Pagina's

donderdag 13 augustus 2020

Rivier zonder water

We konden er niet omheen: ook onze zomer was een dicht-bij-huis-versie. Niets verkeerd aan overigens: we beleefden fijne dagen aan de Baai van de Somme (het leek wel of ik was op een Waddeneiland) en togen voor enkele dagen naar de speeltuin van mijn kindertijd: Remouchamps! 

Die wonderlijke Ardense gemeente heeft drie absolute hoogtepunten op haar grondgebied: haar Grotte (met de langste onderaardse boottocht ter wereld), haar Fonds de Quarreux en haar Ninglinspo. Volledigheidshalve moet ik aan dit lijstje eigenlijk nog Philippe Gilbert toevoegen, maar de man is nauwelijks thuis.
In de grot hadden we geen zin (de wachttijd aan het loket was véél te lang), maar de twee andere attracties waren het doel van deze minitrip. De wandeling langs de Ninglinspo, de enige Belgische rivier die formeel het statuut van ‘bergrivier’ mag opspelden, en een picknick op de Amblève, gezeten op een rots in de Fonds de Quarreux.
Zowel de rotsen van Quarreux als die van de Ninglinspo heb ik in mijn kindertijd platgetrapt. We huppelden van steen naar steen over de rivier, maakten stuwdammen die die van de Gileppe evenaarden, zwommen gezwind tussen de duivelsstenen van Quarreux of sprongen behendig van de ene steenklomp naar de andere met als doel zonder natte kleren de overkant te bereiken. Wat ons overigens nooit helemaal lukte.
Het zijn mythische plekken – in de Ardennen en in mijn herinnering. 

‘L’ Amblève? Il n’y a plus d’eau!’ klaagde de campinguitbater met wie ik een praatje wilde slaan (nuance: hij joeg me nogal brutaal van zijn terrein: ‘corona monsieur!’). Het klonk wat zorgwekkend. In de Fonds de Quarreux viel het al bij al nog mee: het water stroomde wat minder krachtig maar nog altijd even sierlijk en klaterend tussen de rotsen. Wat me op die plaats het meeste opviel, was dat ik zelf geen zin kreeg in de oversteek van de rivier maar veel meer genoegen nam in het nuttigen van een koud glas rosé gezeten op de grootste rots van de Amblève.
De tocht naar de Ninglinspo was anders. De zieltogende rivier (want dat is hij wel geworden: een rivier zonder water) werd overspoeld door hordes toeristen op zoek naar olijk vertier en dol vermaak. De parking die het startpunt van de wandeling is, stond bomvol en verder was de drukke weg van Remouchamps naar Stoumont omzoomd door een kilometerslange rij auto’s van toeristen die ineens zin hadden in een bergwandeling. Dat merkte je aan de teenslippers en sandaaltjes die ze droegen. Overigens niet alleen die: vergeet je mondmasker niet als je deze zomer de Ninglinspo wil afwandelen. Het hele traject van af de parkeerplaats hangt vol met bordjes ‘masque obligatoire’, incluis controlerende agenten en boswachters (met quad). Een boswandeling met mondmasker, het is eens wat anders. Dat de kleine vallei van de Ninglinspo steeds meer op het klein strand van Oostende lijkt, is overigens de fout / verdienste van een beter lifestylemagazine. 

Ach, vroeger was alles beter. Deze zomer deden we enkel het begin van de wandeling en namen dan snel een zijweg naar de Roches Crahay. In mijn gedachten zong mijn vader ‘Hoog op de gele wagen’ en reed hij door berg en dal, terwijl nonkel Willy genoot van het landschap en zijn pijp. Enkele kilometers en wandeluurtjes verder had Prosper, de sympathieke uitbater van Le Moulin du Diable, alvast de Rochefort en de Chimay koel gezet.
Dat waren nog eens bergtochten!


Lees ook: Frozen river


zaterdag 21 maart 2020

De rijping van het verlangen

De titel van deze blogpost is wat collega-auteur Katrien Vervaele schreef toen ik gisteren op mijn Facebookpagina aankondigde dat de voorstelling van Zand is uitgesteld. Die was gepland voor zaterdag 18 april in de bibliotheek van Wevelgem. Alles was geregeld: dichter-schrijver Paul Rigolle had zijn spitante inleiding klaar, de recensie van Jooris Van Hulle stond klaar voor publicatie in MappaLibri, de schepen had zijn welkomstwoordje voorbereid en de gemeentelijke hostesses hadden de wijn al koel gezet. Theo Van Rijn en Alexander Roessen van uitgeverij LetterRijn waren klaar voor de reis met een koffer vol boeken vanuit de Randstad naar de uithoek van het Nederlandse taalgebied.
Al het bovenstaande gaat niet door en dat is heel jammer maar absoluut niet erg in de context van de wereldwijde coronacrisis. Ik citeer graag uitgever Theo Van Rijn: 'Het is helaas niet anders. Persoonlijk laat ik het maar over me heen komen in de wetenschap dat ik er niets aan kan veranderen.'

