Pagina's

maandag 28 november 2011

Zie daar gaat de stoomboot

Vorig jaar was ik één van de gastauteurs tijdens de nocturne voor volwassenen in 'Het Huis van de Sint' in Kortrijk. Mij werd gevraagd een passend slaapkamerverhaal te schrijven met de Sint in de hoofdrol. Net iets voor mij, dacht ik...

- ‘Nee, dit gaat me nu echt te ver!’
Sinterklaas richt zich op en maakt zijn mijter los. Voor de vijfendertigste keer schuurde het schabouwelijke onding over zijn wangen. Het is genoeg geweest. Hij neemt de mijter van zijn hoofd en kegelt hem tegen de wand van zijn slaapkamer. Tegen de muur waar de ingelijste kindertekeningen hangen. Er volgt nog een soort vloek, de sint is tenslotte ook maar een mens. De brave man kan ook eens een boze man zijn.
Waarom moet ik eigenlijk die slaapmijter op, denkt hij kregelig. Omdat hij de kinderen elk jaar weer vertelt dat hij àltijd zijn mijter op heeft? In bad, in bed en op het toilet. Voor elke plaats heeft hij een speciale mijter. De kinderen vinden het prachtig. Niemand die die mijters ooit te zien krijgt. Maar liegen? Dat doet Sinterklaas niet. Mag hij niet.
Kon ik nu maar slapen, denkt hij. Hij woelt al de hele nacht, geen seconde blijven zijn ogen dicht. Hij denkt aan wat hij morgen nog te doen heeft: 16 scholen, 75 warenhuizen, 185 bezoekjes bij kinderen thuis, 35 rusthuizen. Dit jaar kwamen er ook nog de serviceflats bovenop. In negen flatjes wordt hij morgen verwacht. Met zachte speculoos die niet te vreten is, maar die oudjes vinden die fantastisch. Goed voor de tanden die ze niet meer hebben.
Sinterklaas maakt zich ook zorgen om zijn zwartepieten die nu op pad zijn. Ze worden ook een dagje ouder. Het klimmen over de daken, dat valt nog best mee. Ook met de schoorstenen lukt het nog wel. Maar steeds meer van die moderne blokwoningen hebben glazen daken, dat is oppassen geblazen. En zijn trouwste pieten kwamen ook al vaak klagen over de alarmsystemen. Het wordt dringend tijd dat hij werk maakt van die bijscholing veilig inbreken.
Sinterklaas steekt zijn nachtlampje aan. Hij staart naar zichzelf in de zilveren spiegel. Wat ziet hij er oud uit! Het zou flink wat schelen als hij zijn baard kon afscheren. Hij klikt de televisie aan. Oh nee, telefoonspelletjes… Niets voor hem. Stel je voor dat hij het woord vindt en hij de prijs krijgt! ‘Blijf aan de lijn, dan noteren we je naam en adres, mijnheer… Mijnheer wie? Sinterklaas? Haha mijnheer is een grapjas…’ De meisjes zouden hem niet geloven. Even zappen…. Nee, ook de telefoonspelletjes van de meisjes op het andere net zijn niets voor hem.
De sint doet het licht en de televisie dan maar weer uit. Normaal slaapt hij de pannen van het dak. Maar nu doet hij geen oog dicht. Algauw ligt hij weer te woelen. Is zijn baard weer helemaal om zijn hals gesnoerd.
Sinterklaas probeert om er niet langer aan te denken, maar het lukt hem niet. Natuurlijk is het niet die drukke agenda voor morgen die hem uit zijn slaap houdt. Het lukt hem heus wel, zoals elke dag. Natuurlijk zijn het niet de pieten die hem zorgen baren, ook zij worstelen er zich wel door. Maar het is die stoomboot. De ongelooflijk mooie stoomboot die zijn pieten vorige nacht hebben afgeleverd bij dat ettertje in die foeilelijke villa. Toen ze er vorige week op bezoek waren, had de jongen niet van zijn computer willen komen. Voor de sint stond er geen stoel klaar, voor de pieten geen limonade. De sint bleef dan maar wat drentelen rond die computer en vroeg welk spelletje de jongen speelde. En of hij het van Sinterklaas had gekregen.
- ‘Ben je gek’, zei de jongen zonder opkijken. ‘Facebook? Dat krijg je toch niet van de sint. Dat is er vanzelf…’
Toen schoot dat kreng van een moeder in de lach. Sinterklaas probeerde er zich met een lachje vanaf te maken.
- ‘Ah, Facebook, dat is niets meer voor Sinterklaas. Daar ben ik veel te oud voor. En mijn zwartepieten, die hebben daar geen tijd voor. Nietwaar jongens?’
Er kwam geen antwoord. De pieten deden veel moeite om de sint niet aan te kijken en te doen alsof het scherm er niet was.
- ‘En, wat wil je van de sint?’
Zeg maar snel iets, dacht hij, dan ben ik hier zo snel als het kan weer weg.
De rotjongen keek even op.
- ‘Breng jij me maar een stoomboot!’ lachte hij.
En toen kroop hij weer in zijn Facebook.
