Pagina's

zaterdag 21 maart 2020

De rijping van het verlangen

De titel van deze blogpost is wat collega-auteur Katrien Vervaele schreef toen ik gisteren op mijn Facebookpagina aankondigde dat de voorstelling van Zand is uitgesteld. Die was gepland voor zaterdag 18 april in de bibliotheek van Wevelgem. Alles was geregeld: dichter-schrijver Paul Rigolle heeft zijn spitante inleiding klaar, de recensie van Jooris Van Hulle staat klaar voor publicatie in MappaLibri, de schepen zal zijn welkomstwoordje voorbereiden en de gemeentelijke hostesses hebben de wijn al koel gezet. Theo Van Rijn en Alexander Roessen van uitgeverij LetterRijn waren klaar voor de reis met een koffer vol boeken vanuit de Randstad naar de uithoek van het Nederlandse taalgebied.
Al het bovenstaande gaat niet door en dat is heel jammer maar absoluut niet erg in de context van de wereldwijde coronacrisis. Ik citeer graag uitgever Theo Van Rijn: 'Het is helaas niet anders. Persoonlijk laat ik het maar over me heen komen in de wetenschap dat ik er niets aan kan veranderen.'

Zand is net als IJs een roman die je best leest tijdens een spannende zomer. Laat ons hopen dat iedereen die dat wenst het boek straks kan meenemen op reis, ook al leidt die dit jaar niet naar de andere kant van de wereld maar enkel naar de zonnigste kant van de tuin (maar dankzij het boek ook naar het mooie eiland Schiermonnikoog!) Laat het nu al een mooi vooruitzicht zijn en noteer Zand alvast op je zomerleeslijstje. Als je er nu al naar uitziet, wordt het leesgenot binnenkort alleen maar groter. De rijping van het verlangen!

Ik wil dat verlangen in deze donkere dagen graag nog een beetje voeden. De online leesclub 'Perfecte Buren' deed een oproep naar auteurs om een klein stukje voor te lezen uit een boek en daar ging ik graag op in. Het fragmentje mocht maximaal een minuutje duren - dat is echt niet lang. Maar ik vond een passende passage en las die in in mijn smartphonestudio. Dat momentje zal binnenkort 'ergens' te beluisteren zijn, ik hou je op de hoogte!

Ik dacht na of ik nog net iets meer kon doen om het coronaleed te verzachten. Zand is het zelfstandig leesbare vervolg op IJs. Wie de roman uit 2016 nog niet las, kan dit alsnog doen, het zal het Zand-plezier groter maken. Helaas (en gelukkig) zijn boekhandels en bibliotheken nu ook dicht, maar misschien kunnen ruilkastjes en burenafspraken helpen? Je kan het boek ook bestellen via de uitgeverij (het zijn de laatste exemplaren) en het boek is ook als e-book verkrijgbaar (hier bijvoorbeeld).

Ook hier en nu wil ik graag wat meer Zand onthullen in de hoop de verplichte thuisdagen een klein beetje op te vrolijken. Ik ging er even voor zitten en las het begin van het eerste hoofdstuk (de spannende proloog sla ik even over, die is op dit moment net wat te spoilerachtig en ik moet het verlangen rijpen ;-) )
Na het voorleesfragment kun je nog even naar Hessel, de Bruce Springsteen van het eiland Terschelling, luisteren. Hij figureerde al in Gek van een eiland en in IJs en in Zand piept hij ook weer even. Samen met zijn dochter Tess had de zanger en café-uitbater op 14 maart een uniek concert gepland voor een bomvol Rotterdam Ahoy, maar ook dat feestje ging niet door. In het lied hieronder zingt hij een nummer dat helemaal past bij Zand, maar verwoordt hij ook wat we deze zomer allemaal weer hopen te doen. En tot slot post ik nog een filmpje over Schiermonnikoog. Om even weg te dromen en te verlangen naar het wondermooie eiland en naar Zand.
Enjoy en hou het gezond.

Luister naar het begin van Zand:
https://youtu.be/SzMIF_pnR_k

Lijflied van Zand en van dit voorjaar:
https://www.youtube.com/watch?v=ojNqqQfH3Dk

Zo mooi is Schiermonnikoog, het decor van Zand:
https://www.youtube.com/watch?v=PwtbXzZMPhs

Nog meer?
Hessel en Tess moesten het lang aangekondigde megaconcert op 14 maart 2020 in Rotterdam Ahoy afblazen. Ter vervanging gaven ze op vrijdag 20 maart een geïmproviseerd online kampvuurconcert op Terschelling.
Als je luistert .... ga meteen naar minuut 3, want pas dan is er muziek en wordt de geluidskwaliteit beter. En geniet je van een vol uur muziek rond het kampvuur op een eiland!
https://www.youtube.com/watch?v=iAYCCPbeXk8&t=29 2s

Lees meer over het boek en over de muziek in het boek.

Boek bestellen?
Vanaf april kan je het boek bestellen bij de uitgeverij (hier) en bij alle (online) boekhandels (bijvoorbeeld deze).
Bij het begin van de zomer komt er een publieksmoment en/of signeersessie.



zondag 15 maart 2020

Held in tijden van corona

Het is Jeugdboekenmaand en in deze periode gaan schrijvers en illustratoren de boer op (de bibliotheken en scholen in) om te vertellen over hun verhalen, hun tekeningen, hun passie en hun inspiratie. In het tweede deel van de maand had ik er nog een zestal in mijn agenda staan, maar die werden donderdag de ene na de andere afgeblazen. Ik wachtte al sinds dinsdag op de berichtjes en het was goed dat ze er kwamen. Zo belangrijk zijn die auteurslezingen nu ook weer niet als het er echt toe doet. Met het graag verdiende subsidiegeld kan ik me hoogstens een extra-vliegtuigticket naar Rome permitteren. Al ben ik in deze erg solidair met collega’s voor wie schrijven net iets levensbelangrijkers is dan voor mij. Ik weet ondertussen dat je van boeken schrijven niet rijk wordt en dat lezingen een welkome inkomstenbron kunnen zijn. Vergeet de broodschrijvers niet als je straks compensaties voor kunstenaars, artiesten en gezelschappen aankondigt, beste ministers.