Zand is net als IJs een roman die je best leest tijdens een spannende zomer. Laat ons hopen dat iedereen die dat wenst het boek straks kan meenemen op reis, ook al leidt die dit jaar niet naar de andere kant van de wereld maar enkel naar de zonnigste kant van de tuin (maar dankzij het boek ook naar het mooie eiland Schiermonnikoog!) Laat het nu al een mooi vooruitzicht zijn en noteer Zand alvast op je zomerleeslijstje. Als je er nu al naar uitziet, wordt het leesgenot binnenkort alleen maar groter. De rijping van het verlangen!

Ik dacht na of ik iets kon doen om het coronaleed te verzachten. Zand is het zelfstandig leesbare vervolg op IJs. Wie de roman uit 2016 nog niet las, kan dit alsnog doen, het zal het Zand-plezier groter maken. Helaas (en gelukkig) zijn boekhandels en bibliotheken nu ook dicht, maar misschien kunnen ruilkastjes en burenafspraken helpen? Je kan het boek ook bestellen via de uitgeverij (het zijn de laatste exemplaren) en het boek is ook als e-book verkrijgbaar (hier bijvoorbeeld).

Ook hier en nu wil ik graag wat meer Zand onthullen in de hoop de verplichte thuisdagen een klein beetje op te vrolijken. Ik ging er even voor zitten en las het begin van het eerste hoofdstuk (de spannende proloog sla ik even over, die is op dit moment net wat te spoilerachtig en ik moet het verlangen laten rijpen ;-) )
Na het voorleesfragment kun je nog even naar Hessel, de Bruce Springsteen van het eiland Terschelling, luisteren. Hij figureerde al in Gek van een eiland en in IJs en in Zand piept hij ook weer even. Samen met zijn dochter Tess had de zanger en café-uitbater op 14 maart een uniek concert gepland voor een bomvol Rotterdam Ahoy, maar ook dat feestje ging niet door. In het lied hieronder zingt hij een nummer dat helemaal past bij Zand, maar verwoordt hij ook wat we deze zomer allemaal weer hopen te doen. En tot slot post ik nog een filmpje over Schiermonnikoog. Om even weg te dromen en te verlangen naar het wondermooie eiland en naar Zand.
Enjoy en hou het gezond.

Luister naar het begin van Zand:
https://youtu.be/SzMIF_pnR_k

Lijflied van Zand en van dit voorjaar:
https://www.youtube.com/watch?v=ojNqqQfH3Dk

Zo mooi is Schiermonnikoog, het decor van Zand:
https://www.youtube.com/watch?v=PwtbXzZMPhs


Boek bestellen?
Vanaf april kan je het boek bestellen bij de uitgeverij (hier) en bij alle (online) boekhandels (bijvoorbeeld deze).



zondag 15 maart 2020

Held in tijden van corona

Het is Jeugdboekenmaand en in deze periode gaan schrijvers en illustratoren de boer op (de bibliotheken en scholen in) om te vertellen over hun verhalen, hun tekeningen, hun passie en hun inspiratie. In het tweede deel van de maand had ik er nog een zestal in mijn agenda staan, maar die werden donderdag de ene na de andere afgeblazen. Ik wachtte al sinds dinsdag op de berichtjes en het was goed dat ze er kwamen. Zo belangrijk zijn die auteurslezingen nu ook weer niet als het er echt toe doet. Met het graag verdiende subsidiegeld kan ik me hoogstens een extra-vliegtuigticket naar Rome permitteren. Al ben ik in deze erg solidair met collega’s voor wie schrijven net iets levensbelangrijkers is dan voor mij. Ik weet ondertussen dat je van boeken schrijven niet rijk wordt en dat lezingen een welkome inkomstenbron kunnen zijn. Vergeet de broodschrijvers niet als je straks compensaties voor kunstenaars, artiesten en gezelschappen aankondigt, beste ministers.

