Pagina's

zondag 8 mei 2022

De rots van Crahay

Nu we volop in de tijd van de lenteweekends naar de Ardennen zijn en de zomerse vakantieplannen worden gefinaliseerd, krijg ik geregeld de vraag of al die locaties in Rots allemaal echt bestaan. Zeg! Ik vertelde eerder toch dat IJs en Zand kunnen gelezen worden als een literaire reisroman naar de Alpen en de Wadden en dat ik nog altijd wacht op een vergoeding of minstens gulle dankwoorden vanwege de plaatselijke VVV’s? Voor Rots geldt hetzelfde: de roman is geschreven tot eer en glorie van de Ardennen. Of toch een stukje van de Ardennen dat ik bijzonder koester. Omdat het er erg mooi is, maar minstens evenveel omwille van vele jeugdherinneringen die ik aan de streek hebt.

Je raakt al in de stemming als je op de E25 tussen Luik en Aywaille over ‘de berg van Tilff’ rijdt. Een heerlijke helling als opener van de Ardennen. In de buurt kan je ook gaan rotsklimmen, maar Jan en Mats deden dat op rotsen boven de Maas en deze streek heeft nu even niet onze focus.

Neem de afrit in Aywaille en voor je het beseft kom je in Remouchamps over de statige brug over de Amblève. Links zie je Hotel Bonhomme, waar in vervlogen tijden Fernandel en Koning Albert wel eens logeerden. Je kan de wagen parkeren vlak voor het hotel en op het terras onder de bomen een Orval met water uit de Semois drinken – het kroontje op de gevel van het hotel zorgt voor een koninklijk aperitief.

Neem vervolgens de N633 in de richting van Trois-Ponts en rijd over de glooiende weg die langs de Amblève en zijn campings loopt. Na enkele kilometers zie je de robuuste brug aan de rechterkant die naar het dorpje Nonceveux leidt. Rijd over de brug naar de ‘République libre de Nonceveux’ en maak te voet of met de auto het toertje van het dorp: een wijde kring met verspreide huizen rond een weide waar de trein van Luik naar Luxemburg met de regelmaat van een klok voorbijsnelt. Als je goed kijkt, kun je het omgebouwde stationnetje van het dorp vinden. Ooit stopte hier een internationale trein. Je komt voorbij het idyllische kerkje van het dorp met een bank, de enige plaats waar je even openbaar kunt gaan zitten. Zoek in Nonceveux niet naar een terrasje.

Als je de kring van het dorp hebt gemaakt, kom je onvermijdelijk weer bij de brug: de enige weg naar de echte wereld. Even naar rechts en je komt bij een chaotische parkeerplaats met een café dat soms wel en meestal niet open is en aan de overkant een tot asielcentrum omgebouwd hotel. Voor dat hotel er stond, stond hier hotel ‘La Chaudière’: vele grote en jonge gezinnen kwamen hier destijds op vakantie. Daar hebben we elkaar in onze kindertijd misschien wel eens ontmoet.

Toch moet je je auto parkeren en je wandelschoenen aantrekken. Op deze plaats stroomt de Ninglinspo in de Amblève en op deze parking begint de iconische wandeltocht langs België’s enige bergrivier. Loop naast het huis met het ovengebouwtje, loop door de bedding van de drooggevallen Vieux Chèra, steek de boomstambrugjes over de rivier over, bewonder de vele watervalletjes met namen uit de Griekse en Romeinse mythologie – Mats kan ze allemaal uit het hoofd opsommen en benoemen. 
Als je veel tijd hebt, kun je de rivier helemaal volgen tot aan zijn bron en (als je héél veel tijd hebt) via de dorpjes Vert Buisson en Ville-au Bois langs de andere iconische bergrivier de Chefna even idyllisch weer afdalen tot aan de Amblève. We zien elkaar dan straks weer terug in Quarreux.
Je kan ook net voorbij de waterval La Chaudière het pad naar rechts volgen, de heuvelflank op tot bij de Roches Crahay. Op deze plaats met het prachtig uitzicht over de Ardense bossen komen we straks terug.

Eerst terug naar de auto nu. Rijd enkele kilometers stroomopwaarts, de Amblève rechts van je tussen de bomen. Al snel zie je aan de rechterkant de verloederde herberg ‘Au moulin du diable’. De herberg is quasi onherkenbaar, iets recenter zijn de potsierlijke muurschilderijen van wulpse meisjes die herinneren aan het tweede leven van het gebouw. In de tijd van het Ardense café zwaaide Prosper hier de plak. Jawel, Prosper, je kent hem uit Rots. Hij was zo trots op zijn auberge Ardennaise!
Parkeer je wagen, ga door het viaduct onder de spoorweg en neem het pad aan de rechterkant. Je bent zo bij de Amblève die hier vol ligt met grote kwartsblokken die destijds door de duivel zelf in de rivier werden gegooid. Restanten van een molen. Als je me niet helemaal gelooft, moet je maar eens de legende van de Moulin du Diable opsnorren (je kan ook gewoon Rots lezen, ze staat erin). Duivel of geen duivel: het is heerlijk wandelen over en langs de rotsen in de rivier bij de Fonds de Quarreux.

