruim twaalf jaar de redactie van deze eerbiedwaardige reeks. In elk nummer laat een gastauteur zijn of haar licht schijnen over leven en werk van een levende of overleden schrijver uit West-Vlaanderen.
Deze keer kroop ik zelf in mijn pen en verdiepte ik mij in de schrijverscarrière van Katrien Vervaele. Zij schreef tot 2007 boeiende jeugdromans voor een doelpubliek en over thema’s die ook wel een beetje die van mij zijn. Sinds 2007 schrijft ze niet meer voor jongeren, maar schrijft ze reportages en verhalen over alles wat met de zee te maken heeft. Zij is gek van de zee, ik ben gek van een eiland. Ook dat schept een band. Katrien heeft ook iets met grenzen: ze voelt zich overal en nergens thuis en wil vooral ongedwongen en met een open geest het leven tegemoet treden. Als je op een eiland bent, ben je dan op zee of aan land?
Mijn tekst kreeg als titel ‘Veel meer dan meisje van de zee’. Wie mij al heel lang kent, weet dat ik ooit ook een meisje van de zee kende, maar met haar is het al heel lang 'af'. Katrien Vervaele is op Facebook gekend onder haar alter ego Zee Meermin – nu wordt het wellicht ook duidelijk waarom dat kleine meisje uit Kopenhagen daar momenteel mijn profielfoto is. Nooit is een profielfoto van mij toevallig gekozen: hij verwijst altijd naar een thema dat later wel eens in een boek zal opduiken. Spannend toch? 
Ik maak het nog spannender. Niet alleen het boek over Gent-Wevelgem en het cahier over Katrien Vervaele zijn af. Er is nog een verhaal af. Dit heb ik geschreven, gelezen, gepolijst, geschaafd, herschreven en opgestuurd. Daar komt in 2013 een boek van. Waarover dit gaat, wat de titel is, hoe ik tot een thema kom, wanneer ik schrijf, hoe lang ik over een boek doe? Dat hou ik het liefst voor mezelf. Maar hou mijn profielfoto in de gaten. En op zondag 20 januari zondig ik voor een keer tegen het principe om mijn schrijven dood te zwijgen. Dan vertel ik alles over de boeken die ik heb geschreven en nog hoop te schrijven aan al wie het horen wil. Ook over het boek dat af is en eraan komt.
Kom maar af.




zaterdag 8 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (3)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stiljlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Dit is het derde blogbericht, lees eerst deel 1 en deel 2.

In 1999 werd ik door Christiaan Germonpré, dichter en bibliotheekcollega in Kortrijk, gevraagd of ik geen zin had om redacteur te worden van de cahiers van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (VWS). Hij was het sinds jaren, maar wou graag de fakkel doorgeven. Ik schrok even. Ik kende de vereniging wel, volgde en las de cahiers, maar ik was geen lid van VWS en ik was toen ook nog (net) geen schrijver. Ook de eerbiedwaardige heren en dame van de VWS moeten wel even geaarzeld hebben of het een goed idee was, want ze kenden mij niet. Maar toen ik na een korte bedenktijd redacteur (en lid!) van VWS werd, hoorde ik dat ze ook bij Willy Spillebeen hadden gepolst. Of hij Koen D’haene kende? Zijn antwoord en referentie hadden de heren en dame van VWS mee overtuigd. Het bijzondere was dat de eerste publicatie die ik voor VWS moest redigeren van de hand van Willy Spillebeen was, over de Wevelgemse letterenmens Lionel Deflo…

De regio is te klein om Willy niet alleen tegen te komen tijdens boekvoorstellingen en lezingen. Een vriend trouwde met zijn dochter, mijn vrouw zorgde even voor zijn kleinzoon, mijn zoon werd de vriend van een andere kleinzoon. 
In de marge van de literaire feesten en uitstapjes leerde ik ook een heel klein beetje Zulma kennen, Willy’s geliefde echtgenote die je na één oogopslag omarmde en verbaasde met zowel moederlijke zorg als literaire interesse. Wat was zij een aimabele vrouw! Hoe hard moet Willy haar hebben gemist toen ze hem plots en onverwacht voorging.  Zijn verdriet was zo groot dat hij even niet meer kon schrijven. Geen letter, geen woord, geen zin en zelfs geen roman. Maar plots was er in 2006 de mooie dichtbundel Liefde, het enige, wonderlijke verzen van groot gemis. Opgedragen aan Z.

Ondanks het feit dat ik Willy leerde kennen en steeds vaker ontmoette, bleef hij voor mij in de eerste plaats een schrijver die ik graag las en naar wie ik opkeek om wat hij schreef. 
Ik las zijn bundel Honderd liefdessonnetten, een heel mooie vertaling van Cien sonetos de amor van de door hem bewonderde Pablo Neruda. Zuid-Amerika, de liefde bleef. Ook bij mij. En de poëzie schitterde zoals ze altijd doet in de bundels van Willy. Hij voelde zich meer dichter dan schrijver en pas nadat ik dat van hem hoorde, las ik ook zijn poëzie. 
Ik las De heuvel, dat wonderlijke boek over Wereldoorlog I in onze regio. ‘Het is onbegrijpelijk dat zo’n zachtaardig en vredelievend man zo’n vreselijke thema’s en gruwelijke taferelen kan schrijven,’ zei dichter Renaat Ramon me tijdens de voorstelling. Er klonk verwondering in zijn stem en er stond bewondering op zijn gezicht. 
Ik las de adolescentroman Anastasia en hoorde er van Willy een fantastisch verhaal bij dat hem had geïnspireerd voor het boek: over een oude Russische vrouw die in Moorsele woonde en daar per abuis terechtkwam omdat ze eigenlijk onderweg was naar Marseille. Moorsele en Marseille, de namen lijken net iets teveel op elkaar als je ze in Rusland hoort.
Ik las Busbeke, of de thuiskomst en kwam zo dicht in de buurt van mijn geliefkoosd romanpersonage Zeno uit mijn absolute favoriete roman, Het hermetisch zwart van Marguerite Yourcenar. Tijdens de voorstelling van Busbeke, in de bibliotheek van Menen en bijna met zicht op de kerk van Busbeke (om die helemaal te zien moet je in de werkkamer van Willy zijn) noteerde ik op een klein briefje een uitspraak die me erg raakte. Wat Willy toen zei is mijn drive als ik in stilte werk aan een historische jeugdroman met Zeno als figurant maar waarover ik verder niets meer vertel.  Zelfs Willy verklap ik die (zijn) uitspraak niet. Het moet een beetje spannend blijven en we hebben tijd zat.
Je verjaart nog wel eens, Willy, en dan kan ik je het boek met je citaat misschien cadeau geven. Maar geniet eerst van deze winter waarin je tachtig wordt. 
Van harte!

http://www.youtube.com/watch?v=v=PO3gcH2N4gs


Bij de verjaardag van Willy (2)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stiljlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Dit is het tweede blogbericht, lees eerst deel 1!