De sint zat perplex. Die etter, dat rotjoch, dat verwaande kreng vroeg een stoomboot aan Sinterklaas! Niet omdat hij die wou, maar omdat hij toch íets moest vragen. Hoe kan een verwend kind van steenrijke ouders in een poepsjiek huis naar een stoomboot vragen? Hij zei het gewoon om iets te zeggen, dat had de sint wel door. Maar rotjongen zei het wel. En de sint schreef het onder de goedkeurende blik van krengmama in zijn dikke boek.
Die stoomboot zorgt ervoor dat Sinterklaas voor de tweede nacht op rij niet kan slapen. Hij wil die stoomboot niet kwijt. Rotjongen treft geen schuld, hij kon niet weten dat de sint zelf gek is op stoomboten. Naast de Grote Speelgoedzaal in zijn kasteel in Spanje heeft hij een privéspeelplaats. Daar mag alleen hijzelf in. Geen enkele piet heeft de sleutel, ook de opperpiet niet. In zijn speelzaal heeft de sint wel duizend stoomboten staan. Van steen gehouwen stoomarken uit de steentijd, scheepjes van papyrus uit de Egyptische oudheid, perkamenten schuiten uit de vroege Middeleeuwen, houten stoombootjes uit de Moderne Tijd, gietijzeren schepen uit de eeuw van de Grote Nationale Revoluties, plastic bootjes uit het Interbellum, boten van plexiglas uit de postmoderne tijd en bootjes van papier uit zijn kleutertijd. Van elk bootje heeft hij een exemplaar uitgestald, in de grote bewaarkasten tegen de wand heeft hij van alle versies de volledige voorraad opgeslagen. Nooit eerder heeft een kind een stoomboot gevraagd. Oorlogsschepen, indianenprauwen, onderzeeboten: ze gaan vlotjes de deur uit. De sint heeft er ook geen moeite mee om die uit te delen. Maar stoomboten… die zijn voor hem.
Tot rotjongen er één vroeg. Eergisteren had Sinterklaas zeer tegen zijn zin een stoombootje uit zijn privékast gehaald. Hij had er altijd enkele mee als hij rond december naar België kwam. Je wist maar nooit dat een kind een stoomboot vroeg. De sint wilde er niet aan denken, maar het moest wel.
De stoomboot – hij koos die van plastic, rood met zwarte strepen en wat Sinterklaas betrof de lelijkste uit zijn collectie, hij bleef zelfs niet drijven als je in bad zat – verdween onopvallend in de speelgoedzak van de pieten. Geen van hen die er een opmerking over maakte. Of die zei: kijk eens aan, een stoomboot, dat hebben we nooit eerder gehad.
Nu piekert de sint over de boot. Zíjn boot en niet die van rotjongen. Ook al had hij er nog duizenden in voorraad en al waren die allemaal veel mooier dan dat aartslelijke exemplaar in het poepsjieke huis van dat vervelend Facebookjoch.
Weer gaat de sint rechtop in bed zitten. Hij staart een tijdje in de duisternis. Dan ploft zijn vuist op de zachte verenmatras.
- ‘Ik haal hem terug! Ik haal hem verdorie terug, mijn boot!’
Hij knipt het nachtlampje aan en gaat weer liggen. Plots is de onrust weg. Zijn ogen zijn wijd open. Hij moet goed nadenken hoe hij dit aan boord legt. Morgenvroeg moet hij de opperpiet even apart nemen. Hij zal hem vertellen over zijn stoombootcollectie en hoe graag hij die stoomboot bij rotjongen terug wel. Hij kan het natuurlijk niet zelf aan de deur gaan vragen. Stel je voor, krengmama zou hem vast de huid vol schelden. Rotjongen zou zich een breuk lachen. Hij had al niet zo’n hoge dunk van hem en wat kon hem die stoomboot schelen.
Nee, terug vragen kon niet. Opperpiet moest hem persoonlijk weer uit het huis gaan stelen. Als je door de schoorsteen kunt om speelgoed binnen te brengen, kun je het er op dezelfde manier ook weer weghalen. Opperpiet zou mopperen, maar als het erop aankomt, is Sinterklaas de baas. Tegenpruttelen mag, maar een opdracht weigeren niet. Ook al ben je de opperpiet.
Er verschijnt een venijnig lachje op Sints gezicht. Hij is trots op zijn plan. Makkelijk toch? Maar dan is er plots ook wat twijfel. Mag hij het eigenlijk wel doen? De mensen kennen hem als de goede heilige man. Inbreken is geen heilige bezigheid. Maar… rotjongen houdt toch niet van stoomboten. Hij zal hem niet eens missen. En ik zal Opperpiet vragen om iets heel moois in de plaats te geven, bedenkt Sinterklaas. Iets waar rotjongen veel blijer mee zal zijn. Hij weet zelf niet wat, maar zijn pieten zullen wel een leuk idee hebben. Daarvoor zijn ze er toch? En opdracht is opdracht.
Sinterklaas knippert zijn lamp weer uit. Even later is hij verzonken in een diepe slaap en hij droomt van verre reizen naar onbestemde plaatsen.

