Pagina's

Posts tonen met het label Stijn Streuvels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stijn Streuvels. Alle posts tonen

zaterdag 16 november 2019

De jubel in de ziel

De vraag of ik voor een jaarkalender iets columnachtigs over het thema gezondheid wou schrijven, overviel me tijdens mijn verblijf in Het Lijsternest, de schrijversresidentie in het huis van Stijn Streuvels in Ingooigem. Natuurlijk wou ik dat doen, al had ik geen idee wat ik hieromtrent kon schrijven. Het is mijn thema niet. Maar er was een deadline, dan kan je altijd schrijven.

Ik besloot mijn inspiratie te zoeken bij de man die gedurende twee weken de hele tijd naast mij op de stoel voor zijn beroemde raam zat. Stijn Streuvels dus. Ik had daar wel een bijzondere reden voor. De man werd maar liefst 98 jaar en in zijn biografie las ik nauwelijks iets over zware ziekten, gebreken of andere rariteiten – ja, zijn woordkeuze was soms een beetje speciaal.
Hoe zou Stijn Streuvels het hebben klaargespeeld om zo lang zo gezond te blijven leven? Lezend in zijn oeuvre bots je op krakkemikkige personages met kreupele benen, verminkte armen, misvormde ruggen en fletse ogen en hij beschrijft al die afwijkingen en gebrekkigheden met kennis van zaken, souplesse en inleving. Alsof hij zelf sakkerend van de helse pijnen aan zijn schrijfmachine zat. Niet dus, Stijn blaakte van gezondheid en hij ploegde altijd maar voort. 98 jaar lang waarvan meer dan 60 jaar vanuit zijn zelfgebouwde Lijsternest. 

Ik heb stilaan genoeg over hem gelezen om te weten hoe zijn dagen er zo ongeveer uitzagen. De opdracht lijkt ineens poepsimpel: als ik precies doe wat hij deed, word ik met de vingers in de neus ook 98 jaar en gezien de steeds stijgende levensverwachting moet het me zelfs lukken om probleemloos de kaap van 100 te overschrijden. Gewoon doen wat hij deed.
Hoe word je Streuvels? Zijn dagen hadden een vast patroon. Hij nam de tijd voor zijn ontbijt – een goede boterham, met confituur die zijn Alida zelf had gemaakt, en verse koffie. De hele morgen was hij aan het werk in zijn moestuin en die was niet klein. Vaak ging hij ook wandelen in het landschap voor zijn raam of dretste hij met zijn fiets naar Kortrijk of de Kluisberg. Als noeneten at hij gezond Vlaams, veelal uit eigen tuin. In de namiddag trok hij zich terug in zijn werkkamer en ging hij aan zijn beroemde raam zitten, schrijvend over de landmannen die wrochten en wroetten in de vette aarde en die sukkelden op het land en met hun gezondheid. Als hij vond dat hij genoeg had geschreven, was het tijd voor het avondeten, waarna hij in zijn boeken dook. Hij las vooral Duitse en Noorse schrijvers en de gedichten van nonkel Guido.
Bovenstaande opsomming is niet hoopgevend want veel gelijkenissen zijn er niet. Ik ga elke dag werken en mijn ritme wordt bepaald door de regels van een tijdsregistratiesysteem dat me oplegt wanneer ik kan beginnen en beschikken. Een eigen moestuin heb ik niet en die wil ik eigenlijk ook niet. Het meest nabije warenhuis dan maar. Ik heb niet elke namiddag, maar alleen soms op zondag tijd om aan mijn raam te schrijven en dat ziet niet uit op een glooiende en rollende groene vlakte, maar op een grijze garagestraat en een sombere fabrieksloods waar geen mens meer wroet. 
In het fietsen zie ik wel een verband. Vergeleken met dat van de wielertoeristen die elke zondagmorgen in schreeuwerige pakjes, met gladgeschoren kuiten en op blinkende fietsen aan mijn voordeur passeren, kun je mijn fietsgedrag ook Streuveliaans dretsen noemen. Ooit was wielergod Gino Bartali te gast in het Lijsternest. ‘Ik ben blij dat ik al die boeken niet moet lezen,’ zei hij, waarop Streuvels repliceerde: ‘Ik ben blij dat ik niet over die hoge Italiaanse en Franse bergen moet fietsen.’ Dat hebben we dan wel weer gemeen, Stijn en ik. Ik fiets ook liever rond dan over de Kemmelberg (of de Tiegemberg).
Schrijven doen we allebei: ik soms een klein beetje, hij altijd heel veel. We hebben ook gemeen dat we graag en voortdurend lezen, maar ik heb geen Duitse en Noorse schrijvers op mijn leeslijstje staan. Ik vrees dat kijken naar Scandinavische misdaadreeksen niet het vereiste helende effect op mijn gezondheid zal hebben en al zeker niet als ik die wankele Wallander over het scherm zie sukkelen. Hij zou stilaan perfect passen voor de rol van boer Vermeulen als het weer eens tijd is voor een periodieke verfilming van De Vlaschaard.