Als het om mijn favoriete Spillebenen gaat, komt De varkensput dicht in de buurt. Met de lectuur van die roman introduceerde Willy me in het nog niet verteerde oorlogsverleden van de Vlamingen. ‘Oorlog en collaboratie’ was een thema dat me meteen intrigeerde. Ondertussen werkte ik in de bibliotheek en Willy kwam over het boek vertellen voor de leerlingen van het vierde jaar van het Wevelgemse Sint-Pauluscollege.  Achteraf bleef ik met Willy en leraar-criticus Marc Desmet een tijdje napraten over de lezing en het boek. En over de sluimerende ontgoocheling dat hij er de Staatsprijs voor Prozaliteratuur niet voor had gekregen. De naam Willy Spillebeen circuleerde hiervoor uitdrukkelijk in de hoogste cenakels van de cultuurbonzen en literatuurpauzen. Er moest veel gebeuren opdat Willy die staatsprijs níet zou ontvangen. Zowat het enige wat niet mocht gebeuren, gebeurde echter: Hugo Claus schreef Het verdriet van België. En won.
Willy was in alle staten en vertrok voor een jaar naar de States. Hij was namens de Vlaamse gemeenschap één jaar lang writer-in-residence en leerde de studenten van de universiteit van Wisconsin Europese, Vlaamse en Menense schrijvers kennen en smaken.

Door mijn werk in de bibliotheek ontmoette ik Willy ook als fietser. Het provinciebestuur organiseerde naar aanleiding van de Bibliotheekweek 2001 een publiekswedstrijd en Willy was de schiftingsvraag. Hij zou met zijn fiets vertrekken aan de bibliotheek van Menen en via de rijksweg naar de bibliotheek van Wevelgem fietsen. Op het moment waarop hij de hand schudde van onze baliemedewerkster, werd de stopwatch ingedrukt. Wie het best de fietserscapaciteiten van Willy had ingeschat, won, want de vragen zelf waren net iets te makkelijk.
Dankzij de bibliotheek had ik vaker professionele contacten met Willy. Hij was onze eerste gast toen we een literaire avond organiseerden, hij was gastspreker tijdens boekvoorstellingen of inleider bij de bespreking van een boek van hem door de leesclub. Maar hij was vooral een graag geziene gast als de bibliotheek een voorstelling organiseerde van een boek van een plaatselijk auteur. Luc Vanhauwaert, Eveline Vanhaverbeke, Philip Hoorne, Vera Hoorens of goede vriend Lionel Deflo: ze waren allemaal blij als Willy opdook. Hij was en blijft geïnteresseerd in nieuw werk van andere schrijvers en zijn belangstelling is gemeend en oprecht. Het is wel eens anders in het literaire wereldje.
Ook ik was blij toen hij er was bij de voorstelling van mijn Hel in New York. Ik glunderde van trots toen hij me feliciteerde en een vriend had dat gemerkt. ‘Je moet toch niet onder de indruk zijn als hij je de hand schudt? Je bent nu toch ook schrijver!’ Ik vond die opmerking erg ongepast en onterecht. Je hebt nu eenmaal schrijvers en schrijvers.

Toch liep onze literaire loopbaan heel even over dezelfde weg. Die van en naar uitgeverij Davidsfonds in Leuven. Mijn eerste drie jeugdromans verschenen bij het prestigieuze uitgevershuis en Willy en ik reisden drie keer samen naar het jaarlijkse auteursfeest in de Brusselse Concert Noble. Gezellige avonden waren dat. Willy zat aan tafel met Jooris Van Hulle en Hubert Van Herreweghen (denk ik), ik zat aan een andere tafel tussen Marc De Bel en Dirk Bracke (weet ik). Eén keer was professor Piet Thomas de derde passagier in de wagen van Willy. Op de terugweg wees hij Willy op foute keuzes in zijn schrijverscarrières en even foute keuzes in zijn wegparcours door de Brusselse binnenstad. Willy bleef er kalm bij: ‘Misschien heb je gelijk, maar ik weet dat wat ik kies ook goed is. Ik laat me niet van de wijs brengen’, voegde hij er lachend aan toe. Om twee uur in de nacht dronken we in het bibliotheekhuis van de professor met zijn drieën samen een halve fles wijn uit. Miswijn denk ik, want in het huis van Thomas was er een altaar waar hij achter ging staan als hij voor zichzelf de mis opdroeg. Echt waar!
Het tweede jaar belde Willy me zelf op om te vragen of ik weer met hem mee reisde en toen hij me uren later weer dropte op de Wevelgemse Grote Markt gaf ik hem verbouwereerd mijn presentexemplaar van De oversteek als onkostenvergoeding. Wat geef je anders aan een schrijver?

Het was overigens niet de enige keer dat ik bij nacht en ontij met Willy op pad ging en niet elke keer hielden we het bij elk een half glas. Na de boekvoorstelling van Vera Hoorens’ Ketterse arts voor de heksen loodste een derde boekenvriend ons mee naar het huis van een collega. Een goede wijnkelder en een grote collectie platen met Frans chanson waren het lokmiddel. Wij klonken op Gilbert Bécaud en Charles Aznavour en zij klonken goed. De terugweg verliep via een jeugdhuis langs de Brugse baan en eindigde tussen al even jong volk in een Wevelgems jongerencafé. Willy gaf one for the road en even later (maar heel laat) togen we tevreden huiswaarts langs die road.


http://www.youtube.com/watch?v=ihtORsGjC2E

vrijdag 7 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (1)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stijlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van Hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Het lijkt alsof ik Willy Spillebeen al mijn hele leven ken en tegelijk heeft hij minstens zeven levens voor mij. Altijd weer kwam hij op de proppen en altijd weer in een min of meer andere gedaante.

