Pagina's

zaterdag 5 december 2020

Een boom vol licht

'Speciaal voor 'Magisch Park' schreef Koen D'haene het verhaal Een boom vol licht.'
Dat deed ik inderdaad. 

De mama van Harry voelde zich ziek en zwak en had vaak honger toen ze hem in haar schoot droeg. Zijn papa had niet veel tijd en nog veel minder geld en keek al niet meer naar Harry om toen hij nog in de buik van zijn mama leefde. Veel hoorde Harry niet van wat er al die maanden om hem heen gebeurde. Toen hij eindelijk naar buiten kon, kwam hij in een uitbundig feest van licht en kleur. Iedereen was blij en vrolijk en er was vreugde en liefde. Maar toen zijn papa te veel had gedronken, zei hij dat zijn mama een feeks was en vervolgens liepen ze van elkaar en van Harry weg.

Harry sloeg een duister pad in. Hij groeide op bij een papa en mama die hij niet kende en zij kenden ook hem niet. Toen hij jong en sterk genoeg was, liep hij van hen weg. Hij vond in het midden van een donker bos een leuke plaats met zicht op een mooie vijver en grote groene bomen in de verte. Maar toen het winter werd, waren de bomen koud en kaal en als hij in de donkere vijver keek, spiegelde zijn gezicht op het ijs. Harry vluchtte van de winter weg en ging verder, nog dieper het donkere bos in. 

Harry zwierf vele jaren op zijn eentje door het oneindig grote bos, hij sliep op een bed van takken en bladeren en leefde van bessen en noten. Nadat hij heel lang in het bos had rondgedoold, zag hij in de verte een sprookjeshuis. Zo’n mooi huis had hij in zijn hele leven nog niet gezien. Het was rond en rood en er waren wel twintig mooie ramen en prachtige kantelen rond het fraaie dak. Een elegante trap leidde naar de deur aan de voorkant van het huis. Harry voelde zijn hart kloppen in zijn keel. Zou hij het wagen om in het sprookjeshuis te gaan kijken? Wie zou hier wonen? Vast een prins of een prinses of, wie weet, een koning of koningin van een land dat hij niet kende.

Harry waagde zich stoer maar ook vol angst en met trillende benen op de sierlijke trap en keek bevend door het raam als hij aan de voorkant van het huis kwam. Voorzichtig gluurde hij door het venster. Hij viel haast achterover, zo erg schrok hij. Hij keek recht in de doffe ogen van een oude vrouw met vieze tanden in haar mond en diepe groeven in haar gezicht. Harry wilde zo snel als hij kon de trap weer naar beneden lopen en weg rennen, ver van de vieze vreemde vrouw. Maar de vrouw lachte naar hem en riep hem terug.
‘Wees niet bang, jongen, en zeker niet van mij,’ zei ze luid. Haar stem galmde tussen de bomen.
Harry bleef stokstijf staan en keek aarzelend achterom.
‘Kom,’ zei de vrouw. Haar stem klonk ineens mooi en zacht en ze wenkte met haar rechterhand. Harry keerde op zijn stappen terug en ging dicht bij haar aan de deur staan.
‘Ik ga je helpen, jongen. Je hebt geen gelukkig leven, maar ik ga zorgen dat je dat wel krijgt.’
Ze bleef hem star in de ogen kijken en Harry in die van haar. Ze was een mooie vrouw, zag hij. Hoe meer ze sprak, hoe meer groeven in haar gezicht verdwenen, hoe mooier en blauwer haar ogen werden en hoe witter haar tanden.
‘Wil je gelukkig worden?’
De vrouw keek hem lief en uitnodigend aan en wachtte tot Harry iets zei. Hij kreeg geen woord over zijn bevende lippen, maar knikte hard van ja. Natuurlijk wilde hij gelukkig worden. Iedereen wil dat toch?
‘Kom nog wat dichter,’ zei ze. ‘Kom zo dicht als je kan.’
Harry schoof dichterbij en zag dat haar vieze tanden nu wit en glanzend waren en in haar  mond en om haar lippen was een mooie lach. Haar ogen waren nu zo blauw als de zee.
‘Je bent al veel te lang alleen op de wereld, jongen. Ik ga je helpen. Luister wat je moet doen. Kijk voor je naar het kronkelende pad dat naar beneden leidt. Ga voorzichtig tot op het eind en tel de lichtjes links en rechts van jou. Als je er twintig telt, zal het geluk je toelachen. Dan zal je nooit meer alleen of eenzaam zijn, je zal met een mooi meisje in een mooi huis gaan wonen en alle eenzame mensen blij en gelukkig maken.’
Ze bleef even zwijgen en keek Harry tegelijk streng en blij aan en Harry was tegelijk doodsbang en reuze benieuwd. Hij keek voor zich en zag de lampjes aan de zijkant van het pad voor het huis. Hij wilde zo snel als hij kon de lichtjes zoeken en tellen omdat hij zo snel als hij kon gelukkig wilde worden. Hij knikte even naar de vrouw en liep haastig naar het eerste lichtje.
‘Wacht!’ riep de vrouw en haar stem klonk weer luid zoals in het begin en op haar gezicht waren er ineens weer meer groeven en haar tanden waren weer vuil en vies en haar ogen dof en donker.
‘Ga niet overhaast te werk! Je mag geen enkel lichtje overslaan. Als je beneden komt en je hebt minder dan twintig lichtjes geteld, zal je voor de rest van je leven even ongelukkig zijn als je nu bent. Je zal voor altijd eenzaam blijven en weer op een bed van takken en bladeren in het koude donkere bos moeten slapen. Voor altijd.’
Harry voelde zijn tanden trillen en zijn handen beven. Nee, niet weer, dacht hij.
‘Vergeet het niet, jongen. Twintig lichtjes. Het mogen er meer zijn, maar niet minder. Meer is vreugde en geluk, minder is verdriet en ongeluk.’
Harry keek angstig in haar ogen. Hij durfde niet meer weggaan vooraleer zij hem daarvoor het teken gaf.
‘Ga nu,’ fluisterde ze. ‘Ga, kijk niet achterom, tel de lichtjes, ga altijd verder en word gelukkig.’
Harry keek van haar weg en liep naar het pad met de lichtjes.