- ‘Melk…!’
Opperpiet kijkt wat ongerust naar Sinterklaas. Waarom is hij vanmorgen zo kregelig? Aan de ontbijttafel is hij altijd erg goed geluimd. Hij eet zijn koeken, zuigt aan zijn koffie of drinkt zijn melk (nooit chocolademelk!). En dan leest hij fluitend of neuriënd de krant.
Maar vanmorgen niet dus. Er is iets mis met Sinterklaas, weet Opperpiet. En dat twee dagen voor zijn verjaardag.
- ‘Voelt u zich niet lekker, Sinterklaas?’
De sint kijkt hem recht in het gezicht.
- ‘Waarom zeg je dat, Opperpiet? Als er iets met mij scheelt, zal ik het je wel zelf zeggen. Scheelt er misschien iets met jou?’
- ‘Met mij? Euh…nee hoor, met mij is alles prima…’ prevelt Opperpiet. ‘Ik dacht alleen…’
- ‘Vanmorgen hoef jij niet te denken, Opperpiet. Laat dat maar aan mij over. Trouwens, ik wou je eigenlijk…’
Sinterklaas aarzelt. Hij weet niet meer wat hij wou. Deze nacht wist hij het natuurlijk wel. Opperpiet moest voor hem die stoomboot terughalen. Maar vanmorgen toen hij wakker werd, was hij het ineens niet meer helemaal zeker. Hij, Sinterklaas, de goedheilige man, had deze nacht plannen gemaakt voor een inbraak. De politie zou hij wel niet op zijn dak krijgen, daarvoor was Opperpiet een te gewiekste inbreker. Bovendien, zwartepieten mogen toch binnendringen in woningen? Als het maar door de schoorsteen gebeurt, dan laten alerte politieagenten oogluikend begaan. Maar is dit wel goed voor zijn reputatie? Stel je voor dat rotjongen vertelt welke knoeiboel Sinterklaas er bij hem van gemaakt heeft.
- ‘Kan ik soms wat voor u doen, Sinterklaas? Zegt u maar hoor, ik heb de hele dag vrij. Ik verdeelde alle speelgoedplaatsen onder de pieten. En er zijn vier pieten die de hele dag met u meegaan. Zegt u het maar als ik vandaag iets voor u kan doen….’
Sinterklaas richt zijn gezicht op en kijkt zijn trouwste en oudste zwartepiet lang en indringend aan. Er valt een ondraaglijke stilte in de keuken.
- ‘Opperpiet, kom eens bij mij aan de tafel zitten…’
- ‘Zoals u wilt, Sinterklaas…’
De sint wacht tot Opperpiet aarzelend naast hem aan de tafel is komen zitten. Hij kijkt nog even schichtig om zich heen. De andere zwartepieten komen nooit in de keuken, maar je weet maar nooit.
Sinterklaas houdt zijn hand tegen het linkeroor van Opperpiet.
- ‘Jij, beste Opperpiet, moet vandaag helemaal niets voor me doen. Snap je dat? En nu mag je weer van tafel gaan,’ fluistert hij.
Opperpiet kijkt zijn baas verontwaardigd aan.
‘Maar…’ moppert hij.
Sinterklaas geeft hem niet de tijd om meer te zeggen.
- ‘Vandaag – moet – jij – helemaal – niets – voor – me – doen. Dat begrijp je toch?’
- ‘Ja zeker…’
- ‘Wel dan…’
Opperpiet gaat onbegrijpend van tafel weg en begint zwijgend aan de vaat.
Sinterklaas zucht even. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. Nooit eerder voelde hij zich zo opgelucht en blij.