Eerst was er Willy Spillebeen, de schrijver. Toen ik de jeugdromans van Jan Terlouw en Thea Beckman was ontgroeid, kwam ik nogal snel bij hem terecht. Van de leraar Nederlands in het vijfde middelbaar moesten we van drie schrijvers een titel naar keuze lezen: Willy Spillebeen, Ward Ruyslinck en Roger Van de Velde. Het ontgoochelde mij wat want het was geen uitdaging: van dat trio had ik al heel wat boeken gelezen en van Van de Velde had ik ze alle zes gelezen. Ik was gek van zijn Knetterende schedels en Galgenaas. Voor de obligate boekbespreking koos ik toen Spillebeens De Vossejacht. Voor mij is deze roman een deel van het drieluik De krabben, De sfinks op de belt en De Vossejacht: het zijn romans die me toen meer raakten en aanspraken dan het rijtje romans van Ward Ruyslinck dat ik toen achter de kiezen had.
Tijdens mijn opzoekingswerk voor de schooltaak kwam ik te weten dat de schrijver een streekgenoot was en dat hij les gaf in het Sint-Lucasinstituut in Menen. ‘Tuurlijk!’, zei mijn broer. ‘Wist je dat dan niet? Fijne leraar en je kon hem makkelijk bezig houden. Gewoon eens vragen of hij met een boek bezig was en dan kreeg je verder nauwelijks nog les…’

Dat hij met boeken bezig was en goed kon vertellen, dat wist ik wel en steeds beter. In een tweede periode leerde ik een erg geëngageerd schrijver kennen en dat sprak me toen erg aan.
Ik was zelf een combattief Oxfam-Wereldwinkel-activist en Willy’s Zuid-Amerikaanse boeken raakten me erg. Ik las De hel bestaat toen de regio in shock was omwille van de ontvoering van de Menense scheutist Serge Berten in Guatemala (nonkel Serge in mijn De hel in New York).
Een vriend die werkte als maatschappelijk werker in het Menense JIAC zei dat Spillebeen bij hem was geweest en naar informatie vroeg over jeugdculturen. Enkele maanden later las ik De engel van Saint-Raphael. 
In het jeugdhuis waar ik erg actief was kwam een jonge Vietnamese jongen op vraag van zijn ouders en het JIAC meedraaien in de werking. We deden hard ons best om hem te integreren en Nederlands te doen praten. Later kwam ik Tan opnieuw tegen in Een pluisje van de zee.
Enkele jaren later las ik Cortés, of de Val, de roman die nog altijd in mijn top tien van favoriete romans staat en zonder twijfel mijn favoriete Spillebeen blijft. Macht en machtsmisbruik in een wonderlijk historisch decor. Een boek naar mijn hart, nog steeds en voor altijd. En wat was die Hernàn  Cortés een enge man!

Ik heb me dankzij Willy overigens ook zelf eens bezondigd aan een subtiele vorm van machtsmisbruik. Tijdens mijn lerarenopleiding had ik een stageweek in het Sint-Lucasinstituut waar Willy les gaf. De lessen volgden elkaar snel op en ik herinner me dat ik erg tevreden was over het verloop. Ik gaf mezelf goede punten en vond het erg jammer dat de pedagogen en didactici uit het verre Brussel niet eens langskwamen om te observeren en te evalueren.
Toen was er een worst case scenario. Van één les op de laatste stagedag was ik niet zeker van de goede afloop. Een stugge grammaticales over voornaamwoorden (zo’n lessen bestonden toen nog) voor een klas die ik ondertussen als ‘lastig’ had leren kennen. Als ze nu maar niet kwamen observeren… Ze kwamen toch. Tijdens de recreatietijd zag ik de door alle studenten (en zeker de West-Vlaamse met hun g en hun h) gevreesde docent Herman Bogaert de lerarenkamer binnenwandelen. Dit kon niet anders dan fout aflopen. Toen kreeg ik in een flits één van de helderste invallen in mijn jeugd. Ik zou Bogaert, die met poëzieprogramma’s Vlaanderen rondtrok, naar Willy Spillebeen leiden. Ik schudde de gevreesde leraar hoffelijk de hand en vertelde hem enthousiast dat dit de school was waar dichter-schrijver Willy Spillebeen les gaf. 'Kijk, daar is hij net!' Bogaert wist dat natuurlijk, waarom zou hij anders naar het door hem onbeschaafde want onverstaanbaar sprekend West-Vlaanderen komen? Maar ik loodste hem zo hartelijk mogelijk naar Willy Spillebeen die mij wat verbaasd aankeek. Ik had geen stageopdrachten bij hem, hij had er geen idee van wie ik was. Hij keek me even verbouwereerd aan, maar dan begroette hij heel verrast en hartelijk Herman Bogaert. Ik liet de twee heren hartelijk zijn en verontschuldigde me toen even later de bel rinkelde. Of ik misschien alvast naar de klas kon gaan? ‘Ik kom zo bij je’, zei Herman Bogaert.
Mijn pokerspelletje lukte. Ik zag hem die dag niet meer terug.

Lees ook deel 2.

http://www.youtube.com/watch?v=VXujuDnjcqU


vrijdag 31 augustus 2012

Standboeken

Op zondag 9 september was er in Vlaanderen weer Open Monumentendag. Dit jaar was het thema 'Muziek, woord en beeld'.
De redactie van de programmabrochure voor de regio Kortrijk vroeg me het onderdeel woord te benaderen. Moeten woorden voor altijd bewaard worden? Alleszins niet door standbeelden op te trekken voor schrijvers, schreef ik in mijn bijdrage.