Voor vrijdagmorgen 13 maart stonden twee lezingen in een nabije basisschool in mijn agenda. Ik polste voor alle zekerheid bij de schooldirectie of die wel zouden doorgaan, met de mededeling dat ze zeker niet voor mij moesten nalaten om die te annuleren. ‘Er werd al zoveel tofs afgelast voor onze zesdeklassers (fluofuif, een daguitstap naar Roeselare, bosklas) dat we hen jouw bezoek zeker niet willen ontnemen. Dus... je bent hartelijk welkom morgen op onze school!! We kijken er naar uit!’ antwoordde de directrice. Ik had meteen met haar, met haar leerkrachten en met haar leerlingen te doen. Al die mooie dingen die nu van de agenda verdwijnen. ’s Morgens snelde ik naar de school met in mijn hoofd het idee om er de beste lezingen ooit te geven - een klein beetje vreugde voor de leerlingen (soms ben ik ontzettend week). Het waren fantastische leerlingen en het werden heel leuke lezingen. Oké, de lezingen compenseren geen vervallen bosklas aan de voet van de Kemmelberg, maar toch.
Ook ’s middags zat corona mee aan de keukentafel. Mijn zoon, die werkt voor een warenhuis (niet de Colruyt, niet de Carrefour, niet de Aldi, niet de Albert Heijn maar het rijmt op bearnaise) sakkerde over het vreemde hamstergedrag van de klanten. Al snel hadden ook wij het over toiletpapier. En over bananen, die nu ongetwijfeld in grote hopen in Vlaamse keukens liggen te verrotten.
In de namiddag ging ik werken in de bib. ‘Werken’ was die namiddag: activiteiten annuleren, sprekers verwittigen, websiteberichten aanpassen, vergaderingen uitstellen, richtlijnen van het gemeentebestuur vertalen naar de bib, collega’s informeren, publieksloze werkuren veilig invullen. Het besef dat ook de langverwachte boekvoorstelling van mijn nieuwe roman stilaan in het gedrang komt, smaakt zuur. Maar ook dat moet dan maar. En kijk, zelfs de al even langverwachte reis naar Rome wordt een afknapper. Stilaan zoeken naar een bestemming dichterbij dan maar. Rijsel, Maastricht of Aken bijvoorbeeld. 

Er zijn lichtpuntjes. Ook in de bibliotheek wordt volop gehamsterd. Mensen organiseren zich nu alle uitstapjes en bezoekjes uit de agenda’s zijn geschrapt. Think positive! Eindelijk tijd voor een goed boek (of 10), een mooie film, een seriemarathon of een zoektocht naar nieuwe of oude muziek. Wie eraan twijfelde of bibliotheken er nog wel toe doen, werd vrijdag een serieuze hak gezet: ze leken minstens even belangrijk als toiletpapier.
En er is solidariteit. Zelfs de verzuurde ‘Je bent van’ - Facebookpagina’s staan op de rem. Neen, het is niet de fout van de burgemeester, dat corona-virus. Die veel te hete zomer, het dreigend watertekort, de vervuilde steden, de ellenlange files, de stickers op de vuilniszakken, Greta Thunberg: al dat echte of vermeende onheil werd de voorbije maanden in de schoenen van de man geschoven. Maar corona niet. Meer zelfs: op de verguisde pagina’s komen oproepen van burgers om boodschappen voor bejaarden te doen, middelbare scholieren bieden zich aan als babysitter, huisbazen halveren publiekelijk hun huurprijs voor horeca-huurders.

In de veelvoud van berichten zoek ik mijn weg niet, het is te veel. Maar er is een lichtbaken, een gids in deze woelige tijden. Al wie op zoek is naar een stem die duiding geeft in deze sombere dagen: vraag of Jeroen Olyslaegers je Facebookvriend wil worden. De schrijver is erg gul, veel kans dat hij je verzoek aanvaardt. Maar lukt het toch niet, snel dan naar de bibliotheek en leen een boek van hem (sic). Want zijn stem doet deugd en helpt. Hij was er snel bij om burgers ervan te weerhouden om hun tickets te laten terugbetalen door de al erg geteisterde organisatoren van voorstellingen en concerten. ‘Aan het publiek: wie tickets heeft gekocht, denk even na vooraleer uw geld terug te vragen. Als het écht nodig is, oké. maar als ge het u kunt veroorloven, laat het dan zo. Wees solidair met de mensen en instellingen die zich solidair en verantwoordelijk ten opzichte van uw veiligheid opstellen’ (hoofdletters van mezelf). Zijn oproep was lang voor de algemene annulering en lang voor minister-president Jambon eenzelfde oproep deed op de nationale televisie. Hij, de grote cultuurhater, stak zijn partners in crime een hart onder de riem - ik vond het chique en geloofwaardig. Jan en Jeroen zijn in het dagdagelijkse leven niet meteen elkaars beste vrienden, maar kijk: ook dat komt misschien nog goed (niet dus). Zelf vond ik het bijna jammer dat ik nog geen ticket voor de voorstelling van het plaatselijk amateurtoneel had gekocht. Het lukt me nu niet om het geld niét terug te vragen en een ticket kopen voor een geannuleerde voorstelling is nogal belachelijk.