maandag 21 november 2011

Skrivn in 't Wevelgems

We komen uit dezelfde gemeente en we woonden bijna in dezelfde straat. Hij is een ongemeen toffe gast en hij zingt wonderlijke liedjes. Omdat ik hem zo apprecieer en bewonder, heb ik hem enkele maanden geleden iets gevraagd. Al was het een heel vrijblijvend en puur persoonlijk verzoekje.

Wat haat ik de titel van dit blogje! Maar hij vertelt nu eenmaal het best waarover ik het wil hebben. En samen met de eerste zin is dit een fameus statement.

Ik werkte zopas de redactie van een tijdschriftnummer over Willem Vermandere af (VWS-cahier 260). Het werd geschreven door Hedwig Speliers. De dichter-criticus kende ik uit mijn studententijd. Zijn polemische kritieken en strenge literatuuroordeel bezorgden me het beeld van een hardvochtig en verzuurd man. Niets daarvan: het was erg prettig samenwerken met Speliers, al beperkte onze samenwerking zich tot druk mailverkeer en twee telefoongesprekjes.
Hedwig werkte een tijdje samen met Willem Vermandere en werd een trouwe vriend en groot bewonderaar. Hij schreef een mooie tekst voor het VWS-cahier. Hij schept het beeld van een groot artiest: Willem de zanger, de dichter, de verteller, de muzikant, de beeldhouwer. Uit de tekst blijkt dat voor Willem vooral dat laatste erg belangrijk is, ook al is hij zoveel succesvoller als zanger.
Willem Vermandere groeide op in Lauwe, voor mij is dat het dorp aan de overkant van de Leie. We spraken als kind dus dezelfde taal, ook al zorgde de Leie voor een obstakel en wijken die van Lauwe qua uitspraak wel eens af van het Algemeen Wevelgems. Luister maar hoe we aan beide oevers van de rivier 'kerk' of 'kaarten' uitspreken. Schitterend toch, die taalvariatie? Vind ik ook, maar je moet er volgens mij niet mee koketteren in liedjes en versjes.
Ja, ik ben fervent voorstander van het Algemeen Nederlands. Dialect of standaardtaal... het is een item dat dezer jaren vaak opduikt in opiniestukken. Guido Gezelle hebben we van ons afgeschud, zijn zingende adepten plaatsen we op een voetstuk. Flip Kowlier zingt in het Izegems, Axl Peleman in het Antwerps, Wannes Cappelle in het Wevelgems...