Je kon daarstraks op de parking ook gekozen hebben voor de andere kant van de drukke weg: een verborgen zijweg klimt snel de hoogte in tussen de bomen en de verspreide huizen op de helling. In een van de huizen zijn Sarah, Mats, Jan en Joke op vakantie. Ik heb voor mijn roman niet één huis uitgekozen: je kan er zelf één kiezen als je hier wandelt. Weet dat in lang vervlogen tijden een vakantiehuis werd beheerd door Prosper – ja, dezelfde van het café. Als je even de weg blijft volgen, kom je na een stevige klimpartij uiteindelijk in het bosdorp Quarreux. Als je een paar alinea’s hoger de wandeling van de Ninglinspo en de Chefna helemaal had gevolgd, kwamen we elkaar hier weer tegen.

We moeten verder, het hoogtepunt moet nog komen. Alhoewel: het toeristisch-commerciële hoogtepunt dan. Je rijdt weer naast de Amblève, die je tijdens je rit idyllisch en traagzaam ziet stromen tussen de bomen. Maar plots word je opgeschrikt door heel veel mensen, heel veel auto’s en stoeltjesliftstoeltjes zwevend boven de weg. Je bent in Coo gekomen: het dorp bij de waterval. Natuurlijk stap je eens uit, je gaat over de brug kijken naar het watergeweld, je kan desgewenst langs een klein pad naast de kleinste van de twee watervallen lopen, je kan in een stoeltje aan de helling gaan bengelen en je kan vooral genieten van het Plopsaland van het zuiden. Als je dat wil. Even verder kun je in het bos rond een stuwmeer wandelen. Dit deed ik zelf nog nooit: ik liet Jan en Sarah het pad voor mij verkennen. Het is er blijkbaar heel mooi en rustig.

Laat je niet afleiden door de drukte van Coo en vervolg je weg langs de Amblève. Nauwelijks drie kilometer verder, waar de rivier de Salm de Amblève vervoegt, kom je in het nietige stadje Trois-Points. Kijk in de hoogte boven het dorp: je blik zal ongetwijfeld snel op het uitnodigende terras van pension Beau Site blijven stilstaan. Het is een heerlijke plaats om de tocht langs de Amblève en doorheen Rots te beëindigen. Ze hebben er heerlijke Sangria.

Maar als je nóg veel dichter bij Rots en zijn personages wil komen, ga je nu naar de Proxy Delhaize van Trois-Ponts en je koopt er een fles lekkere Franse wijn en een stukje kaas (dat kan er één uit de abdij van Rochefort zijn, zo ver is het niet). Vervolgens keer je terug naar de parking van de Ninglinspo en je maakt de wandeling tot aan het uitzichtpunt van de Roches Crahay. Ga op een rots zitten, spring niet, maar drink en van je wijn, proef van de kaas, geniet van het uitzicht, de roofvogels en de stilte. En van een goed boek. Een Rots op een rots. Rots op zijn rots.


Lezerswedstrijd

Ongetwijfeld kreeg je zin om de streek van Rots te verkennen en de rots van Rots te zoeken.
Wie me een foto kan bezorgen van een lezer met Rots op de Rots van Crahay (het naambordje staat op de foto) wint een boek. Rots, IJs, Zand, De oversteek, Ketters van de Kemmelberg: mij om het even.
Alleen de eerste inzender gaat lopen met het gesigneerde boek, maar alle inzendingen krijgen een mooi plaatsje op mijn weblogs en mijn socials.
De wedstrijd loopt vanaf vandaag tot het einde van mijn tijden.
(stuur naar koenbib@gmail.com)

Rots is altijd en overal te koop, zowel in gedrukte versie als als e-boek (koop het hier).
Stuur me een mail voor ene gesigneerd exemplaar.

https://www.youtube.com/watch?v=S_xH7noaqTA

zaterdag 29 januari 2022

Op het podium van Lionel

Vorige donderdag was het Gedichtendag. In de bibliotheek zetten we drie gerenommeerde dichters uit eigen gemeente in de spotlights. Jeroen Messely, Mattijs Deraedt en Philip Hoorne samen op één podium: wie al eens een gedicht leest, weet dat dit een bijzonder talentvol literair trio is.

Er wordt veel geschreven en gepubliceerd in mijn gemeente. Ik zal wel naïef zijn, maar ik vermoed dat er gemeenten zijn die Wevelgem benijden. ‘Welkom in Wevelgem: zijn romanciers, zijn dichters, zijn jeugdauteurs, zijn columnisten, zijn illustratoren, zijn Bourgondiërs’. Waar is de tijd van die welkomstbordjes als je een gemeente binnenreed? Maar ik moet niet gaan dromen: het schrijversgild zou het niet gehaald hebben van de kerken en kastelen, processies en stoeten, boeren- en bloemenmarkten, koersen en coureurs.

Het werd een Kreatieve avond, donderdag in de bibliotheek. En neen, dit is geen spellingsfout. In mijn beleving en herinnering was de avond Kreatief - met foute k dus. De drie Wevelgemse dichters verenigd op een podium van de eigen bibliotheek vonden in Alain Delmotte, bevlogen dichter en erudiet poëzieliefhebber, een goede gangmaker. Alain leidde de dichters kundig in, stelde wijze vragen, gidste het publiek en liet de dichters praten en voorlezen. Alain kweet zich bijzonder voorbeeldig van zijn taak. Tijdens het gesprek verzeilden mijn gedachten evenwel naar Lionel Deflo, Wevelgems literator pur sang, die precies vijf jaar geleden overleed (31 januari 2017).