Vrijdag was het een moment van overleg te onzes huizes. Gaan we nog een laatste pint drinken in de nabije stamkroeg? Even in De Grote Olyslaegers kijken dan maar: ‘Daarom, beste feesters: waarom vandaag nog naar een 'lockdown'-party gaan? Toch niet omdat het de allerlaatste keer is? Dat is bullshit & you know it. Binnen hopelijk afzienbare tijd zal er opnieuw gefeest kunnen worden, tot over de rand van het draaglijke zelfs, indien het moet. Maar nu nog feesten en uzelf wijs maken dat dit het onderste van de kan is, dat gij en gij alleen daar recht op hebt? Dan hebt ge het nog écht niet begrepen, zeg ik vriendelijk. LOMP is het, geen enkel ander woord deugt hier.’ Ik trok snel mijn pantoffels aan en vond het al gênant dat ik zelfs maar even had overwogen om er nog een keer stevig tegenaan te gaan.
Olyslaegers bevestigde me ook dat het echt verkeerd is om enige sympathie of een milde glimlach voor de immer handenschuddende JMDD te hebben, hij verraste met een écht grappige corona-post, laat niet na een medische gezondheidstip mee te geven en strooit met fijne boeken- en filmtips voor de lange thuisdagen.
Ook met de regering komt het alsnog goed. Bart De Wever wil een noodregering. Ik hield me in om te bedenken dat elke regering waar hij aan het hoofd zit, niet anders dan een noodregering kan zijn. Het is een uitgestoken hand die hoopvol stemt (ook al schudden we die voorlopig niet). Als Jan en Jeroen het in moeilijke tijden even met elkaar eens zijn, waarom Bart en ik niet? Uitzonderlijke omstandigheden vereisen uitzonderlijke maatregelen.
‘James!’



zaterdag 16 november 2019

De jubel in de ziel

De vraag of ik voor een jaarkalender iets columnachtigs over het thema gezondheid wou schrijven, overviel me tijdens mijn verblijf in Het Lijsternest, de schrijversresidentie in het huis van Stijn Streuvels in Ingooigem. Natuurlijk wou ik dat doen, al had ik geen idee wat ik hieromtrent kon schrijven. Het is mijn thema niet. Maar er was een deadline, dan kan je altijd schrijven.

Ik besloot mijn inspiratie te zoeken bij de man die gedurende twee weken de hele tijd naast mij op de stoel voor zijn beroemde raam zat. Stijn Streuvels dus. Ik had daar wel een bijzondere reden voor. De man werd maar liefst 98 jaar en in zijn biografie las ik nauwelijks iets over zware ziekten, gebreken of andere rariteiten – ja, zijn woordkeuze was soms een beetje speciaal.
Hoe zou Stijn Streuvels het hebben klaargespeeld om zo lang zo gezond te blijven leven? Lezend in zijn oeuvre bots je op krakkemikkige personages met kreupele benen, verminkte armen, misvormde ruggen en fletse ogen en hij beschrijft al die afwijkingen en gebrekkigheden met kennis van zaken, souplesse en inleving. Alsof hij zelf sakkerend van de helse pijnen aan zijn schrijfmachine zat. Niet dus, Stijn blaakte van gezondheid en hij ploegde altijd maar voort. 98 jaar lang waarvan meer dan 60 jaar vanuit zijn zelfgebouwde Lijsternest. 