Het is de verdomde plicht van bibliotheekmedewerkers om de eigen collectie doorlopend te evalueren en gedateerde of stukgelezen publicaties af te voeren. Op de brandstapel te gooien dus.
Ik weet het, sommigen onder jullie zijn nu al boos op mij. Koen de ketter! “Jullie gooien toch geen boeken weg?” Jawel hoor, en heel veel. Sorry, het is en het kan niet anders. De bib focust op actuele collecties: schrijvers van nu, met thema’s van nu en informatie van nu. Maar… geen nood, er zijn procedures die ervoor zorgen dat unieke en kostbare werken niet (nooit!) uit de collectie van de verzamelde Vlaamse bibliotheken verdwijnen. Lees dus met een gerust hart verder.

Omdat mij enige interesse en misschien ook wel wat deskundigheid in de thema’s ‘Taal en letterkunde’ en ‘Geschiedenis’ worden toebedeeld, ontferm ik me met zekere regelmaat over deze rubrieken in de gesloten magazijncollectie van onze bibliotheek. Wat niet meer actueel of waardevol is, moet eruit zodat plaats vrijkomt om recentere boeken nog even in het vagevuur van de bibliotheek op te stellen. Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik dat ik me misschien beter om de rubrieken ‘Esoterie’ en ‘Wiskunde’ zou bekommeren. Dan verdwijnen alle boeken zonder hartzeer zo in de prullenbak en komt er heel veel plaats vrij om nog meer taal- en geschiedenisboeken te bewaren. Maar dit helemaal terzijde.
Onlangs ging ik weer over de rubriek taalkunde en botste op pareltjes uit vervlogen tijden (de jaren ’80 en ’90) die een licht lieten schijnen over het fenomeen taal. 
‘Plastictaal’ (Uwe Pörksen, 1988) leek zo’n pareltje. Over plastic woorden die door verkeerd gebruik in de omgangstaal een nieuwe en onjuiste betekenis kregen. Woorden en zinnen van kunststof: waardeloos, bestemd om even te gebruiken, wegwerptaal. Woorden die je kan recycleren: je geeft ze aan iemand anders en die geeft er een nieuwe betekenis aan. Woorden die alleen maar door een fractie van de bevolking worden begrepen. Zurkeltrutte bijvoorbeeld. In Reninge weten ze wat het betekent, in Ronse hebben ze geen flauw idee. Waarom verbaasde het me ook niet dat de auteur in zijn werk verwees naar de holle woorden van een politicus, naar de modewoorden uit de reclamewereld en naar slogans die niet bedacht hadden mogen worden? Strijken moe? Wij doen het voor joe. Het milieu is tevree, want ik rij op LPG. Elk kakje in een zakje. 
Ook ‘Vrouwentaal en mannenpraat’ (Dédé Brouwer, 1979) trok mijn aandacht. Kennis van de taalverschillen tussen de seksen kan bijdragen tot bewustwording, las ik op de achterflap van het boek. Onlangs was ik op vriendenweekend met een motorclub en dat leerde mij weer dat mannen onder elkaar anders praten dan als er vrouwen in het gezelschap zijn. En onze vrouwen thuis zullen wel niet even stoer voor de dag zijn gekomen als wij, Hell’s Angels for a weekend. Misschien moet ik het boek toch maar eens helemaal lezen vooraleer ik weer met motards op stap ga.
Een boek dat me heel erg boeide, was ‘Ontdek je woorden: over taaltoerisme’ (J.G. Thijs, 1989). De auteur had eind jaren ´80 een zaterdagse taalrubriek in Trouw en veroorloofde er zichzelf menig uitstapje naar de schone letteren in. Ik bladerde en las in het boek en voelde me onderwijl een taaltoerist: iemand die met het grootste plezier op reis gaat door de taal en zich laat verrassen door haar heerlijkheden zonder die academisch te lijf te gaan. Als toerist ben je in vakantiestemming. Het moet prettig blijven. Na lectuur van het boek weet ik waarom ‘klokken’ voor Willem Frederik Hermans vrouwelijk waren en dat ‘iemand gedag zeggen’ geen plastictaal is, maar niets minder dan een vingerwijzing naar hoogstaande literatuur bij Nescio en Marga Minco. Dat en nog veel meer kom je dus aan de weet als je taaltoerist bent.

Maar taal komt ook wel eens op de proppen als je écht op reis bent. Mijn echtgenote en ik voeren spitse dialogen vol hilarische taalvondsten als we in een gezochte stad of gevonden dorp voor een kerk, kathedraal of bibliotheek staan. Deze drievuldigheid zuigt mij op, maar stoot mijn vrouw af. Een wonderlijke taalstrijd is het gevolg.
Ook marmeren standbeelden zorgen voor taaltoerisme. Ik herinner me de immense omweg die we maakten op het einde van een slopende dag in Firenze omdat ik te allen prijze het standbeeld van Dante Alighieri wilde zien. Het stond op pagina 156 van onze reisgids én op het Piazza Santa Croce, een beetje in de luwte van de Florentijnse gekte. Man, wat is dat een lelijk beeld. Dat verdient die arme Dante niet. Werd hij destijds overigens niet levenslang verbannen uit zijn geboortestad? Dan hoefde dit beeld als poging tot eerherstel ook niet.
Toen ik voor het beeld stond (kijken deed ik niet), dacht ik dat taal toch beter niet altijd letterlijk wordt genomen. Je hoort het wel eens: die man (of vrouw) verdient een standbeeld. In de meeste gevallen neemt men dit beter niet letterlijk op, want het standbeeld dat vele jaren later het gevolg is van de uitspraak verdient maar zelden de persoon naar wie het opgetrokken is.
Ik doe een oproep aan stadsontwikkelaars en/of schepenen van cultuur. Als jullie vinden dat lokale schrijvers een standbeeld verdienen, hou je dan vooral aan de figuurlijke betekenis. Schrijvers zijn blij genoeg als er van hen gezegd wordt dat ze een standbeeld verdienen. Verder moet niets meer gedaan worden. Schrijvers zijn mannen en vrouwen van het woord. Woorden maar geen daden. Misschien kan de lijst van wie een standbeeld verdient, worden goedgekeurd door de gemeenteraad, dan krijgt het woord zelfs kracht van wet. Maar alstublieft geen beeld naast een kerk, op een rotonde, op een plein of op een parkeerplaats. 
Daar in Firenze maken duizenden toeristen dagelijks kennis met Dante. Ze kennen de dichter persoonlijk en hoeven hem dus niet eens meer te lezen.
Als je literatoren wil memoreren, moet je vooral geen standbeeld voor hen optrekken. Dat schrijven ze zelf wel. Lezers kunnen het dan lezen en leren de schrijver nog veel beter kennen. Letterlijk dan. Naar woord zonder beeld.

