Pagina's

donderdag 4 februari 2016

Karel

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem.
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Donderdag 4 februari

Ik vermoed dat ik in het jaar 1977 voor de eerste keer zelf een boek kocht met mijn schaarse zakgeld. Dat boek kocht ik op de jaarlijkse boekenbeurs van mijn middelbare school. Ik kocht toen Kroniek van Stijn Streuvels, een vrij iconisch boek van Luc Schepens, dat voor de verdere studie van leven en werk van Streuvels onmisbaar bleek. Het boek verzamelt schijnbaar losse berichten, kleine anekdotes en snelle aantekeningen uit het leven van Streuvels, aangevuld met al even lukrake foto’s en willekeurige kaartjes en notities. Ik las het boek toen vermoedelijk min of meer in den duik, want je loopt er als twaalfjarige niet mee te koop dat je een boek over Stijn Streuvels hebt gekocht en dat ook nog eens leest!
Ik heb het boek meegebracht naar het Streuvelshuis – al was dat niet nodig, je vindt het hier ook rondslingerend in het huis. Thuis heb ik het boek onlangs een betere plaats in mijn persoonlijke bibliotheek gegeven (dat wil zeggen: het verhuisde van mijn bureau boven naar de woonkamer beneden). Na 40 jaar bedenk ik dat het misschien wel dat boek is dat me tot liefhebber der letteren, liefhebberend schrijver en, jawel, resident van het Streuvelshuis heeft gemaakt.

Ik heb de Kroniek ook opnieuw gelezen en botste al snel op de naam die ik me nog herinnerde van mijn lectuur in 1977. Een naam die heel veel opduikt in het boek en dus ook in het leven van Stijn Streuvels: Emmanuel De Bom. Streuvels schreef er voortdurend brieven naar, vroeg hem om raad, deelde vreugde en verdriet met hem. Geen boek of artikel verscheen vooraleer De Bom om raad werd gevraagd. De Bom – bibliothecaris in Antwerpen en zelf een begenadigd maar helemaal vergeten romancier, biograaf en essayist – was ook vaak te gast in het Lijsternest en maakte boottochtjes en reisjes met Streuvels. 
Hun vriendschap moet best bijzonder zijn geweest. Zijn eerste brief aan Emmanuel De Bom schrijft Streuvels op 13 juli 1896. ‘En nu we eens kennis gemaakt hebben voel ik wel trek U eens heel en gans te zeggen wie ik ben’. Daarna volgt met grote regelmaat een vloed aan brieven: ideeën voor nieuwe boeken, een publicatieplan, de keuze van de drukker, voorstellen voor artikelen en vertalingen, vragen om advies.
Bijzonder is dat De Bom niet nalaat de jonge Streuvels ook spontaan de weg te wijzen. Zo schrijft de wijze bibliothecaris op 28 juli 1896: ‘En om nu eens iets te zeggen dat me lang op ’t hart ligt, maar waarvoor ik gewacht heb tot ik vermoeden kon hoe gij mijn aanbod zoudt opnemen: Kom tot ons, beste kerel, kom tot ‘Van nu en straks’. Niets zal u daar binden. Gij kunt geheel u zelf zijn … We hebben behoefte aan een fris en open talent, en dat zijt gij.’ En Streuvels kwam tot hen, zeer tegen de zin van nonkel Guido, die op 5 oktober 1897 met de bisschop van Brugge sprak over hoe ze Frank Lateur weer uit die vrijdenkersbende konden krijgen.  
De Bom had nog meer goede raad voor de rijzende ster der Vlaamse letteren. Op 16 oktober 1896 schrijft hij: ‘Dat ge van de tijdschriften-lectuur gaat afzien verheugt me. Dat kan u niets dan goed doen. Intussen kunt ge Goethe en Shakespeare lezen.’ En op 8 november 1897: ‘Nu een voorstel, waaraan ik reeds lang denk. Hebt gij geen lust uw novellen te verzamelen en onder de titel ‘Lente’ b.v. te laten uitkomen onder de beminnelijke hoede der gemeenschap? Ge zoudt daarin alles verenigen wat u ’t beste denkt…’
Streuvels had De Bom nodig in het begin van zijn schrijverscarrière.
Lezend in de kroniek en snuffelend in de briefwisseling met De Bom, verzeilden mijn gedachten zopas bij hen die mij op weg hielpen. 