Wannes... Die woonde nog dichter bij mij. Vanuit het huis waar ik nu al meer dan twntig jaar woon zie ik zijn geboortehuis. Ik kom er elke dag minstens vier keer voorbij. Jaren geleden hoorde ik vaak heerlijk pianospel en een zingende jongen. Wannes-in-wording. Wannes die opkeek naar Willem Vermandere en nu in zijn traditie verder werkt. Het rockt wat meer, maar het zijn dezelfde teksten. Over de spelletjes op de schoolspeelplaats, het huis van zijn ouders, de hebzucht van de mensen. Willem heeft het wel eens over God en de priesters, Wannes meer over liefde en de meisjes. Goed zo.
Wannes is minstens even sympathiek als Willem. Ik zag hem onlangs nog op een benefietvoorstelling voor de slachtoffers van de watersnoodramp in Pakistan. Natuurlijk wou hij komen en hij bracht een fijn akoestisch optreden. Of het huis van zijn vader er nog altijd staat, vroeg hij zich zingend af. Dat weet je toch zelf wel, Wannes, dacht ik... Als je uit het station komt, eerst de school, dan even naar links... Maar om die anekdotiek gaat het in zijn liedjes niet. Wannes heeft veel meer te vertellen. Schitterend artiest, zonder meer, en een toffe gast.
De taal waarin Wannes zingt varieert maximaal honderd meter van de taal waarin ik overdag spreek. En toch ben ik daar niet onverdeeld gelukkig om. Waarom niet in de standaardtaal zingen? Wannes werkt momenteel een succesrijke theatertournee in Nederland af. Daar ben ik veel blijer om. Maar tegelijk maakt het me een klein beetje bang. Als het maar niet komt omdat ze hem niet begrijpen. Zijn taaltje zo koddig vinden. Zijn uitspraak zo exotisch. Zijn présence zo stuntelig. Wat zijn ze toch sympathiek, die zingende Vlamingen.
Ik weet het wel: 'Blanche en zijn peird' of 'Cowboy en indiaan' in het Algemeen Nederlands, dat lukt niet. Maar Vermanderes 'Kasteel van schelpjes en zand' en Cappelles 'Keuning van de jacht': het zijn verpletterend mooie liedjes die perfect in het Nederlands hadden gekund. Hetzelfde gevoel, hetzelfde effect en evenveel nostalgie nastreven in een taal die ze ook aan de andere kant van de Schelde, de Maas of het Albertkanaal begrijpen... Of de Moerdijk. Toch maar eens proberen?

Toen ik jaren geleden voor het eerst Flip Kowlier hoorde, verwarde ik hem met de Zuid-Afrikaanse Johannes Kerkorrel. De klanken klonken vertrouwd, maar ik begreep de woorden niet. Ook in Izegem spreken ze Wevelgems, maar ik moet de woorden eerst eens kunnen lezen vooraleer ik snap waarover Kowlier zingt. Klaas Delrue komt ook uit de streek, een gemeente verder dan Lauwe... Zijn Yevgueni mag dan lichtvoetiger liedjes zingen, ik begrijp perfect waarover hij het heeft. Zonder handleiding. Makkelijk toch?



zaterdag 5 november 2011

Mijn Boekenbeurs

De Boekenbeurs bezoeken en Zurenborg zien… Ook voor mij is de herfst begonnen. Laat de bladeren maar vallen nu.

De 75ste Boekenbeurs van Vlaanderen is bezig. Auteur Walter Van den Broeck (één van de zeldzame Vlaamse auteurs die ik al sinds mijn twintigste 'volg') bazuinde rond dat hij er al 44 keer op rij naartoe is geweest. Ik ging ook even aan het tellen en kwam tot de slotsom dat ik er zeker ook al zo'n twintig jaar trouw bezoeker ben, waarvan de laatste vijftien jaar onafgebroken.