Neen, ik word geen 100, vrees ik. Daarvoor ben ik net niet Streuvels genoeg. Maar ik streef na wat hij ook probeerde: me in niets geen zwarigheden maken en de jubel in de ziel voelen als ik elke morgen brede gedachten krijg als ik vanuit mijn raam de mensen kan gadeslaan in hun doen.
98 is ook al goed.


Lees ook: Selfie met raam


donderdag 2 maart 2017

Afscheid van een raam

Van 20 februari tot 6 maart 2017 verbleef ik voor een tweede keer als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem. 
Ik schreef en sleutelde er aan teksten. En ik werd vriend van een schrijver en zijn huis.

Dag Stijn,

Ik ben dan stillekesaan weer weg hé. Dank dat ik nog eens in je fantastische huis mocht vertoeven. Je was een goede gastheer: je liet me gerust en ik jou, zo hebben we het allebei graag.
Ik ben wel blij dat ik me welkom voelde in het Lijsternest. Je bent gene gemakkelijken hé! Maar ik probeerde je leven hier niet al te veel te verstoren. Ik was geen vorte zage, zoals André Demedts dat voor jou wel was. Je joeg me ook niet weg, zoals je mijn vader ooit eens wegjoeg toen hij hier eind de jaren ’60 even halt hield op zijn wekelijkse diensttrip naar Ronse. Je verstopte je ook niet achter een gordijn zodat je de deur niet moest open doen, zoals wel eens gebeurde als alweer een journalist of een biograaf langskwam om je enkele vragen te stellen.

Ik vraag me eigenlijk af waarom je me liet betijen. Misschien omdat ik een klein beetje koersschrijver ben? Zag je in mij een vage opvolger van je vriend des huizes Karel Van Wijnendaele? Hoopte je dat ik na Kuurne-Brussel-Kuurne zou binnenkomen met in mijn kielzog Peter Sagan zoals Van Wijnendaele ooit bij jou op bezoek kwam met de Italiaanse wonderboy Gino Bartali? Bartali was blij dat hij niet al je boeken moest lezen, zei hij, maar jij was evenzeer verheugd dat je al die bergen in Frankrijk en Italië niet moest beklimmen, ook al was je een fietser. En kijk, daar zijn we toch wel een beetje verwant, jij en ik. Ik ga ook graag dretsen met mijn velo en ik hou al evenmin van bergen. Ik rij er ook omheen, stukken makkelijker. Maar ik mag me dit allemaal niet inbeelden, want ik ben op het terrein van collega-resident Patrick Cornillie gekomen. Hij is de koersauteur en hij was hier vorige herfst te gast. Hij zou inzoemen op jouw boek 'Mijn rijwiel'. Wat vond je van de oldtimerfiets die hij meebracht?

