Pagina's

vrijdag 30 december 2011

Beste oma en opa

Of ik een nieuwjaarsbrief wou schrijven voor een regionale krant...? 
Zolang het met letters, woorden en zinnen is, doe ik alles voor iedereen. Dus ook voor die krant. Alleen was er wat minder plaats dan voorzien. In de krant is er een holle light versie, hier kun je het volle script lezen...

Beste oma en opa,

Alweer is een jaar voorbij gevlogen! Een jaar waarin veel gebeurde. Hongersnood in Soedan, burgeroorlog in Libanon, lente in Arabië. In België was er de ramp op Pukkelpop en de aanslag in Luik. We kregen een nieuwe regering met een Italiaan als eerste minister. En La Esterella is overleden, maar Stefanie Callebaut, dat meisje van SX, zingt ook mooi. 
In de familie gaat alles goed. Mijn zonen, jullie achterkleinkinderen, hebben allebei een leuke vriendin. Jullie kinderen, mijn ouders dus, worden er niet jonger op, maar ze beleven samen nog steeds mooie dagen.
Weet je nog 40 jaar geleden? Toen stond ik hier ook en ik zei net hetzelfde. Oh ja, de hongersnood was toen in Bangladesh, Libanon heette Noord-Ierland, de lente was in Praag, de ramp in de Innovation. Ik moest toen alleen niet zeggen hoe het de familie verging. Jullie zagen zelf wel of het de kinderen en kleinkinderen voor de wind ging. En wie van ons een beetje meer aandacht nodig had.
Ik ben er zeker van dat jullie ons van bovenop die wolk moeiteloos vinden in de chaos die de wereld is geworden. Natuurlijk hopen jullie ook op vrede in Afghanistan, maar nog beter zou het zijn als er wat minder geweld op straat was. Uiteraard hopen jullie dat het goed afloopt met het ijs van de Noordpool, maar een beetje minder vieze rook en wat meer groen bij ons is minstens even goed. Dat Herman Van Rompuy onze euro redt, is prima, maar worden wij daar ook beter van? En als het water van de oceaan weer zuiver wordt, kunnen we dan net als opa weer zwemmen in de Leie?
Beste oma en opa, ik beloof je op mijn communiezieltje dat ik ervoor zal zorgen dat alles in orde komt. En als ik het zelf niet snelsnel kan regelen, dan vraag ik het aan iemand die dat wel kan. Niet voor mezelf, maar voor jullie achterkleinkinderen.
Volgend jaar sta ik hier weer en je zal zien dat onze streek groener, gezonder, veiliger en welvarender dan ooit zal zijn.
Ik wens jullie een fantastisch nieuw jaar!

Jullie kleinkind,
Koen

Wevelgem, 1 januari 2012

http://www.youtube.com/watch?v=wxrf6MXPNaU

zaterdag 17 december 2011

Een goed jaar voor schrijvers

De 'Vereniging van West-Vlaamse schrijvers' (VWS) bestaat 50 jaar. Dat moet gevierd worden. En hoe kan een literaire vereniging beter haar verjaardag vieren dan door een boekje te publiceren? Ik ging op zoek naar lotgenoten in dit Caleidoscoop van de West-Vlaamse schrijvers en ik vond er vier.

Het is overigens niet zo bijzonder dat VWS met een boekje op de proppen komt. De vereniging geeft al sinds 1966 de VWS-cahiers uit. In zo’n cahier wordt leven en werk van een West-Vlaamse auteur in de schijnwerpers geplaatst. Elk boekje wordt samengesteld door een deskundig gastauteur. De cahiers verschijnen als tijdschrift en abonnees krijgen ze op het einde van elke pare maand trouw in de brievenbus. Het feestnummer dat eind december verschijnt, is nummer 267 in de reeks.

Sinds 2000 ben ik redacteur van de vereniging. Toen het me werd gevraagd (jaja, ze vróegen me of ik het wílde doen!), heb ik even geaarzeld voor ik het aanbod aanvaardde. Ik wou het niet zomaar snel eens doen, maar nam me voor om minstens vijf jaar het redacteurschap waar te nemen. Ondertussen ben ik twaalf jaar enthousiast bezig, voerde ik de redactie van 71 cahiers en nam ik er in 2008 de redactie van een zesdelig schrijverslexicon bij. Ik ergerde me wel eens aan woorden en zinnen, sakkerde met deadlines, vloekte op uitstellers, woekerde met slechte teksten. Maar dat was soms, veel meer las ik mooie teksten over onvermoede publicisten en maakte ik kennis met boeiende auteurs met wie ik samen de boekjes samenstelde. Leve VWS dus! Wat mij betreft mag het nóg 12 jaar duren (13 misschien, dan jubileer ik als redacteur). Als Geert Bourgeois maar geen roet in het eten gooit, want VWS bestaat dankzij de morele en financiële steun van het Provinciebestuur en onze West-Vlaamse minister heeft het niet langer erg begrepen op de provincies. Maar dit helemaal ter zijde.

Ik wou het over lotgenoten hebben en het lot dat een band schept heet 1964.
In het bijzondere boekje dat binnenkort verschijnt, wordt per VWS-jaar (van 1961 tot 2011 dus) een tekst gepubliceerd van een West-Vlaamse auteur. Een pagina uit een roman of een gedicht uit een bundel die in dat jaar verscheen, zorgvuldig gekozen door een zevenkoppige redactie. Het is een eerbetoon aan de West-Vlaamse auteurs van de voorbije vijftig jaar en voor de lezer de kans om in één oogopslag kennis te maken met een stukje fiction made in West-Flanders.
Hugo Claus staat in het boek, ik ging op zoek naar één pagina uit Het verdriet van België. Maar ook Peter Verhelst, Luuk Gruwez, Willy Spillebeen en andere grootheden onder onze gouwschrijvers. Maar over hen wil ik het niet hebben. In het boekje staan namelijk ook vier auteurs die in hetzelfde jaar als ik zijn geboren.

Philip Hoorne bijvoorbeeld. Die ligt wel het meest voor de hand. Ik zat met (één trimester zelfs nààst) Philip op de schoolbanken. Brave jongen was hij toen. Hij was wat teruggetrokken, zat letterlijk in zijn schelp. Hij voerde nooit het hoogste woord en was geen held op het voetbalveld of op de speelplaats. Bij het afstappen werd hij steevast als een der laatsten gekozen. De twee ploegleiders stapten op elkaar af en wie op de schoen van de ander kon stappen, mocht als eerste een speler voor zijn ploeg kiezen. En dan elk om beurt een steeds minder goede voetballer. Philip bleef altijd lange tijd aan de kant staan, je kon weinig met hem in je ploeg. Geen snelheid en geen techniek. Wel veel spelinzicht, maar wat ben je daar mee tijdens de chaos die een voetbalmatch tijdens de speeltijd is? Ik denk overigens dat Philip supporterde voor Club Brugge, in mijn herinnering droeg hij altijd een blauwzwarte sjaal. West-Vlaming in hart en nieren dus, hij staat goed op zijn plaats in dat feestnummer van VWS.
Philip luisterde graag naar muziek in dat jaar dat we samen bij meester Malfait zaten. Ik ook, kleinkunst, de fout van mijn oudere zus. Hij vond mijn muziek wat braaf, zei hij toen. Het verwonderde me wel, hij leek zo zacht en stil en dan vond hij die zachte en stille muziek wat te braaf. Toen al zette hij mensen op het verkeerde spoor. Want wie hem toen kende en nu niet meer, gelooft nooit dat Philip een hartstochtelijk fan van de onbehouwen rockauteur Herman Brusselmans is. En dat hij niet aarzelt om zijn kritische pijlen vlijmscherp af te vuren op coryfeeën van de Vlaamse poëzie, zoals daar zijn Lut De Block en Leonard Nolens.
Philip schrijft zelf mooie poëzie, ook dat geloven klasgenoten van toen meestal niet als ik het hen vertel. De redactie twijfelde er geen moment over of hij zijn plaats verdiende in het feestboek. En ik ben er blij om.
Philip Hoorne staat in het boekje met een gedicht uit zijn bundel ‘Niets met jou’.

Ook een tweede auteur uit het VWS-boekje zat op dezelfde schoolbanken als ik. Hij weet het niet en we zaten ook niet naast elkaar. We kenden elkaar toen ook niet (hij zat in het jaar na mij) al moeten we elkaar wel eens tegen het lijf gelopen zijn, daar in die charmante krakkemikkige gangen en lokalen van het Sint-Thomasinstiuut in Brussel. We moeten ook zowat dezelfde docenten hebben gehad. Lessen Nederlandse literatuur van professor Hugo Bousset bijvoorbeeld. Ik genoot van Boussets baritonstem en sublieme benaderingen van de romanklassiekers uit die tijd. Onder professoren van Hermans. De aanslag van Mulisch. De verwondering van Claus. Turks fruit van Wolkers. Ik vond dat mijn ouders niet mochten weten dat ik dat boek las, ook al was het voor school. Maar Bousset hielp me vrij snel over die terughoudendheid heen. Ik werd gek op Wolkers van het eiland Texel.
Toen ik in 1984 Duet met valse noten van Bart Moeyaert las, kon je in de krant lezen dat de jonge auteur een lerarenopleiding volgde in Brussel. Verdomme, dat ik hem nooit gezien had.
Ondertussen ontmoette ik hem al enkele keren en op een Boekenbeurs schreef hij een wonderlijke opdracht voor Elsy in zijn dichtbundel Verzamel de liefde: ‘Voor Elsy, liefs van Koen en van mij. Het liefs van Koen is méér dan mijn liefs. Dat weet ik zeker.’ Ik ben heel erg jaloers op Bart Moeyaert. Omdat hij mooie dingen op zo’n mooie manier kan vertellen.
Ooit zullen Bart en ik het samen over Hugo Bousset hebben, denk ik (niet). Ik ben wel eens benieuwd te horen wat hij vond van Het bewegen van het hoge gras op de top van de heuvel.
Bart Moeyaert staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Het is de liefde die we niet begrijpen’.