Voor vrijdagmorgen 13 maart stonden twee lezingen in een nabije basisschool in mijn agenda. Ik polste voor alle zekerheid bij de schooldirectie of die wel zouden doorgaan, met de mededeling dat ze zeker niet voor mij moesten nalaten om die te annuleren. ‘Er werd al zoveel tofs afgelast voor onze zesdeklassers (fluofuif, een daguitstap naar Roeselare, bosklas) dat we hen jouw bezoek zeker niet willen ontnemen. Dus... je bent hartelijk welkom morgen op onze school!! We kijken er naar uit!’ antwoordde de directrice. Ik had meteen met haar, met haar leerkrachten en met haar leerlingen te doen. Al die mooie dingen die nu van de agenda verdwijnen. ’s Morgens snelde ik naar de school met in mijn hoofd het idee om er de beste lezingen ooit te geven - een klein beetje vreugde voor de leerlingen (soms ben ik ontzettend week). Het waren fantastische leerlingen en het werden heel leuke lezingen. Oké, de lezingen compenseren geen vervallen bosklas aan de voet van de Kemmelberg, maar toch.
Ook ’s middags zat corona mee aan de keukentafel. Mijn zoon, die werkt voor een warenhuis (niet de Colruyt, niet de Carrefour, niet de Aldi, niet de Albert Heijn maar het rijmt op bearnaise) sakkerde over het vreemde hamstergedrag van de klanten. Al snel hadden ook wij het over toiletpapier. En over bananen, die nu ongetwijfeld in grote hopen in Vlaamse keukens liggen te verrotten.
In de namiddag ging ik werken in de bib. ‘Werken’ was die namiddag: activiteiten annuleren, sprekers verwittigen, websiteberichten aanpassen, vergaderingen uitstellen, richtlijnen van het gemeentebestuur vertalen naar de bib, collega’s informeren, publieksloze werkuren veilig invullen. Het besef dat ook de langverwachte boekvoorstelling van mijn nieuwe roman stilaan in het gedrang komt, smaakt zuur. Maar ook dat moet dan maar. En kijk, zelfs de al even langverwachte reis naar Rome wordt een afknapper. Stilaan zoeken naar een bestemming dichterbij dan maar. Rijsel, Maastricht of Aken bijvoorbeeld. 

Er zijn lichtpuntjes. Ook in de bibliotheek wordt volop gehamsterd. Mensen organiseren zich nu alle uitstapjes en bezoekjes uit de agenda’s zijn geschrapt. Think positive! Eindelijk tijd voor een goed boek (of 10), een mooie film, een seriemarathon of een zoektocht naar nieuwe of oude muziek. Wie eraan twijfelde of bibliotheken er nog wel toe doen, werd vrijdag een serieuze hak gezet: ze leken minstens even belangrijk als toiletpapier.
En er is solidariteit. Zelfs de verzuurde ‘Je bent van’ - Facebookpagina’s staan op de rem. Neen, het is niet de fout van de burgemeester, dat corona-virus. Die veel te hete zomer, het dreigend watertekort, de vervuilde steden, de ellenlange files, de stickers op de vuilniszakken, Greta Thunberg: al dat echte of vermeende onheil werd de voorbije maanden in de schoenen van de man geschoven. Maar corona niet. Meer zelfs: op de verguisde pagina’s komen oproepen van burgers om boodschappen voor bejaarden te doen, middelbare scholieren bieden zich aan als babysitter, huisbazen halveren publiekelijk hun huurprijs voor horeca-huurders.

In de veelvoud van berichten zoek ik mijn weg niet, het is te veel. Maar er is een lichtbaken, een gids in deze woelige tijden. Al wie op zoek is naar een stem die duiding geeft in deze sombere dagen: vraag of Jeroen Olyslaegers je Facebookvriend wil worden. De schrijver is erg gul, veel kans dat hij je verzoek aanvaardt. Maar lukt het toch niet, snel dan naar de bibliotheek en leen een boek van hem (sic). Want zijn stem doet deugd en helpt. Hij was er snel bij om burgers ervan te weerhouden om hun tickets te laten terugbetalen door de al erg geteisterde organisatoren van voorstellingen en concerten. ‘Aan het publiek: wie tickets heeft gekocht, denk even na vooraleer uw geld terug te vragen. Als het écht nodig is, oké. maar als ge het u kunt veroorloven, laat het dan zo. Wees solidair met de mensen en instellingen die zich solidair en verantwoordelijk ten opzichte van uw veiligheid opstellen’ (hoofdletters van mezelf). Zijn oproep was lang voor de algemene annulering en lang voor minister-president Jambon eenzelfde oproep deed op de nationale televisie. Hij, de grote cultuurhater, stak zijn partners in crime een hart onder de riem - ik vond het chique en geloofwaardig. Jan en Jeroen zijn in het dagdagelijkse leven niet meteen elkaars beste vrienden, maar kijk: ook dat komt misschien nog goed (niet dus). Zelf vond ik het bijna jammer dat ik nog geen ticket voor de voorstelling van het plaatselijk amateurtoneel had gekocht. Het lukt me nu niet om het geld niét terug te vragen en een ticket kopen voor een geannuleerde voorstelling is nogal belachelijk.