Opgewonden begon hij te tellen. Er waren veel lampjes, maar twintig is ook veel. Hij mocht geen lichtje overslaan. Hij keek speurend om zich heen en telde luid de lichtjes langs het pad. Zijn tong zat gespannen tussen zijn lippen, zo hard deed hij zijn best om geen enkel lampje te missen.
‘1, 2, 3 …’
Traag ging hij langs het pad. Hij mocht niet lopen, hij mocht geen lichtje missen.
’… 8, 9, 10 …’
Hij bleef even staan. Hij was halfweg. Hij wilde achterom kijken om de afstand achter hem te zien, maar hield nog net in. ‘Niet achterom kijken,’ had de vrouw gezegd.
Snel ging hij weer verder.
’… 13, 14, 15 …’
Harry keek om zich heen. Er was niemand in de buurt en hij telde steeds luider en krachtiger. Nog even en hij was bij twintig. En er zijn zeker nog tien lichtjes te zien!
’… 18, 19, 20!’
Hij had de opdracht volbracht! Even bleef hij staan en keek om zich heen. Hij was benieuwd uit welke richting het geluk zou komen.
Maar het geluk kwam niet op hem af. Het bleef donker en stil. Misschien moest hij het geluk wel zelf tegemoet gaan? ‘Niet achterom kijken,’ zei de vrouw. ‘Ga altijd verder,’ zei ze ook.
Harry stapte verder en voelde zich licht en vrolijk, alsof twintig lichtjes hem vergezelden op zijn weg door het bos. Ook al kwam het geluk niet op hem af: zo blij als hij nu was, had hij zich nog nooit gevoeld.
‘Hé, waarom staat er zo’n mooie glimlach op je mond?’
Hij maakte een sprongetje, want het meisje dat ineens naast hem liep, had hij niet zien aankomen. Woonde ze dan in de bomen of tussen de struiken?
Maar ze gaf hem niet de kans om vragen te stellen.
‘Mag ik met je mee? Iemand die zo blij is als jij, gaat vast naar een plaats waar je heel gelukkig kan zijn.’
Harry snapte er niets van.
‘Ik .. Ik weet niet eens waar ik naartoe ga,’ zei hij terwijl hij een lach moest inslikken omwille van de vreemde vraag van het meisje.
‘Dan ga ik met je mee,’ zei het meisje. ‘En ik heet Happy.’

Ze nam Harry’s hand vast en liep met hem mee over het pad. Happy was mooi, zag Harry. Ze had blauwe ogen, witte tanden en glanzende wangen.
‘Ben jij misschien een prinses?’ vroeg Harry met bevende stem. Want zo mooi vond hij haar.
‘Neen,’ lachte Happy. ‘Ik ben geen prinses. Prinsessen bestaan niet. Ik ben het geluk en je hebt me gevonden omdat je lang hebt gezocht en je lachend en vrolijk om je heen keek.’
Harry moest er even over nadenken, maar kneep dan zachtjes in haar hand.
‘Nu zijn we allebei gelukkig,’ zei ze.

Samen liepen ze verder door het bos. Het was aardedonker, maar het pad dat ze volgden, leidde naar een feest van licht en kleur. Hetzelfde licht als dat wat hij zag toen hij uit de schoot van zijn mama kwam.
Het meisje liet zijn handen los als ze dicht bij het licht waren gekomen.
‘Hier gaan we ons huis bouwen,’ zei ze. ‘Ons huis van geluk.’
Ze keek Harry diep in de ogen reikte hem een grote bijl aan. Harry dacht niet na want hij kon niet wachten om dat huis te bouwen. Met alle macht die er in zijn armen zat, kapte hij de grootste boom uit het bos. Uit de boom maakte hij lange, stevige planken en met de planken bouwde hij het mooiste huis van het bos. Het was nog mooier dan het sprookjeshuis van de vrouw die hem de weg naar het geluk had getoond.
Zonder nadenken keek hij achterom en zocht naar het sprookjeshuis in de verte.  Te laat bedacht hij dat hij dat niet mocht doen. Ineens was de vrouw uit het sprookjeshuis bij hen in het huis.
Maar ze was niet meer vies, dof en vol groeven.
‘Ik ben blij dat je het geluk hebt gevonden,’ lachte ze.
‘Dat heb jij me getoond,’ prevelde Harry.
‘Ik ben gelukkig omdat ik jou geluk heb geschonken,’ zei ze. Maar dan keek ze Harry en Happy weer streng en lief tegelijk aan.
‘Nu moeten jullie dat ook doen. Ga op zoek naar de boom vol licht en hang de twintig lichtjes die je langs het pad hebt gevonden aan de takken van die boom. Twintig lichtjes zorgen voor twintig gelukkige kinderen.’
Harry keek aarzelend naar Happy. Ze kwam dicht bij hem staan en legde haar arm op zijn schouder. Samen keken ze om zich heen en zochten naar de bijzondere boom in de vlakte die voor hen lag. Hun ogen gleden over het landschap. De hoge huizen in de verte, het pad naar het donkere bos, de bomen in het licht van de sterren. Maar geen van de bomen die ze zagen was bijzonder.
Teleurgesteld keek Harry naar Happy.
We zullen die boom nooit vinden,’ klaagde hij. ‘Het is veel te donker.’
Happy keek diep in zijn ogen.
‘Natuurlijk zullen we die boom vinden,’ zei ze zacht en ze gaf Harry een zoen op zijn wang.
Harry voelde het geluk bonken in zijn hart. Nog nooit kreeg hij een zoen als deze. Happy nam zijn arm, stak hem in de hoogte en wees naar een glinsterende boom in het veld.
‘Zie je hem?’ fluisterde ze. ‘Zie je de boom van het geluk?’
Harry wou antwoorden maar schrok dan van de snerpende stem van de oude vrouw. Door al dat geluk om hen heen waren ze haar helemaal vergeten.
‘Ga nu!’ lachte ze rauw. ‘Ga, schenk licht en maak gelukkig! En kijk niet achterom!’