Raadpleeg de volledige programmabrochure [pdf-document - opent traag!]

http://www.youtube.com/watch?v=4Wys9VzF-_E


dinsdag 13 maart 2012

Writer's blad

Nog drie weken en dan heb ik weer tijd.
Dan is nummer 269 van het tijdschrift kant-en-klaar bij de drukker, is deel 5 van het schrijverslexicon nagelezen en goed voor druk, zijn de lezingen in scholen en bibliotheken achter de rug, is het ook in de bibliotheekschool vakantie, ben ik af van al dat werkverlof en kan ik weer fulltime aan de slag in de bib. Oef!

Het vooruitzicht op zoveel tijd en rust maakt me bang. Kan ik er nog wel mee om? In de bib aankomen en na het lijstje met de need-to-do’s ook dat met de nice-to-do’s aanpakken. En dan thuiskomen en niet in puntjes moeten denken: 1 eten, 2 snel wat boodschappen, 3 werken aan het tijdschrift, 4 les voorbereiden, 5 toespraak uitschrijven, 6 proefdruk corrigeren, 7 wat lezen in het boek voor de leesclub, 8 vroeg genoeg gaan slapen want 9 morgen weer vroeg dag.

Misschien werd ik wel verslaafd aan deadlines…! 
Wat als niemand mij-de-schrijver nog verwacht in een school of een bibliotheek? Als geen drukker nog op mijn sein wacht om zijn drukpersen te starten? Als geen cursist nog op me wacht in een leeg leslokaal? Als ik thuis en in de bib niet voortdurend de feiten achterna hol? Als ik mezelf niet vervloek als ik een hele namiddag in de krant of in een boek blijf lezen? Als ik het zelfs niet erg meer vind als ik naar een rit in de Tirreno-Adriatico of - God beware me - een match in de Jupiler League blijf kijken? Als ik niet de tijd neem om ter ontspanning veertig kilometer te gaan fietsen maar schaamteloos zondig tegen de tijd en maar liefst zestig kilometer op de fiets blijf zitten? Als ik na de tweewekelijkse filmvoorstelling niet het vertrouwde afsluitende biertje, maar ergerlijk overdadig drie à vier biertjes blijf drinken? Wat dan, wat dan?

Elke lacht als ik over mijn onrust praat.
- 'Laat een pagina op je blog wit,' zegt ze droog.
Het klinkt weer zo makkelijk. 
- 'Leest dat niet vreselijk inspiratieloos?' opper ik.' Ik ben schrijver, weet je wel…'
Ze lacht.
- 'Net daarom!'
Ze trekt aan haar sigaret, blaast de rook traag langs haar neus, haar ogen, haar voorhoofd. Nipt even zuinig aan haar wijn en kijkt me afwachtend aan.
Ze was er lange tijd niet, ineens kreeg ook zij het erg druk. Gedaan met werk zoeken. Arbeiten nu, en daar is ze o zo blij om. En ik voor haar. Maar ze moet niet vergeten om me af en toe zo spits te inspireren.
Want natuurlijk heeft ze gelijk. Wat kan ik mij beter toewensen dan een wit blad? Geen takenlijstje, geen opdrachtenblad, geen lesvoorbereiding, geen proefdruk, geen lezingenformulier. Maar een wit blad.
Een writer’s blad. Nog drie weken en ik schrijf het helemaal vol. 

zaterdag 17 december 2011

Een goed jaar voor schrijvers

De 'Vereniging van West-Vlaamse schrijvers' (VWS) bestaat 50 jaar. Dat moet gevierd worden. En hoe kan een literaire vereniging beter haar verjaardag vieren dan door een boekje te publiceren? Ik ging op zoek naar lotgenoten in dit Caleidoscoop van de West-Vlaamse schrijvers en ik vond er vier.

Het is overigens niet zo bijzonder dat VWS met een boekje op de proppen komt. De vereniging geeft al sinds 1966 de VWS-cahiers uit. In zo’n cahier wordt leven en werk van een West-Vlaamse auteur in de schijnwerpers geplaatst. Elk boekje wordt samengesteld door een deskundig gastauteur. De cahiers verschijnen als tijdschrift en abonnees krijgen ze op het einde van elke pare maand trouw in de brievenbus. Het feestnummer dat eind december verschijnt, is nummer 267 in de reeks.

Sinds 2000 ben ik redacteur van de vereniging. Toen het me werd gevraagd (jaja, ze vróegen me of ik het wílde doen!), heb ik even geaarzeld voor ik het aanbod aanvaardde. Ik wou het niet zomaar snel eens doen, maar nam me voor om minstens vijf jaar het redacteurschap waar te nemen. Ondertussen ben ik twaalf jaar enthousiast bezig, voerde ik de redactie van 71 cahiers en nam ik er in 2008 de redactie van een zesdelig schrijverslexicon bij. Ik ergerde me wel eens aan woorden en zinnen, sakkerde met deadlines, vloekte op uitstellers, woekerde met slechte teksten. Maar dat was soms, veel meer las ik mooie teksten over onvermoede publicisten en maakte ik kennis met boeiende auteurs met wie ik samen de boekjes samenstelde. Leve VWS dus! Wat mij betreft mag het nóg 12 jaar duren (13 misschien, dan jubileer ik als redacteur). Als Geert Bourgeois maar geen roet in het eten gooit, want VWS bestaat dankzij de morele en financiële steun van het Provinciebestuur en onze West-Vlaamse minister heeft het niet langer erg begrepen op de provincies. Maar dit helemaal ter zijde.