Vrijdag was het een moment van overleg te onzes huizes. Gaan we nog een laatste pint drinken in de nabije stamkroeg? Even in De Grote Olyslaegers kijken dan maar: ‘Daarom, beste feesters: waarom vandaag nog naar een 'lockdown'-party gaan? Toch niet omdat het de allerlaatste keer is? Dat is bullshit & you know it. Binnen hopelijk afzienbare tijd zal er opnieuw gefeest kunnen worden, tot over de rand van het draaglijke zelfs, indien het moet. Maar nu nog feesten en uzelf wijs maken dat dit het onderste van de kan is, dat gij en gij alleen daar recht op hebt? Dan hebt ge het nog écht niet begrepen, zeg ik vriendelijk. LOMP is het, geen enkel ander woord deugt hier.’ Ik trok snel mijn pantoffels aan en vond het al gênant dat ik zelfs maar even had overwogen om er nog een keer stevig tegenaan te gaan.
Olyslaegers bevestigde me ook dat het echt verkeerd is om enige sympathie of een milde glimlach voor de immer handenschuddende JMDD te hebben, hij verraste met een écht grappige corona-post, laat niet na een medische gezondheidstip mee te geven en strooit met fijne boeken- en filmtips voor de lange thuisdagen.
Ook met de regering komt het alsnog goed. Bart De Wever wil een noodregering. Ik hield me in om te bedenken dat elke regering waar hij aan het hoofd zit, niet anders dan een noodregering kan zijn. Het is een uitgestoken hand die hoopvol stemt (ook al schudden we die voorlopig niet). Als Jan en Jeroen het in moeilijke tijden even met elkaar eens zijn, waarom Bart en ik niet? Uitzonderlijke omstandigheden vereisen uitzonderlijke maatregelen.
‘James!’



zaterdag 16 november 2019

De jubel in de ziel

De vraag of ik voor een jaarkalender iets columnachtigs over het thema gezondheid wou schrijven, overviel me tijdens mijn verblijf in Het Lijsternest, de schrijversresidentie in het huis van Stijn Streuvels in Ingooigem. Natuurlijk wou ik dat doen, al had ik geen idee wat ik hieromtrent kon schrijven. Het is mijn thema niet. Maar er was een deadline, dan kan je altijd schrijven.

Ik besloot mijn inspiratie te zoeken bij de man die gedurende twee weken de hele tijd naast mij op de stoel voor zijn beroemde raam zat. Stijn Streuvels dus. Ik had daar wel een bijzondere reden voor. De man werd maar liefst 98 jaar en in zijn biografie las ik nauwelijks iets over zware ziekten, gebreken of andere rariteiten – ja, zijn woordkeuze was soms een beetje speciaal.
Hoe zou Stijn Streuvels het hebben klaargespeeld om zo lang zo gezond te blijven leven? Lezend in zijn oeuvre bots je op krakkemikkige personages met kreupele benen, verminkte armen, misvormde ruggen en fletse ogen en hij beschrijft al die afwijkingen en gebrekkigheden met kennis van zaken, souplesse en inleving. Alsof hij zelf sakkerend van de helse pijnen aan zijn schrijfmachine zat. Niet dus, Stijn blaakte van gezondheid en hij ploegde altijd maar voort. 98 jaar lang waarvan meer dan 60 jaar vanuit zijn zelfgebouwde Lijsternest. 

Ik heb stilaan genoeg over hem gelezen om te weten hoe zijn dagen er zo ongeveer uitzagen. De opdracht lijkt ineens poepsimpel: als ik precies doe wat hij deed, word ik met de vingers in de neus ook 98 jaar en gezien de steeds stijgende levensverwachting moet het me zelfs lukken om probleemloos de kaap van 100 te overschrijden. Gewoon doen wat hij deed.
Hoe word je Streuvels? Zijn dagen hadden een vast patroon. Hij nam de tijd voor zijn ontbijt – een goede boterham, met confituur die zijn Alida zelf had gemaakt, en verse koffie. De hele morgen was hij aan het werk in zijn moestuin en die was niet klein. Vaak ging hij ook wandelen in het landschap voor zijn raam of dretste hij met zijn fiets naar Kortrijk of de Kluisberg. Als noeneten at hij gezond Vlaams, veelal uit eigen tuin. In de namiddag trok hij zich terug in zijn werkkamer en ging hij aan zijn beroemde raam zitten, schrijvend over de landmannen die wrochten en wroetten in de vette aarde en die sukkelden op het land en met hun gezondheid. Als hij vond dat hij genoeg had geschreven, was het tijd voor het avondeten, waarna hij in zijn boeken dook. Hij las vooral Duitse en Noorse schrijvers en de gedichten van nonkel Guido.
Bovenstaande opsomming is niet hoopgevend want veel gelijkenissen zijn er niet. Ik ga elke dag werken en mijn ritme wordt bepaald door de regels van een tijdsregistratiesysteem dat me oplegt wanneer ik kan beginnen en beschikken. Een eigen moestuin heb ik niet en die wil ik eigenlijk ook niet. Het meest nabije warenhuis dan maar. Ik heb niet elke namiddag, maar alleen soms op zondag tijd om aan mijn raam te schrijven en dat ziet niet uit op een glooiende en rollende groene vlakte, maar op een grijze garagestraat en een sombere fabrieksloods waar geen mens meer wroet. 
In het fietsen zie ik wel een verband. Vergeleken met dat van de wielertoeristen die elke zondagmorgen in schreeuwerige pakjes, met gladgeschoren kuiten en op blinkende fietsen aan mijn voordeur passeren, kun je mijn fietsgedrag ook Streuveliaans dretsen noemen. Ooit was wielergod Gino Bartali te gast in het Lijsternest. ‘Ik ben blij dat ik al die boeken niet moet lezen,’ zei hij, waarop Streuvels repliceerde: ‘Ik ben blij dat ik niet over die hoge Italiaanse en Franse bergen moet fietsen.’ Dat hebben we dan wel weer gemeen, Stijn en ik. Ik fiets ook liever rond dan over de Kemmelberg (of de Tiegemberg).
Schrijven doen we allebei: ik soms een klein beetje, hij altijd heel veel. We hebben ook gemeen dat we graag en voortdurend lezen, maar ik heb geen Duitse en Noorse schrijvers op mijn leeslijstje staan. Ik vrees dat kijken naar Scandinavische misdaadreeksen niet het vereiste helende effect op mijn gezondheid zal hebben en al zeker niet als ik die wankele Wallander over het scherm zie sukkelen. Hij zou stilaan perfect passen voor de rol van boer Vermeulen als het weer eens tijd is voor een periodieke verfilming van De Vlaschaard.