In mijn jonge studiejaren verbrak Lionel mijn overtuiging dat alle Nederlandstalige literatuur enkel uit Amsterdam of Antwerpen kwam, want toen ik me wou abonneren op het literair tijdschrift Kreatief bleek het redactieadres zich tot mijn verbazing bij mij om de hoek te bevinden. In de Groeningestraat bij Lionel Deflo, want hij wàs Kreatief. Toen zijn tijdschrift 25 jaar bestond, haalde hij 20 Vlaamse dichters naar de bibliotheek. Ik hielp toen om de stoelen klaar te zetten: we stonden allebei in dienst van de letteren. Tot het einde der literaire tijden zal Lionel Deflo herinnerd blijven als hoofdredacteur van Kreatief, uitgever bij Manteau en combattieve woordvoerder van het nieuw-realisme in de poëzie van de jaren ’70 en ’80.

Ineens was ‘Dichters van bij ons’, de poëzieavond van vorige donderdag, in mijn gedachten een hommage en ode aan Lionel Deflo, de buurman die me als jonge snaak naar de Vlamingen van Antwerpen en de Hollanders van Amsterdam leidde. In de vorige decennia was hij het die altijd op het literaire podium van de bibliotheek ging zitten en schrijvers en dichters aan de tand voelde en hen naar het publiek en de lezers bracht. Ooit was hij in eigen dorp noodgedwongen einzelgänger als het over boeken en literatuur ging. Het is fijn dat zijn podium steeds meer verscheidenheid toont, al blijft het voor mij voor altijd het podium van Lionel.

Lees ook: Een leven vol boeken 
Lees ook: Een leven in dienst van de letteren 

https://www.youtube.com/watch?v=PejL5VIQhxA



dinsdag 16 november 2021

'Rots': nieuwe misdaadroman met Sarah en Mats

Op zaterdag 13 november verscheen mijn misdaadroman Rots. Het is het derde en laatste deel van mijn drieluik IJs - Zand - Rots.

Op zaterdag 20 november signeer ik in Standaard Boekhandel Wevelgem (van 13.30 tot 7.30 uur).

Je kan het boek krijgen via je favoriete boekhandel-om-de-hoek.
Je kan het uiteraard ook overal online bestellen. Hier bijvoorbeeld, of hier, of hier.
Uiteraard kun je het ook als e-boek lezen.

Lees meer op mijn schrijversblog 'Koen D'haene schrijft'.


zondag 17 oktober 2021

Open eindes

Vorige dinsdag werd ik tijdens een lezing in de bibliotheek van Zedelgem nog maar eens met de neus op de feiten gedrukt. Veel lezers houden niet van een verhaal met een open einde. 

Het meisje van 15 op de eerste rij had erg genoten van De Oversteek, maar was duidelijk helemaal in de war omdat op het einde van het boek niet duidelijk was of Aloïs zijn liefje, dat hij door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog noodgedwongen tijdelijk de rug had toegekeerd, zou terugvinden in New Jersey. En of ze zouden trouwen, vele kindjes zouden krijgen en nog lang en gelukkig zouden leven. Toen ze me vroeg hoe het verder liep en ik vertelde dat ik dat eigenlijk ook niet wist, zag ik groeiende ontgoocheling op haar gezicht. Ze hoopte dat de auteur haar vandaag eindelijk hoogstpersoonlijk uit haar lijden zou verlossen. Niet dus.
‘Vind je dat ik een vervolg moet schrijven?’ vroeg ik empathisch. Ze keek me nogal dreigend aan. ‘Ge móet een vervolg schrijven!’ Ik keek haar wat verbouwereerd aan. ‘ Ik zal erover nadenken,’ mompelde ik een beetje ontdaan. Ze bleef me indringend aankijken toen ze het lokaal verliet.

Het was niet de eerste keer dat mij door lezers werd duidelijk gemaakt dat die open eindes in mijn boeken zo lastig zijn. Vooral jonge lezers willen duidelijkheid. Ze nemen geen genoegen met mijn mooie verhaaltje dat ik tijdens lezingen opdis. Dat voor mij het verhaal altijd af is en dat de lezers zelf het vervolg mogen verzinnen. ‘Dat is fijn toch? Kunnen jullie allemaal zelf een deel van het verhaal schrijven.’
Ze vinden het niét fijn. Ze willen weten of Aloïs en Lore zullen trouwen (De Oversteek), wie met Jens op reis zal gaan naar Marokko (Gek van een eiland), hoe het verder liep met Silke en haar depressieve moeder (Een hoofd vol rommel) en of Walram en Jenne zullen trouwen (bis) (Ketters van de Kemmelberg).
De kans dat ik met de wensen van mijn lezers zal rekening houden, is klein. Ik doe het overigens al op een heel bijzondere manier: wie meer dan één boek van mij leest, komt personages uit een ander boek vaak opnieuw tegen – in een andere situatie en met een stevige knipoog. De vraag wie met Jens uit Valsspeler meereist naar Marokko, wordt in Gek van een eiland eenduidig beantwoord. Maar het is niet genoeg.

Natuurlijk moet je je lezers serieus nemen en hebben zij altijd gelijk, maar zelf hou ik niet van open eindes – niet als lezer, niet als schrijver. Het is heerlijk om een roman af te sluiten als het verhaal stilaan op zijn plooi is gevallen en er ruimte komt voor vrije interpretatie bij de lezers. Ik wil hen echter niet met twijfels achterlaten. En al zeker niet op een moment waarop ze zouden kunnen denken: hij weet het zelf niet meer, dus zet hij er hier snel een punt achter. Neen: alle verhaallijnen zijn netjes afgerond, een mooi vervolg kondigt zich aan en dat kunnen de lezers zelf schrijven. 