Tijd voor een vrouw en wat voor één. Anne Provoost, zij die Vallen schreef. Het boek dat ik tijdens auteurslezingen altijd noem als het beste en mooiste jeugdboek. Ik ben niet zeker of het dat nog altijd is, ik zou het eens opnieuw moeten lezen. Jan Terlouw noem ik mijn favoriete auteur uit mijn eigen jeugd en onlangs viel het herlezen van de boeken uit die tijd me zwaar tegen. Maar met Vallen heb ik een bijzondere band. Het boek greep me thematisch erg aan. Hoe eenlingen het klaarspelen om andere eenlingen domweg voor hun kar te spannen. Met manipulatie. Geweld. Machtsmisbruik. Vreselijk. En het boek eindigt zo dramatisch. Dat vond ik een beetje jammer, maar het laat je dan ook niet los.
Ik wou een boek over hetzelfde thema schrijven, maar voor iets jongere lezers. Het moest wel beter aflopen, hoopvoller. De titel lag zo voor de hand. Na Vallen, zou ik Opstaan schrijven. Even erg, maar met een hoopvol einde. Uiteindelijk veranderde de titel in de uitgeverij in Valsspeler. Geen slechte ingreep, het is een prachttitel en hij stafrijmt op Vallen. Het lijflied van het boek is ‘Get up, stand up’, vallen en opstaan. Pieter, de held uit het verhaal, leest op pagina 77 een boek. Op de cover staat een zwartwitfoto van een meisje dat op de grond ligt. Eronder is een groot blauw vlak met daarop de titel en de naam van de auteur. Op de achterflap is alleen een blauw vlak met vage gele letters. De eerste editie van Vallen. Niemand die tot hiertoe deze sublieme verwijzing opmerkte. Tot vandaag dus.
Ondertussen is er nog meer dat me bindt aan Anne Provoost. Een jeugdvriendin van haar met wie ze samen op een legendarische nonnenschool in de Westhoek zat, kwam bij ons in de buurt wonen en werd een goede vriendin van mij. Dankzij Caroline kon ik Anne tijdens een lezingenvrije periode (ze schreef aan De Arkvaarders en wou niet afgeleid worden) naar de bibliotheek krijgen – per grote uitzondering! Onlangs was ik tussenpersoon bij het uitwisselen van een hilarische schoolfoto (met blauwe schort, zwarte rok en hoog opgetrokken kousen) onder de vriendinnen en vonden ze elkaar terug - op Facebook.
Dat engagement van Anne Provoost… Het gaf me zo’n warm gevoel toen ik de gevierde auteur onlangs zag tekeergaan tegen het vellen van die mooie bomen van de Keyzerlei in Antwerpen. Enkele jaren geleden zette ik een eenmansactie op tegen de stille sloop van het mooiste huis van Wevelgem. Troost je, Anne, het lukte me ook niet.
Anne Provoost staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Vallen’. Natuurlijk uit ‘Vallen’.

De vierde lotgenoot kan iets wat de drie voorgaande wellicht niet kunnen – al weet ik dat eigenlijk niet. Hij is namelijk een ongelooflijk knappe tekenaar en samen met Carll Cneut en Gerda Dendooven de vaandeldrager van het leger topillustratoren uit de provincie West-Vlaanderen. Klaas Verplancke dus. God, wat kan die mooi tekenen. Op zich is dat al meer dan genoeg om hem te bewonderen, maar bovendien kan hij ook nog ontzettend goed vertellen. Met beelden en tekeningen, maar ook met woorden en zinnen. Ries en Kerel uit Wortels: het zijn klassieke personages uit de kinderboekenoogst van de voorbije jaren. Als je Klaas niet kent en je leest ook niet graag, dan gaat hij je vast inpalmen met zijn tekeningen. En als ook dat niet lukt (maar het lukt wél) zal hij je charmeren met zijn spontane vriendelijkheid en stimulerend enthousiasme. Hij stelde jaren geleden een tentoonstelling op in de bibliotheek waar ik werk. Mooi om te zien en prettig om met hem samen te werken. Toen hij even later het verband ontdekte tussen Koen van de bib en Koen van De hel in New York (het was op de Boekenbeurs van 2001 op de stand van uitgeverij Davidsfonds/Infodok) was zijn enthousiasme haast ontroerend. Er stond een lovende recensie over mijn debuut in Knack. Klaas had die gelezen en was er blijer om dan ik. En het leuke was: hij meende het.
Ik botste ook eens op Klaas tijdens de verkoop van oude boeken in de bib van Brugge. Hij is even gek als ik: hij koopt oude boeken. Daar moet je een schrijver voor zijn. Of een illustrator. Of een bibliothecaris. Eén pot nat.
Klaas Verplancke staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Wortels’.

Het VWS-bestuur stelde als principe dat er geen werk van bestuursleden van VWS in het boekje zou opgenomen worden. Het bespaarde ons vast veel vergadertijd en minstens evenveel rancune en achterklap. De kans dat ik ook in het boekje terechtkwam was dus nihil. Ik miste wel de kers op de taart, denk je nu. Nee hoor, erg is dat niet. En ook een ongepaste gedachte, want soms is de taart veel beter dan de kers.
Of de wijn veel beter dan de krans.

Het boekje ‘Caleidoscoop van de West-Vlaamse letteren’ verschijnt op 31 december 2011.
Het telt 56 bladzijden en kost 5 euro.
Je kan het gewoon via mail bestellen (janbonneure@skynet.be).


vrijdag 9 december 2011

Frozen river

Mijn broer werd in 2011 vijftig jaar. Zijn zonen en dochters maakten een gelegenheidskrant voor vrienden en familie. Of nonkel Koen ook iets wilde schrijven? Tuurlijk. Ik ging terug naar Nonceveux, waar de sympathieke cafébaas Prosper koning was in het land van de Fonds de Quarreux.

Schrijf eens een column over je broer. Of iets dat erop lijkt. Toch iets min of meer literairs dat past in De Herman.

Waarover moet die dan gaan? De koers ligt zo voor de hand. Hermans wielerexploten bieden ruim voldoende stof voor een heroïsche terugblik, doorspekt met allerlei superlatieven en pittige anekdotes. Probleem is dat het moeilijk is om de verhalen wat te kruiden of aan te dikken om de column pittiger te maken. Ik kan me beperken tot een loutere beschrijving van het gefiets om kreten van bewondering bij de lezer op te wekken. Hoe Herman zijn deelname aan Parijs-Roubaix voor wielertoeristen kracht bijzette door er een individuele Wevelgem-Compiègne te laten aan vooraf gaan. Of over de verovering van alle parcours van de voorjaarsklassiekers. De verkenning van de muur van Geraardsbergen of de kennismaking met de goot van Rekkem. Enzovoort. Je leest het al: dit is geen uitdaging voor een gelegenheidscolumnist.

Terug naar 16 mei 1979 dan maar. We zijn op pinksterweekend in Nonceveux. De tent staat trouw op de kampeerplaats tussen de spoorweg naar Luxemburg en de rotsblokken van Quarreux. En even trouw leidt de wandeling naar de watervallen van La Chaudière en de brugjes van de Ninglinspo. Een verplicht nummer vóór de Orval en de Chimay bij good old Prosper.
Die morgen is Herman niet te houden. Tot ergernis van el papa en bezorgdheid van la mama weigert hij het platgetreden pad naast het kabbelende bergriviertje te volgen. Hermans ambities reiken die dag veel hoger. De sterk stijgende helling aan de overkant is zijn doel. Het woord ‘mietjes’ bestaat nog niet, maar op hun pad wil hij niet lopen. Hoger, altijd maar hoger. Hij daagt ons uit. Eerst neef Carl, die niet anders durft dan Herman te volgen. Ze zijn jaargenoten, hij mag niet onderdoen. Ik volg, schoorvoetend. Ik ben drie jaar jonger, maar ik voetbal nog, op de bank van de scholieren van SV Wevelgem. Conditie zat dus. Toen al…
Van beneden naast de rivier stijgt het geroep op. Vaderlijke irritatie en moederlijke bezorgdheid. Maar Herman hoort die niet en wij moeten met hem mee. We vragen ons af wat hem bezielt. Wat wil hij bewijzen op deze desolate flank? Vindt hij dít dan stoer? Toch wat lachwekkend voor een achttienjarige om je ouders de stuipen op het lijf te jagen, je blijft toch geen kind. Of is dit voor hem een sportieve uitdaging? Ik vind er alvast niets bijzonders aan. Nu ja, ik ben voetballer, zij niet.
‘Ha, hier is ze’. Zonder enige euforie of stemverheffing scharrelt Herman in de verdroogde bladeren van de vorige herfst. Hij raapt iets op en steekt het in zijn broekzak. Neef en broer kijken hem even onbegrijpend aan. Een samenzweerderige glimlach verschijnt om zijn mond. ‘Mijn portefeuille. Die ben ik hier gisteren verloren tijdens onze schoolreis’.
Even schokkend gelach. Dan de triomfantelijke afdaling, van boom tot boom, wortel naar wortel. Dertig seconden later staan we bij het groepje oudere familieleden.
‘Mijn portefeuille lag daar nog…’