Ik heb stilaan genoeg over hem gelezen om te weten hoe zijn dagen er zo ongeveer uitzagen. De opdracht lijkt ineens poepsimpel: als ik precies doe wat hij deed, word ik met de vingers in de neus ook 98 jaar en gezien de steeds stijgende levensverwachting moet het me zelfs lukken om probleemloos de kaap van 100 te overschrijden. Gewoon doen wat hij deed.
Hoe word je Streuvels? Zijn dagen hadden een vast patroon. Hij nam de tijd voor zijn ontbijt – een goede boterham, met confituur die zijn Alida zelf had gemaakt, en verse koffie. De hele morgen was hij aan het werk in zijn moestuin en die was niet klein. Vaak ging hij ook wandelen in het landschap voor zijn raam of dretste hij met zijn fiets naar Kortrijk of de Kluisberg. Als noeneten at hij gezond Vlaams, veelal uit eigen tuin. In de namiddag trok hij zich terug in zijn werkkamer en ging hij aan zijn beroemde raam zitten, schrijvend over de landmannen die wrochten en wroetten in de vette aarde en die sukkelden op het land en met hun gezondheid. Als hij vond dat hij genoeg had geschreven, was het tijd voor het avondeten, waarna hij in zijn boeken dook. Hij las vooral Duitse en Noorse schrijvers en de gedichten van nonkel Guido.
Bovenstaande opsomming is niet hoopgevend want veel gelijkenissen zijn er niet. Ik ga elke dag werken en mijn ritme wordt bepaald door de regels van een tijdsregistratiesysteem dat me oplegt wanneer ik kan beginnen en beschikken. Een eigen moestuin heb ik niet en die wil ik eigenlijk ook niet. Het meest nabije warenhuis dan maar. Ik heb niet elke namiddag, maar alleen soms op zondag tijd om aan mijn raam te schrijven en dat ziet niet uit op een glooiende en rollende groene vlakte, maar op een grijze garagestraat en een sombere fabrieksloods waar geen mens meer wroet. 
In het fietsen zie ik wel een verband. Vergeleken met dat van de wielertoeristen die elke zondagmorgen in schreeuwerige pakjes, met gladgeschoren kuiten en op blinkende fietsen aan mijn voordeur passeren, kun je mijn fietsgedrag ook Streuveliaans dretsen noemen. Ooit was wielergod Gino Bartali te gast in het Lijsternest. ‘Ik ben blij dat ik al die boeken niet moet lezen,’ zei hij, waarop Streuvels repliceerde: ‘Ik ben blij dat ik niet over die hoge Italiaanse en Franse bergen moet fietsen.’ Dat hebben we dan wel weer gemeen, Stijn en ik. Ik fiets ook liever rond dan over de Kemmelberg (of de Tiegemberg).
Schrijven doen we allebei: ik soms een klein beetje, hij altijd heel veel. We hebben ook gemeen dat we graag en voortdurend lezen, maar ik heb geen Duitse en Noorse schrijvers op mijn leeslijstje staan. Ik vrees dat kijken naar Scandinavische misdaadreeksen niet het vereiste helende effect op mijn gezondheid zal hebben en al zeker niet als ik die wankele Wallander over het scherm zie sukkelen. Hij zou stilaan perfect passen voor de rol van boer Vermeulen als het weer eens tijd is voor een periodieke verfilming van De Vlaschaard.

Neen, ik word geen 100, vrees ik. Daarvoor ben ik net niet Streuvels genoeg. Maar ik streef na wat hij ook probeerde: me in niets geen zwarigheden maken en de jubel in de ziel voelen als ik elke morgen brede gedachten krijg als ik vanuit mijn raam de mensen kan gadeslaan in hun doen.
98 is ook al goed.

Meer info over de kalender.



zaterdag 3 augustus 2019

Achterop de fiets

Deze zomer planden we weer eens een rondje Nederland en schrijver Jan Wolkers was hierbij onze gedegen gids.

Het begon in Haarlem – heel fijne stad en wat zijn die hofjes charmant. De hele binnenstad is er autovrij en dat lukt wonderwel (ineens snapte ik niet dat het in pakweg Gent en Brugge zo moeilijk lijkt om auto’s uit de stad te weren). En of er gefietst wordt! Van op ons terras aan het stationsplein zagen we één lange file fietsers in de meest verscheiden vormen en genres voorbijrijden. Een lust voor het oog. Dat waren ook de vele vrouwen en meisjes die in amazonezit achterop de fiets van hun vriend zaten en vrolijk en vrij over de klinkers peddelden. Het mag vast niet meer bij ons. Dat regeltje schrappen we dan wat mij betreft zo snel mogelijk uit het wetboek.
De Hollandse meisjes achterop de fiets deden me prompt aan de iconische fietsscène in Turks Fruit denken. Zo schreden Rutger Hauer en Monique van de Ven door Amsterdam, even onbekommerd en vrolijk als het begeleidende deuntje van Toots. Onderwijl scharrelde lefgozer Erik een ijsje uit de handen van een brave man terwijl hij zijn Olga – dat mistige rooie beest – slingerend, uitdagend en onveilig door de stad voerde. Zo fiets je dus in Holland – toen en nu nog.
Mijn gemijmer won aan kracht toen we in de Kruisweg een zaak opmerkten met de naam Turks Fruit – wat ze er verkochten, kon ik afleiden uit de pittige kruidengeur die even verder de straat binnen waaide.

Die doordringende kruidengeur liet ons niet los toen we een dagje naar Amsterdam gingen. Het was een slecht idee vanwege veel te warm, maar ik wilde de grachtengordel nog eens zien, ik wilde as a hippie in het Vondelpark wandelen, op de Dam staan, slenteren door de Jordaan, flaneren op het Museumplein en op het Spui een blik wisselen met het Amsterdamse Lieverdje. En uiteraard: boekhandel Athenaeum binnengaan en snuffelen tussen véél en ándere boeken. Ik deed het allemaal, de verstikkende zon en de bijzondere kruidengeur nam ik er graag bij. 
En toen, in de Kalverstraat, sijpelde het bericht binnen. ‘Acteur Rutger Hauer is op 75-jarige leeftijd overleden’. Het kon niet anders of dit zou een schok geven in hartje Amsterdam. Ik keek naar de mensen om me heen, maar niemand gaf een krimp. Ook de meisjes bleven gewoon achterop de fiets zitten, geen één die haar man als stil eerbetoon wat steviger vastnam. In de boekhandel ging ik op zoek: in een verloren hoek vond ik de 576ste herdruk van Turks Fruit. Het leven ging voort. In een bericht in De Telegraaf vertelde actrice Willeke van Ammelrooy dat zij Hauers eerste grote liefde was. ‘Toen ik achterop de fiets zat bij Hauer sloegen de vonken over.’ Zekerheden.