Ik wou het over lotgenoten hebben en het lot dat een band schept heet 1964.
In het bijzondere boekje dat binnenkort verschijnt, wordt per VWS-jaar (van 1961 tot 2011 dus) een tekst gepubliceerd van een West-Vlaamse auteur. Een pagina uit een roman of een gedicht uit een bundel die in dat jaar verscheen, zorgvuldig gekozen door een zevenkoppige redactie. Het is een eerbetoon aan de West-Vlaamse auteurs van de voorbije vijftig jaar en voor de lezer de kans om in één oogopslag kennis te maken met een stukje fiction made in West-Flanders.
Hugo Claus staat in het boek, ik ging op zoek naar één pagina uit Het verdriet van België. Maar ook Peter Verhelst, Luuk Gruwez, Willy Spillebeen en andere grootheden onder onze gouwschrijvers. Maar over hen wil ik het niet hebben. In het boekje staan namelijk ook vier auteurs die in hetzelfde jaar als ik zijn geboren.

Philip Hoorne bijvoorbeeld. Die ligt wel het meest voor de hand. Ik zat met (één trimester zelfs nààst) Philip op de schoolbanken. Brave jongen was hij toen. Hij was wat teruggetrokken, zat letterlijk in zijn schelp. Hij voerde nooit het hoogste woord en was geen held op het voetbalveld of op de speelplaats. Bij het afstappen werd hij steevast als een der laatsten gekozen. De twee ploegleiders stapten op elkaar af en wie op de schoen van de ander kon stappen, mocht als eerste een speler voor zijn ploeg kiezen. En dan elk om beurt een steeds minder goede voetballer. Philip bleef altijd lange tijd aan de kant staan, je kon weinig met hem in je ploeg. Geen snelheid en geen techniek. Wel veel spelinzicht, maar wat ben je daar mee tijdens de chaos die een voetbalmatch tijdens de speeltijd is? Ik denk overigens dat Philip supporterde voor Club Brugge, in mijn herinnering droeg hij altijd een blauwzwarte sjaal. West-Vlaming in hart en nieren dus, hij staat goed op zijn plaats in dat feestnummer van VWS.
Philip luisterde graag naar muziek in dat jaar dat we samen bij meester Malfait zaten. Ik ook, kleinkunst, de fout van mijn oudere zus. Hij vond mijn muziek wat braaf, zei hij toen. Het verwonderde me wel, hij leek zo zacht en stil en dan vond hij die zachte en stille muziek wat te braaf. Toen al zette hij mensen op het verkeerde spoor. Want wie hem toen kende en nu niet meer, gelooft nooit dat Philip een hartstochtelijk fan van de onbehouwen rockauteur Herman Brusselmans is. En dat hij niet aarzelt om zijn kritische pijlen vlijmscherp af te vuren op coryfeeën van de Vlaamse poëzie, zoals daar zijn Lut De Block en Leonard Nolens.
Philip schrijft zelf mooie poëzie, ook dat geloven klasgenoten van toen meestal niet als ik het hen vertel. De redactie twijfelde er geen moment over of hij zijn plaats verdiende in het feestboek. En ik ben er blij om.
Philip Hoorne staat in het boekje met een gedicht uit zijn bundel ‘Niets met jou’.

Ook een tweede auteur uit het VWS-boekje zat op dezelfde schoolbanken als ik. Hij weet het niet en we zaten ook niet naast elkaar. We kenden elkaar toen ook niet (hij zat in het jaar na mij) al moeten we elkaar wel eens tegen het lijf gelopen zijn, daar in die charmante krakkemikkige gangen en lokalen van het Sint-Thomasinstiuut in Brussel. We moeten ook zowat dezelfde docenten hebben gehad. Lessen Nederlandse literatuur van professor Hugo Bousset bijvoorbeeld. Ik genoot van Boussets baritonstem en sublieme benaderingen van de romanklassiekers uit die tijd. Onder professoren van Hermans. De aanslag van Mulisch. De verwondering van Claus. Turks fruit van Wolkers. Ik vond dat mijn ouders niet mochten weten dat ik dat boek las, ook al was het voor school. Maar Bousset hielp me vrij snel over die terughoudendheid heen. Ik werd gek op Wolkers van het eiland Texel.
Toen ik in 1984 Duet met valse noten van Bart Moeyaert las, kon je in de krant lezen dat de jonge auteur een lerarenopleiding volgde in Brussel. Verdomme, dat ik hem nooit gezien had.
Ondertussen ontmoette ik hem al enkele keren en op een Boekenbeurs schreef hij een wonderlijke opdracht voor Elsy in zijn dichtbundel Verzamel de liefde: ‘Voor Elsy, liefs van Koen en van mij. Het liefs van Koen is méér dan mijn liefs. Dat weet ik zeker.’ Ik ben heel erg jaloers op Bart Moeyaert. Omdat hij mooie dingen op zo’n mooie manier kan vertellen.
Ooit zullen Bart en ik het samen over Hugo Bousset hebben, denk ik (niet). Ik ben wel eens benieuwd te horen wat hij vond van Het bewegen van het hoge gras op de top van de heuvel.
Bart Moeyaert staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Het is de liefde die we niet begrijpen’.