Het is maar één anekdote die terugleidt naar de jaren van Nonceveux. Ik had ook de verbouwereerde kamerwekker in hotel La Couronne in Luik kunnen schetsen. Die kwam ons wekken, tot drie keer toe. Maar Herman nam hem voor zijn overbezorgde vader en de arme man kreeg een kleine scheldtirade naar zijn hoofd geslingerd. Wonderbaarlijk was de verwondering op het gezicht van de Japanse toerist op de trein, die we in ons onovertroffen schoolfrans vol trots de 'montagnes de jambon' van de Borinage toonden. Oui, oui, c'est du jambon ça! Of over ons middagdutje aan de oever van de Chefna, die andere mythische bergrivier. In putje winter, bij tien graden onder nul, was die dichtgevroren. De watervalletjes verworden tot ijzige stalactieten en -gmieten. Ideaal decor om wat te pitten. Waarna we op zoek gingen naar Le Moulin du Diable, een frisse pint kon er ook nog bij. Helaas, om twee uur ’s middags was de herberg gesloten. Maar mevrouw Prosper was aan het poetsen en pour les fils de monsieur Roger de Wevelgem was er altijd plaats. Terwijl ze de laatste plekjes van de ruime gelagzaal droog dweilde, konden we een pint krijgen aan de toog. Gratis, avec plaisir, lachte ze. En ze bleef lachen. Ook toen Herman even later zijn volle pint van de toog veegde en de glasscherven en de Diekirch zich verspreidden over de glimmende vloer van het café. Niet erg! Les fils de monsieur Roger… Un autre Diekirch?
Avec plaisir!


maandag 28 november 2011

Zie daar gaat de stoomboot

Vorig jaar was ik één van de gastauteurs tijdens de nocturne voor volwassenen in 'Het Huis van de Sint' in Kortrijk. Mij werd gevraagd een passend slaapkamerverhaal te schrijven met de Sint in de hoofdrol. Net iets voor mij, dacht ik...

- ‘Nee, dit gaat me nu echt te ver!’
Sinterklaas richt zich op en maakt zijn mijter los. Voor de vijfendertigste keer schuurde het schabouwelijke onding over zijn wangen. Het is genoeg geweest. Hij neemt de mijter van zijn hoofd en kegelt hem tegen de wand van zijn slaapkamer. Tegen de muur waar de ingelijste kindertekeningen hangen. Er volgt nog een soort vloek, de sint is tenslotte ook maar een mens. De brave man kan ook eens een boze man zijn.
Waarom moet ik eigenlijk die slaapmijter op, denkt hij kregelig. Omdat hij de kinderen elk jaar weer vertelt dat hij àltijd zijn mijter op heeft? In bad, in bed en op het toilet. Voor elke plaats heeft hij een speciale mijter. De kinderen vinden het prachtig. Niemand die die mijters ooit te zien krijgt. Maar liegen? Dat doet Sinterklaas niet. Mag hij niet.
Kon ik nu maar slapen, denkt hij. Hij woelt al de hele nacht, geen seconde blijven zijn ogen dicht. Hij denkt aan wat hij morgen nog te doen heeft: 16 scholen, 75 warenhuizen, 185 bezoekjes bij kinderen thuis, 35 rusthuizen. Dit jaar kwamen er ook nog de serviceflats bovenop. In negen flatjes wordt hij morgen verwacht. Met zachte speculoos die niet te vreten is, maar die oudjes vinden die fantastisch. Goed voor de tanden die ze niet meer hebben.
Sinterklaas maakt zich ook zorgen om zijn zwartepieten die nu op pad zijn. Ze worden ook een dagje ouder. Het klimmen over de daken, dat valt nog best mee. Ook met de schoorstenen lukt het nog wel. Maar steeds meer van die moderne blokwoningen hebben glazen daken, dat is oppassen geblazen. En zijn trouwste pieten kwamen ook al vaak klagen over de alarmsystemen. Het wordt dringend tijd dat hij werk maakt van die bijscholing veilig inbreken.
Sinterklaas steekt zijn nachtlampje aan. Hij staart naar zichzelf in de zilveren spiegel. Wat ziet hij er oud uit! Het zou flink wat schelen als hij zijn baard kon afscheren. Hij klikt de televisie aan. Oh nee, telefoonspelletjes… Niets voor hem. Stel je voor dat hij het woord vindt en hij de prijs krijgt! ‘Blijf aan de lijn, dan noteren we je naam en adres, mijnheer… Mijnheer wie? Sinterklaas? Haha mijnheer is een grapjas…’ De meisjes zouden hem niet geloven. Even zappen…. Nee, ook de telefoonspelletjes van de meisjes op het andere net zijn niets voor hem.
De sint doet het licht en de televisie dan maar weer uit. Normaal slaapt hij de pannen van het dak. Maar nu doet hij geen oog dicht. Algauw ligt hij weer te woelen. Is zijn baard weer helemaal om zijn hals gesnoerd.
Sinterklaas probeert om er niet langer aan te denken, maar het lukt hem niet. Natuurlijk is het niet die drukke agenda voor morgen die hem uit zijn slaap houdt. Het lukt hem heus wel, zoals elke dag. Natuurlijk zijn het niet de pieten die hem zorgen baren, ook zij worstelen er zich wel door. Maar het is die stoomboot. De ongelooflijk mooie stoomboot die zijn pieten vorige nacht hebben afgeleverd bij dat ettertje in die foeilelijke villa. Toen ze er vorige week op bezoek waren, had de jongen niet van zijn computer willen komen. Voor de sint stond er geen stoel klaar, voor de pieten geen limonade. De sint bleef dan maar wat drentelen rond die computer en vroeg welk spelletje de jongen speelde. En of hij het van Sinterklaas had gekregen.
- ‘Ben je gek’, zei de jongen zonder opkijken. ‘Facebook? Dat krijg je toch niet van de sint. Dat is er vanzelf…’
Toen schoot dat kreng van een moeder in de lach. Sinterklaas probeerde er zich met een lachje vanaf te maken.
- ‘Ah, Facebook, dat is niets meer voor Sinterklaas. Daar ben ik veel te oud voor. En mijn zwartepieten, die hebben daar geen tijd voor. Nietwaar jongens?’
Er kwam geen antwoord. De pieten deden veel moeite om de sint niet aan te kijken en te doen alsof het scherm er niet was.
- ‘En, wat wil je van de sint?’
Zeg maar snel iets, dacht hij, dan ben ik hier zo snel als het kan weer weg.
De rotjongen keek even op.
- ‘Breng jij me maar een stoomboot!’ lachte hij.
En toen kroop hij weer in zijn Facebook.
De sint zat perplex. Die etter, dat rotjoch, dat verwaande kreng vroeg een stoomboot aan Sinterklaas! Niet omdat hij die wou, maar omdat hij toch íets moest vragen. Hoe kan een verwend kind van steenrijke ouders in een poepsjiek huis naar een stoomboot vragen? Hij zei het gewoon om iets te zeggen, dat had de sint wel door. Maar rotjongen zei het wel. En de sint schreef het onder de goedkeurende blik van krengmama in zijn dikke boek.
Die stoomboot zorgt ervoor dat Sinterklaas voor de tweede nacht op rij niet kan slapen. Hij wil die stoomboot niet kwijt. Rotjongen treft geen schuld, hij kon niet weten dat de sint zelf gek is op stoomboten. Naast de Grote Speelgoedzaal in zijn kasteel in Spanje heeft hij een privéspeelplaats. Daar mag alleen hijzelf in. Geen enkele piet heeft de sleutel, ook de opperpiet niet. In zijn speelzaal heeft de sint wel duizend stoomboten staan. Van steen gehouwen stoomarken uit de steentijd, scheepjes van papyrus uit de Egyptische oudheid, perkamenten schuiten uit de vroege Middeleeuwen, houten stoombootjes uit de Moderne Tijd, gietijzeren schepen uit de eeuw van de Grote Nationale Revoluties, plastic bootjes uit het Interbellum, boten van plexiglas uit de postmoderne tijd en bootjes van papier uit zijn kleutertijd. Van elk bootje heeft hij een exemplaar uitgestald, in de grote bewaarkasten tegen de wand heeft hij van alle versies de volledige voorraad opgeslagen. Nooit eerder heeft een kind een stoomboot gevraagd. Oorlogsschepen, indianenprauwen, onderzeeboten: ze gaan vlotjes de deur uit. De sint heeft er ook geen moeite mee om die uit te delen. Maar stoomboten… die zijn voor hem.
Tot rotjongen er één vroeg. Eergisteren had Sinterklaas zeer tegen zijn zin een stoombootje uit zijn privékast gehaald. Hij had er altijd enkele mee als hij rond december naar België kwam. Je wist maar nooit dat een kind een stoomboot vroeg. De sint wilde er niet aan denken, maar het moest wel.
De stoomboot – hij koos die van plastic, rood met zwarte strepen en wat Sinterklaas betrof de lelijkste uit zijn collectie, hij bleef zelfs niet drijven als je in bad zat – verdween onopvallend in de speelgoedzak van de pieten. Geen van hen die er een opmerking over maakte. Of die zei: kijk eens aan, een stoomboot, dat hebben we nooit eerder gehad.
Nu piekert de sint over de boot. Zíjn boot en niet die van rotjongen. Ook al had hij er nog duizenden in voorraad en al waren die allemaal veel mooier dan dat aartslelijke exemplaar in het poepsjieke huis van dat vervelend Facebookjoch.
Weer gaat de sint rechtop in bed zitten. Hij staart een tijdje in de duisternis. Dan ploft zijn vuist op de zachte verenmatras.
- ‘Ik haal hem terug! Ik haal hem verdorie terug, mijn boot!’
Hij knipt het nachtlampje aan en gaat weer liggen. Plots is de onrust weg. Zijn ogen zijn wijd open. Hij moet goed nadenken hoe hij dit aan boord legt. Morgenvroeg moet hij de opperpiet even apart nemen. Hij zal hem vertellen over zijn stoombootcollectie en hoe graag hij die stoomboot bij rotjongen terug wel. Hij kan het natuurlijk niet zelf aan de deur gaan vragen. Stel je voor, krengmama zou hem vast de huid vol schelden. Rotjongen zou zich een breuk lachen. Hij had al niet zo’n hoge dunk van hem en wat kon hem die stoomboot schelen.
Nee, terug vragen kon niet. Opperpiet moest hem persoonlijk weer uit het huis gaan stelen. Als je door de schoorsteen kunt om speelgoed binnen te brengen, kun je het er op dezelfde manier ook weer weghalen. Opperpiet zou mopperen, maar als het erop aankomt, is Sinterklaas de baas. Tegenpruttelen mag, maar een opdracht weigeren niet. Ook al ben je de opperpiet.
Er verschijnt een venijnig lachje op Sints gezicht. Hij is trots op zijn plan. Makkelijk toch? Maar dan is er plots ook wat twijfel. Mag hij het eigenlijk wel doen? De mensen kennen hem als de goede heilige man. Inbreken is geen heilige bezigheid. Maar… rotjongen houdt toch niet van stoomboten. Hij zal hem niet eens missen. En ik zal Opperpiet vragen om iets heel moois in de plaats te geven, bedenkt Sinterklaas. Iets waar rotjongen veel blijer mee zal zijn. Hij weet zelf niet wat, maar zijn pieten zullen wel een leuk idee hebben. Daarvoor zijn ze er toch? En opdracht is opdracht.
Sinterklaas knippert zijn lamp weer uit. Even later is hij verzonken in een diepe slaap en hij droomt van verre reizen naar onbestemde plaatsen.