Happy aarzelde niet en huppelde vrolijk over het gras tussen de struiken in de richting van de bijzondere boom. Vol van vreugde liep Harry achter haar aan en al snel stonden ze bij de boom vol licht. Ze namen elkaars hand en keken met grote ogen door de takken van de boom naar de sterren in de hemel.
Ze maakten vele kinderen blij en leefden ook zelf nog lang en gelukkig.


Je kan het 'Magisch Park' bezoeken van 19 december tot 3 januari in het Park van de Bib in Wevelgem.
Alle info: https://www.wevelgem.be/magischpark
Op deze pagina kan je het verhaal ook beluisteren.

Meer voor kinderen:
De twiggies
- Keaukeaubelli
- De bib beu

https://www.youtube.com/watch?v=ovwXM_Qg52g


vrijdag 30 oktober 2020

Over ‘Bellenhof’ van Maaike Monkerhey

Vooral als het goed is, schrijf ik het graag. Onlangs las ik met veel plezier Bellenhof, de nieuwe roman van auteur Maaike Monkerhey uit Wijtschate. Voor het weblog van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers schreef ik er onderstaande recensie over.

In Jaarwerk MMXVI, het jaarboek 2016 van de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, gaf Paul Rigolle een mooie round up van hedendaagse auteurs die de Westhoek kozen als locatie voor een roman[1]. Het zijn er wel wat en lang niet allemaal wonen, of woonden, ze zelf in de Westhoek. Misschien vult Rigolle zijn lijstje aan voor een update binnen pakweg tien jaar. Een nieuwe naam wordt Maaike Monkerhey[2], die zich met Niet omkijken, Camille (2017) en Bellenhof (2020) een plekje in de Westhoekliteratuur heeft geschreven. Snel en overtuigend, maar misschien gaat het net wat makkelijker als je in Wijtschate woont, te midden het zoete Heuvelland en met een wonderlijk uitzicht op de Kemmelberg. De berg der bergen als je in de streek bent. 

Monkerhey’s debuutroman, Niet omkijken, Camille[3], richtte zich eerder naar lezers vanaf 12 jaar. De roman vertelt het waargebeurde vluchtverhaal van Camille Tiersen, een jongen van 12 die bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog samen met zijn familie en vrienden in Wijtschate woont. Ook Jet Marchau kan haar lijstje met West-Vlaamse jeugdauteurs die schreven over de Grote Oorlog, dat verscheen in Jaarwerk MMXV, dus aanvullen[4].

In de nieuwe volwassenenroman van Maaike Monkerhey, Bellenhof[5], is oorlog niet ver weg. In bijzonder sfeerscheppende openingsbladzijden introduceert de auteur een duister personage dat zich schimmig schuilhoudt op het erf van hoppeboer Florent en zijn zwangere vrouw Martha. Hij staat onder ruisende populieren en die herinneren hem schokkend aan een zin die hij niet meer uit zijn hoofd krijgt. ‘Da! Hinter diesen Pappeln! Hinter diesen Pappeln’. 

Toch is Bellenhof geen oorlogsroman. Het verhaal begint op 6 september 1944, de dag waarop Poolse bevrijders de grensstreek rond Poperinge bevrijden en een einde maken aan de Tweede Wereldoorlog. Het is een aangrijpende gebeurtenis die er mede voor zorgt dat Leo Lebbe twee maanden te vroeg wordt geboren. Bellenhof vertelt het verhaal van drie generaties Lebbes: vader Florent, zijn zoon Leo en diens dochter Isabelle, die in 2019 deelneemt aan de verkiezing van de hoppekoningin in Poperinge. 

Niet de oorlog, maar de hoppe is het overheersende thema in de roman. Vader Florents hart klopt op het ritme van de hoppeteelt. Elk jaar ontvangt hij na de zomer het plukvolk en het kotjesvolk, die alle bellen van zijn hopperanken komen plukken – Kort! Rap! En zonder blad! 

Zijn zoon Leo is 12 als hij in 1956 de plukkers woest ziet vertrekken als ze horen dat Florent een machine heeft gekocht en dat hij hen volgend jaar niet meer nodig zal hebben. Met de plukkers verdwijnt ook Elvire uit het leven van Leo, net voor ze de tijd kreeg om zijn eerste liefje te worden. Hun eerste zoen smaakte nog naar hoppe, maar dat zou vast niet blijven duren hebben. 

Het verdwijnen van de tradities en de modernisering van de landbouw zorgt ook in het leven van de Lebbes voor een omwenteling. In 1988 is Leo beenhouwer in Brussel en zijn vrouw is geen hoppeplukster in Poperinge, maar mannequin in Milaan. Hun werelden blijven niet matchen en Leo keert, radeloos en wanhopig, terug naar Poperinge. Hij landt er stilaan weer op zijn pootjes. ‘Ook als het moeilijk gaat. Net zoals de katten.’ Het zijn woorden die moeder Martha wel vaker in haar mond neemt.

Maaike Monkerhey schreef een boeiende en aangrijpende familiegeschiedenis. De drie generaties Lebbe introduceren de wereld van de hoppe – ‘vroeger en nu’. Begin september gaat het hart van de hoppetelers sneller kloppen: ‘Dit moment had elk jaar iets magisch. Leo’s hart maakte een sprongetje. Het hoppeveld en het erf zouden morgen gonzen van de drukte. Zo stil als het nu was, zo luidruchtig zou het er morgen en de dagen erna aan toe gaan’ (p. 60). Alle hoofdstukken in het boek spelen zich af in het begin van de maand september (in 1944, 1956, 1988, 1999, 2019 en 2020) en als lezer voel je al snel de spanning van de maand mee. 