Begin de jaren ‘80 ging ik er naartoe als bevlogen leraar Nederlands, in de overtuiging dat ik een betere lesgever zou zijn als ik de boeken in mijn handen en de schrijvers ervan in mijn hoofd zou hebben. Vanaf de jaren ‘90 ging ik er naartoe als bibliotheekmedewerker: hoe kan je bibliotheekwerk ernstig nemen als je niet weet welke boeken er zoal op de markt zijn? In 2001 was ik er voor het eerst als auteur - apetrots natuurlijk! De hel in New York was verschenen en ik mocht plaatsnemen aan de signeertafel van de prestigieuze uitgeverij Davidsfonds/Infodok. Met groot succes overigens: zes weken voorheen vloog Osama Bin Laden met twee vliegtuigen door de WTC-torens. De titel van mijn boek stond als dikke kop op de cover van Het Laatste Nieuws. Sinds de jaren 2000 heb ik dus een drievoudige interesse voor de Boekenbeurs en ik ging er in dat decennium dan ook elk jaar in veelvoud naar toe. Om de beurs te bezoeken, om te signeren, om bibliotheekbezoekers te begeleiden. Twee keer mocht ik zelfs achter een tafeltje plaatsnemen in één van de lezingenzalen van de beurs. Ianca Fleerackers legde me op de rooster over het thema pesten in Valsspeler en uitgeverij De Eenhoorn vroeg me om de reeks ‘Lekker Lezen’ voor te stellen aan leerkrachten middelbaar onderwijs. Allemaal heel leuke dingen voor deze mens.

Ondertussen zijn we in de jaren '10. Ik ga nog steeds naar de beurs, al heeft die ook voor mij wat van haar glans verloren. Het bezoek werd een routineus, zoniet verplicht, jaarlijks cultureel uitstapje. Een beleefdheidsbezoekje aan de stand van mijn uitgeverij (die was helemaal nieuw en heel mooi overigens dit jaar), een snelle rondgang tussen boeken die veelal geen geheimen meer hebben (om uiteindelijk toch weer betoverd te raken door de 'houten stand' van uitgeverij De Geus – waw!!!), een promotioneel signeermoment, een korte en meestal aangename babbel met collega-jeugdauteurs. En een heel leuk onderhoudend uitstapje met een goede vriendin.

Zo geschiedde het ook tijdens de vooropening op zondag 30 oktober. Moe en afgepeigerd toog ik mee naar de openingsavond: een uit de hand gelopen vriendendienst resulteerde in een afmattend benefietconcert dat me al had geradbraakt nog voor het boekslenteren begon. Het parkeerprobleem nabij Antwerp Expo losten we elegant op: we waren vrij vroeg en vonden een plaatsje in één van de rustige zijwegen van de Van Rijswijcklaan. Het was zondag, dan komt de wijkagent de bewonerskaarten niet controleren, wisten we. We hadden tijd voor een boekenbeursborrel in de oergezellige cafétaria naast ingang 1. Omdat het wachten op een drankje elk jaar in tijd weer uit de hand loopt, verzon de directie van het café een origineel en sfeerscheppend nieuw systeem dat begon met een poëtisch vers als handleiding op de tafel en eindigde met aanschuiven om een drankje aan de bar.
Eenmaal binnen viel het me weer op dat mijn boekenbeurspartner en ik dezelfde neus voor goede boeken hebben: uit het overweldigende aanbod haalt ze zo de leuke en ongekende titels en ze schrijft die nauwgezet in een notaboekje – stikjaloers ben ik op dat schriftje! Of ik ook enkele titels mocht aangeven? Net als ik heeft ze een gezonde aversie voor bekende Vlamingen: nu en dan loodste ze me handig om een kampioen, een samson, een draulans, een minister-op-rust of een televisiekok heen. Wat ze ook met me deelt: een gezonde interesse voor boeiende Vlamingen. Ze kreeg Peter Vandermeersch in de gaten (en hij haar, zo bleek), Walter van den Broeck zag ze zelfs eerder dan ik (niettegenstaande ik hem al mijn hele leven volg). Het is verder altijd leuk om Tine Mortier te ontmoeten en Hilde Vandermeeren weer eens terug te zien. Maar pas op, daar is alweer iemand uit ‘Thuis’!
We slenterden er onze hele tijd rond, Caroline en ik. Moe en voldaan reden we huiswaarts. Met een schriftje vol titels van boeken die we de komende maanden gaan lezen.