- ‘Melk…!’
Opperpiet kijkt wat ongerust naar Sinterklaas. Waarom is hij vanmorgen zo kregelig? Aan de ontbijttafel is hij altijd erg goed geluimd. Hij eet zijn koeken, zuigt aan zijn koffie of drinkt zijn melk (nooit chocolademelk!). En dan leest hij fluitend of neuriënd de krant.
Maar vanmorgen niet dus. Er is iets mis met Sinterklaas, weet Opperpiet. En dat twee dagen voor zijn verjaardag.
- ‘Voelt u zich niet lekker, Sinterklaas?’
De sint kijkt hem recht in het gezicht.
- ‘Waarom zeg je dat, Opperpiet? Als er iets met mij scheelt, zal ik het je wel zelf zeggen. Scheelt er misschien iets met jou?’
- ‘Met mij? Euh…nee hoor, met mij is alles prima…’ prevelt Opperpiet. ‘Ik dacht alleen…’
- ‘Vanmorgen hoef jij niet te denken, Opperpiet. Laat dat maar aan mij over. Trouwens, ik wou je eigenlijk…’
Sinterklaas aarzelt. Hij weet niet meer wat hij wou. Deze nacht wist hij het natuurlijk wel. Opperpiet moest voor hem die stoomboot terughalen. Maar vanmorgen toen hij wakker werd, was hij het ineens niet meer helemaal zeker. Hij, Sinterklaas, de goedheilige man, had deze nacht plannen gemaakt voor een inbraak. De politie zou hij wel niet op zijn dak krijgen, daarvoor was Opperpiet een te gewiekste inbreker. Bovendien, zwartepieten mogen toch binnendringen in woningen? Als het maar door de schoorsteen gebeurt, dan laten alerte politieagenten oogluikend begaan. Maar is dit wel goed voor zijn reputatie? Stel je voor dat rotjongen vertelt welke knoeiboel Sinterklaas er bij hem van gemaakt heeft.
- ‘Kan ik soms wat voor u doen, Sinterklaas? Zegt u maar hoor, ik heb de hele dag vrij. Ik verdeelde alle speelgoedplaatsen onder de pieten. En er zijn vier pieten die de hele dag met u meegaan. Zegt u het maar als ik vandaag iets voor u kan doen….’
Sinterklaas richt zijn gezicht op en kijkt zijn trouwste en oudste zwartepiet lang en indringend aan. Er valt een ondraaglijke stilte in de keuken.
- ‘Opperpiet, kom eens bij mij aan de tafel zitten…’
- ‘Zoals u wilt, Sinterklaas…’
De sint wacht tot Opperpiet aarzelend naast hem aan de tafel is komen zitten. Hij kijkt nog even schichtig om zich heen. De andere zwartepieten komen nooit in de keuken, maar je weet maar nooit.
Sinterklaas houdt zijn hand tegen het linkeroor van Opperpiet.
- ‘Jij, beste Opperpiet, moet vandaag helemaal niets voor me doen. Snap je dat? En nu mag je weer van tafel gaan,’ fluistert hij.
Opperpiet kijkt zijn baas verontwaardigd aan.
‘Maar…’ moppert hij.
Sinterklaas geeft hem niet de tijd om meer te zeggen.
- ‘Vandaag – moet – jij – helemaal – niets – voor – me – doen. Dat begrijp je toch?’
- ‘Ja zeker…’
- ‘Wel dan…’
Opperpiet gaat onbegrijpend van tafel weg en begint zwijgend aan de vaat.
Sinterklaas zucht even. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. Nooit eerder voelde hij zich zo opgelucht en blij.


maandag 21 november 2011

Skrivn in 't Wevelgems

We komen uit dezelfde gemeente en we woonden bijna in dezelfde straat. Hij is een ongemeen toffe gast en hij zingt wonderlijke liedjes. Omdat ik hem zo apprecieer en bewonder, heb ik hem enkele maanden geleden iets gevraagd. Al was het een heel vrijblijvend en puur persoonlijk verzoekje.

Wat haat ik de titel van dit blogje! Maar hij vertelt nu eenmaal het best waarover ik het wil hebben. En samen met de eerste zin is dit een fameus statement.

Ik werkte zopas de redactie van een tijdschriftnummer over Willem Vermandere af (VWS-cahier 260). Het werd geschreven door Hedwig Speliers. De dichter-criticus kende ik uit mijn studententijd. Zijn polemische kritieken en strenge literatuuroordeel bezorgden me het beeld van een hardvochtig en verzuurd man. Niets daarvan: het was erg prettig samenwerken met Speliers, al beperkte onze samenwerking zich tot druk mailverkeer en twee telefoongesprekjes.
Hedwig werkte een tijdje samen met Willem Vermandere en werd een trouwe vriend en groot bewonderaar. Hij schreef een mooie tekst voor het VWS-cahier. Hij schept het beeld van een groot artiest: Willem de zanger, de dichter, de verteller, de muzikant, de beeldhouwer. Uit de tekst blijkt dat voor Willem vooral dat laatste erg belangrijk is, ook al is hij zoveel succesvoller als zanger.
Willem Vermandere groeide op in Lauwe, voor mij is dat het dorp aan de overkant van de Leie. We spraken als kind dus dezelfde taal, ook al zorgde de Leie voor een obstakel en wijken die van Lauwe qua uitspraak wel eens af van het Algemeen Wevelgems. Luister maar hoe we aan beide oevers van de rivier 'kerk' of 'kaarten' uitspreken. Schitterend toch, die taalvariatie? Vind ik ook, maar je moet er volgens mij niet mee koketteren in liedjes en versjes.
Ja, ik ben fervent voorstander van het Algemeen Nederlands. Dialect of standaardtaal... het is een item dat dezer jaren vaak opduikt in opiniestukken. Guido Gezelle hebben we van ons afgeschud, zijn zingende adepten plaatsen we op een voetstuk. Flip Kowlier zingt in het Izegems, Axl Peleman in het Antwerps, Wannes Cappelle in het Wevelgems...

Wannes... Die woonde nog dichter bij mij. Vanuit het huis waar ik nu al meer dan twntig jaar woon zie ik zijn geboortehuis. Ik kom er elke dag minstens vier keer voorbij. Jaren geleden hoorde ik vaak heerlijk pianospel en een zingende jongen. Wannes-in-wording. Wannes die opkeek naar Willem Vermandere en nu in zijn traditie verder werkt. Het rockt wat meer, maar het zijn dezelfde teksten. Over de spelletjes op de schoolspeelplaats, het huis van zijn ouders, de hebzucht van de mensen. Willem heeft het wel eens over God en de priesters, Wannes meer over liefde en de meisjes. Goed zo.
Wannes is minstens even sympathiek als Willem. Ik zag hem onlangs nog op een benefietvoorstelling voor de slachtoffers van de watersnoodramp in Pakistan. Natuurlijk wou hij komen en hij bracht een fijn akoestisch optreden. Of het huis van zijn vader er nog altijd staat, vroeg hij zich zingend af. Dat weet je toch zelf wel, Wannes, dacht ik... Als je uit het station komt, eerst de school, dan even naar links... Maar om die anekdotiek gaat het in zijn liedjes niet. Wannes heeft veel meer te vertellen. Schitterend artiest, zonder meer, en een toffe gast.
De taal waarin Wannes zingt varieert maximaal honderd meter van de taal waarin ik overdag spreek. En toch ben ik daar niet onverdeeld gelukkig om. Waarom niet in de standaardtaal zingen? Wannes werkt momenteel een succesrijke theatertournee in Nederland af. Daar ben ik veel blijer om. Maar tegelijk maakt het me een klein beetje bang. Als het maar niet komt omdat ze hem niet begrijpen. Zijn taaltje zo koddig vinden. Zijn uitspraak zo exotisch. Zijn présence zo stuntelig. Wat zijn ze toch sympathiek, die zingende Vlamingen.
Ik weet het wel: 'Blanche en zijn peird' of 'Cowboy en indiaan' in het Algemeen Nederlands, dat lukt niet. Maar Vermanderes 'Kasteel van schelpjes en zand' en Cappelles 'Keuning van de jacht': het zijn verpletterend mooie liedjes die perfect in het Nederlands hadden gekund. Hetzelfde gevoel, hetzelfde effect en evenveel nostalgie nastreven in een taal die ze ook aan de andere kant van de Schelde, de Maas of het Albertkanaal begrijpen... Of de Moerdijk. Toch maar eens proberen?