Wees gerust, ik heb goed voor alles gezorgd. Je souvenirs, kunstobjecten en prullaria staan er nog. Op je vensterbank heb ik er zelfs nu en dan tijdelijk eentje bijgeplaatst, maar die kleinigheden neem ik straks weer mee naar huis. Er is zo al geen plaats meer bij jou. Het is ook niet min als je meer dan 60 jaar in hetzelfde huis woont. Wat je al niet verzamelt dan!
Ik heb bijna geen boeken uit de kasten gehaald. Nu en dan eens, maar met grote voorzichtigheid en wees maar zeker dat ik ze op de juiste plaats heb teruggezet. Dat mag je van een bibliotheekmens ook wel verwachten. Ik ontdekte geen classificatiesysteem of rangschikking in je bibliotheek. Een beetje per auteur, toch? Hopelijk vind je het niet erg, maar ik heb een D’haene in je leeshoek achtergelaten. Ik weet niet of mijn roman iets voor jou is hoor, je ziet maar of je tijd vindt om hem te lezen.
Ik heb verder je bad niet gebruikt, slechts heel uitzonderlijk je toilet en een keer ging ik voor een foto op je bed liggen. Ik at nooit in je keuken en maakte er geen eten klaar. Ik ging nauwelijks in je leeszetels zitten. Vanavond at ik in de zon op een bank in je tuin, maar die was vast niet van jou? Ik tikte verder niet op je AEG-schrijfmachine, speelde niet op je piano, rookte je pijp niet, schoot niet met je revolvers, trok niet aan het touw van je torenklokje. Ik deed wél eens je hoed aan … maar hij hangt er weer terug, niemand die het ziet.
's Avonds als het pikkedonker en muizestil was in je huis en ik de vreemde geruchten hoorde, ging ik wel eens aan je mooie tafel in je mooiste plaats zitten. Dan las ik in 'Dag Streuvels' van Hedwig Speliers en leerde ik je wat beter kennen. Sommigen zijn boos op Speliers, las ik ondertussen. Tja, er staan passages in die vreemd lijken. Dat je niet vooraan in de kerk wou zitten omdat je de pastoor niet wou behagen. Maar sommigen zeggen dat je liever achteraan zat om de mensen te observeren en te kiezen als personages voor je boeken. Die speelden zich toch in de streek af, dus waar kon je hen makkelijker op het spoor komen dan in de kerk, met hun zondagse kleren aan? Elders zag je hier geen kat. Kwatongen beweren zelfs, nog altijd volgens Speliers, dat je achteraan ging zitten om naar de jonge meisjes te kijken. Ook die had je nodig voor je boek, toch? Je had nu eenmaal een fotografisch oog. En waar kon je de Mira's uit de Waterhoek en elders beter bekijken dan achteraan in de kerk? En als het niet voor je boeken was … et alors? Heb je Mitterand nog gekend eigenlijk?

Ik hoop dat je het niet kwalijk neemt, maar ik heb ook je vrienden opgezocht. Ik weet dat je veel aan hen had. Je vond Ingooigem verder een van de banaalste dorpen om in te wonen. Je houdt je ook niet in, jij. Het waren wel je buren hé!
Maar ik botste op Hugo Verriest in zijn statige pastorie en zijn pompeuze ouderlingenhuis. Kunstschilder Valerius De Saedeleer: het wordt echt tijd dat hij zijn huisje opknapt, anders verzakt het in de Tiegemberg. Ik ontmoette dorpsschrijver Torie Mulders aan zijn kapelletje, de ene keer vanuit Tiegem en de andere keer vanuit Ingooigem. Dorpsschilder Staf Stientjes kwam ik ook tegen in zijn lusthof ’t Vossenhol. Waar woonde Gustave Van de Woestijne eigenlijk? Op de Tiegemberg, las ik. Maar vanuit je raam bekeken is dat wel een immense berg, hoor! Wat is dat overigens een vreemd verhaal van die molen van Torie Mulders! Hebben ze die echt in brand gestoken voor de opnames van een film? Ik ken molenliefhebbers die het jullie kwalijk zouden nemen. Het armtierige prentje van de molen gaf je een plaats aan een muur in je nest. Je kreeg toch geen spijt?
Je miste hen hé, de laatste jaren van je leven. Al die vrienden-kunstenaars-geestegenoten bij wie je zo graag langsging. ‘Als ik de blik laat gaan over de streek, is er niets meer dat mij aantrekt: vrienden en kennissen die ik er vroeger wonen wist zijn weg of gestorven, geen posten meer om bezoeken af te leggen. Ik kan er alleen nog aan denken hoe het geweest is.’