Toen ik mijn roman IJs schreef, had ik een schitterend open einde in gedachten. In de roman schoof ik puzzelstukken uit mijn studententijd en herinneringen aan de jeugdreizen in de Alpen in een origineel misdaadverhaal. Ik liet de lezer achter met een prangende vraag: Sarah (het hoofdpersonage) zal het toch niet nog eens doen (daar op het eiland)? Het leek me een heerlijke leeservaring, maar de vraag naar een vervolg kwam ook van de volwassen lezers. Zand dan maar en een vervolg op Schiermonnikoog dat me bloed, zweet en tranen heeft gekost, want het was niet de bedoeling. De verhaallijnen uit IJs bepaalden die uit Zand en ik heb wel eens gevloekt op de keuzes in IJs die het vervolg in Zand moeilijk maakten. Ik liet Sarah en Mats achter in Oostende, met het zicht op een onzekere toekomst in de badstad. Veel te onzeker, zeiden de lezers. Het was weer niet genoeg en dus schreef ik Rots, een nieuw hoogtepunt in het leven van de protagonisten en een nieuwe kans om een iconische vakantiestreek uit mijn kindertijd in herinnering te brengen.
Het was heerlijk om een derde keer de duistere verhaallijnen in elkaar te laten vloeien. Heerlijk en welletjes, want in Rots is er geen proloog meer, maar een epiloog. En een heel duidelijk einde: affer kan een verhaal niet zijn. Denk ik.

Na Rots schrijf ik, twintig jaar na datum, misschien wel een vervolg op De Oversteek. En dan stuur ik het eerste exemplaar op naar dat meisje uit Zedelgem met haar smekende ogen.

https://www.youtube.com/watch?v=b6zj43sA7GE

(c) Nadine Van Den Langenbergh

zaterdag 27 maart 2021

Ruben Van Gucht

Het is een klein ritueel geworden: de dag voor Gent-Wevelgem blader ik door het jubileumboek dat ik samen met Rik Vanwalleghem en Rudy Neve samenstelde n.a.v. 75 jaar Gent-Wevelgem in 2013. De foto’s blijven mooi, de teksten leuk en de herinneringen fantastisch.
De mislukte klucht met Ruben Van Gucht bijvoorbeeld. 

Het boek werd destijds voorgesteld in een bomvol cultuurcentrum Guldenberg. Nieuwe Sporzagod Ruben Van Gucht was zich aan het profileren en kreeg de regie en de presentatie van de voorstelling in handen. In een kort voorafgaand gesprekje zei hij me dat hij aan mij één vraag zou stellen: aan welke editie van Gent-Wevelgem behoud je de mooiste herinneringen? Eén vraag kreeg ik en liefst een kort en krachtig antwoord. De timing was strak en gestroomlijnd. Na mij kwamen de ex-winnaars. Maak plaats, Koen!

Ik keek naar Francesco Moser en Freddy Maertens op de eerste rij en ik wist meteen welke editie ik zou aanhalen: deze die werd gewonnen door Roger De Vlaeminck. Ruben Van Gucht zou het angstzweet uitbreken, Maertens en Moser zouden ontploffen. Vlaeminck won nooit Gent-Wevelgem! Maar mijn kort en krachtig antwoord op de vraag van Ruben zou vervolgens mijn theorie bevestigen dat Roger De Vlaeminck niet alleen ‘Monsieur Paris-Roubaix’ was, maar ook ‘Mijnheer Gent-Wevelgem’: hij werd maar liefst vier keer tweede, een keer derde en twee keer zesde.

Toen ik op Rubens verzoek naar het podium liep, dacht ik voorgenietend na over mijn antwoord op zijn vraag. Dit zou wat geven!

Iemand moet Ruben Van Gucht iets hebben ingefluisterd. Hem gewaarschuwd voor mijn komende kwajongensstreek. Mijn vuile valstrik voor een beginnend journalist. Mijn snijdende sneer aan het adres van Maertens en Moser. Ik zette me schrap voor de vraag van Ruben, maar mijn wereld stortte in toen hij ze gortdroog stelde: ‘Hoe hebben jullie het aangepakt om dit boek samen te stellen?’

Wat volgde, was wellicht het meest klungelige en onhandige antwoord op een vraag ooit. En wat niet meer verdween, is mijn twijfel en argwaan voor de stijl en sérieux van Ruben Van Gucht.

Lees ook:
Roger De Vlaeminck wint Gent-Wevelgem
Roger De Vlaeminck: 'Ik ben 'm en ik blijf 'm!'

https://www.youtube.com/watch?v=a_7pnO1YoAk

zaterdag 5 december 2020

Een boom vol licht

'Speciaal voor 'Magisch Park' schreef Koen D'haene het verhaal Een boom vol licht.'
Dat deed ik inderdaad. 

De mama van Harry voelde zich ziek en zwak en had vaak honger toen ze hem in haar schoot droeg. Zijn papa had niet veel tijd en nog veel minder geld en keek al niet meer naar Harry om toen hij nog in de buik van zijn mama leefde. Veel hoorde Harry niet van wat er al die maanden om hem heen gebeurde. Toen hij eindelijk naar buiten kon, kwam hij in een uitbundig feest van licht en kleur. Iedereen was blij en vrolijk en er was vreugde en liefde. Maar toen zijn papa te veel had gedronken, zei hij dat zijn mama een feeks was en vervolgens liepen ze van elkaar en van Harry weg.