Toen ik jaren geleden voor het eerst Flip Kowlier hoorde, verwarde ik hem met de Zuid-Afrikaanse Johannes Kerkorrel. De klanken klonken vertrouwd, maar ik begreep de woorden niet. Ook in Izegem spreken ze Wevelgems, maar ik moet de woorden eerst eens kunnen lezen vooraleer ik snap waarover Kowlier zingt. Klaas Delrue komt ook uit de streek, een gemeente verder dan Lauwe... Zijn Yevgueni mag dan lichtvoetiger liedjes zingen, ik begrijp perfect waarover hij het heeft. Zonder handleiding. Makkelijk toch?



zaterdag 5 november 2011

Mijn Boekenbeurs

De Boekenbeurs bezoeken en Zurenborg zien… Ook voor mij is de herfst begonnen. Laat de bladeren maar vallen nu.

De 75ste Boekenbeurs van Vlaanderen is bezig. Auteur Walter Van den Broeck (één van de zeldzame Vlaamse auteurs die ik al sinds mijn twintigste 'volg') bazuinde rond dat hij er al 44 keer op rij naartoe is geweest. Ik ging ook even aan het tellen en kwam tot de slotsom dat ik er zeker ook al zo'n twintig jaar trouw bezoeker ben, waarvan de laatste vijftien jaar onafgebroken.

Begin de jaren ‘80 ging ik er naartoe als bevlogen leraar Nederlands, in de overtuiging dat ik een betere lesgever zou zijn als ik de boeken in mijn handen en de schrijvers ervan in mijn hoofd zou hebben. Vanaf de jaren ‘90 ging ik er naartoe als bibliotheekmedewerker: hoe kan je bibliotheekwerk ernstig nemen als je niet weet welke boeken er zoal op de markt zijn? In 2001 was ik er voor het eerst als auteur - apetrots natuurlijk! De hel in New York was verschenen en ik mocht plaatsnemen aan de signeertafel van de prestigieuze uitgeverij Davidsfonds/Infodok. Met groot succes overigens: zes weken voorheen vloog Osama Bin Laden met twee vliegtuigen door de WTC-torens. De titel van mijn boek stond als dikke kop op de cover van Het Laatste Nieuws. Sinds de jaren 2000 heb ik dus een drievoudige interesse voor de Boekenbeurs en ik ging er in dat decennium dan ook elk jaar in veelvoud naar toe. Om de beurs te bezoeken, om te signeren, om bibliotheekbezoekers te begeleiden. Twee keer mocht ik zelfs achter een tafeltje plaatsnemen in één van de lezingenzalen van de beurs. Ianca Fleerackers legde me op de rooster over het thema pesten in Valsspeler en uitgeverij De Eenhoorn vroeg me om de reeks ‘Lekker Lezen’ voor te stellen aan leerkrachten middelbaar onderwijs. Allemaal heel leuke dingen voor deze mens.

Ondertussen zijn we in de jaren '10. Ik ga nog steeds naar de beurs, al heeft die ook voor mij wat van haar glans verloren. Het bezoek werd een routineus, zoniet verplicht, jaarlijks cultureel uitstapje. Een beleefdheidsbezoekje aan de stand van mijn uitgeverij (die was helemaal nieuw en heel mooi overigens dit jaar), een snelle rondgang tussen boeken die veelal geen geheimen meer hebben (om uiteindelijk toch weer betoverd te raken door de 'houten stand' van uitgeverij De Geus – waw!!!), een promotioneel signeermoment, een korte en meestal aangename babbel met collega-jeugdauteurs. En een heel leuk onderhoudend uitstapje met een goede vriendin.

Zo geschiedde het ook tijdens de vooropening op zondag 30 oktober. Moe en afgepeigerd toog ik mee naar de openingsavond: een uit de hand gelopen vriendendienst resulteerde in een afmattend benefietconcert dat me al had geradbraakt nog voor het boekslenteren begon. Het parkeerprobleem nabij Antwerp Expo losten we elegant op: we waren vrij vroeg en vonden een plaatsje in één van de rustige zijwegen van de Van Rijswijcklaan. Het was zondag, dan komt de wijkagent de bewonerskaarten niet controleren, wisten we. We hadden tijd voor een boekenbeursborrel in de oergezellige cafétaria naast ingang 1. Omdat het wachten op een drankje elk jaar in tijd weer uit de hand loopt, verzon de directie van het café een origineel en sfeerscheppend nieuw systeem dat begon met een poëtisch vers als handleiding op de tafel en eindigde met aanschuiven om een drankje aan de bar.
Eenmaal binnen viel het me weer op dat mijn boekenbeurspartner en ik dezelfde neus voor goede boeken hebben: uit het overweldigende aanbod haalt ze zo de leuke en ongekende titels en ze schrijft die nauwgezet in een notaboekje – stikjaloers ben ik op dat schriftje! Of ik ook enkele titels mocht aangeven? Net als ik heeft ze een gezonde aversie voor bekende Vlamingen: nu en dan loodste ze me handig om een kampioen, een samson, een draulans, een minister-op-rust of een televisiekok heen. Wat ze ook met me deelt: een gezonde interesse voor boeiende Vlamingen. Ze kreeg Peter Vandermeersch in de gaten (en hij haar, zo bleek), Walter van den Broeck zag ze zelfs eerder dan ik (niettegenstaande ik hem al mijn hele leven volg). Het is verder altijd leuk om Tine Mortier te ontmoeten en Hilde Vandermeeren weer eens terug te zien. Maar pas op, daar is alweer iemand uit ‘Thuis’!
We slenterden er onze hele tijd rond, Caroline en ik. Moe en voldaan reden we huiswaarts. Met een schriftje vol titels van boeken die we de komende maanden gaan lezen.

Na de openingsavond ging ik nog een keer on my own terug naar de Boekenbeurs. Best leuk geweest. Een signeersessie met aangename buren (wat kan Caryl Strzelecki mooi tekenen en wat is De kleuren van het getto een wonderschoon boek!) en een hartelijke ontvangst door Nele en de collega’s van de uitgeverij. Een lezing in de Gele Zaal met als veelbelovende titel ‘Jeugdliteratuur bestaat niet’. De lezing was evenwel geannuleerd, wat me doet besluiten dat jeugdliteratuur wel degelijk bestaat. Het is een hele geruststelling. En verder nog even rondslenteren in de beursgangen en kuieren in de stands, onderwijl veel handjes schuddend en schouderklopjes gevend en ontvangend. Dag Do! (‘ik zag een lange rij aanschuiven…!’). Dag Katrien (‘mooie uitgave hoor over die IJslandvaarders!’). Dag Kristien (‘je zoon staat in de Standaard der Letteren!’). Dag Dirk (‘tot in Menen en Ieper weer?’). Even geërgerd grijnzen naar die vreselijke rat en opkomende irritatie inslikken bij de Eftelingkabouters en -prinsen. Een niet-onaardige kennismaking met een nieuw verschijnsel: na de televisiekok is er nu ook de boekenbeurszanger. Hij heet Stash, dat valt dus nog mee! Darwin op de Boekenbeurs: eerst waren er schrijvers die signeerden, daarna koks die kookten, nu zangers die zingen. Ook Darwin: Goedele is minder mooi dan ik dacht – of dan ze was? En heel leuk: de boekendokters in de stand van Cobra. Moet ik echt ook eens proberen!
Stilaan afrondend kocht ik aan een heel mooie stand een heel leuk notaboekje om titels van nog te lezen boeken in te noteren: ik droomde al vier dagen van zo’n schriftje. Tot slot ging ik even checken of alles in orde was in zaal 1. Ja hoor, Paul D’hoore zat plichtbewust en met bezwete oksels zijn beleggingsboeken te signeren. Oef, ik kon met een gerust gevoel vertrekken.


Eindelijk kon ik op weg naar het hoogtepunt van mijn jaarlijkse Boekenbeurs. De tram tot station Berchem en dan de Cogels Osylei in. Ik nam de tijd tot een volgende trein om me te vergapen aan de schoonheid van de torentjes, opschriften, versieringen, gevels en huizen van de Antwerpse Art Nouveau. Het is de mooiste straat van ’t Stad en voor één keer is Antwerpen geheel Vlaanderen. Niet te geloven dat elk jaar zoveel mensen dwalen in de boekenbeursgangen zonder deze omweg naar Zurenborg te maken.

Het is allemaal de schuld van Piet Huysentruyt.


Cafetariapoëzie

zet met het potlood een kruisje in het vakje naast de keuze van uw gerecht
geef de ingevulde menukaart aan de kassa en betaal
haal uw dranken af aan de bar en ga terug naar uw tafel
hou de numerieke display boven de bar nauwlettend in het oog
wanneer uw ticketnummer daarop verschijnt begeef u dan met uw plateau en
ticket naar de uithaalpost naast de kassa om uw bestelling af te halen
bedankt voor uw participatie en we wensen u smakelijk eten

Antwerpen, Boekenbeurs 2011

zaterdag 15 oktober 2011

Held van vroeger


Nog vijf keer slapen. En dan ontmoet ik één van de superidolen uit mijn jeugd.