Neen, ik word geen 100, vrees ik. Daarvoor ben ik net niet Streuvels genoeg. Maar ik streef na wat hij ook probeerde: me in niets geen zwarigheden maken en de jubel in de ziel voelen als ik elke morgen brede gedachten krijg als ik vanuit mijn raam de mensen kan gadeslaan in hun doen.
98 is ook al goed.

Meer info over de kalender.



zaterdag 3 augustus 2019

Achterop de fiets

Deze zomer planden we weer eens een rondje Nederland en schrijver Jan Wolkers was hierbij onze gedegen gids.

Het begon in Haarlem – heel fijne stad en wat zijn die hofjes charmant. De hele binnenstad is er autovrij en dat lukt wonderwel (ineens snapte ik niet dat het in pakweg Gent en Brugge zo moeilijk lijkt om auto’s uit de stad te weren). En of er gefietst wordt! Van op ons terras aan het stationsplein zagen we één lange file fietsers in de meest verscheiden vormen en genres voorbijrijden. Een lust voor het oog. Dat waren ook de vele vrouwen en meisjes die in amazonezit achterop de fiets van hun vriend zaten en vrolijk en vrij over de klinkers peddelden. Het mag vast niet meer bij ons. Dat regeltje schrappen we dan wat mij betreft zo snel mogelijk uit het wetboek.
De Hollandse meisjes achterop de fiets deden me prompt aan de iconische fietsscène in Turks Fruit denken. Zo schreden Rutger Hauer en Monique van de Ven door Amsterdam, even onbekommerd en vrolijk als het begeleidende deuntje van Toots. Onderwijl scharrelde lefgozer Erik een ijsje uit de handen van een brave man terwijl hij zijn Olga – dat mistige rooie beest – slingerend, uitdagend en onveilig door de stad voerde. Zo fiets je dus in Holland – toen en nu nog.
Mijn gemijmer won aan kracht toen we in de Kruisweg een zaak opmerkten met de naam Turks Fruit – wat ze er verkochten, kon ik afleiden uit de pittige kruidengeur die even verder de straat binnen waaide.

Die doordringende kruidengeur liet ons niet los toen we een dagje naar Amsterdam gingen. Het was een slecht idee vanwege veel te warm, maar ik wilde de grachtengordel nog eens zien, ik wilde as a hippie in het Vondelpark wandelen, op de Dam staan, slenteren door de Jordaan, flaneren op het Museumplein en op het Spui een blik wisselen met het Amsterdamse Lieverdje. En uiteraard: boekhandel Athenaeum binnengaan en snuffelen tussen véél en ándere boeken. Ik deed het allemaal, de verstikkende zon en de bijzondere kruidengeur nam ik er graag bij. 
En toen, in de Kalverstraat, sijpelde het bericht binnen. ‘Acteur Rutger Hauer is op 75-jarige leeftijd overleden’. Het kon niet anders of dit zou een schok geven in hartje Amsterdam. Ik keek naar de mensen om me heen, maar niemand gaf een krimp. Ook de meisjes bleven gewoon achterop de fiets zitten, geen één die haar man als stil eerbetoon wat steviger vastnam. In de boekhandel ging ik op zoek: in een verloren hoek vond ik de 576ste herdruk van Turks Fruit. Het leven ging voort. In een bericht in De Telegraaf vertelde actrice Willeke van Ammelrooy dat zij Hauers eerste grote liefde was. ‘Toen ik achterop de fiets zat bij Hauer sloegen de vonken over.’ Zekerheden.

Na Haarlem en Amsterdam reisden we naar Texel, het eiland van Turks Fruit’s Jan Wolkers. Wolkers kwam er in 1980 samen met zijn muze en echtgenote Karina wonen en schrijven en overleed er in zijn slaap op 19 oktober 2007. In 1971 verbleven hij en Godfried Bomans om beurt drie weken op het onbewoonde eiland Rottummerplaat. Bomans werd er gek en vluchtte weer naar de stad, Wolkers was gek van de Wadden en ruilde Amsterdam voor Texel. Hij ging er wonen in een bungalow aan de rand van de bossen op de Rozendijk. Hij genoot er van het uitzicht op het Texelse Oude Land en dat heerlijke witte kerkje met zijn schuine toren. Wij verbleven in het stille Den Hoorn in een omgebouwde schapenboet in de Hoge Achterom en genoten er ’s avonds op ons terras, het mooiste van het eiland, van hetzelfde oude land en witte kerkje en van de zon die ‘bloedrood onderging in een orgie van kitschwolkjes’, lezend in Kamer in Oostende en dromend van Hollandse meisjes achterop de fiets. Toen en nu nog altijd.
We huurden een fiets om over de Eierlandse duinen te fietsen, want ‘daar is de zee groen en geel en roze. Een voorwereldlijk angsttafereel’, schreef Wolkers. Ik stelde voor om slechts één fiets te huren, maar dat kon niet. De fietsverhuurder was kordaat: ‘niet met de fiets op het strand en slechts één persoon per fiets’.
Ongehinderd penetrante kruidengeuren verspreiden mag, maar je vrouw achterop de fiets: dat dan weer niet.