Tijd voor een vrouw en wat voor één. Anne Provoost, zij die Vallen schreef. Het boek dat ik tijdens auteurslezingen altijd noem als het beste en mooiste jeugdboek. Ik ben niet zeker of het dat nog altijd is, ik zou het eens opnieuw moeten lezen. Jan Terlouw noem ik mijn favoriete auteur uit mijn eigen jeugd en onlangs viel het herlezen van de boeken uit die tijd me zwaar tegen. Maar met Vallen heb ik een bijzondere band. Het boek greep me thematisch erg aan. Hoe eenlingen het klaarspelen om andere eenlingen domweg voor hun kar te spannen. Met manipulatie. Geweld. Machtsmisbruik. Vreselijk. En het boek eindigt zo dramatisch. Dat vond ik een beetje jammer, maar het laat je dan ook niet los.
Ik wou een boek over hetzelfde thema schrijven, maar voor iets jongere lezers. Het moest wel beter aflopen, hoopvoller. De titel lag zo voor de hand. Na Vallen, zou ik Opstaan schrijven. Even erg, maar met een hoopvol einde. Uiteindelijk veranderde de titel in de uitgeverij in Valsspeler. Geen slechte ingreep, het is een prachttitel en hij stafrijmt op Vallen. Het lijflied van het boek is ‘Get up, stand up’, vallen en opstaan. Pieter, de held uit het verhaal, leest op pagina 77 een boek. Op de cover staat een zwartwitfoto van een meisje dat op de grond ligt. Eronder is een groot blauw vlak met daarop de titel en de naam van de auteur. Op de achterflap is alleen een blauw vlak met vage gele letters. De eerste editie van Vallen. Niemand die tot hiertoe deze sublieme verwijzing opmerkte. Tot vandaag dus.
Ondertussen is er nog meer dat me bindt aan Anne Provoost. Een jeugdvriendin van haar met wie ze samen op een legendarische nonnenschool in de Westhoek zat, kwam bij ons in de buurt wonen en werd een goede vriendin van mij. Dankzij Caroline kon ik Anne tijdens een lezingenvrije periode (ze schreef aan De Arkvaarders en wou niet afgeleid worden) naar de bibliotheek krijgen – per grote uitzondering! Onlangs was ik tussenpersoon bij het uitwisselen van een hilarische schoolfoto (met blauwe schort, zwarte rok en hoog opgetrokken kousen) onder de vriendinnen en vonden ze elkaar terug - op Facebook.
Dat engagement van Anne Provoost… Het gaf me zo’n warm gevoel toen ik de gevierde auteur onlangs zag tekeergaan tegen het vellen van die mooie bomen van de Keyzerlei in Antwerpen. Enkele jaren geleden zette ik een eenmansactie op tegen de stille sloop van het mooiste huis van Wevelgem. Troost je, Anne, het lukte me ook niet.
Anne Provoost staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Vallen’. Natuurlijk uit ‘Vallen’.

De vierde lotgenoot kan iets wat de drie voorgaande wellicht niet kunnen – al weet ik dat eigenlijk niet. Hij is namelijk een ongelooflijk knappe tekenaar en samen met Carll Cneut en Gerda Dendooven de vaandeldrager van het leger topillustratoren uit de provincie West-Vlaanderen. Klaas Verplancke dus. God, wat kan die mooi tekenen. Op zich is dat al meer dan genoeg om hem te bewonderen, maar bovendien kan hij ook nog ontzettend goed vertellen. Met beelden en tekeningen, maar ook met woorden en zinnen. Ries en Kerel uit Wortels: het zijn klassieke personages uit de kinderboekenoogst van de voorbije jaren. Als je Klaas niet kent en je leest ook niet graag, dan gaat hij je vast inpalmen met zijn tekeningen. En als ook dat niet lukt (maar het lukt wél) zal hij je charmeren met zijn spontane vriendelijkheid en stimulerend enthousiasme. Hij stelde jaren geleden een tentoonstelling op in de bibliotheek waar ik werk. Mooi om te zien en prettig om met hem samen te werken. Toen hij even later het verband ontdekte tussen Koen van de bib en Koen van De hel in New York (het was op de Boekenbeurs van 2001 op de stand van uitgeverij Davidsfonds/Infodok) was zijn enthousiasme haast ontroerend. Er stond een lovende recensie over mijn debuut in Knack. Klaas had die gelezen en was er blijer om dan ik. En het leuke was: hij meende het.
Ik botste ook eens op Klaas tijdens de verkoop van oude boeken in de bib van Brugge. Hij is even gek als ik: hij koopt oude boeken. Daar moet je een schrijver voor zijn. Of een illustrator. Of een bibliothecaris. Eén pot nat.
Klaas Verplancke staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Wortels’.

Het VWS-bestuur stelde als principe dat er geen werk van bestuursleden van VWS in het boekje zou opgenomen worden. Het bespaarde ons vast veel vergadertijd en minstens evenveel rancune en achterklap. De kans dat ik ook in het boekje terechtkwam was dus nihil. Ik miste wel de kers op de taart, denk je nu. Nee hoor, erg is dat niet. En ook een ongepaste gedachte, want soms is de taart veel beter dan de kers.
Of de wijn veel beter dan de krans.

Het boekje ‘Caleidoscoop van de West-Vlaamse letteren’ verschijnt op 31 december 2011.
Het telt 56 bladzijden en kost 5 euro.
Je kan het gewoon via mail bestellen (janbonneure@skynet.be).


zaterdag 5 november 2011

Mijn Boekenbeurs

De Boekenbeurs bezoeken en Zurenborg zien… Ook voor mij is de herfst begonnen. Laat de bladeren maar vallen nu.

De 75ste Boekenbeurs van Vlaanderen is bezig. Auteur Walter Van den Broeck (één van de zeldzame Vlaamse auteurs die ik al sinds mijn twintigste 'volg') bazuinde rond dat hij er al 44 keer op rij naartoe is geweest. Ik ging ook even aan het tellen en kwam tot de slotsom dat ik er zeker ook al zo'n twintig jaar trouw bezoeker ben, waarvan de laatste vijftien jaar onafgebroken.

Begin de jaren ‘80 ging ik er naartoe als bevlogen leraar Nederlands, in de overtuiging dat ik een betere lesgever zou zijn als ik de boeken in mijn handen en de schrijvers ervan in mijn hoofd zou hebben. Vanaf de jaren ‘90 ging ik er naartoe als bibliotheekmedewerker: hoe kan je bibliotheekwerk ernstig nemen als je niet weet welke boeken er zoal op de markt zijn? In 2001 was ik er voor het eerst als auteur - apetrots natuurlijk! De hel in New York was verschenen en ik mocht plaatsnemen aan de signeertafel van de prestigieuze uitgeverij Davidsfonds/Infodok. Met groot succes overigens: zes weken voorheen vloog Osama Bin Laden met twee vliegtuigen door de WTC-torens. De titel van mijn boek stond als dikke kop op de cover van Het Laatste Nieuws. Sinds de jaren 2000 heb ik dus een drievoudige interesse voor de Boekenbeurs en ik ging er in dat decennium dan ook elk jaar in veelvoud naar toe. Om de beurs te bezoeken, om te signeren, om bibliotheekbezoekers te begeleiden. Twee keer mocht ik zelfs achter een tafeltje plaatsnemen in één van de lezingenzalen van de beurs. Ianca Fleerackers legde me op de rooster over het thema pesten in Valsspeler en uitgeverij De Eenhoorn vroeg me om de reeks ‘Lekker Lezen’ voor te stellen aan leerkrachten middelbaar onderwijs. Allemaal heel leuke dingen voor deze mens.