Ik heb er wel wat, van die jeugdhelden en ze komen nogal vaak uit Nederland. Robbie Rensenbrink is er één. De sierlijke spits van Sporting Anderlecht en het Nederlands elftal. Ik keek naar hem op in de jaren waarin ik àlles wist over voetbal. Hij speelde in de tijd van Johan Cruyff en hij zou zijn landgenoot in de geschiedenisboeken overklast hebben als hij in 1978 in de wereldbekerfinale tegen Argentinië de bal aan de juiste kant van de paal had gemikt. Een andere held in die tijd was Boudewijn de Groot. Ik kende al zijn liedjes uit het hoofd, al was ik rond 1975 nog net te jong om te weten wat hij bedoelde met het testament dat hij na 22 jaren in het leven schreef. Hij zong ook over de eenzame fietser en die ben ik mijn hele leven gebleven.

Maar de echte held uit die tijd zie ik vrijdag tijdens het literaire festival Letterkoorts in Kortrijk. Als medeorganisator heb ik bovendien het voorrecht om hem persoonlijk op te wachten in het station van Kortrijk, samen met hem te eten en hem de rest van de avond te vergezellen. Ik zie uit naar vrijdagavond om 17.21 uur, het moment waarop Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10', op perron 4 van het Kortrijkse station van de trein zal stappen en ik hem handenschuddend en met een krop in de keel zal verwelkomen.

Nu kom ik als jeugdauteur, redacteur van een literaire vereniging en assistent-dienstleider in een bibliotheek wel vaker in contact met andere schrijvers. Een vroeg hoogtepunt was een brief aan Hugo Claus en het antwoord van zijn vriendin Veerle de Wit. Op de Boekenbeurs vertrouwde Karel Verleyen me ooit zijn eerste liefdesavontuur toe. De voorbije jaren ging ik lunchen met Kader Abdolah en Oscar van den Boogaard, zat ik in Ieper aan een viersterrentafel tussen Marita de Sterck en Michael Morpurgo, trakteerde Ed Franck me op een door hemzelf gebakken spiegelei in zijn keuken, ben ik vriend-aan-huis bij dichter Renaat Ramon, had ik fijne contacten met Dimitri Verhulst en Annelies Verbeke, met levensgezellin Tanja van Herman Brusselmans en zus Tanja van Saskia de Coster. Met Anne Provoost deel ik een gemeenschappelijke vriendin, met Willy Spillebeen ging ik op kroegentocht, met André Sollie maakte ik een lange treinrit, met de Duitse schrijfster Hanna Janssen gaf ik een duo-lezing in de bib van Antwerpen en met Dirk Bracke dronk ik Duvels op het terras van mijn stamkroeg.
Al deze ontmoetingen hebben vooral bevestigd dat schrijvers ook maar heel gewone mensen zijn – of wat had je gedacht?

Maar dit geldt ongetwijfeld niet voor Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10'.
Terlouw schreef meer boeken natuurlijk. Wie las er ook niet 'Briefgeheim', 'Pjotr' of 'Oorlogswinter'? En wie kent er niet de avonturen van Stach, de enige echte koning van Katoren? Niemand die kind of jong geweest is, kan om Jan Terlouw heen. Maar dat Oosterschelde-boek is het magnum opus van de nu bijna tachtigjarige Nederlander.
Het boek greep me als tiener erg aan en als ik nu zelf als jeugdauteur in een bibliotheek of school te gast ben, noem ik het boek altijd mijn favoriete jeugdboek. Ik schreef het ook zo op mijn jeugdauteursblog. ‘Een spannend verhaal over de overstroming van 1953 in Zeeland. Ik was gefascineerd door het intrigerende onderwerp, het spannende verhaal én het meisje dat haar behaatje uittrok om in de Oosterschelde te gaan zwemmen. Jan Terlouw werd mijn eerste favoriete schrijver en ik las, herlas en lees nog steeds heel graag zijn boeken. Je vindt er informatie, engagement en spanning in en die ingrediënten probeer ik mooi gedoseerd ook in mijn boeken in te bouwen. Dank u, Jan!’ Vrijdag mag ik zeker niet vergeten hem die dank persoonlijk over te maken.

De voorbije jaren werd mijn band met deze superheld nog wat meer bijzonder. Een groot voetballer zat er niet in mij, een zanger-muzikant evenmin. Maar ik werd wel jeugdauteur, al kom ik uiteraard niet aan de enkels van Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10'. Maar toch… In 2010 verscheen mijn ‘Gek van een eiland’ en een goede vriend die het boek las, zei zonder voorkennis van mijn idolatrie dat het hem wat aan ‘Oosterschelde windkracht 10' deed denken. Of ik het boek ook kende? Hij wist niet hoe trots ik die seconde even was.
De Oosterschelde en de Waddeneilanden, één strijd. Als ik over Terschelling vertel, situeert negentig procent van mijn toehoorders dat eiland ergens in Zeeuws-Vlaanderen. Ik heb me er al suf aan uitgelegd. Je hebt de Zeeuwse eilanden en je hebt de Waddeneilanden en haal ze alstublieft niet door elkaar. Ook al komen de Zeeuwse mosselen uit de Waddenzee.

In 2009 gingen mijn vrouw en ik op reis naar Zeeland. We logeerden op Tholen en we reden ons te pletter over de bruggen en dijken van de Deltawerken en elke plaats bracht me terug naar 'Oosterschelde windkracht 10'. Goeree-Overflakkee, Schouwen-Duiveland, Zierikzee, Brouwershaven, Noord-Beveland, Krammer-Volkerak, Goedereede. Ik zocht er vruchteloos naar Anne en Henk uit het beroemde jeugdboek. En naar het meisje dat haar behaatje uittrok om in de Oosterschelde te gaan zwemmen. Ik vond hen niet, maar het was alsof ik er zelf al veel meer was geweest. Een gevoel dat me ook overviel toen ik voor het eerst op de Waddeneilanden kwam en dat was toen helemaal de fout van 'Sil de strandjutter'.

Om in de sfeer te komen had ik die zomer 'Oosterschelde windkracht 10' nog eens opnieuw gelezen. Mooi hoor… maar tràag… En zo beschrijvend, een documentaire bijna. Wat is het plot ver gezocht en ongeloofwaardig. Dat plannetje om die foute ingenieur om de tuin te leiden... Haha! Zo'n script wordt in het huidige jeugdboekenlandschap nooit nog boek. Al zegt dit vooral iets over de kwaliteit van de jeugdliteratuur. Ik vraag me af hoe mooi 'Oosterschelde windkracht 10' zou geweest zijn als Jan Terlouw het anno 2011 zou schrijven. Nóg mooier!

Samen met zijn dochter Sanne schrijft vader Jan nu thrillers en misdaadromans. En af en toe een jeugdboek – in 2007 nog 'Zoektocht in Katoren'. Hoe ze dat samen doen, zullen ze vrijdag vertellen. Ik hoop eerst aan mij, dan aan het grote publiek. Ik hou alvast een nagelnieuw exemplaar van ‘Oosterschelde, windkracht 10’ klaar en hoop dat hij er een prachtige opdracht in schrijft. Ik kocht trouwens ook een ‘Joe Speedboot’, het hilarische meesterwerk van Tommy Wieringa. Een nieuwe held, wéér een Nederlander en topnaam op de Letterkoortsaffiche.

Maar Jan Terlouw is een veel betere schrijver dan Tommy Wieringa, net zoals Robbie Rensenbrink een veel betere voetballer was dan Johan Cruyff en Bob Dylan het Amerikaanse afkooksel van Boudewijn de Groot.

Nog vijf keer slapen en dan ontmoet ik Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10'.


vrijdag 7 oktober 2011

Naar Machu Picchu

Het is een helse periode die me nauwelijks tijd gunt voor mezelf. Elke dag zit tjokvol en dat blijft nog enkele weken zo. Dan is het erg prettig om eens weg te dromen. Ver weg.

‘Hallo…’
Plots staat Elke naast me bij het rek van de reisgidsen.
‘Hoi, lang geleden! Hoe is het met je?’
Een gewoon en vertrouwd ‘goed’ verwacht je dan. Of gewoon ça va. Elke is jong en knap en intelligent.
‘Eigenlijk niet zo goed,' klinkt het.
‘Oei….’
Ze vertelt over een vervelende familieruzie en dat ze zich in de steek gelaten voelt. En dat het slecht afliep op haar werk en dat het solliciteren vreselijk tegenvalt. Dat ze het moeilijk heeft om alle muizenissen en gepieker uit haar hoofd te zetten. Waardoor ze slecht of niet slaapt.
‘Ik heb zin om voor zes maanden naar Azië of Zuid-Amerika te trekken. Of tenminste naar waar de zon schijnt… Gewoon rondtrekken en zien wat op me afkomt. Ik denk er echt over na!’
Het klinkt zo stoer en aanlokkelijk.
‘Ik zou best met je willen meegaan hoor!’ zeg ik.
Mijn muizenissen zijn van een ander soort. Veel te drukdrukdruk in de bibliotheek. De eindredactie van een boek komt eraan. Ik moet weer een tijdje gaan lesgeven op maandag. En tweemaandelijks is er de deadline van alweer een aflevering van het tijdschrift waarvan ik de redactie doe.
Mijn leven is één grote deadline. Ik zie pas in hoe vreselijk dat klinkt nu ik deze zin schrijf.
‘Voor mij is het goed hoor,’ zegt ze.