https://www.youtube.com/watch?v=BF5-qHKGtWY


donderdag 31 januari 2019

Iemand moet het doen


‘Ga je nu ook gedichten schrijven,’ vroeg een vriend toen ik hem vertelde dat ik eind januari een week mocht resideren in ‘Het Huis van de Dichter’ in Watou. ‘Natuurlijk ga ik geen gedichten schrijven, zei ik, ‘daarvoor moet je toch een dichter zijn?’
Ondertussen schreef ik fictie voor kinderen, voor jongeren en voor volwassenen, biografische teksten en essays over West-Vlaamse schrijvers, twee toneelteksten en allerlei gelegenheidswerk, maar van gedichten blijf ik af. Daarvoor mag je veel te weinig woorden gebruiken en dus laat ik het over aan specialisten ter zake.

Gwij Mandelinck is zo’n specialist ter zake en in zijn huis mag ik met de goedkeuring van Passa Porta (en van de nieuwe eigenaars natuurlijk, want dit is een prima vakantiewoning geworden) een weekje verblijven. De naam van het huis moet ik erbij nemen en ik maak me er niet druk om: ik schrijf proza, basta.
Maandag ging ik bij aankomst op het Watouplein met lichte schroom voorbij het silhouet van Hugo Claus in de richting van mijn tijdelijke verblijfplaats en liet met dezelfde schroom de bel van het huis rinkelen. Ik wist wel dat Gwij zelve al lang niet meer in zijn huis woonde, maar toch. Je wist maar nooit. Maar een ongelooflijke rust maakte zich van me meester toen de nerveuze huisbewaarster de deur opende. ‘U bent de schrijver?’
Die was ik en ik liet me vervolgens de geheimen van het huis tonen, zoals daar zijn: hoe werkt de microgolfoven, waar zijn de tellers van het gas en het water, hoe werkt de thermostaat, waar hangen de sleutels en waar zijn de badkamers? Ik luisterde met een half oor (wat in mijn geval nogal precair is, want met mijn rechteroor hoor ik zo al niet veel) en toen ze ineens vroeg of er nog vragen waren, vroeg ik alleen naar de wifi. Ik kon haar toch niet vragen wie op de foto in de gang de derde man was op de bank achter dewelke Gwij Mandelinck trots poseerde. Claus en De Coninck had ik en passant meteen herkend, Kopland moest ik even verifiëren als de vriendelijke mevrouw de deur achter zich had dichtgetrokken.
Na een snelle verkenning van het huis wandelde ik naar het dorp. Tot mijn groot jolijt hadden de twee bakkers er onlangs de brui aan gegeven, waren de supermarkt en de slager dicht, evenals de friture, en gaven de vermaarde gastronomische topzaken rond het befaamde plein niet thuis. Ik voelde me een feestelijk verliezer, om het te zeggen met de woorden van Luuk Gruwez die naast me op de muur waren geplakt. En dus was er alleen nog koffie uit het apparaat waarvan de vriendelijke huisbewaarster me de werking had uitgelegd.

Wat ik hier schrijf, hou ik zoals het een schrijver betaamt, geheim. Het liedje dat je hieronder kan beluisteren, vertelt niets over de aard van het verhaal-in-wording, hoogstens is er een heel kleine vingerwijzing waarvoor je wel erg ingewijd moet zijn om die te vatten. Luister anders gewoon naar het mooie lied van de zwaar onderschatte Hans Mortelmans. En misschien ontdek je in latere tijden het verband tussen een boek en een lied.

Ik vraag me af of Gwij Mandelinck geïnteresseerd is naar wie in zijn schrijvershuis resideert. Mij kent hij uiteraard niet zoals hij er absoluut ook geen weet van heeft dat hij mij ooit mee binnenloodste in de wondere wereld van de bibliotheken. Toen ik in het jaar 1985 de ‘Leergangen tot het bekomen van de Akte van Bekwaamheid tot het houden van een door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde Openbare Bibliotheek’ volgde, kregen we les van ene Guido Haerynck, bibliothecaris in Poperinge en dichter in Watou (maar dat laatste was een goed bewaard geheim). Ik vermoed dat hij het vak ‘Beschikbaarstelling en inlichtingenwerk’ doceerde. Weinig poëzie in de cursus, daarvoor was de naam van de opleiding veel te lang. Ik heb het altijd eigenaardig gevonden dat ik in de jaren die volgden, toen ik vaak bijscholingen, studiedagen en cursussen moest volgen en veel collega’s ontmoette, nooit meer Guido Haerynck op mijn pad trof. Dat hij professioneel bibliothecaris was, leek ineens ook een goed bewaard geheim.

Maar omwille van zijn vak, zijn huis, zijn zomers en zijn gedichten kreeg ik een bijzondere waardering voor de man. Ik liet hem figureren in mijn historische jeugdroman Ketters van de Kemmelberg, maar dat zal voor hem misschien ook een goed bewaard geheim blijven.
Op pagina 182 verwondert het hoofdpersonage Walram zich over het vreemde gedrag van een bendegenoot als hij in de omgeving van Watou in de bittere kou bang en paniekerig uit de klauwen van de Spaanse inquisitie hoopt te blijven. ‘Zeg Mandelinck, is dit nu wel het goede moment om met mooie verzen voor de dag te komen?’ De man kijkt hem alleen even aan en zegt dan: ‘Och, ik was alleen geïnspireerd door deze lege plek’. De bendegenoten worden niet vrolijk van zijn vreemde verzen. ‘Komaan, we kunnen hier niet blijven, op die lege plek van jou. Het is tijd om opzij te kijken. De verte is nabijer dan ze ooit was!’ Ik geef toe, het was ver gezocht die spielerei met titels van voorbije poëziezomers. Maar ik vond dat vluchtende ketters en wild om zich heen schoppende geuzen ook toen al niet zomaar door Watou konden lopen.