Bellenhof zal in Poperinge en omstreken wellicht aan een grondig onderzoek worden onderworpen door plaatselijke heemkundigen en kroniekschrijvers van de hoppegeschiedenis. Ik ga ervan uit dat de roman de toets met verve zal doorstaan – Monkerhey besteedde veel tijd aan degelijke research, ging op zoek naar passionele vertellers over de hoppecultuur, organiseerde een koffieklets met kranige oudjes en beleefde ook zelf de pluk mee. Maar de roman is meer dan een hedendaagse streekroman of een nostalgische terugblik op een verdwijnende wereld. De drie generaties Lebbe komen tot leven als mensen van vlees en bloed en ze maken van Bellenhof evenzeer een boeiende ontwikkelingsroman. Hun angsten, hun vreugdes en hun verdriet zijn echt en doorleefd. 

Monkerhey schreef beklijvende passages in haar boek. De sfeer van de hoppeplukkers op het veld. De groeiende verliefdheid tussen de jonge Leo en Elvire en hoe de jongen met grote ogen het stevige rollebollen van Simon en Nel tussen de hopperanken gadeslaat. De autorit van de radeloze en verlaten Leo van Brussel naar Poperinge. De vranke en levenswijze mama en oma Martha. Met ‘We praten dan wel?’ helpt ze haar zoon als die niet wetend hoe te vertellen over zijn scheiding in de keuken staat. ‘Kind toch. Het staat zeker al tien dagen op je gezicht te lezen. Ik kon alleen nog niet raden wie de gelukkige was,’ zegt ze als kleindochter Isabelle zich verbaasd afvraagt hoe haar oma weet dat ze stapel is op Bert. En zo zijn er veel meer sublieme zinnetjes die bladzijden beschrijving onnodig maken. Er is veel en heel doeltreffend geschrapt in deze roman. 

Een keer vreesde ik dat het schrappen niet was gelukt. Vader Florent is bezeten door Guido Gezelle en laat dat van tijd tot tijd blijken door hele verzen van de priester-dichter te mompelen of te orakelen. Net voor ik dacht dat het teveel zou worden, hield het op. Zo brengt Gezelle wat extra West-Vlaamse kleur in de roman. Een klein eerbetoon, waar lees je die verzen anders nog? 

Ik was overigens opgelucht dat de personages van Monkerhey geen West-Vlaams praatten. Wat ze zeggen, staat in keurig Nederlands, de taal die hoort in een roman. Enkele cursieve streekwoorden zijn ruimschoots voldoende voor de regionale belevenis. Pupegoale, moekes, hommel en kallepein staan cursief. Frankrijk is ’t Fransche, een draagtas is een bazatse en paardenbloemen zijn pisseblommen. Maar plokken is plukken. 

Maaike Monkerhey schreef een boeiend en authentiek verhaal en ik vond het erg fijn om een roman lang op het Bellenhof te vertoeven. Volgend jaar ga ik tijdens het derde weekend van september naar de hoppefeesten. Naar ’t land van Poperinge en van den hommelpluk. 

De roman kreeg een bijzonder sfeervolle omslagtekening van Trui Chielens – nog een meisje uit de Westhoek. Niet twijfelen, maar lezen.

NOTEN

[1] Dertig dagen en een versierhandboek: de Westhoek in de recente Vlaamse literatuur / Paul Rigolle.// In: Jaarwerk MMXVI. – Brugge: Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, 2016. – P. 52-67
[2] Maaike Monkerhey (1979) woont in Wijtschate. Ze is onderwijzeres in een Steinerschool in Ieper en als auteur gebeten door taal en geschiedenis. Website: www.maaikemonkerhey.com/
[3] Niet omkijken, Camille / Maaike Monkerhey. – Meulebeke: Bibliodroom, 2017. – 183 p.
[4] Al die jonge mensen! Wat een zonde: West-Vlaamse jeugdauteurs en de Grote Oorlog / Jet Marchau.// In: Jaarwerk MMXV. – Brugge: Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, 2015. – P. 22-42
[5] Bellenhof / Maaike Monkerhey. – Meulebeke: Bibliodroom, 2020. – 216 p.

https://www.youtube.com/watch?v=ciNxNN90eSc


donderdag 13 augustus 2020

Rivier zonder water

We konden er niet omheen: ook onze zomer was een dicht-bij-huis-versie. Niets verkeerd aan overigens: we beleefden fijne dagen aan de Baai van de Somme (het leek wel of ik was op een Waddeneiland) en togen voor enkele dagen naar de speeltuin van mijn kindertijd: Remouchamps! 

Die wonderlijke Ardense gemeente heeft drie absolute hoogtepunten op haar grondgebied: haar Grotte (met de langste onderaardse boottocht ter wereld), haar Fonds de Quarreux en haar Ninglinspo. Volledigheidshalve moet ik aan dit lijstje eigenlijk nog Philippe Gilbert toevoegen, maar de man is nauwelijks thuis.
In de grot hadden we geen zin (de wachttijd aan het loket was véél te lang), maar de twee andere attracties waren het doel van deze minitrip. De wandeling langs de Ninglinspo, de enige Belgische rivier die formeel het statuut van ‘bergrivier’ mag opspelden, en een picknick op de Amblève, gezeten op een rots in de Fonds de Quarreux.
Zowel de rotsen van Quarreux als die van de Ninglinspo heb ik in mijn kindertijd platgetrapt. We huppelden van steen naar steen over de rivier, maakten stuwdammen die die van de Gileppe evenaarden, zwommen gezwind tussen de duivelsstenen van Quarreux of sprongen behendig van de ene steenklomp naar de andere met als doel zonder natte kleren de overkant te bereiken. Wat ons overigens nooit helemaal lukte.
Het zijn mythische plekken – in de Ardennen en in mijn herinnering. 