‘Tja, klinkt aanlokkelijk, maar ik werk hé…’
‘Sluit de bib!’ zegt ze resoluut.
Waarom niet. Even afspreken met de collega’s en dan een briefje aan het venster. Tijdelijk gesloten. De lessen kan ik omwisselen, het boek uitstellen, het tijdschrift opdoeken. Tijd zat.
‘Kijk jij voor het vliegtuigticket? Last minute als het kan…’
‘No problem…’
Zij is goed in die dingen. Wat zoeken en vergelijken op het internet en klaar zal kees zijn.
‘Het wordt Peru’, zegt ze. ‘Goedkoopste plaats en beste verbinding, via Schiphol.’
Peru is goed. Het is al vele jaren mijn droombestemming en ik had me er al bij neergelegd dat het er in dit leven niet zou van komen. Alle wegen leiden naar Peru, maar ook dat is een deadline.
‘Mag ik aan het venster zitten?’ vraag ik.
Het mag.
‘We moeten niet te lang in Lima blijven,’ zeg ik als we even later van de drukke luchthaven wegrijden. ‘Het historisch centrum en de kathedraal zijn werelderfgoed, maar de stad is ongezond en smerig. En de lijmsnuivers en drugsdealers maken het er niet gezelliger op. Logeren kan hier ook wel eens tegenvallen.’
‘Goed idee van je om meteen de bergen in te trekken,’ zegt ze. ‘Ik had niet gedacht dat we zo makkelijk een goede verblijfplaats zouden vinden’.
‘Ja hé,’ zeg ik, terwijl ik nog even de hand opsteek naar de vriendelijke indiaan die in zijn poncho verborgen naar ons zwaait. Cusco was een leuke stad en we zullen zijn marktjes met handgeweven tapijten, alpaca truien en zilveren sieraden missen.
‘Maar jouw aanpak om snel een zitje op deze trein te fiksen, was ook niet slecht. Ik las dat toeristen soms weken op voorhand hun plaatsje op deze trein naar Machu Picchu moeten reserveren. Er mogen maar 300 mensen per dag het plateau betreden. Bij jou ging het vanzelf…’
‘Ah…’ ze bloost ervan. ‘Wat jij allemaal weet te vertellen over dat heiligdom van de Inca’s!' vult ze aan. ‘Net alsof je in een vorig leven zelf zo’n indiaan was,’ zegt ze terwijl ze voorzichtig op de trede van een bouwvallig trapje vlakbij de zonnepoort stapt.
‘Een indiaan of een frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog, dat denk ik zelf wel eens. Maar zo is het niet hoor, gewoon de leerkracht geschiedenis die weer eens de kop opsteekt…’
Ze lacht. De bewoners op de oude terrassen van het eilandje in het Titiaca-meer zijn siervol uitgedost en doen hun best om de toeristen te plezieren. Een man toont Elke zijn prachtig gebreide muts. Terwijl hij knipoogt - ik ga toch maar wat dichter bij haar lopen.
De busreis over het pad van stenen en aarde was vreselijk, maar nu geniet ik van de drukte op het pleintje van dit ontiegelijk schattige dorp terwijl ik me gewillig mijn schoenen laat poetsen. Elke ging op souvenirtocht en komt terug in een schitterende handgeweven poncho.
We gluren ademloos over de spitse toppen van de Andes.
‘Prachtig hé, die groene valleien en overal die grazende lama’s!’
‘Ja, zegt ze, terwijl ze de krakende deur van het oergezellige restaurantje in het oude centrum van Puno achter zich dichttrekt.
‘Schitterend …’, zeg ik. De zon prikt in mijn ogen. Ver onder mij zie ik het blauw van de Atlantische Oceaan. Ik mocht wéér aan het venster zitten!
‘Ik kom graag naar Amsterdam,’ zegt ze. ‘Zoveel mooier dan Brussel, vind ik. Ik weet niet wat die Hollanders altijd naar Antwerpen brengt.’
Ze wil nog enkele dagen in Amsterdam blijven hangen. Maar dat lukt ons niet. Thuis zit mijn vrouw vast met het eten klaar. En Elke moet nog wat boodschappen en haar jongste zoon afhalen op school.
‘Tot de volgende keer hé’, zegt ze terwijl ze enkele boeken in haar bibliotheektas stopt.
‘Zeker,’ zeg ik, ‘hopelijk met wat meer tijd. Kunnen we wat bijpraten.’
‘Ja, zou wel leuk zijn.’
Dag Elke!



zondag 2 oktober 2011

Zwarte jeans, blauwe sokken en geruit hemd

De timing is slecht. Ik ging deze week van 654 naar 219 Facebookvrienden. Net op het moment waarop Facebook Timeline aankondigt waardoor je zal kunnen zien wie je heeft gedefriend. Maar niemand hoeft boos op mij te zijn. Ik heb niet gedefriend, maar wel gedefacebookt.

Ik beken. Ik wilde het niet, maar het kwam er wel van. Ik verspeelde te veel tijd op Facebook.
Ook al plaats ik nooit fotoalbums van familiefeestjes, vakantie-uitstapjes, jubilea, vriendenweekends, mijn huiskat of mijn goudvis. Ook al bekijk ik geen foto’s uit het rijkgevulde en altijd zonnige privé-leven van FB-vrienden. Ook al word ik geen vriend van kinderen van vrienden en ga ik als overbezorgde vader niet op zoek naar wat mijn zonen bekokstoven door hun onthullingen en foto’s uit te vlooien. Goede vrienden met wie ik vaak optrek, wil ik ook niet nog eens digitaal te vriend houden (‘Koen ging gisteren op café met Jan en vond dat heel leuk’… Wedden dat Jan zal antwoorden met ‘Vind ik leuk’?) Ook al verhuizen alle verzoekjes voor spelletjes, verjaardagskalenders, horoscopen en kwisjes bij mij onverwijld naar de prullenbak. Eén keer heb ik voor de Farmville-koe van een vriendin gezorgd, maar dat was omdat ze het me in real life heel mooi had gevraagd en ik van haar een real pint kreeg als tegenprestatie. Maar Facebookboer ben ik er niet door geworden.

Ik neem verder ook nooit deel aan diepgravende onderzoeken, enquêtes en peilingen. Het antwoord op de vraag of vrouwen er met weinig make-up leuker uitzien, zal er niet komen dankzij mijn input. Ik hoef ook niet te weten of ik nichterig ben en wat ik zou doen als mijn vrouw overspel zou plegen. Ik ben ook niet echt geïnteresseerd in wat het rooksignaal voor brand zou zijn bij de indianen. En het interesseert me absoluut niet om te weten wat ik zou doen als ik weet dat de aarde maar 24 uur meer bleef rondcirkelen of wat ik zou doen als ik 10 miljoen euro won.

Toch was het tijd voor een kritisch onderzoek van mijn FB-gedrag en ik vond het best tijdrovend maar wel prettig om te doen. Zo vind ik het niet langer leuk om de 15.438.251ste fan van Pink Floyd, de 12.865.756ste fan van Nirvana, de 9.5878.654ste fan van The Doors en een van de 3.5487.369 vrienden van Janis Joplin te zijn. Trouwens, die is toch al lang dood?

Arno heeft een evenement gemaakt en nodigt mij hiervoor uit. Laat me niet lachen. Arno heeft geen fucking verstand van Facebook en vindt alle FB’ers dezer wereld strandjanetten. En als hij 50.824 vrienden heeft, kan het hem geen reet schelen of Koen D’haene op dat evenement, dat hij dus niet heeft aangemaakt, zal aanwezig zijn. Trouwens, Arno organiseert ook geen evenementen, maar rockconcerten. Laatst nog in Québec en ik vond het behoorlijk stom dat hij mij uitnodigde voor een concert in het verre Canada op een dinsdagavond. Als hij dan toch mijn vriend is en me persoonlijk uitnodigt, zou hij moeten weten dat ik op dinsdagavond tot 20 uur ’s avonds werk en dus niet op tijd in Québec kan raken.

Een Nederlandse jeugdschrijfster die ik niet ken laat een foto zien van haar jongste aanwinst: een hondje voor haar zieke ouders. De volgende dag heeft diezelfde schrijfster met haar wit paard een rustgevend ritje gemaakt op een verlaten strand naast de onstuimige zee en ze heeft daar nu zitvlakpijn door. Goed dat ze me dat even liet weten. Een leraar uit Gent is klaar voor een prettige namiddag in zijn tuin. Een Vlaamse schrijver is niet te beroerd om zijn eigen status leuk te vinden, een schrijfster haar eigen foto (en ze heeft nog gelijk ook). Een jonge moeder laat weten dat ze pannenkoeken gaat bakken voor haar kinderen. Een ijverige family man is blij dat ze morgen komen met zijn nieuwe ramen en garagepoort. Ik zie al uit naar de foto van die garagepoort die ik ongetwijfeld binnenkort op mijn prikbord ga vinden.

Het is allemaal heel boeiend wat je via Facebook over de wereld kan leren. Zo krijg ik de laatste tijd steeds meer verzoekjes om reclame te maken voor een muziekgroep die ik niet ken. Hoeft ook niet, gewoon op vind ik leuk klikken please. Ik werd op de hoogte gesteld van het feit dat iemand ziek is van een vliegtuigreis naar Oekraïne. Mij werd ook medegedeeld dat een collega-schrijver is gaan eten met een andere schrijver en dat het heel lekker was. Een dichter maakte wereldkundig dat hij zijn gedichten niet meer in poëziebundels zal publiceren, maar voortaan enkel nog op zijn prikbord. Iemand laat mij en zijn vele andere vrienden weten dat hij een nieuwe computer gekocht heeft. Een verre vriend informeert mij erover dat hij een FB-kamer in een FB-hotel in een FB-stad heeft gekocht. Een documentatiecentrum laat weten dat het tijd is voor zijn derde kopje koffie van de dag. Bianca maakt er gewag van dat ze zich vanavond onder een rood dekentje zal zetten om goddelijk te monsteren. En Stefan vertelt dat hij gaat werken met een zwarte jeans, blauwe sokken en een geruit hemd. Iemand informeert mij er ook nog over dat hij een foto gedeeld heeft met een vriend. Een boekenkast deelt mee dat ze een foto van een schrijver leuk vindt. Er wordt ook druk gecommuniceerd over het groeiproces van uitgewisselde kittens. En iemand die ik niet ken vertelt dat ze de link van iemand anders die ik niet ken leuk vindt.