Ach, ik hoop maar dat je mij geen onaangename huisgenoot vond. Ik zei niet veel en deed in stilte voort. Ik zorgde goed voor je huis, ook toen die Franssprekende klusjesmannen en overenthousiaste schoolkinderen eens langskwamen. Haha, een jongen dacht dat ik Stijn Streuvels was! Ik liet mijn ouders binnen en zij bleven een hele tijd tussen de boeken zitten. Het mocht toch wel hé? Je bent in de jaren ’60 niet erg vriendelijk geweest tegen mijn vader. Het was nochtans uit bewondering voor jou hoor dat hij even halt hield aan het Lijsternest!
En ach, nu ga ik jou en je vrienden op mijn beurt missen. Ik ging nog even langs, vanavond. Langs het huis van kapelaan Verriest, het kapelletje van Torie Mulders, de stulp van De Saedeleer. Zondagmiddag ga ik met mijn vrouw en kinderen eten in Stientjes’ Vossenhol. Daarna ga ik nog een laatste keer aan je raam zitten. Het panoramische raam van schrijver Stijn Streuvels. Want daar heb ik, de vorige twee weken en de afgelopen twee jaar, met de goedkeuring van het Provinciebestuur en een vrijgeleide van Passa Porta, uren en uren gesleten. Daar kon zelfs jij me niet weghouden. Sorry als het je pijn deed.

Heel veel dank voor je gastvrijheid, Stijn! Wees gerust, ook al vertoeft residentieverantwoordelijke Tom hier bijna elke dag, lopen in de zomer de toeristen je deur plat en neemt in de winter de ene na de andere schrijver je raam en je huis even over: het Lijsternest blijft altijd van jou. Op je klijtkop ‘leef en heers je’ voor eeuwig ‘als een koning te rijk’. Van hier op de hoogte gaat ‘alleen jouw blik over de vier windstreken’ en mag je ‘tot op het einde der tijden de wereld overschouwen’. ‘De blijdschap, de jubel in de ziel en het bovenmenselijk geluk om elke morgen van hier uit de zon te zien opstijgen en de blik te laten scheren over een oneindige ruimte’ zijn voor eeuwig van jou. Jij bent voor altijd The Lord of the Hill.

https://www.youtube.com/watch?v=U2no4xBL-zc



zaterdag 6 februari 2016

Hij heeft gezegd

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem.
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Zaterdag 6 februari

Als dit zo doorgaat, word ik toch nog een Streuvelskenner. Je kan niet blijven schrijven aan dat raam, dus sta ik nu en dan eens op en kuier door het huis, laat mijn ogen over de boekenruggen glijden, bekijk de vele prullaria, de schilderijen van Albert Saverys en Valerius De Saedeleer, de foto's van Streuvels, het meubilair van De Coene. Er is een tablet met een digitale rondleiding, maar die bekeek ik nog niet. Eerst wil ik het zelf ontdekken. Streuvels achterna, want ook hij 'en kostert in geen kapelletje, voelt tegenover niemand enige verplichting, en brengt zijn werk ter markt wanneer hij 't goedvindt'.
Ik snuister in de vele Streuvelsiana die het huis biedt. Ik bestudeer het met de jaren groeiende grondplan en word, met Streuvels, 98 jaar. In boeken, tijdschriften en biografieën maak ik kennis met de man van dit huis. Ik beleef zijn euforie en levensvreugde als hij in zijn Lijsternest komt wonen en ik voel de gelatenheid en de berusting van de erg oude man in het droomhuis van weleer. 

Toen hij pas in zijn Lijsternest woonde...
'Ik wandelde er door de kamers boven en onder als op een ontdekkingstocht; ik hoorde er vreemde geruchten en kreeg er voor 't eerst het onbekende de gevoel dat het alles en voor altijd van mij was - iets dat ik zelf uit het niet had opgewekt en verwezenlijkt - de aanvang van een nieuw bestaan - de eerste, blanke bladzijde van een onbeschreven boek. Van uit deze uitkijkpost zou ik nu het wisselende spel der seizoenen kunnen nagaan en er de mensen die er in leefden aan 't werk zien'.
In zijn huis op de heuvel kon de schrijver ongestoord zijn weg gaan, ontslagen van alle drukkende controle en lastige bemoeienis, 'leven en heersen als een koning in zijn rijk'.
Toen hij ouder werd...
'Vandaar liep het gesprek op het moeilijke van de toestand voor artiesten die aan de middelbare leeftijd gekomen, zich te oud voelen om met de moderne strekking mede te gaan, - die niet geloven aan de nieuwe leer, en 't vertrouwen in de hunne verloren hebben, - dezulken vegeteren, geraken uit de circulatie'.
Hij dacht met nostalgie terug aan de heroïeke jeugdjaren: 'We zijn geen knoeiers geweest ... we hebben deugdelijke waar op de markt gebracht'.