Harry sloeg een duister pad in. Hij groeide op bij een papa en mama die hij niet kende en zij kenden ook hem niet. Toen hij jong en sterk genoeg was, liep hij van hen weg. Hij vond in het midden van een donker bos een leuke plaats met zicht op een mooie vijver en grote groene bomen in de verte. Maar toen het winter werd, waren de bomen koud en kaal en als hij in de donkere vijver keek, spiegelde zijn gezicht op het ijs. Harry vluchtte van de winter weg en ging verder, nog dieper het donkere bos in. 

Harry zwierf vele jaren op zijn eentje door het oneindig grote bos, hij sliep op een bed van takken en bladeren en leefde van bessen en noten. Nadat hij heel lang in het bos had rondgedoold, zag hij in de verte een sprookjeshuis. Zo’n mooi huis had hij in zijn hele leven nog niet gezien. Het was rond en rood en er waren wel twintig mooie ramen en prachtige kantelen rond het fraaie dak. Een elegante trap leidde naar de deur aan de voorkant van het huis. Harry voelde zijn hart kloppen in zijn keel. Zou hij het wagen om in het sprookjeshuis te gaan kijken? Wie zou hier wonen? Vast een prins of een prinses of, wie weet, een koning of koningin van een land dat hij niet kende.

Harry waagde zich stoer maar ook vol angst en met trillende benen op de sierlijke trap en keek bevend door het raam als hij aan de voorkant van het huis kwam. Voorzichtig gluurde hij door het venster. Hij viel haast achterover, zo erg schrok hij. Hij keek recht in de doffe ogen van een oude vrouw met vieze tanden in haar mond en diepe groeven in haar gezicht. Harry wilde zo snel als hij kon de trap weer naar beneden lopen en weg rennen, ver van de vieze vreemde vrouw. Maar de vrouw lachte naar hem en riep hem terug.
‘Wees niet bang, jongen, en zeker niet van mij,’ zei ze luid. Haar stem galmde tussen de bomen.
Harry bleef stokstijf staan en keek aarzelend achterom.
‘Kom,’ zei de vrouw. Haar stem klonk ineens mooi en zacht en ze wenkte met haar rechterhand. Harry keerde op zijn stappen terug en ging dicht bij haar aan de deur staan.
‘Ik ga je helpen, jongen. Je hebt geen gelukkig leven, maar ik ga zorgen dat je dat wel krijgt.’
Ze bleef hem star in de ogen kijken en Harry in die van haar. Ze was een mooie vrouw, zag hij. Hoe meer ze sprak, hoe meer groeven in haar gezicht verdwenen, hoe mooier en blauwer haar ogen werden en hoe witter haar tanden.
‘Wil je gelukkig worden?’
De vrouw keek hem lief en uitnodigend aan en wachtte tot Harry iets zei. Hij kreeg geen woord over zijn bevende lippen, maar knikte hard van ja. Natuurlijk wilde hij gelukkig worden. Iedereen wil dat toch?
‘Kom nog wat dichter,’ zei ze. ‘Kom zo dicht als je kan.’
Harry schoof dichterbij en zag dat haar vieze tanden nu wit en glanzend waren en in haar  mond en om haar lippen was een mooie lach. Haar ogen waren nu zo blauw als de zee.
‘Je bent al veel te lang alleen op de wereld, jongen. Ik ga je helpen. Luister wat je moet doen. Kijk voor je naar het kronkelende pad dat naar beneden leidt. Ga voorzichtig tot op het eind en tel de lichtjes links en rechts van jou. Als je er twintig telt, zal het geluk je toelachen. Dan zal je nooit meer alleen of eenzaam zijn, je zal met een mooi meisje in een mooi huis gaan wonen en alle eenzame mensen blij en gelukkig maken.’
Ze bleef even zwijgen en keek Harry tegelijk streng en blij aan en Harry was tegelijk doodsbang en reuze benieuwd. Hij keek voor zich en zag de lampjes aan de zijkant van het pad voor het huis. Hij wilde zo snel als hij kon de lichtjes zoeken en tellen omdat hij zo snel als hij kon gelukkig wilde worden. Hij knikte even naar de vrouw en liep haastig naar het eerste lichtje.
‘Wacht!’ riep de vrouw en haar stem klonk weer luid zoals in het begin en op haar gezicht waren er ineens weer meer groeven en haar tanden waren weer vuil en vies en haar ogen dof en donker.
‘Ga niet overhaast te werk! Je mag geen enkel lichtje overslaan. Als je beneden komt en je hebt minder dan twintig lichtjes geteld, zal je voor de rest van je leven even ongelukkig zijn als je nu bent. Je zal voor altijd eenzaam blijven en weer op een bed van takken en bladeren in het koude donkere bos moeten slapen. Voor altijd.’
Harry voelde zijn tanden trillen en zijn handen beven. Nee, niet weer, dacht hij.
‘Vergeet het niet, jongen. Twintig lichtjes. Het mogen er meer zijn, maar niet minder. Meer is vreugde en geluk, minder is verdriet en ongeluk.’
Harry keek angstig in haar ogen. Hij durfde niet meer weggaan vooraleer zij hem daarvoor het teken gaf.
‘Ga nu,’ fluisterde ze. ‘Ga, kijk niet achterom, tel de lichtjes, ga altijd verder en word gelukkig.’
Harry keek van haar weg en liep naar het pad met de lichtjes.