En dan slaat het vlakbij op de kerktoren met ingezakte spits ineens tien uur, het is aardedonker en muisstil in mijn tijdelijk ballingshuis en de paniek slaat toe. Morgen is het Gedichtendag en net nu verblijf ik in het poëziecentrum van de (Vlaamse) wereld in het ‘Huis van de dichter’. Ik voel me dichter van dienst en op mij rust ineens een verpletterende verantwoordelijkheid. Dit kan ik niet zomaar aan mij laten voorbijgaan, maar woorden schieten me te kort.
Door helse schrik bevangen ga ik bladeren in de monografie over Gwij Mandelinck die in 1989 verscheen in de reeks van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (good old VWS!). ‘Mandelinck vestigt zich in 1979 definitief te Watou in de oude kapelaanswoning, een doodstil huis, het laatste van het dorp, vlakbij de Frans-Belgische grens,’ staat er.
Ik heb het boekje en zijn biografie als een bezetene maar met bijzondere aandacht gelezen. Binnenin staan enkele foto’s. ‘In de stilte van de ex-pastorie van Watou,’ luidt het onderschrift. Ik kijk naast me: daar is die foto gemaakt, Mandelinck zit op de plaats en in de zetel waar ik me de voorbije dagen tussen het schrijven (en het wandelen) door onderdompelde in Bart Van Loo’s fantastische Bourgondiërs (ik zou boos op hem moeten zijn, zijn boek hield me veel te lang van mijn schrijftafel. Maar de zetel zat makkelijker dan de harde stoel).

Om de paniek van Gedichtendag met een goed gevoel te bezweren, geef ik Gwij Mandelinck het laatste woord. Hij vertelde aan Rudolf van de Perre waarom hij vooral is aangegrepen door de fascinatie van de stilte in de Westhoek:

‘Ik denk dat de stilte die men hier aantreft het leven ontbloot en de taal aankleedt. Hier kan ik bijna een cultuur van de stilte creëren. Je kan bijvoorbeeld de akoestiek van de vlakte uitmeten, die soms scherper is dan de gaafste akoestiek in een schouwburg. Hier hoor je werkelijk een vogel vliegen, en als je hem hoort, dan zie je hem ook veel scherper. Ik denk dat mijn verlangen naar stilte geïnspireerd is door mijn verlangen naar visualiteit.

Dichters hebben altijd gelijk.

https://www.youtube.com/watch?v=3uekfCtkC8Q


zaterdag 10 november 2018

Reveil voor een overleden dichter

Op 1 november bracht Moorsele hulde aan overleden geliefden tijdens Reveil. Ik had een vage maar zachte herinnering aan dichter Hedwig Verlinde.

Hedwig,

We hebben elkaar nauwelijks gesproken en je hebt het mij dus nooit verteld. Hoe de mensen in Moorsele over je dachten, over je spraken. Of ze je onbegrijpend of bewonderend nakeken. Of ze je kenden of negeerden. Was je de schoonzoon van de burgemeester? Werkte je in een glasbedrijf? Was je de vader van Kaïn, Soetkin en Han? Speelde je een beetje raar toneel? Was je de echtgenoot van Treeske? Of was je de dichter – en ik hou mijn lippen stijf op elkaar om er het woord charlatan niet aan toe te voegen.
Ik heb het voordeel dat ik je in de omgekeerde volgorde leerde kennen. Eerst de dichter, dan de man. Toen ik leraar Nederlands werd, volgde een periode waarin ik veel poëzie las en in die grote stroom van verzen vielen jouw gedichten mij op. Ik had er toen geen flauw idee van dat jij in dezelfde gemeente woonde als ik - nou ja, buurgemeente dan toch. Veel van je gedichten las ik vaak opnieuw. ‘Bij een foto van oma’ bijvoorbeeld vond ik een bijzonder mooi gedicht, ik hield ook erg van mijn oma. Of ‘Rendez-vous’: dat gebruikte ik zelfs als kerngedicht in een lessenreeks rond communicatie. ‘Bij de geboorte van Soetkin’ is een pareltje, ik kende het  toen uit het hoofd. Ik vond het fascinerend hoe je de geboorte van je dochter tegen de horizon van het universum hield. Ik zal maar toegeven: in mijn jeugdig enthousiasme dacht ik wel eens: zo moeilijk is dat toch niet, negen simpele regeltjes. Ondertussen ben ik vijfendertig jaar ouder en nauwelijks een regel opgeschoten.

“Dat is van mijn vader,” zei Han toen ik in het Sint-Pauluscollege van Moorsele met ‘Rendez-vous’ op de proppen kwam. “En Soetkin is mijn zus”. Ze zat enkele banken achter hem in de klas. Ik was helemaal van mijn melk. In een flits wist ik: Hedwig Verlinde is naast dichter ook een man en een vader. De panoramische uitkijk en de macrokosmos uit zijn gedichten zijn niets meer dan het zicht door zijn raam over de akkers en het vliegveld van Moorsele. Sinds dat moment kijk ik anders naar dichters, naar schrijvers en naar charlatans.