Hier en daar bots ik op een citaat dat mee het beeld van de norse en onvriendelijke oude man hielp verbreiden. Dit had hij bijvoorbeeld beter niet gezegd: 'Het toeval heeft gewild dat ik 't grootste deel van mijn bestaan heb doorgebracht op het banaalste dorp dat men uitdenken kan.' En dat hij ernaar verlangde om zo snel mogelijk de maanden van verliefdheid achter de rug te hebben en weer als gewone man aan het burgerleven te kunnen deelnemen, was niet bepaald Alida-vriendelijk. Zijn collega-literatoren, met wie hij nochtans vrij goede vriendschapsbanden had, kregen er ook eens van langs: 'Ik heb zopas een paar boeken gelezen, La Peste van Camus en Christus wordt opnieuw gekruisigd van die Griek. Hewel ik doe daarbij de overtuiging op dat heel ons zootje Vlaamse literatuur bestaat uit pretentieuze dilettanten. Wat hebben wij aan te bieden in de vreemde dat zij niet honderdkeer beter hebben?' Voilà, zeg dat Streuvels het gezegd heeft.

Ik geef vaak auteurslezingen in scholen en bibliotheken en tijdens de vragenronde komt altijd de vraag: 'Hoe lang duurt het om een boek te schrijven?' Ik weet dat de vraag komt en ik knoop er een vrij uitvoerig antwoord aan vast, dat het jonge publiek laat kennismaken met de werkmethode van een schrijver. Altijd een succesmoment in de lezing, zowel bij leerlingen als leerkrachten. Inleidend verras ik hen eerst met twee antwoorden. 'Het eerste antwoord op je vraag is: vijf jaar. Het tweede antwoord op je vraag is: twee maanden'. En dan leg ik die contradictie breedsprakerig uit.    
Dit zal ik hier niet doen, maar ik laat een laatste keer Streuvels aan het woord. Ik botste zonet op een citaat, dat kan dienen als antwoord op de vraag van leerlingen tijdens een auteurslezing anno 2016: 'Als ik me neerzet aan mijn schrijftafel, is het grootste deel van mijn werk al volbracht. Gedurende vier, vijf, zes jaar soms, is heel 't plan samengevoegd, veranderd, bewerkt geworden. Wanneer het dan beslissend af is, werp ik het neer op papier. Het is overdacht, gerijpt, de geestelijke arbeid voleindigd; er blijft maar de stoffelijke opbouw over. Dat duurt niet lang. Ik schrijf heel snel: mijn handschrift is meestal bloot van doorhalingen. De 'zin' heb ik geschapen tegelijkertijd met de persoon en hij vloeit uit de pen genoegzaam bewrocht.'



donderdag 4 februari 2016

Karel

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem.
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Donderdag 4 februari

Ik vermoed dat ik in het jaar 1977 voor de eerste keer zelf een boek kocht met mijn schaarse zakgeld. Dat boek kocht ik op de jaarlijkse boekenbeurs van mijn middelbare school. Ik kocht toen Kroniek van Stijn Streuvels, een vrij iconisch boek van Luc Schepens, dat voor de verdere studie van leven en werk van Streuvels onmisbaar bleek. Het boek verzamelt schijnbaar losse berichten, kleine anekdotes en snelle aantekeningen uit het leven van Streuvels, aangevuld met al even lukrake foto’s en willekeurige kaartjes en notities. Ik las het boek toen vermoedelijk min of meer in den duik, want je loopt er als twaalfjarige niet mee te koop dat je een boek over Stijn Streuvels hebt gekocht en dat ook nog eens leest!
Ik heb het boek meegebracht naar het Streuvelshuis – al was dat niet nodig, je vindt het hier ook rondslingerend in het huis. Thuis heb ik het boek onlangs een betere plaats in mijn persoonlijke bibliotheek gegeven (dat wil zeggen: het verhuisde van mijn bureau boven naar de woonkamer beneden). Na 40 jaar bedenk ik dat het misschien wel dat boek is dat me tot liefhebber der letteren, liefhebberend schrijver en, jawel, resident van het Streuvelshuis heeft gemaakt.