Opgewonden begon hij te tellen. Er waren veel lampjes, maar twintig is ook veel. Hij mocht geen lichtje overslaan. Hij keek speurend om zich heen en telde luid de lichtjes langs het pad. Zijn tong zat gespannen tussen zijn lippen, zo hard deed hij zijn best om geen enkel lampje te missen.
‘1, 2, 3 …’
Traag ging hij langs het pad. Hij mocht niet lopen, hij mocht geen lichtje missen.
’… 8, 9, 10 …’
Hij bleef even staan. Hij was halfweg. Hij wilde achterom kijken om de afstand achter hem te zien, maar hield nog net in. ‘Niet achterom kijken,’ had de vrouw gezegd.
Snel ging hij weer verder.
’… 13, 14, 15 …’
Harry keek om zich heen. Er was niemand in de buurt en hij telde steeds luider en krachtiger. Nog even en hij was bij twintig. En er zijn zeker nog tien lichtjes te zien!
’… 18, 19, 20!’
Hij had de opdracht volbracht! Even bleef hij staan en keek om zich heen. Hij was benieuwd uit welke richting het geluk zou komen.
Maar het geluk kwam niet op hem af. Het bleef donker en stil. Misschien moest hij het geluk wel zelf tegemoet gaan? ‘Niet achterom kijken,’ zei de vrouw. ‘Ga altijd verder,’ zei ze ook.
Harry stapte verder en voelde zich licht en vrolijk, alsof twintig lichtjes hem vergezelden op zijn weg door het bos. Ook al kwam het geluk niet op hem af: zo blij als hij nu was, had hij zich nog nooit gevoeld.
‘Hé, waarom staat er zo’n mooie glimlach op je mond?’
Hij maakte een sprongetje, want het meisje dat ineens naast hem liep, had hij niet zien aankomen. Woonde ze dan in de bomen of tussen de struiken?
Maar ze gaf hem niet de kans om vragen te stellen.
‘Mag ik met je mee? Iemand die zo blij is als jij, gaat vast naar een plaats waar je heel gelukkig kan zijn.’
Harry snapte er niets van.
‘Ik .. Ik weet niet eens waar ik naartoe ga,’ zei hij terwijl hij een lach moest inslikken omwille van de vreemde vraag van het meisje.
‘Dan ga ik met je mee,’ zei het meisje. ‘En ik heet Happy.’

Ze nam Harry’s hand vast en liep met hem mee over het pad. Happy was mooi, zag Harry. Ze had blauwe ogen, witte tanden en glanzende wangen.
‘Ben jij misschien een prinses?’ vroeg Harry met bevende stem. Want zo mooi vond hij haar.
‘Neen,’ lachte Happy. ‘Ik ben geen prinses. Prinsessen bestaan niet. Ik ben het geluk en je hebt me gevonden omdat je lang hebt gezocht en je lachend en vrolijk om je heen keek.’
Harry moest er even over nadenken, maar kneep dan zachtjes in haar hand.
‘Nu zijn we allebei gelukkig,’ zei ze.

Samen liepen ze verder door het bos. Het was aardedonker, maar het pad dat ze volgden, leidde naar een feest van licht en kleur. Hetzelfde licht als dat wat hij zag toen hij uit de schoot van zijn mama kwam.
Het meisje liet zijn handen los als ze dicht bij het licht waren gekomen.
‘Hier gaan we ons huis bouwen,’ zei ze. ‘Ons huis van geluk.’
Ze keek Harry diep in de ogen reikte hem een grote bijl aan. Harry dacht niet na want hij kon niet wachten om dat huis te bouwen. Met alle macht die er in zijn armen zat, kapte hij de grootste boom uit het bos. Uit de boom maakte hij lange, stevige planken en met de planken bouwde hij het mooiste huis van het bos. Het was nog mooier dan het sprookjeshuis van de vrouw die hem de weg naar het geluk had getoond.
Zonder nadenken keek hij achterom en zocht naar het sprookjeshuis in de verte.  Te laat bedacht hij dat hij dat niet mocht doen. Ineens was de vrouw uit het sprookjeshuis bij hen in het huis.
Maar ze was niet meer vies, dof en vol groeven.
‘Ik ben blij dat je het geluk hebt gevonden,’ lachte ze.
‘Dat heb jij me getoond,’ prevelde Harry.
‘Ik ben gelukkig omdat ik jou geluk heb geschonken,’ zei ze. Maar dan keek ze Harry en Happy weer streng en lief tegelijk aan.
‘Nu moeten jullie dat ook doen. Ga op zoek naar de boom vol licht en hang de twintig lichtjes die je langs het pad hebt gevonden aan de takken van die boom. Twintig lichtjes zorgen voor twintig gelukkige kinderen.’
Harry keek aarzelend naar Happy. Ze kwam dicht bij hem staan en legde haar arm op zijn schouder. Samen keken ze om zich heen en zochten naar de bijzondere boom in de vlakte die voor hen lag. Hun ogen gleden over het landschap. De hoge huizen in de verte, het pad naar het donkere bos, de bomen in het licht van de sterren. Maar geen van de bomen die ze zagen was bijzonder.
Teleurgesteld keek Harry naar Happy.
We zullen die boom nooit vinden,’ klaagde hij. ‘Het is veel te donker.’
Happy keek diep in zijn ogen.
‘Natuurlijk zullen we die boom vinden,’ zei ze zacht en ze gaf Harry een zoen op zijn wang.
Harry voelde het geluk bonken in zijn hart. Nog nooit kreeg hij een zoen als deze. Happy nam zijn arm, stak hem in de hoogte en wees naar een glinsterende boom in het veld.
‘Zie je hem?’ fluisterde ze. ‘Zie je de boom van het geluk?’
Harry wou antwoorden maar schrok dan van de snerpende stem van de oude vrouw. Door al dat geluk om hen heen waren ze haar helemaal vergeten.
‘Ga nu!’ lachte ze rauw. ‘Ga, schenk licht en maak gelukkig! En kijk niet achterom!’