‘L’ Amblève? Il n’y a plus d’eau!’ klaagde de campinguitbater met wie ik een praatje wilde slaan (nuance: hij joeg me nogal brutaal van zijn terrein: ‘corona monsieur!’). Het klonk wat zorgwekkend. In de Fonds de Quarreux viel het al bij al nog mee: het water stroomde wat minder krachtig maar nog altijd even sierlijk en klaterend tussen de rotsen. Wat me op die plaats het meeste opviel, was dat ik zelf geen zin kreeg in de oversteek van de rivier maar veel meer genoegen nam in het nuttigen van een koud glas rosé gezeten op de grootste rots van de Amblève.
De tocht naar de Ninglinspo was anders. De zieltogende rivier (want dat is hij wel geworden: een rivier zonder water) werd overspoeld door hordes toeristen op zoek naar olijk vertier en dol vermaak. De parking die het startpunt van de wandeling is, stond bomvol en verder was de drukke weg van Remouchamps naar Stoumont omzoomd door een kilometerslange rij auto’s van toeristen die ineens zin hadden in een bergwandeling. Dat merkte je aan de teenslippers en sandaaltjes die ze droegen. Overigens niet alleen die: vergeet je mondmasker niet als je deze zomer de Ninglinspo wil afwandelen. Het hele traject van af de parkeerplaats hangt vol met bordjes ‘masque obligatoire’, inclusief controlerende agenten en boswachters (met quad). Een boswandeling met mondmasker, het is eens wat anders. Dat de kleine vallei van de Ninglinspo steeds meer op het klein strand van Oostende lijkt, is overigens de fout / verdienste van een beter lifestylemagazine. 

Ach, vroeger was alles beter. Deze zomer deden we enkel het begin van de wandeling en namen dan snel een zijweg naar de Roches Crahay. In mijn gedachten zong mijn vader ‘Hoog op de gele wagen’ en reed hij door berg en dal, terwijl nonkel Willy genoot van het landschap en zijn pijp. Enkele kilometers en wandeluurtjes verder had Prosper, de sympathieke uitbater van Le Moulin du Diable, alvast de Rochefort en de Chimay koel gezet.
Dat waren nog eens bergtochten!


Lees ook: Frozen river


zaterdag 21 maart 2020

De rijping van het verlangen

De titel van deze blogpost is wat collega-auteur Katrien Vervaele schreef toen ik gisteren op mijn Facebookpagina aankondigde dat de voorstelling van Zand is uitgesteld. Die was gepland voor zaterdag 18 april in de bibliotheek van Wevelgem. Alles was geregeld: dichter-schrijver Paul Rigolle had zijn spitante inleiding klaar, de recensie van Jooris Van Hulle stond klaar voor publicatie in MappaLibri, de schepen had zijn welkomstwoordje voorbereid en de gemeentelijke hostesses hadden de wijn al koel gezet. Theo Van Rijn en Alexander Roessen van uitgeverij LetterRijn waren klaar voor de reis met een koffer vol boeken vanuit de Randstad naar de uithoek van het Nederlandse taalgebied.
Al het bovenstaande gaat niet door en dat is heel jammer maar absoluut niet erg in de context van de wereldwijde coronacrisis. Ik citeer graag uitgever Theo Van Rijn: 'Het is helaas niet anders. Persoonlijk laat ik het maar over me heen komen in de wetenschap dat ik er niets aan kan veranderen.'

Zand is net als IJs een roman die je best leest tijdens een spannende zomer. Laat ons hopen dat iedereen die dat wenst het boek straks kan meenemen op reis, ook al leidt die dit jaar niet naar de andere kant van de wereld maar enkel naar de zonnigste kant van de tuin (maar dankzij het boek ook naar het mooie eiland Schiermonnikoog!) Laat het nu al een mooi vooruitzicht zijn en noteer Zand alvast op je zomerleeslijstje. Als je er nu al naar uitziet, wordt het leesgenot binnenkort alleen maar groter. De rijping van het verlangen!

Ik dacht na of ik iets kon doen om het coronaleed te verzachten. Zand is het zelfstandig leesbare vervolg op IJs. Wie de roman uit 2016 nog niet las, kan dit alsnog doen, het zal het Zand-plezier groter maken. Helaas (en gelukkig) zijn boekhandels en bibliotheken nu ook dicht, maar misschien kunnen ruilkastjes en burenafspraken helpen? Je kan het boek ook bestellen via de uitgeverij (het zijn de laatste exemplaren) en het boek is ook als e-book verkrijgbaar (hier bijvoorbeeld).

Ook hier en nu wil ik graag wat meer Zand onthullen in de hoop de verplichte thuisdagen een klein beetje op te vrolijken. Ik ging er even voor zitten en las het begin van het eerste hoofdstuk (de spannende proloog sla ik even over, die is op dit moment net wat te spoilerachtig en ik moet het verlangen laten rijpen ;-) )
Na het voorleesfragment kun je nog even naar Hessel, de Bruce Springsteen van het eiland Terschelling, luisteren. Hij figureerde al in Gek van een eiland en in IJs en in Zand piept hij ook weer even. Samen met zijn dochter Tess had de zanger en café-uitbater op 14 maart een uniek concert gepland voor een bomvol Rotterdam Ahoy, maar ook dat feestje ging niet door. In het lied hieronder zingt hij een nummer dat helemaal past bij Zand, maar verwoordt hij ook wat we deze zomer allemaal weer hopen te doen. En tot slot post ik nog een filmpje over Schiermonnikoog. Om even weg te dromen en te verlangen naar het wondermooie eiland en naar Zand.
Enjoy en hou het gezond.