Na de openingsavond ging ik nog een keer on my own terug naar de Boekenbeurs. Best leuk geweest. Een signeersessie met aangename buren (wat kan Caryl Strzelecki mooi tekenen en wat is De kleuren van het getto een wonderschoon boek!) en een hartelijke ontvangst door Nele en de collega’s van de uitgeverij. Een lezing in de Gele Zaal met als veelbelovende titel ‘Jeugdliteratuur bestaat niet’. De lezing was evenwel geannuleerd, wat me doet besluiten dat jeugdliteratuur wel degelijk bestaat. Het is een hele geruststelling. En verder nog even rondslenteren in de beursgangen en kuieren in de stands, onderwijl veel handjes schuddend en schouderklopjes gevend en ontvangend. Dag Do! (‘ik zag een lange rij aanschuiven…!’). Dag Katrien (‘mooie uitgave hoor over die IJslandvaarders!’). Dag Kristien (‘je zoon staat in de Standaard der Letteren!’). Dag Dirk (‘tot in Menen en Ieper weer?’). Even geërgerd grijnzen naar die vreselijke rat en opkomende irritatie inslikken bij de Eftelingkabouters en -prinsen. Een niet-onaardige kennismaking met een nieuw verschijnsel: na de televisiekok is er nu ook de boekenbeurszanger. Hij heet Stash, dat valt dus nog mee! Darwin op de Boekenbeurs: eerst waren er schrijvers die signeerden, daarna koks die kookten, nu zangers die zingen. Ook Darwin: Goedele is minder mooi dan ik dacht – of dan ze was? En heel leuk: de boekendokters in de stand van Cobra. Moet ik echt ook eens proberen!
Stilaan afrondend kocht ik aan een heel mooie stand een heel leuk notaboekje om titels van nog te lezen boeken in te noteren: ik droomde al vier dagen van zo’n schriftje. Tot slot ging ik even checken of alles in orde was in zaal 1. Ja hoor, Paul D’hoore zat plichtbewust en met bezwete oksels zijn beleggingsboeken te signeren. Oef, ik kon met een gerust gevoel vertrekken.


Eindelijk kon ik op weg naar het hoogtepunt van mijn jaarlijkse Boekenbeurs. De tram tot station Berchem en dan de Cogels Osylei in. Ik nam de tijd tot een volgende trein om me te vergapen aan de schoonheid van de torentjes, opschriften, versieringen, gevels en huizen van de Antwerpse Art Nouveau. Het is de mooiste straat van ’t Stad en voor één keer is Antwerpen geheel Vlaanderen. Niet te geloven dat elk jaar zoveel mensen dwalen in de boekenbeursgangen zonder deze omweg naar Zurenborg te maken.

Het is allemaal de schuld van Piet Huysentruyt.


Cafetariapoëzie

zet met het potlood een kruisje in het vakje naast de keuze van uw gerecht
geef de ingevulde menukaart aan de kassa en betaal
haal uw dranken af aan de bar en ga terug naar uw tafel
hou de numerieke display boven de bar nauwlettend in het oog
wanneer uw ticketnummer daarop verschijnt begeef u dan met uw plateau en
ticket naar de uithaalpost naast de kassa om uw bestelling af te halen
bedankt voor uw participatie en we wensen u smakelijk eten

Antwerpen, Boekenbeurs 2011