Happy aarzelde niet en huppelde vrolijk over het gras tussen de struiken in de richting van de bijzondere boom. Vol van vreugde liep Harry achter haar aan en al snel stonden ze bij de boom vol licht. Ze namen elkaars hand en keken met grote ogen door de takken van de boom naar de sterren in de hemel.
Ze maakten vele kinderen blij en leefden ook zelf nog lang en gelukkig.


Je kan het 'Magisch Park' bezoeken van 19 december tot 3 januari in het Park van de Bib in Wevelgem.
Alle info: https://www.wevelgem.be/magischpark
Op deze pagina kan je het verhaal ook beluisteren.

Meer voor kinderen:
De twiggies
- Keaukeaubelli
- De bib beu

https://www.youtube.com/watch?v=ovwXM_Qg52g


vrijdag 30 oktober 2020

Over ‘Bellenhof’ van Maaike Monkerhey

Vooral als het goed is, schrijf ik het graag. Onlangs las ik met veel plezier Bellenhof, de nieuwe roman van auteur Maaike Monkerhey uit Wijtschate. Voor het weblog van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers schreef ik er onderstaande recensie over.

In Jaarwerk MMXVI, het jaarboek 2016 van de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, gaf Paul Rigolle een mooie round up van hedendaagse auteurs die de Westhoek kozen als locatie voor een roman[1]. Het zijn er wel wat en lang niet allemaal wonen, of woonden, ze zelf in de Westhoek. Misschien vult Rigolle zijn lijstje aan voor een update binnen pakweg tien jaar. Een nieuwe naam wordt Maaike Monkerhey[2], die zich met Niet omkijken, Camille (2017) en Bellenhof (2020) een plekje in de Westhoekliteratuur heeft geschreven. Snel en overtuigend, maar misschien gaat het net wat makkelijker als je in Wijtschate woont, te midden het zoete Heuvelland en met een wonderlijk uitzicht op de Kemmelberg. De berg der bergen als je in de streek bent. 

Monkerhey’s debuutroman, Niet omkijken, Camille[3], richtte zich eerder naar lezers vanaf 12 jaar. De roman vertelt het waargebeurde vluchtverhaal van Camille Tiersen, een jongen van 12 die bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog samen met zijn familie en vrienden in Wijtschate woont. Ook Jet Marchau kan haar lijstje met West-Vlaamse jeugdauteurs die schreven over de Grote Oorlog, dat verscheen in Jaarwerk MMXV, dus aanvullen[4].

In de nieuwe volwassenenroman van Maaike Monkerhey, Bellenhof[5], is oorlog niet ver weg. In bijzonder sfeerscheppende openingsbladzijden introduceert de auteur een duister personage dat zich schimmig schuilhoudt op het erf van hoppeboer Florent en zijn zwangere vrouw Martha. Hij staat onder ruisende populieren en die herinneren hem schokkend aan een zin die hij niet meer uit zijn hoofd krijgt. ‘Da! Hinter diesen Pappeln! Hinter diesen Pappeln’. 

Toch is Bellenhof geen oorlogsroman. Het verhaal begint op 6 september 1944, de dag waarop Poolse bevrijders de grensstreek rond Poperinge bevrijden en een einde maken aan de Tweede Wereldoorlog. Het is een aangrijpende gebeurtenis die er mede voor zorgt dat Leo Lebbe twee maanden te vroeg wordt geboren. Bellenhof vertelt het verhaal van drie generaties Lebbes: vader Florent, zijn zoon Leo en diens dochter Isabelle, die in 2019 deelneemt aan de verkiezing van de hoppekoningin in Poperinge. 

Niet de oorlog, maar de hoppe is het overheersende thema in de roman. Vader Florents hart klopt op het ritme van de hoppeteelt. Elk jaar ontvangt hij na de zomer het plukvolk en het kotjesvolk, die alle bellen van zijn hopperanken komen plukken – Kort! Rap! En zonder blad! 

Zijn zoon Leo is 12 als hij in 1956 de plukkers woest ziet vertrekken als ze horen dat Florent een machine heeft gekocht en dat hij hen volgend jaar niet meer nodig zal hebben. Met de plukkers verdwijnt ook Elvire uit het leven van Leo, net voor ze de tijd kreeg om zijn eerste liefje te worden. Hun eerste zoen smaakte nog naar hoppe, maar dat zou vast niet blijven duren hebben. 