Luister naar het begin van Zand:
https://youtu.be/SzMIF_pnR_k

Lijflied van Zand en van dit voorjaar:
https://www.youtube.com/watch?v=ojNqqQfH3Dk

Zo mooi is Schiermonnikoog, het decor van Zand:
https://www.youtube.com/watch?v=PwtbXzZMPhs


Boek bestellen?
Vanaf april kan je het boek bestellen bij de uitgeverij (hier) en bij alle (online) boekhandels (bijvoorbeeld deze).



zondag 15 maart 2020

Held in tijden van corona

Het is Jeugdboekenmaand en in deze periode gaan schrijvers en illustratoren de boer op (de bibliotheken en scholen in) om te vertellen over hun verhalen, hun tekeningen, hun passie en hun inspiratie. In het tweede deel van de maand had ik er nog een zestal in mijn agenda staan, maar die werden donderdag de ene na de andere afgeblazen. Ik wachtte al sinds dinsdag op de berichtjes en het was goed dat ze er kwamen. Zo belangrijk zijn die auteurslezingen nu ook weer niet als het er echt toe doet. Met het graag verdiende subsidiegeld kan ik me hoogstens een extra-vliegtuigticket naar Rome permitteren. Al ben ik in deze erg solidair met collega’s voor wie schrijven net iets levensbelangrijkers is dan voor mij. Ik weet ondertussen dat je van boeken schrijven niet rijk wordt en dat lezingen een welkome inkomstenbron kunnen zijn. Vergeet de broodschrijvers niet als je straks compensaties voor kunstenaars, artiesten en gezelschappen aankondigt, beste ministers.

Voor vrijdagmorgen 13 maart stonden twee lezingen in een nabije basisschool in mijn agenda. Ik polste voor alle zekerheid bij de schooldirectie of die wel zouden doorgaan, met de mededeling dat ze zeker niet voor mij moesten nalaten om die te annuleren. ‘Er werd al zoveel tofs afgelast voor onze zesdeklassers (fluofuif, een daguitstap naar Roeselare, bosklas) dat we hen jouw bezoek zeker niet willen ontnemen. Dus... je bent hartelijk welkom morgen op onze school!! We kijken er naar uit!’ antwoordde de directrice. Ik had meteen met haar, met haar leerkrachten en met haar leerlingen te doen. Al die mooie dingen die nu van de agenda verdwijnen. ’s Morgens snelde ik naar de school met in mijn hoofd het idee om er de beste lezingen ooit te geven - een klein beetje vreugde voor de leerlingen (soms ben ik ontzettend week). Het waren fantastische leerlingen en het werden heel leuke lezingen. Oké, de lezingen compenseren geen vervallen bosklas aan de voet van de Kemmelberg, maar toch.
Ook ’s middags zat corona mee aan de keukentafel. Mijn zoon, die werkt voor een warenhuis (niet de Colruyt, niet de Carrefour, niet de Aldi, niet de Albert Heijn maar het rijmt op bearnaise) sakkerde over het vreemde hamstergedrag van de klanten. Al snel hadden ook wij het over toiletpapier. En over bananen, die nu ongetwijfeld in grote hopen in Vlaamse keukens liggen te verrotten.
In de namiddag ging ik werken in de bib. ‘Werken’ was die namiddag: activiteiten annuleren, sprekers verwittigen, websiteberichten aanpassen, vergaderingen uitstellen, richtlijnen van het gemeentebestuur vertalen naar de bib, collega’s informeren, publieksloze werkuren veilig invullen. Het besef dat ook de langverwachte boekvoorstelling van mijn nieuwe roman stilaan in het gedrang komt, smaakt zuur. Maar ook dat moet dan maar. En kijk, zelfs de al even langverwachte reis naar Rome wordt een afknapper. Stilaan zoeken naar een bestemming dichterbij dan maar. Rijsel, Maastricht of Aken bijvoorbeeld. 

Er zijn lichtpuntjes. Ook in de bibliotheek wordt volop gehamsterd. Mensen organiseren zich nu alle uitstapjes en bezoekjes uit de agenda’s zijn geschrapt. Think positive! Eindelijk tijd voor een goed boek (of 10), een mooie film, een seriemarathon of een zoektocht naar nieuwe of oude muziek. Wie eraan twijfelde of bibliotheken er nog wel toe doen, werd vrijdag een serieuze hak gezet: ze leken minstens even belangrijk als toiletpapier.
En er is solidariteit. Zelfs de verzuurde ‘Je bent van’ - Facebookpagina’s staan op de rem. Neen, het is niet de fout van de burgemeester, dat corona-virus. Die veel te hete zomer, het dreigend watertekort, de vervuilde steden, de ellenlange files, de stickers op de vuilniszakken, Greta Thunberg: al dat echte of vermeende onheil werd de voorbije maanden in de schoenen van de man geschoven. Maar corona niet. Meer zelfs: op de verguisde pagina’s komen oproepen van burgers om boodschappen voor bejaarden te doen, middelbare scholieren bieden zich aan als babysitter, huisbazen halveren publiekelijk hun huurprijs voor horeca-huurders.

In de veelvoud van berichten zoek ik mijn weg niet, het is te veel. Maar er is een lichtbaken, een gids in deze woelige tijden. Al wie op zoek is naar een stem die duiding geeft in deze sombere dagen: vraag of Jeroen Olyslaegers je Facebookvriend wil worden. De schrijver is erg gul, veel kans dat hij je verzoek aanvaardt. Maar lukt het toch niet, snel dan naar de bibliotheek en leen een boek van hem (sic). Want zijn stem doet deugd en helpt. Hij was er snel bij om burgers ervan te weerhouden om hun tickets te laten terugbetalen door de al erg geteisterde organisatoren van voorstellingen en concerten. ‘Aan het publiek: wie tickets heeft gekocht, denk even na vooraleer uw geld terug te vragen. Als het écht nodig is, oké. maar als ge het u kunt veroorloven, laat het dan zo. Wees solidair met de mensen en instellingen die zich solidair en verantwoordelijk ten opzichte van uw veiligheid opstellen’ (hoofdletters van mezelf). Zijn oproep was lang voor de algemene annulering en lang voor minister-president Jambon eenzelfde oproep deed op de nationale televisie. Hij, de grote cultuurhater, stak zijn partners in crime een hart onder de riem - ik vond het chique en geloofwaardig. Jan en Jeroen zijn in het dagdagelijkse leven niet meteen elkaars beste vrienden, maar kijk: ook dat komt misschien nog goed (niet dus). Zelf vond ik het bijna jammer dat ik nog geen ticket voor de voorstelling van het plaatselijk amateurtoneel had gekocht. Het lukt me nu niet om het geld niét terug te vragen en een ticket kopen voor een geannuleerde voorstelling is nogal belachelijk.