Hedwig,
Ik weet niet hoe mensen in Moorsele zich jou nu herinneren. Dichters en schrijvers leven na hun dood verder in de boeken die ze hebben geschreven, zegt men. Wat mij betreft kun je gerust zijn: al jouw bundels staan in mijn boekenkast. Sommige heb je voor mij gesigneerd en ik ben er heel blij om. En soms, vaker dan je vermoedt, lees ik dit zacht gedicht van jou opnieuw. Kijk, ook nu weer. Rust jij ondertussen voor altijd heel zacht, Hedwig.

Nooit. Nooit rafelen wolken zachter
op de vensters uiteen, noch buigt
de wind het gras
alsof hij erin wegduikt, ver, ver
weg met mijn gevoelens.

Niets. Niets aan gewicht reik ik
dan wat verdicht is
en verder niet gezegd kan zijn.

Nooit. Nooit
tussen de melkfles en het blik tonijn
rolden mijn handen blanker, leger
uit hun polsgewricht.

Niets. Niets zeggen de jouwe
maar ze gaan er in liggen, zachter en warmer
dan ik ooit in jou
en zachter
dan zacht ooit gezegd kan zijn.

‘Zacht gedicht’ komt uit de bundel De sprong van de eland (1974) van Hedwig Verlinde



zaterdag 21 april 2018

Keaukeaubelli

Voor het wereldfestival Kokopelli schreef ik naar aanleiding van wereldwaterdag een verhaal over water dat tegen de stroom oproeit en de wijde zee opzoekt. 

Het water wentelde zich nog eens in de rimpels van de rivier. Hoe anders leek het ineens. Vroeger, niet eens zo heel lang geleden, was het puur verwennerij als het water zijn armen even uitstrekte, de rivier lang bleef knuffelen en genoot van de blinkende karpers en gladde palingen tegen zijn randen en de springende visjes en zoemende insecten boven zijn oppervlak. Ineens leek alles zoveel zwaarder in zijn eens zo zoete meander in de luwte van de brede rivier. De visjes waren er nog, maar zwommen in stilte in het water, dat zich steeds donkerder zag worden. De karpers blonken nog wel, maar lagen vooral lui en saai in hun eigen dikheid onder hem. De schuld van de toeristen en de oma’s en opa’s en hun uitgelaten kleinkinderen, wist het water. Ze bleven maar brokken brood, stukken koek en weke wafels in de rivier werpen. Het water zag vaak geen steek meer voor zich uit door de papperige deegwaren in zich. Het leek op de mist die vroeger boven hem hing, maar dan in een vuile en vieze versie. En dan had het water het nog niet over de zwevende plastic zakjes en de roestende blikjes op de bodem die hem dagelijks kopzorgen baarden.
Steeds meer vroeg het water zich af wat het bond aan deze doodlopende bocht van de rivier. Niet alleen de rivier, maar ook hetzelf kwam hier tot stilstand. Water moet vloeien, leerde het vroeger op school. Maar enkele jaren later verkommerde het zielloos in deze sombere uithoek van de wereld. Hoe bekrompen was zijn leven geworden! In deze verstomde rivierbocht voelde het water zich niet langer als een vis in zichzelf. Het voelde zich gevangen in de meander, alsof het helemaal op zichzelf en brood zat.
Was het niet de hoogste tijd om de wereld te verkennen? Het water voelde steeds meer de drang om de wijde zee op te zoeken. Het waagde zich wel eens naar de rand van zijn meander en maakte een praatje met voorbijkomend water in de stroming van de rivier. Zij lieten het verhalen horen van hoe wijd de zee en hoe diep de oceanen wel waren. Hoe mooier de vissen en hoe kleurrijker de planten. Verhalen over felgekleurde koraalvissen en sierlijke zeeanemonen. Het water kon zich nauwelijks voorstellen dat het even goed in de diepte van de Noordzee of, stel je voor, van de Stille Oceaan had kunnen terechtgekomen zijn. En diep in zich koesterde het de droom om ten minste één keer in zijn leven naar het Groot Barrièrerif te kunnen vloeien.
En dan keek het water weer hoe troebel het zelf was geworden. Neen, het was genoeg geweest.