Het verdwijnen van de tradities en de modernisering van de landbouw zorgt ook in het leven van de Lebbes voor een omwenteling. In 1988 is Leo beenhouwer in Brussel en zijn vrouw is geen hoppeplukster in Poperinge, maar mannequin in Milaan. Hun werelden blijven niet matchen en Leo keert, radeloos en wanhopig, terug naar Poperinge. Hij landt er stilaan weer op zijn pootjes. ‘Ook als het moeilijk gaat. Net zoals de katten.’ Het zijn woorden die moeder Martha wel vaker in haar mond neemt.

Maaike Monkerhey schreef een boeiende en aangrijpende familiegeschiedenis. De drie generaties Lebbe introduceren de wereld van de hoppe – ‘vroeger en nu’. Begin september gaat het hart van de hoppetelers sneller kloppen: ‘Dit moment had elk jaar iets magisch. Leo’s hart maakte een sprongetje. Het hoppeveld en het erf zouden morgen gonzen van de drukte. Zo stil als het nu was, zo luidruchtig zou het er morgen en de dagen erna aan toe gaan’ (p. 60). Alle hoofdstukken in het boek spelen zich af in het begin van de maand september (in 1944, 1956, 1988, 1999, 2019 en 2020) en als lezer voel je al snel de spanning van de maand mee. 

Bellenhof zal in Poperinge en omstreken wellicht aan een grondig onderzoek worden onderworpen door plaatselijke heemkundigen en kroniekschrijvers van de hoppegeschiedenis. Ik ga ervan uit dat de roman de toets met verve zal doorstaan – Monkerhey besteedde veel tijd aan degelijke research, ging op zoek naar passionele vertellers over de hoppecultuur, organiseerde een koffieklets met kranige oudjes en beleefde ook zelf de pluk mee. Maar de roman is meer dan een hedendaagse streekroman of een nostalgische terugblik op een verdwijnende wereld. De drie generaties Lebbe komen tot leven als mensen van vlees en bloed en ze maken van Bellenhof evenzeer een boeiende ontwikkelingsroman. Hun angsten, hun vreugdes en hun verdriet zijn echt en doorleefd. 

Monkerhey schreef beklijvende passages in haar boek. De sfeer van de hoppeplukkers op het veld. De groeiende verliefdheid tussen de jonge Leo en Elvire en hoe de jongen met grote ogen het stevige rollebollen van Simon en Nel tussen de hopperanken gadeslaat. De autorit van de radeloze en verlaten Leo van Brussel naar Poperinge. De vranke en levenswijze mama en oma Martha. Met ‘We praten dan wel?’ helpt ze haar zoon als die niet wetend hoe te vertellen over zijn scheiding in de keuken staat. ‘Kind toch. Het staat zeker al tien dagen op je gezicht te lezen. Ik kon alleen nog niet raden wie de gelukkige was,’ zegt ze als kleindochter Isabelle zich verbaasd afvraagt hoe haar oma weet dat ze stapel is op Bert. En zo zijn er veel meer sublieme zinnetjes die bladzijden beschrijving onnodig maken. Er is veel en heel doeltreffend geschrapt in deze roman. 

Een keer vreesde ik dat het schrappen niet was gelukt. Vader Florent is bezeten door Guido Gezelle en laat dat van tijd tot tijd blijken door hele verzen van de priester-dichter te mompelen of te orakelen. Net voor ik dacht dat het teveel zou worden, hield het op. Zo brengt Gezelle wat extra West-Vlaamse kleur in de roman. Een klein eerbetoon, waar lees je die verzen anders nog? 

Ik was overigens opgelucht dat de personages van Monkerhey geen West-Vlaams praatten. Wat ze zeggen, staat in keurig Nederlands, de taal die hoort in een roman. Enkele cursieve streekwoorden zijn ruimschoots voldoende voor de regionale belevenis. Pupegoale, moekes, hommel en kallepein staan cursief. Frankrijk is ’t Fransche, een draagtas is een bazatse en paardenbloemen zijn pisseblommen. Maar plokken is plukken. 

Maaike Monkerhey schreef een boeiend en authentiek verhaal en ik vond het erg fijn om een roman lang op het Bellenhof te vertoeven. Volgend jaar ga ik tijdens het derde weekend van september naar de hoppefeesten. Naar ’t land van Poperinge en van den hommelpluk. 

De roman kreeg een bijzonder sfeervolle omslagtekening van Trui Chielens – nog een meisje uit de Westhoek. Niet twijfelen, maar lezen.

NOTEN

[1] Dertig dagen en een versierhandboek: de Westhoek in de recente Vlaamse literatuur / Paul Rigolle.// In: Jaarwerk MMXVI. – Brugge: Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, 2016. – P. 52-67
[2] Maaike Monkerhey (1979) woont in Wijtschate. Ze is onderwijzeres in een Steinerschool in Ieper en als auteur gebeten door taal en geschiedenis. Website: www.maaikemonkerhey.com/
[3] Niet omkijken, Camille / Maaike Monkerhey. – Meulebeke: Bibliodroom, 2017. – 183 p.
[4] Al die jonge mensen! Wat een zonde: West-Vlaamse jeugdauteurs en de Grote Oorlog / Jet Marchau.// In: Jaarwerk MMXV. – Brugge: Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, 2015. – P. 22-42
[5] Bellenhof / Maaike Monkerhey. – Meulebeke: Bibliodroom, 2020. – 216 p.

https://www.youtube.com/watch?v=ciNxNN90eSc