Het script van wat even later mijn eerste jeugdroman De hel in New York werd, verzeilde via een uitgeverij op de leestafel van Ed Franck. ‘Of ik even bij hem wou langsgaan,’ klonk het aan de telefoon. Trots, maar ook met lichtjes knikkende knieën, ging ik naar mijn afspraak met de door mij bewonderde auteur. In zijn keuken, terwijl hij een spiegelei bakte voor ons twee, fileerde hij mijn script. ‘Een erg sterk verhaal,’ zei hij, maar verder bleef er niks goeds meer van over. ‘Je zou het ook anders kunnen vertellen,’ zei hij. En toen zette hij me op weg om hetzelfde verhaal met parallelle verhaallijnen te vertellen. 
Een goddelijke ontmoeting voor mijn debuut als jeugdauteur, die omelet ten huize van Ed Franck.

Vertoevend in dit huis van bewondering wil ik een tweede standbeeld oprichten. Tijdens de publieksvoorstelling van De hel in New York (met parallelle verhaallijnen, uiteraard) voerde Karel Verleyen de gelegenheidstoespraak. Op zich betekent dat niks, want in die jaren kwam Verleyen vaak op de proppen met toespraken allerhande. Maar het is een mooie intrede als een monument je publiekelijk welkom heet in de club.
Ik kwam Karel Verleyen vervolgens vaak tegen onderweg. Ik hoorde zijn ergernis na een theatervoorstelling van Tom Lanoye, ik hoorde hem auteurs interviewen op de Boekenbeurs, we dronken samen een Belgische pint op de Vlaams-Nederlandse kinderboekendag in Baarle-Hertog, ik ontmoette hem tijdens lezingen en voordrachten. Op een keer vertelde hij me hoe trots hij was dat er eindelijk een roman voor volwassenen van hem zou verschijnen (Taurus). Signerend naast hem op de Boekenbeurs vertrouwde hij me toe dat de vrouw die net een boek van hem liet signeren, een oud lief van hem was. En het verhaal dat er bij hoorde...! Ik verwerkte het als verborgen knipoogje in mijn jeugdboek Gek van een eiland (p. 71). Karel en zijn eerste lief!
Ik ben er zeker van dat Karel en ik brieven naar elkaar zouden hebben geschreven als het wiel en de mail nog niet waren uitgevonden.
Ik denk nog wel eens aan Karel Verleyen. Hij was zo overweldigend in de wereld van de jeugdliteratuur op het einde van de vorige en het begin van deze eeuw. Hij schudde met het grootste gemak elk boek dat hij wou schrijven uit zijn mouw. Speels en grappig of ontroerend en aangrijpend, het maakte niet uit. Hij vertelde even makkelijk, inspirerend en enthousiasmerend over zijn werk. En hij liet niet na om mij, en ongetwijfeld vele anderen, te bevragen over nieuw werk. Met een schouderklopje als deugddoende aanmoediging.
Plots was hij er niet meer, hij overleed vrij onverwachts in 2006 na een strijd tegen kanker. Er kwam een einde aan de vloedgolf van boeken. De uitgeverij kwam nog met wat postuum werk op de proppen, er werden boeken heruitgegeven, er werd een jeugdboekenprijs met zijn naam opgestart. Maar de Vlaamse jeugdliteratuur was een van haar rotsen in de branding kwijt.  

In de Kroniek van Stijn Streuvels staat bij 14 april 1953: ‘Dood van Emmanuel De Bom’. Op Wikipedia lees je dat Karel Verleyen overleed op 18 november 2006. 



Lees ook: Selfie met raam