Ik heb de Kroniek ook opnieuw gelezen en botste al snel op de naam die ik me nog herinnerde van mijn lectuur in 1977. Een naam die heel veel opduikt in het boek en dus ook in het leven van Stijn Streuvels: Emmanuel De Bom. Streuvels schreef er voortdurend brieven naar, vroeg hem om raad, deelde vreugde en verdriet met hem. Geen boek of artikel verscheen vooraleer De Bom om raad werd gevraagd. De Bom – bibliothecaris in Antwerpen en zelf een begenadigd maar helemaal vergeten romancier, biograaf en essayist – was ook vaak te gast in het Lijsternest en maakte boottochtjes en reisjes met Streuvels. 
Hun vriendschap moet best bijzonder zijn geweest. Zijn eerste brief aan Emmanuel De Bom schrijft Streuvels op 13 juli 1896. ‘En nu we eens kennis gemaakt hebben voel ik wel trek U eens heel en gans te zeggen wie ik ben’. Daarna volgt met grote regelmaat een vloed aan brieven: ideeën voor nieuwe boeken, een publicatieplan, de keuze van de drukker, voorstellen voor artikelen en vertalingen, vragen om advies.
Bijzonder is dat De Bom niet nalaat de jonge Streuvels ook spontaan de weg te wijzen. Zo schrijft de wijze bibliothecaris op 28 juli 1896: ‘En om nu eens iets te zeggen dat me lang op ’t hart ligt, maar waarvoor ik gewacht heb tot ik vermoeden kon hoe gij mijn aanbod zoudt opnemen: Kom tot ons, beste kerel, kom tot ‘Van nu en straks’. Niets zal u daar binden. Gij kunt geheel u zelf zijn … We hebben behoefte aan een fris en open talent, en dat zijt gij.’ En Streuvels kwam tot hen, zeer tegen de zin van nonkel Guido, die op 5 oktober 1897 met de bisschop van Brugge sprak over hoe ze Frank Lateur weer uit die vrijdenkersbende konden krijgen.  
De Bom had nog meer goede raad voor de rijzende ster der Vlaamse letteren. Op 16 oktober 1896 schrijft hij: ‘Dat ge van de tijdschriften-lectuur gaat afzien verheugt me. Dat kan u niets dan goed doen. Intussen kunt ge Goethe en Shakespeare lezen.’ En op 8 november 1897: ‘Nu een voorstel, waaraan ik reeds lang denk. Hebt gij geen lust uw novellen te verzamelen en onder de titel ‘Lente’ b.v. te laten uitkomen onder de beminnelijke hoede der gemeenschap? Ge zoudt daarin alles verenigen wat u ’t beste denkt…’
Streuvels had De Bom nodig in het begin van zijn schrijverscarrière.
Lezend in de kroniek en snuffelend in de briefwisseling met De Bom, verzeilden mijn gedachten zopas bij hen die mij op weg hielpen. 

Het script van wat even later mijn eerste jeugdroman De hel in New York werd, verzeilde via een uitgeverij op de leestafel van Ed Franck. ‘Of ik even bij hem wou langsgaan,’ klonk het aan de telefoon. Trots, maar ook met lichtjes knikkende knieën, ging ik naar mijn afspraak met de door mij bewonderde auteur. In zijn keuken, terwijl hij een spiegelei bakte voor ons twee, fileerde hij mijn script. ‘Een erg sterk verhaal,’ zei hij, maar verder bleef er niks goeds meer van over. ‘Je zou het ook anders kunnen vertellen,’ zei hij. En toen zette hij me op weg om hetzelfde verhaal met parallelle verhaallijnen te vertellen. 
Een goddelijke ontmoeting voor mijn debuut als jeugdauteur, die omelet ten huize van Ed Franck.