Na Haarlem en Amsterdam reisden we naar Texel, het eiland van Turks Fruit’s Jan Wolkers. Wolkers kwam er in 1980 samen met zijn muze en echtgenote Karina wonen en schrijven en overleed er in zijn slaap op 19 oktober 2007. In 1971 verbleven hij en Godfried Bomans om beurt drie weken op het onbewoonde eiland Rottummerplaat. Bomans werd er gek en vluchtte weer naar de stad, Wolkers was gek van de Wadden en ruilde Amsterdam voor Texel. Hij ging er wonen in een bungalow aan de rand van de bossen op de Rozendijk. Hij genoot er van het uitzicht op het Texelse Oude Land en dat heerlijke witte kerkje met zijn schuine toren. Wij verbleven in het stille Den Hoorn in een omgebouwde schapenboet in de Hoge Achterom en genoten er ’s avonds op ons terras, het mooiste van het eiland, van hetzelfde oude land en witte kerkje en van de zon die ‘bloedrood onderging in een orgie van kitschwolkjes’, lezend in Kamer in Oostende en dromend van Hollandse meisjes achterop de fiets. Toen en nu nog altijd.
We huurden een fiets om over de Eierlandse duinen te fietsen, want ‘daar is de zee groen en geel en roze. Een voorwereldlijk angsttafereel’, schreef Wolkers. Ik stelde voor om slechts één fiets te huren, maar dat kon niet. De fietsverhuurder was kordaat: ‘niet met de fiets op het strand en slechts één persoon per fiets’.
Ongehinderd penetrante kruidengeuren verspreiden mag, maar je vrouw achterop de fiets: dat dan weer niet.

https://www.youtube.com/watch?v=BF5-qHKGtWY


donderdag 31 januari 2019

Iemand moet het doen


‘Ga je nu ook gedichten schrijven,’ vroeg een vriend toen ik hem vertelde dat ik eind januari een week mocht resideren in ‘Het Huis van de Dichter’ in Watou. ‘Natuurlijk ga ik geen gedichten schrijven, zei ik, ‘daarvoor moet je toch een dichter zijn?’
Ondertussen schreef ik fictie voor kinderen, voor jongeren en voor volwassenen, biografische teksten en essays over West-Vlaamse schrijvers, twee toneelteksten en allerlei gelegenheidswerk, maar van gedichten blijf ik af. Daarvoor mag je veel te weinig woorden gebruiken en dus laat ik het over aan specialisten ter zake.

Gwij Mandelinck is zo’n specialist ter zake en in zijn huis mag ik met de goedkeuring van Passa Porta (en van de nieuwe eigenaars natuurlijk, want dit is een prima vakantiewoning geworden) een weekje verblijven. De naam van het huis moet ik erbij nemen en ik maak me er niet druk om: ik schrijf proza, basta.
Maandag ging ik bij aankomst op het Watouplein met lichte schroom voorbij het silhouet van Hugo Claus in de richting van mijn tijdelijke verblijfplaats en liet met dezelfde schroom de bel van het huis rinkelen. Ik wist wel dat Gwij zelve al lang niet meer in zijn huis woonde, maar toch. Je wist maar nooit. Maar een ongelooflijke rust maakte zich van me meester toen de nerveuze huisbewaarster de deur opende. ‘U bent de schrijver?’
Die was ik en ik liet me vervolgens de geheimen van het huis tonen, zoals daar zijn: hoe werkt de microgolfoven, waar zijn de tellers van het gas en het water, hoe werkt de thermostaat, waar hangen de sleutels en waar zijn de badkamers? Ik luisterde met een half oor (wat in mijn geval nogal precair is, want met mijn rechteroor hoor ik zo al niet veel) en toen ze ineens vroeg of er nog vragen waren, vroeg ik alleen naar de wifi. Ik kon haar toch niet vragen wie op de foto in de gang de derde man was op de bank achter dewelke Gwij Mandelinck trots poseerde. Claus en De Coninck had ik en passant meteen herkend, Kopland moest ik even verifiëren als de vriendelijke mevrouw de deur achter zich had dichtgetrokken.
Na een snelle verkenning van het huis wandelde ik naar het dorp. Tot mijn groot jolijt hadden de twee bakkers er onlangs de brui aan gegeven, waren de supermarkt en de slager dicht, evenals de friture, en gaven de vermaarde gastronomische topzaken rond het befaamde plein niet thuis. Ik voelde me een feestelijk verliezer, om het te zeggen met de woorden van Luuk Gruwez die naast me op de muur waren geplakt. En dus was er alleen nog koffie uit het apparaat waarvan de vriendelijke huisbewaarster me de werking had uitgelegd.