Net voor de zomer en de jaarlijkse intocht van toeristisch geweld eraan kwam, waagde het water de duik. Het wou niet nog eens de schreeuwende mensen en de dreunende muziek aan de rand en de invasie van blikjes, papier en andere rommel ondergaan. Bovendien zou het in zee minder koud zijn nu waardoor de aanpassing niet zo drastisch zou zijn. In de meander was het nauwelijks twee meter diep, maar in zee zou het tot vele tientallen meters diep worden. Er werd wel wat aanpassingsvermogen van het water verwacht. Maar dit was het uitgelezen moment voor zijn emigratie naar zee.
Het water voelde zich vederlicht toen het zich aan de vertrouwde bocht liet meevoeren met de snel stromende rivier. Het had zich goed voorbereid. Niets hoefde het te doen, alleen maar vloeien en een beetje uitkijken dat het niet te vaak aanbotste tegen steigers en houtbalken die de schepen op zijn oppervlak veilig naar de havens en de loskaaien moesten leiden. In de drukke steden probeerde het water snel te stromen, wat niet meeviel want op veel plaatsen was geprobeerd om het water tot stilstand te brengen en aan de rand stukjes strand na te bootsen. Maar het water was niet meer tevreden met nepstranden. Het wou zo snel als mogelijk naar de zee, hoe verleidelijk het wel eens was om zich te nestelen in de brede rivier die nooit leek te eindigen.
Na enkele dagen vloeien maakte het water kennis met de schaduwzijde van de grote waterwereld. De rivier was ineens zo breed geworden dat het water even in paniek raakte. Dreef het nog wel in de goede richting? Even was het ter plaatse blijven trappen en liet het zich naar boven voeren. Het piepte even boven het oppervlak en zag schepen zo hoog als kerktorens en zo lang als de meander van zijn jeugd. Maar dan moest het snel weer naar beneden, want toeterend kwam zo’n reuzenschip zijn kant op. In zijn paniek botste het tegen ander water aan dat terstond begon te schelden.
‘Doe nu eens normaal, drek. Drijf voort!’
‘Hou de stroom niet op! Verder spoelen vooraan alstublieft!’
‘Als je niet durft vloeien, hoef je hier niet te zijn, smurrie.’
‘Aan de kant, kliederboel!’
Zoveel agressie was het water niet gewoon. In zijn veilige meander was het ons-kent-ons. Iedereen zorgde voor elkaar en de kleine ergernissen werden met de golf der liefde doorgespoeld. Het water keek wat bevreesd om zich heen en zocht naar bekenden, maar nu viel het ineens wel heel erg op dat ze allemaal als twee druppels van zichzelf op elkaar leken.
Het water besloot niet meer na te denken en liet zich met het verstand op zeeniveau meedrijven. Na een tijdje wende het aan de oneindige ruimte waarin het was terechtgekomen. De stroom werd nog breder en zelfs de schepen aan zijn oppervlak leken nu nietig en klein.
Op een plaats waar algen en wieren welig tierden, was er ineens zenuwachtig gewriemel. Er werd geroepen en gescholden en het water zag ander water dat op zijn schreden terugkeerde. Het kostte veel moeite om de tegenwaartse stroming te trotseren.
Plots werd ook het water vastgegrepen. 
‘Wat doe jij hier? Jij hoort in de rivieren thuis. Hier is geen plaats meer voor jou. De zee zit vol!’
Het water was de kluts kwijt. Dit had niemand hem verteld. Moest het zich nu verantwoorden waarom het naar de zee wou verhuizen? Water eindigde toch nooit. Strikt genomen was het water van zijn meander hetzelfde als dat van de Atlantische Oceaan.
‘Ik… Ik wou wel eens de zee leren kennen. Al mijn hele leven sta ik stil waar ik stroom. Er was geen toekomst meer voor mij.’
‘En die hoop je nu in zee te vinden? Weet je dan niet dat het ook daar vol zit? Dat het ook daar stikt van dode vissen, zwevende viezigheid en rottend afval? Dat vissen vreselijke pijnen lijden door de plastics in hun maag en dat ze een vreselijke dood vinden in de netten van de vissers?’
‘Ik dat zo? Daar heb ik nog niet over nagedacht…’ prevelde het water. Even kroop het in zijn schelp.
‘Ha, daar had je nog niet over nagedacht! Dat had je misschien wel eens kunnen doen, dan was die hele drijftocht naar hier niet nodig geweest. Je dacht toch niet dat alle water even welkom was in de zee?’
De wereld van het water stortte in elkaar. Was het dan echt allemaal voor niks geweest? Mocht het water vanaf hier niet meer verder en werd het op botte wijze verplicht om terug te keren naar zijn uitzichtloze meander?
Tegelijk voelde het zich in opstand komen. Het wou tegen de stroom in vloeien. Kon dit vijandige water dat zomaar verhinderen? Wie gaf het het recht om de toekomst van ander water in de weg te staan? Het water van de zee en van de rivieren van elkaar te scheiden?
‘Slechter dan in mijn meander kan het hier niet zijn,’ zei het water stoer. ‘Daar is nog veel meer viezigheid dan in de hele wijde zee. Ik wil het erop wagen. Mijn toekomst ligt hier.’
‘Dat zegt al het water dat hier aanspoelt. Allemaal denken ze dat het water blauwer is aan de overkant. Enkele maanden later kost het veel meer moeite om met hangende pootjes terug te vloeien. Dan is het stroomopwaarts hé, vergeet het niet.’
‘Ik ben jong en sterk…’ zei het water moedig. ‘Dit voelt niet alsof ik mezelf naar zee draag.’
Even werd het stil.
‘Dit heb je mooi gezegd. Vloei jij maar verder, jij redt het wel. Veel succes!’

Ineens voelde het water hoe het weer onhoudbaar werd voortgestuwd. De rivier die al zo’n brede stroom was geworden opende zich toen nog veel verder tot een oneindige zee. 
‘Is dit het dan? Ben ik er echt?’
Het water had moeite om het zich voor te stellen. Het keek om zich heen. Om zich heen zag het vermoeid en wat onthutst water. Aarzelende en onzekere blikken, maar ze stonden vol verwachting en hoop. Water dat hier was, dreef niet meer tegen de stroom in, maar liet zich gulzig verder drijven. Steeds dieper kroop de zee. Steeds sneller vloeide het water. Steeds hoger sloegen de golven van de branding. Even moest het water nog tegen de stroom in beuken, maar het was niet meer te stoppen. Het duurde niet eens heel lang voor het zich veilig in de loom deinende zee voelde. De angst op de gezichten om zich heen was verdwenen. Overal zag het de schittering van de hoop. O ja, er dwarrelde meer plastic dan het had gedacht in deze zee. En niet alle vissen met hun slokoppen en holle ogen keken het even vriendelijk aan. Kreeften met griezelige grijparmen en kwallen met zuigende lippen lieten het van angst de andere kant opkijken. Het rook hier meer dan in zijn meander naar olie en viezigheid en ook hier voelde het zich al eens mistig. Maar het water plaatste zijn blik op oneindig. Het keek hoe ruim dit sop wel was. Hoe mooi de vissen, hoe sierlijk de planten. Hoe onmetelijk was deze waterzee, hoe veelbelovend de toekomst! Het water had geen idee waar zijn vloed naar het leven zou leiden. De zee had geen einde en geen begin en overal lagen de kansen voor het grijpen. Het leven is aan de drijvers.
Bye bye, stille meander. Ik kom eraan, wijde zee. Nooit eerder voelde het water zich zo gelukkig.