Vertoevend in dit huis van bewondering wil ik een tweede standbeeld oprichten. Tijdens de publieksvoorstelling van De hel in New York (met parallelle verhaallijnen, uiteraard) voerde Karel Verleyen de gelegenheidstoespraak. Op zich betekent dat niks, want in die jaren kwam Verleyen vaak op de proppen met toespraken allerhande. Maar het is een mooie intrede als een monument je publiekelijk welkom heet in de club.
Ik kwam Karel Verleyen vervolgens vaak tegen onderweg. Ik hoorde zijn ergernis na een theatervoorstelling van Tom Lanoye, ik hoorde hem auteurs interviewen op de Boekenbeurs, we dronken samen een Belgische pint op de Vlaams-Nederlandse kinderboekendag in Baarle-Hertog, ik ontmoette hem tijdens lezingen en voordrachten. Op een keer vertelde hij me hoe trots hij was dat er eindelijk een roman voor volwassenen van hem zou verschijnen (Taurus). Signerend naast hem op de Boekenbeurs vertrouwde hij me toe dat de vrouw die net een boek van hem liet signeren, een oud lief van hem was. En het verhaal dat er bij hoorde...! Ik verwerkte het als verborgen knipoogje in mijn jeugdboek Gek van een eiland (p. 71). Karel en zijn eerste lief!
Ik ben er zeker van dat Karel en ik brieven naar elkaar zouden hebben geschreven als het wiel en de mail nog niet waren uitgevonden.
Ik denk nog wel eens aan Karel Verleyen. Hij was zo overweldigend in de wereld van de jeugdliteratuur op het einde van de vorige en het begin van deze eeuw. Hij schudde met het grootste gemak elk boek dat hij wou schrijven uit zijn mouw. Speels en grappig of ontroerend en aangrijpend, het maakte niet uit. Hij vertelde even makkelijk, inspirerend en enthousiasmerend over zijn werk. En hij liet niet na om mij, en ongetwijfeld vele anderen, te bevragen over nieuw werk. Met een schouderklopje als deugddoende aanmoediging.
Plots was hij er niet meer, hij overleed vrij onverwachts in 2006 na een strijd tegen kanker. Er kwam een einde aan de vloedgolf van boeken. De uitgeverij kwam nog met wat postuum werk op de proppen, er werden boeken heruitgegeven, er werd een jeugdboekenprijs met zijn naam opgestart. Maar de Vlaamse jeugdliteratuur was een van haar rotsen in de branding kwijt.  

In de Kroniek van Stijn Streuvels staat bij 14 april 1953: ‘Dood van Emmanuel De Bom’. Op Wikipedia lees je dat Karel Verleyen overleed op 18 november 2006. 

https://www.youtube.com/results?search_query=you+tube+kandahar

Lees ook: Hij heeft gezegd.


maandag 1 februari 2016

Selfie met raam

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem. 
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een heel klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Maandag 1 februari

Het is 18u28 nu. Ik ben amper een uurtje in het huis van Streuvels en eigenlijk kan ik nu al naar huis. Ik heb gedaan (ik doe het terwijl ik dit schrijf) waar menig literatuurliefhebber van droomt. Ik ging het Lijsternest binnen en ging aan het raam zitten. Het beroemdste schrijversraam van de Nederlandse letteren. Ik keek door het panoramische raam, over het veld, naar de Tiegemberg. Ik nam mijn laptop en schreef.
Streuvels schreef hier zijn Vlaschaard terwijl de werkmenschen voor hem aan het raam voorbijkwamen, lees je wel eens. 'Ik had maar mijn venster open te zetten om de velden te zien bewerken en bezaaien, om de geelgroene vrucht te zien wassen, om de liedjes te horen der wiedsters en het spel te zien en de leute der slijting,' schrijft hij zelf. De waarheid is evenwel dat dit venster er in 1907, toen De Vlaschaard verscheen, nog niet eens was. Het kwam er vele jaren later, na een van de vele verbouwingen in het huis. Toen Streuvels nog maar pas in zijn Lijsternest woonde (hij kwam er in 1905), schreef hij aan een schrijftafel voor het raam naast de voordeur van het huis, met uitzicht op de golvende Scheldevallei in het oosten. De zon in zijn gezicht dreef hem naar een schrijfplek met een betere lichtinval - en een weidser panorama.   
Ik zit aan het beroemde raam te schrijven dus. Het hoogtepunt van mijn veertiendaagse is nu al voorbij en het moment van glorie duurde amper twee minuten. Mijn selfie met raam heb ik nu al. 