Ondertussen zijn we in de jaren '10. Ik ga nog steeds naar de beurs, al heeft die ook voor mij wat van haar glans verloren. Het bezoek werd een routineus, zoniet verplicht, jaarlijks cultureel uitstapje. Een beleefdheidsbezoekje aan de stand van mijn uitgeverij (die was helemaal nieuw en heel mooi overigens dit jaar), een snelle rondgang tussen boeken die veelal geen geheimen meer hebben (om uiteindelijk toch weer betoverd te raken door de 'houten stand' van uitgeverij De Geus – waw!!!), een promotioneel signeermoment, een korte en meestal aangename babbel met collega-jeugdauteurs. En een heel leuk onderhoudend uitstapje met een goede vriendin.

Zo geschiedde het ook tijdens de vooropening op zondag 30 oktober. Moe en afgepeigerd toog ik mee naar de openingsavond: een uit de hand gelopen vriendendienst resulteerde in een afmattend benefietconcert dat me al had geradbraakt nog voor het boekslenteren begon. Het parkeerprobleem nabij Antwerp Expo losten we elegant op: we waren vrij vroeg en vonden een plaatsje in één van de rustige zijwegen van de Van Rijswijcklaan. Het was zondag, dan komt de wijkagent de bewonerskaarten niet controleren, wisten we. We hadden tijd voor een boekenbeursborrel in de oergezellige cafétaria naast ingang 1. Omdat het wachten op een drankje elk jaar in tijd weer uit de hand loopt, verzon de directie van het café een origineel en sfeerscheppend nieuw systeem dat begon met een poëtisch vers als handleiding op de tafel en eindigde met aanschuiven om een drankje aan de bar.
Eenmaal binnen viel het me weer op dat mijn boekenbeurspartner en ik dezelfde neus voor goede boeken hebben: uit het overweldigende aanbod haalt ze zo de leuke en ongekende titels en ze schrijft die nauwgezet in een notaboekje – stikjaloers ben ik op dat schriftje! Of ik ook enkele titels mocht aangeven? Net als ik heeft ze een gezonde aversie voor bekende Vlamingen: nu en dan loodste ze me handig om een kampioen, een samson, een draulans, een minister-op-rust of een televisiekok heen. Wat ze ook met me deelt: een gezonde interesse voor boeiende Vlamingen. Ze kreeg Peter Vandermeersch in de gaten (en hij haar, zo bleek), Walter van den Broeck zag ze zelfs eerder dan ik (niettegenstaande ik hem al mijn hele leven volg). Het is verder altijd leuk om Tine Mortier te ontmoeten en Hilde Vandermeeren weer eens terug te zien. Maar pas op, daar is alweer iemand uit ‘Thuis’!
We slenterden er onze hele tijd rond, Caroline en ik. Moe en voldaan reden we huiswaarts. Met een schriftje vol titels van boeken die we de komende maanden gaan lezen.

Na de openingsavond ging ik nog een keer on my own terug naar de Boekenbeurs. Best leuk geweest. Een signeersessie met aangename buren (wat kan Caryl Strzelecki mooi tekenen en wat is De kleuren van het getto een wonderschoon boek!) en een hartelijke ontvangst door Nele en de collega’s van de uitgeverij. Een lezing in de Gele Zaal met als veelbelovende titel ‘Jeugdliteratuur bestaat niet’. De lezing was evenwel geannuleerd, wat me doet besluiten dat jeugdliteratuur wel degelijk bestaat. Het is een hele geruststelling. En verder nog even rondslenteren in de beursgangen en kuieren in de stands, onderwijl veel handjes schuddend en schouderklopjes gevend en ontvangend. Dag Do! (‘ik zag een lange rij aanschuiven…!’). Dag Katrien (‘mooie uitgave hoor over die IJslandvaarders!’). Dag Kristien (‘je zoon staat in de Standaard der Letteren!’). Dag Dirk (‘tot in Menen en Ieper weer?’). Even geërgerd grijnzen naar die vreselijke rat en opkomende irritatie inslikken bij de Eftelingkabouters en -prinsen. Een niet-onaardige kennismaking met een nieuw verschijnsel: na de televisiekok is er nu ook de boekenbeurszanger. Hij heet Stash, dat valt dus nog mee! Darwin op de Boekenbeurs: eerst waren er schrijvers die signeerden, daarna koks die kookten, nu zangers die zingen. Ook Darwin: Goedele is minder mooi dan ik dacht – of dan ze was? En heel leuk: de boekendokters in de stand van Cobra. Moet ik echt ook eens proberen!
Stilaan afrondend kocht ik aan een heel mooie stand een heel leuk notaboekje om titels van nog te lezen boeken in te noteren: ik droomde al vier dagen van zo’n schriftje. Tot slot ging ik even checken of alles in orde was in zaal 1. Ja hoor, Paul D’hoore zat plichtbewust en met bezwete oksels zijn beleggingsboeken te signeren. Oef, ik kon met een gerust gevoel vertrekken.


Eindelijk kon ik op weg naar het hoogtepunt van mijn jaarlijkse Boekenbeurs. De tram tot station Berchem en dan de Cogels Osylei in. Ik nam de tijd tot een volgende trein om me te vergapen aan de schoonheid van de torentjes, opschriften, versieringen, gevels en huizen van de Antwerpse Art Nouveau. Het is de mooiste straat van ’t Stad en voor één keer is Antwerpen geheel Vlaanderen. Niet te geloven dat elk jaar zoveel mensen dwalen in de boekenbeursgangen zonder deze omweg naar Zurenborg te maken.

Het is allemaal de schuld van Piet Huysentruyt.


Cafetariapoëzie

zet met het potlood een kruisje in het vakje naast de keuze van uw gerecht
geef de ingevulde menukaart aan de kassa en betaal
haal uw dranken af aan de bar en ga terug naar uw tafel
hou de numerieke display boven de bar nauwlettend in het oog
wanneer uw ticketnummer daarop verschijnt begeef u dan met uw plateau en
ticket naar de uithaalpost naast de kassa om uw bestelling af te halen
bedankt voor uw participatie en we wensen u smakelijk eten

Antwerpen, Boekenbeurs 2011