Vrijdag was het een moment van overleg te onzes huizes. Gaan we nog een laatste pint drinken in de nabije stamkroeg? Even in De Grote Olyslaegers kijken dan maar: ‘Daarom, beste feesters: waarom vandaag nog naar een 'lockdown'-party gaan? Toch niet omdat het de allerlaatste keer is? Dat is bullshit & you know it. Binnen hopelijk afzienbare tijd zal er opnieuw gefeest kunnen worden, tot over de rand van het draaglijke zelfs, indien het moet. Maar nu nog feesten en uzelf wijs maken dat dit het onderste van de kan is, dat gij en gij alleen daar recht op hebt? Dan hebt ge het nog écht niet begrepen, zeg ik vriendelijk. LOMP is het, geen enkel ander woord deugt hier.’ Ik trok snel mijn pantoffels aan en vond het al gênant dat ik zelfs maar even had overwogen om er nog een keer stevig tegenaan te gaan.
Olyslaegers bevestigde me ook dat het echt verkeerd is om enige sympathie of een milde glimlach voor de immer handenschuddende JMDD te hebben, hij verraste met een écht grappige corona-post, laat niet na een medische gezondheidstip mee te geven en strooit met fijne boeken- en filmtips voor de lange thuisdagen.
Ook met de regering komt het alsnog goed. Bart De Wever wil een noodregering. Ik hield me in om te bedenken dat elke regering waar hij aan het hoofd zit, niet anders dan een noodregering kan zijn. Het is een uitgestoken hand die hoopvol stemt (ook al schudden we die voorlopig niet). Als Jan en Jeroen het in moeilijke tijden even met elkaar eens zijn, waarom Bart en ik niet? Uitzonderlijke omstandigheden vereisen uitzonderlijke maatregelen.
‘James!’



zaterdag 16 november 2019

De jubel in de ziel

De vraag of ik voor een jaarkalender iets columnachtigs over het thema gezondheid wou schrijven, overviel me tijdens mijn verblijf in Het Lijsternest, de schrijversresidentie in het huis van Stijn Streuvels in Ingooigem. Natuurlijk wou ik dat doen, al had ik geen idee wat ik hieromtrent kon schrijven. Het is mijn thema niet. Maar er was een deadline, dan kan je altijd schrijven.

Ik besloot mijn inspiratie te zoeken bij de man die gedurende twee weken de hele tijd naast mij op de stoel voor zijn beroemde raam zat. Stijn Streuvels dus. Ik had daar wel een bijzondere reden voor. De man werd maar liefst 98 jaar en in zijn biografie las ik nauwelijks iets over zware ziekten, gebreken of andere rariteiten – ja, zijn woordkeuze was soms een beetje speciaal.
Hoe zou Stijn Streuvels het hebben klaargespeeld om zo lang zo gezond te blijven leven? Lezend in zijn oeuvre bots je op krakkemikkige personages met kreupele benen, verminkte armen, misvormde ruggen en fletse ogen en hij beschrijft al die afwijkingen en gebrekkigheden met kennis van zaken, souplesse en inleving. Alsof hij zelf sakkerend van de helse pijnen aan zijn schrijfmachine zat. Niet dus, Stijn blaakte van gezondheid en hij ploegde altijd maar voort. 98 jaar lang waarvan meer dan 60 jaar vanuit zijn zelfgebouwde Lijsternest. 

Ik heb stilaan genoeg over hem gelezen om te weten hoe zijn dagen er zo ongeveer uitzagen. De opdracht lijkt ineens poepsimpel: als ik precies doe wat hij deed, word ik met de vingers in de neus ook 98 jaar en gezien de steeds stijgende levensverwachting moet het me zelfs lukken om probleemloos de kaap van 100 te overschrijden. Gewoon doen wat hij deed.
Hoe word je Streuvels? Zijn dagen hadden een vast patroon. Hij nam de tijd voor zijn ontbijt – een goede boterham, met confituur die zijn Alida zelf had gemaakt, en verse koffie. De hele morgen was hij aan het werk in zijn moestuin en die was niet klein. Vaak ging hij ook wandelen in het landschap voor zijn raam of dretste hij met zijn fiets naar Kortrijk of de Kluisberg. Als noeneten at hij gezond Vlaams, veelal uit eigen tuin. In de namiddag trok hij zich terug in zijn werkkamer en ging hij aan zijn beroemde raam zitten, schrijvend over de landmannen die wrochten en wroetten in de vette aarde en die sukkelden op het land en met hun gezondheid. Als hij vond dat hij genoeg had geschreven, was het tijd voor het avondeten, waarna hij in zijn boeken dook. Hij las vooral Duitse en Noorse schrijvers en de gedichten van nonkel Guido.
Bovenstaande opsomming is niet hoopgevend want veel gelijkenissen zijn er niet. Ik ga elke dag werken en mijn ritme wordt bepaald door de regels van een tijdsregistratiesysteem dat me oplegt wanneer ik kan beginnen en beschikken. Een eigen moestuin heb ik niet en die wil ik eigenlijk ook niet. Het meest nabije warenhuis dan maar. Ik heb niet elke namiddag, maar alleen soms op zondag tijd om aan mijn raam te schrijven en dat ziet niet uit op een glooiende en rollende groene vlakte, maar op een grijze garagestraat en een sombere fabrieksloods waar geen mens meer wroet. 
In het fietsen zie ik wel een verband. Vergeleken met dat van de wielertoeristen die elke zondagmorgen in schreeuwerige pakjes, met gladgeschoren kuiten en op blinkende fietsen aan mijn voordeur passeren, kun je mijn fietsgedrag ook Streuveliaans dretsen noemen. Ooit was wielergod Gino Bartali te gast in het Lijsternest. ‘Ik ben blij dat ik al die boeken niet moet lezen,’ zei hij, waarop Streuvels repliceerde: ‘Ik ben blij dat ik niet over die hoge Italiaanse en Franse bergen moet fietsen.’ Dat hebben we dan wel weer gemeen, Stijn en ik. Ik fiets ook liever rond dan over de Kemmelberg (of de Tiegemberg).
Schrijven doen we allebei: ik soms een klein beetje, hij altijd heel veel. We hebben ook gemeen dat we graag en voortdurend lezen, maar ik heb geen Duitse en Noorse schrijvers op mijn leeslijstje staan. Ik vrees dat kijken naar Scandinavische misdaadreeksen niet het vereiste helende effect op mijn gezondheid zal hebben en al zeker niet als ik die wankele Wallander over het scherm zie sukkelen. Hij zou stilaan perfect passen voor de rol van boer Vermeulen als het weer eens tijd is voor een periodieke verfilming van De Vlaschaard.