Wat ik hier schrijf, hou ik zoals het een schrijver betaamt, geheim. Het liedje dat je hieronder kan beluisteren, vertelt niets over de aard van het verhaal-in-wording, hoogstens is er een heel kleine vingerwijzing waarvoor je wel erg ingewijd moet zijn om die te vatten. Luister anders gewoon naar het mooie lied van de zwaar onderschatte Hans Mortelmans. En misschien ontdek je in latere tijden het verband tussen een boek en een lied.

Ik vraag me af of Gwij Mandelinck geïnteresseerd is naar wie in zijn schrijvershuis resideert. Mij kent hij uiteraard niet zoals hij er absoluut ook geen weet van heeft dat hij mij ooit mee binnenloodste in de wondere wereld van de bibliotheken. Toen ik in het jaar 1985 de ‘Leergangen tot het bekomen van de Akte van Bekwaamheid tot het houden van een door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde Openbare Bibliotheek’ volgde, kregen we les van ene Guido Haerynck, bibliothecaris in Poperinge en dichter in Watou (maar dat laatste was een goed bewaard geheim). Ik vermoed dat hij het vak ‘Beschikbaarstelling en inlichtingenwerk’ doceerde. Weinig poëzie in de cursus, daarvoor was de naam van de opleiding veel te lang. Ik heb het altijd eigenaardig gevonden dat ik in de jaren die volgden, toen ik vaak bijscholingen, studiedagen en cursussen moest volgen en veel collega’s ontmoette, nooit meer Guido Haerynck op mijn pad trof. Dat hij professioneel bibliothecaris was, leek ineens ook een goed bewaard geheim.

Maar omwille van zijn vak, zijn huis, zijn zomers en zijn gedichten kreeg ik een bijzondere waardering voor de man. Ik liet hem figureren in mijn historische jeugdroman Ketters van de Kemmelberg, maar dat zal voor hem misschien ook een goed bewaard geheim blijven.
Op pagina 182 verwondert het hoofdpersonage Walram zich over het vreemde gedrag van een bendegenoot als hij in de omgeving van Watou in de bittere kou bang en paniekerig uit de klauwen van de Spaanse inquisitie hoopt te blijven. ‘Zeg Mandelinck, is dit nu wel het goede moment om met mooie verzen voor de dag te komen?’ De man kijkt hem alleen even aan en zegt dan: ‘Och, ik was alleen geïnspireerd door deze lege plek’. De bendegenoten worden niet vrolijk van zijn vreemde verzen. ‘Komaan, we kunnen hier niet blijven, op die lege plek van jou. Het is tijd om opzij te kijken. De verte is nabijer dan ze ooit was!’ Ik geef toe, het was ver gezocht die spielerei met titels van voorbije poëziezomers. Maar ik vond dat vluchtende ketters en wild om zich heen schoppende geuzen ook toen al niet zomaar door Watou konden lopen.

En dan slaat het vlakbij op de kerktoren met ingezakte spits ineens tien uur, het is aardedonker en muisstil in mijn tijdelijk ballingshuis en de paniek slaat toe. Morgen is het Gedichtendag en net nu verblijf ik in het poëziecentrum van de (Vlaamse) wereld in het ‘Huis van de dichter’. Ik voel me dichter van dienst en op mij rust ineens een verpletterende verantwoordelijkheid. Dit kan ik niet zomaar aan mij laten voorbijgaan, maar woorden schieten me te kort.
Door helse schrik bevangen ga ik bladeren in de monografie over Gwij Mandelinck die in 1989 verscheen in de reeks van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (good old VWS!). ‘Mandelinck vestigt zich in 1979 definitief te Watou in de oude kapelaanswoning, een doodstil huis, het laatste van het dorp, vlakbij de Frans-Belgische grens,’ staat er.
Ik heb het boekje en zijn biografie als een bezetene maar met bijzondere aandacht gelezen. Binnenin staan enkele foto’s. ‘In de stilte van de ex-pastorie van Watou,’ luidt het onderschrift. Ik kijk naast me: daar is die foto gemaakt, Mandelinck zit op de plaats en in de zetel waar ik me de voorbije dagen tussen het schrijven (en het wandelen) door onderdompelde in Bart Van Loo’s fantastische Bourgondiërs (ik zou boos op hem moeten zijn, zijn boek hield me veel te lang van mijn schrijftafel. Maar de zetel zat makkelijker dan de harde stoel).