Wees gerust, ik keer nog niet huiswaarts. Er is nog zoveel te ontdekken. De schroom valt nog niet helemaal van mij af. Streuvels zelf was op elke plaats die ik betreed of bekijk in dit krakende huis. Elke stoel, elke tafel, elke zetel: het was ooit die van hem. Hij zat er, hij at er, hij las er, hij keek er, hij schreef er. Het huis hangt vol foto's, kunstattributen, bekende koppen en bustes. En er zijn boeken natuurlijk. Boeken boeken boeken. Als openbaar bibliotheekmens doet het raar om deze Streuvelsbibliotheek te verkennen. Ik mag de boeken in de volgestouwde rekken niet vastnemen omdat Streuvels zelf ze ooit heeft geplaatst waar ze nu staan. En ook omdat de bibliotheek nog niet is gecatalogiseerd. Daar word je als bibliotheekmens dan weer intriest van. Dat tot hiertoe niemand deze rijke bibliotheek heeft ontsloten! Maar er is hoop. Tom, de residentieverantwoordelijke, verzekerde me dat er werk van wordt gemaakt. Het zal een immens werk zijn maar het moet ook fantastisch zijn om dit te mogen doen. Voor een bibliotheekmens.
Morgen maak ik tijd voor wat het tweede hoogtepunt van mijn verblijf moet worden. Ik wil over alle boekenruggen gaan. Zien en weten wat Streuvels heeft gelezen. Genieten van de versierde ruggen. Het zal een wandeling door zowat een eeuw Vlaamse en Europese literatuur worden. Deze kennismaking zal veel langer duren dan twee minuten. De bibliotheek kronkelt zich door de vele gangen en kamertjes van het huis. Streuvels bouwde veel bij tijdens zijn leven. De bibliotheek groeide met het huis. Of was het omgekeerd?

En toch ben ik niet voor het raam en de boeken naar hier gekomen. Ik mag me niet laten afleiden. 'Nulla dies sine linea' hangt boven Streuvels' raam en nu ook boven mij. Geen dag zonder regel, geen dag zonder schrijven. Er moet een misdaadroman worden afgewerkt, er moet een kinderboek worden geschreven, er moet een oorlogsdagboek worden geredigeerd. En ik wil een Vlaamse jeugdroman aanpakken. Het idee is er. Streuvels zal me helpen, maar ik heb even wat tijd nodig om van mijn schroom af te geraken. 
Hij moest het eens weten... Ik las wat af de voorbije weken. Streuvels was lang niet de vrolijke gezellige opa die je omwille van zijn hoge leeftijd, groezelige haar en grappige snor zou verwachten. Hij was nogal nors en stuurde pottenkijkers van zijn erf. Hij had het niet echt voor de mensen van het dorp of de passanten langs de weg. En dan kom ik, klein klein schrijverke, oneerbiedig bezit nemen van zijn schrijverspaleis en keizerlijke raam. Moet ik me bij hem verontschuldigen? Hem op het hart drukken dat het mocht van het provinciebestuur? Hem beloven dat ik niet aan zijn boeken zal raken en dat ik verblijf in zijn tot studio omgebouwde schuur? Niet in zijn bed maar in een bed van de Molecule zal slapen? Dat ik niets zal meenemen naar huis?
Iets in mij zegt dat hij mij alleen mijn gang zou laten gaan als ik hem verzeker dat ik hem bewonder. Hem vertel dat ik veel van zijn boeken heb gelezen, dat ik naar hem opkijk en dat ik maar al te goed besef dat mijn geschrijf in het niets verzinkt vergeleken met zijn belangrijke boeken. 
Als 'IJs' in mei wordt gepresenteerd, schenk ik in gedachten het eerste exemplaar aan Stijn Streuvels. Als late verblijfsvergoeding. Kan hij het boek bijzetten in zijn bibliotheek. Als hij dat wil tenminste.

https://www.youtube.com/watch?v=ekrzLtCKMJg

Lees ook: Karel


Op de beroemde vensterbank zijn niet alle prullaria van Streuvels. Mijn kleinood moet me de komende dagen dicht bij mijn verhaal brengen.