Neen, ik word geen 100, vrees ik. Daarvoor ben ik net niet Streuvels genoeg. Maar ik streef na wat hij ook probeerde: me in niets geen zwarigheden maken en de jubel in de ziel voelen als ik elke morgen brede gedachten krijg als ik vanuit mijn raam de mensen kan gadeslaan in hun doen.
98 is ook al goed.


Lees ook: Selfie met raam


zaterdag 3 augustus 2019

Achterop de fiets

Deze zomer planden we weer eens een rondje Nederland en schrijver Jan Wolkers was hierbij onze gedegen gids.

Het begon in Haarlem – heel fijne stad en wat zijn die hofjes charmant. De hele binnenstad is er autovrij en dat lukt wonderwel (ineens snapte ik niet dat het in pakweg Gent en Brugge zo moeilijk lijkt om auto’s uit de stad te weren). En of er gefietst wordt! Van op ons terras aan het stationsplein zagen we één lange file fietsers in de meest verscheiden vormen en genres voorbijrijden. Een lust voor het oog. Dat waren ook de vele vrouwen en meisjes die in amazonezit achterop de fiets van hun vriend zaten en vrolijk en vrij over de klinkers peddelden. Het mag vast niet meer bij ons. Dat regeltje schrappen we dan wat mij betreft zo snel mogelijk uit het wetboek.
De Hollandse meisjes achterop de fiets deden me prompt aan de iconische fietsscène in Turks Fruit denken. Zo schreden Rutger Hauer en Monique van de Ven door Amsterdam, even onbekommerd en vrolijk als het begeleidende deuntje van Toots. Onderwijl scharrelde lefgozer Erik een ijsje uit de handen van een brave man terwijl hij zijn Olga – dat mistige rooie beest – slingerend, uitdagend en onveilig door de stad voerde. Zo fiets je dus in Holland – toen en nu nog.
Mijn gemijmer won aan kracht toen we in de Kruisweg een zaak opmerkten met de naam Turks Fruit – wat ze er verkochten, kon ik afleiden uit de pittige kruidengeur die even verder de straat binnen waaide.

Die doordringende kruidengeur liet ons niet los toen we een dagje naar Amsterdam gingen. Het was een slecht idee vanwege veel te warm, maar ik wilde de grachtengordel nog eens zien, ik wilde as a hippie in het Vondelpark wandelen, op de Dam staan, slenteren door de Jordaan, flaneren op het Museumplein en op het Spui een blik wisselen met het Amsterdamse Lieverdje. En uiteraard: boekhandel Athenaeum binnengaan en snuffelen tussen véél en ándere boeken. Ik deed het allemaal, de verstikkende zon en de bijzondere kruidengeur nam ik er graag bij. 
En toen, in de Kalverstraat, sijpelde het bericht binnen. ‘Acteur Rutger Hauer is op 75-jarige leeftijd overleden’. Het kon niet anders of dit zou een schok geven in hartje Amsterdam. Ik keek naar de mensen om me heen, maar niemand gaf een krimp. Ook de meisjes bleven gewoon achterop de fiets zitten, geen één die haar man als stil eerbetoon wat steviger vastnam. In de boekhandel ging ik op zoek: in een verloren hoek vond ik de 576ste herdruk van Turks Fruit. Het leven ging voort. In een bericht in De Telegraaf vertelde actrice Willeke van Ammelrooy dat zij Hauers eerste grote liefde was. ‘Toen ik achterop de fiets zat bij Hauer sloegen de vonken over.’ Zekerheden.

Na Haarlem en Amsterdam reisden we naar Texel, het eiland van Turks Fruit’s Jan Wolkers. Wolkers kwam er in 1980 samen met zijn muze en echtgenote Karina wonen en schrijven en overleed er in zijn slaap op 19 oktober 2007. In 1971 verbleven hij en Godfried Bomans om beurt drie weken op het onbewoonde eiland Rottummerplaat. Bomans werd er gek en vluchtte weer naar de stad, Wolkers was gek van de Wadden en ruilde Amsterdam voor Texel. Hij ging er wonen in een bungalow aan de rand van de bossen op de Rozendijk. Hij genoot er van het uitzicht op het Texelse Oude Land en dat heerlijke witte kerkje met zijn schuine toren. Wij verbleven in het stille Den Hoorn in een omgebouwde schapenboet in de Hoge Achterom en genoten er ’s avonds op ons terras, het mooiste van het eiland, van hetzelfde oude land en witte kerkje en van de zon die ‘bloedrood onderging in een orgie van kitschwolkjes’, lezend in Kamer in Oostende en dromend van Hollandse meisjes achterop de fiets. Toen en nu nog altijd.
We huurden een fiets om over de Eierlandse duinen te fietsen, want ‘daar is de zee groen en geel en roze. Een voorwereldlijk angsttafereel’, schreef Wolkers. Ik stelde voor om slechts één fiets te huren, maar dat kon niet. De fietsverhuurder was kordaat: ‘niet met de fiets op het strand en slechts één persoon per fiets’.
Ongehinderd penetrante kruidengeuren verspreiden mag, maar je vrouw achterop de fiets: dat dan weer niet.

https://www.youtube.com/watch?v=BF5-qHKGtWY