Om de paniek van Gedichtendag met een goed gevoel te bezweren, geef ik Gwij Mandelinck het laatste woord. Hij vertelde aan Rudolf van de Perre waarom hij vooral is aangegrepen door de fascinatie van de stilte in de Westhoek:

‘Ik denk dat de stilte die men hier aantreft het leven ontbloot en de taal aankleedt. Hier kan ik bijna een cultuur van de stilte creëren. Je kan bijvoorbeeld de akoestiek van de vlakte uitmeten, die soms scherper is dan de gaafste akoestiek in een schouwburg. Hier hoor je werkelijk een vogel vliegen, en als je hem hoort, dan zie je hem ook veel scherper. Ik denk dat mijn verlangen naar stilte geïnspireerd is door mijn verlangen naar visualiteit.

Dichters hebben altijd gelijk.

https://www.youtube.com/watch?v=3uekfCtkC8Q


zaterdag 10 november 2018

Reveil voor een overleden dichter

Op 1 november bracht Moorsele hulde aan overleden geliefden tijdens Reveil. Ik had een vage maar zachte herinnering aan dichter Hedwig Verlinde.

Hedwig,

We hebben elkaar nauwelijks gesproken en je hebt het mij dus nooit verteld. Hoe de mensen in Moorsele over je dachten, over je spraken. Of ze je onbegrijpend of bewonderend nakeken. Of ze je kenden of negeerden. Was je de schoonzoon van de burgemeester? Werkte je in een glasbedrijf? Was je de vader van Kaïn, Soetkin en Han? Speelde je een beetje raar toneel? Was je de echtgenoot van Treeske? Of was je de dichter – en ik hou mijn lippen stijf op elkaar om er het woord charlatan niet aan toe te voegen.
Ik heb het voordeel dat ik je in de omgekeerde volgorde leerde kennen. Eerst de dichter, dan de man. Toen ik leraar Nederlands werd, volgde een periode waarin ik veel poëzie las en in die grote stroom van verzen vielen jouw gedichten mij op. Ik had er toen geen flauw idee van dat jij in dezelfde gemeente woonde als ik - nou ja, buurgemeente dan toch. Veel van je gedichten las ik vaak opnieuw. ‘Bij een foto van oma’ bijvoorbeeld vond ik een bijzonder mooi gedicht, ik hield ook erg van mijn oma. Of ‘Rendez-vous’: dat gebruikte ik zelfs als kerngedicht in een lessenreeks rond communicatie. ‘Bij de geboorte van Soetkin’ is een pareltje, ik kende het  toen uit het hoofd. Ik vond het fascinerend hoe je de geboorte van je dochter tegen de horizon van het universum hield. Ik zal maar toegeven: in mijn jeugdig enthousiasme dacht ik wel eens: zo moeilijk is dat toch niet, negen simpele regeltjes. Ondertussen ben ik vijfendertig jaar ouder en nauwelijks een regel opgeschoten.

“Dat is van mijn vader,” zei Han toen ik in het Sint-Pauluscollege van Moorsele met ‘Rendez-vous’ op de proppen kwam. “En Soetkin is mijn zus”. Ze zat enkele banken achter hem in de klas. Ik was helemaal van mijn melk. In een flits wist ik: Hedwig Verlinde is naast dichter ook een man en een vader. De panoramische uitkijk en de macrokosmos uit zijn gedichten zijn niets meer dan het zicht door zijn raam over de akkers en het vliegveld van Moorsele. Sinds dat moment kijk ik anders naar dichters, naar schrijvers en naar charlatans.

Hedwig,
Ik weet niet hoe mensen in Moorsele zich jou nu herinneren. Dichters en schrijvers leven na hun dood verder in de boeken die ze hebben geschreven, zegt men. Wat mij betreft kun je gerust zijn: al jouw bundels staan in mijn boekenkast. Sommige heb je voor mij gesigneerd en ik ben er heel blij om. En soms, vaker dan je vermoedt, lees ik dit zacht gedicht van jou opnieuw. Kijk, ook nu weer. Rust jij ondertussen voor altijd heel zacht, Hedwig.

Nooit. Nooit rafelen wolken zachter
op de vensters uiteen, noch buigt
de wind het gras
alsof hij erin wegduikt, ver, ver
weg met mijn gevoelens.

Niets. Niets aan gewicht reik ik
dan wat verdicht is
en verder niet gezegd kan zijn.

Nooit. Nooit
tussen de melkfles en het blik tonijn
rolden mijn handen blanker, leger
uit hun polsgewricht.

Niets. Niets zeggen de jouwe
maar ze gaan er in liggen, zachter en warmer
dan ik ooit in jou
en zachter
dan zacht ooit gezegd kan zijn.

‘Zacht gedicht’ komt uit de bundel De sprong van de eland (1974) van Hedwig Verlinde