Nu ben ik in het echte leven wel hevige fan van bibliotheken en heb ik in veel Vlaamse bibliotheken bevriende collega’s, maar te bont moet ik het nu ook weer niet maken. Ik ben fan van 57 bibliotheken en vriend van 23 andere. Zo krijg ik elke dag tientallen uitnodigingen voor leuke activiteiten, lezingen en tentoonstellingen all around Nederland en Vlaanderen. Zo kan ik vanavond, als ik daar zin in heb, naar een lezing van hersenwetenschapper prof. dr. Dick Swaab in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Aanvang om 19u.30. En de bibliotheek van Beringen nodigde me onlangs uit op de koffie, die van Wevelgem op een ontmoeting met haar medewerkers.

Maar niet alleen bibliotheken behoren tot mijn intieme kennissenkring. Ik ben ook vriend of fan van uitgeverijen, cultuurcentra, boekhandels, voetbalclubs, een kubbteam, een braderie, een veerman, een wereldfestival, drie heemkundige kringen, twee (!) nationale visserijmusea, een literatuurfonds, een ons erfdeel, twee erfgoedcellen, twee literatuurfondsen, drie elfen, één café (en dan nog een heel klein), een drempel, diverse fuiven, een gelukkige lezer, Pinksteren, van Joe Speedboot en van De helaasheid der dingen, drie toneelgroepen, een zetelblues, een beweging tegen armoede en, last but not least: vele politici. Wees gerust: op al te nadrukkelijk geel na, hebben die alle kleuren. Burgemeesters, ministers, senatoren en volksvertegenwoordigers: ze behoren allemaal tot mijn vriendenkring. En dat op een zucht van nieuwe verkiezingen. Owee mijn inbox.

Ik heb ze (bijna) allemaal weg gekieperd, de dingen en mensen die tot één van bovenstaande categorieën behoren. Ze zullen het heel jammer vinden, maar onder meer Jan Becaus, Christophe Deborsu en Kevin Major zijn mijn vrienden niet meer. Mijn vriendenlijst is gereduceerd van 654 tot 219. Fanpagina’s heb ik nauwelijks nog. Maar toch blijf ik Facebooker, er blijft nog genoeg over. Goede vrienden die ik veel te weinig ontmoet en via FB niet uit het oog verlies. Voor vrienden met wie ik samen activiteiten organiseer is Facebook een uitstekend communicatiekanaal. Enkele bibliotheken zijn inspiratiebron voor mijn eigen bibliotheekwerk - Facebook om te spieken dus. Sommige auteurs zijn prima informatiebronnen of houden mij op de hoogte van hun nieuwe werk en activiteiten. Neefjes en nichtjes die het land en de wereld rondtrekken: ik volg ze graag. Enkele FB-vrienden loodsten me naar hun mooie weblog en houden mij ervan op de hoogte als ze iets gepost hebben. Halve en nieuwe kennissen werden dankzij Facebook goede vrienden en heel soms echte soulmates met wie het tot digitale tooggesprekken komt. Leuk toch?

Er zijn ook heel rare dingen. Ik ging twee jaar terug in op een vriendschapsverzoek van een middelbare school-vriend die twintig jaar geleden is overleden. Iemand die ik niet ken bracht hem weer tot leven op Facebook en post foto’s, muziekjes en evenementen ter ere van Peter. Het is best luguber, er is leven na de dood. Maar in de echte Geverfde Vogel komt Peter niet meer.

Sommige berichtjes kan en wil ik niet laten voorbijgaan. Als een FB-bevriende jeugdschrijfster verontwaardigd post dat een bibliothecaris haar heeft gezegd dat hij wel eens een échte auteur wou uitnodigen, dan móet ik wel antwoorden. ’Ach, die bibliothecarissen... Ze weten niet wat schrijven is...’

http://www.youtube.com/watch?v=0VFctmbb5C0


vrijdag 16 september 2011

'Waarom Jote, waarom?'

Jongeman stikt door frietketelbrand. Een kop in de regionale bladzijden van een krant die ik normaal gezien niet eens opmerk. Het is het soort berichtgeving dat me niet raakt. Een slippartij, een klapband, een omgevallen boom, een schouwbrand, een steekpartij. Het ruikt naar sensatie of non-news.

Maandagmorgen ging ik over de zin en mijn ogen bleven staan. Zopas had mijn zoon gevraagd of hij zaterdag de auto kon gebruiken om naar de begrafenis van een vriend te gaan. Ja, hij was het. Jonathan kwam zaterdag thuis van het Schippersweekend in Lauwe, hij had (ongetwijfeld) wat gedronken en besloot ‘s morgens om vijf uur nog een frietje te bakken. In slaap gedommeld terwijl de olie warm werd. Heet werd. Te heet werd. Jonathan stikte in zijn diepe slaap. Als een ware schipper die zijn schip niet verlaat.

Ik heb Jonathan niet gekend en nooit gezien. Maar god, wat moet hij een toffe gast zijn geweest! Een warme goedgeluimde vent, waar iedereen graag bij was. Je kon altijd op hem rekenen. Hij knuffelde, hij maakte plezier, hij deed veel dingen samen met zoveel vrienden. Met zijn hele lijf en leden in de maatschappij. Chiroleider. Kandidaat Prins Carnaval toen hij 19 was. ‘Skivendraaier’ en tapper achter den toog. Hij zette het feest klaar en hij ruimde het op.
Zijn verhaal is zo herkenbaar. Mijn zonen zijn ook chiroleider, ze gingen ook naar het Schippersweekend, ze komen ook wel eens met honger thuis.

1284 vrienden had Jonathan vorige maandag op Facebook. Vandaag, vrijdag, heeft hij er al 1329. Er komen er bij, over zijn dood heen. Geen nepvrienden. Echte vrienden die nooit eerder op Facebook kwamen maakten een account omdat ze iets op Jonathans prikbord wilden schrijven. Anderen hebben hun account gereactiveerd. Een hele generatie jongeren uit de regio is in shock.

Ik huilde tranen met tuiten toen ik de posts en reacties op zijn prikbord las. Ismael zat maandag op de bus en hoopte een glimp op te vangen van Jonathan. Elke morgen zwaaide hij terwijl hij de krant las als hij wachtte op de bus. Kimberly zal zijn knuffeltje missen dat hij haar altijd gaf als hij een pintje teveel op had. Voor Jelle was hij een gouden jongen die voor alles en iedereen klaar stond. En dan de zus van Jonathan, die de verweesde vriend troost: 'je was écht zijn vriend hoor'. Het zal Jelle deugd hebben gedaan om dat te lezen - zijn verdriet des te groter. Veel woorden die je alleen begrijpt als je in onze streek woont: dat Jote ne bjistige keirel was. Niet te tellen hoe bjistig. Veel godverdommes ook en fuck yous en shits. Hoe poëtisch deze woorden ineens klinken. Margot wenst veel sterkte aan familie en vrienden. Zin moaten, wuk zagen ze hem geirne.

Jonathan was een leutemaker, een zeveraar, ne sjieken, een gjistigaard, ne zaligen tip, een matje, ne gast waar je op kon rekenen. De positivo van Menen City. Daphne had net zijn sjaal van het galabal teruggevonden, ze hoopt dat ze hem op een dag kan teruggeven en zal er in afwachting heel goed voor zorgen. Een geruststelling ook voor wie niet op Facebook komt: in den Beepop ligt een boekje klaar waarin je iets kunt schrijven. Den Beepop op de markt van Menen, waar iedereen Jonathan nu hard zal missen. Het zal nooit meer hetzelfde zijn op de markt van Menen, in den Overkant, in de Jukte, in ’t Schipke, in de JC, in den Abatoir, op het secretariaat van de school waar hij werkte.

Jongeren hadden hem graag, ouderen keken naar hem op. Jonathan ging ooit bij drie vriendinnen langs om hun BBQ aan te steken. Ge moe roep’n é vo de barbecus! En wie gaat ter Nicoline nu ut heur bedde beln gat in nacht om te bluvn slaapn omdat tie nie mji tus grakte? De leraar Nederlands leest mee en vindt het jammer dat deze woorden moeten geschreven worden. Jonathan was een stoere kerel met een gouden hart, zegt hij. Van Chou zal hij altijd de grote liefde blijven. Zijn klasgenoten uit de lagere school, zijn homomatje, zijn eerste lief, zijn swarovskibabe. Allemaal missen ze hem. Jonathan wordt weer tot leven gewekt op steeds meer getagde foto’s, op filmpjes waarop je zijn stem hoort, met muziek die hij graag hoorde. Stand by me, oh darling stand by me en den Bob. Maar Afscheid van een vriend van Clouseau staat er ook tussen. Er is een online rouwregister. En een RIP-Facebookpagina voor Jote, the legend.

Jonathan ligt heel mooi in het funerarium. Met een sjiek kostuum aan, hij mag er trots op zijn, zegt Lobke. Morgen wordt hij begraven, ze zullen er allemaal zijn. En binnen drie weken zullen ze voor Jote allemaal Dwars door Geluwe lopen.

Al die jongeren die geen woorden vinden om hun verdriet uit te drukken, het ontroert me zo. Jonathan, ze zijn boos op je omdat je er niet meer bent… Dat ze je niet meer zullen horen lachen en dat je hen niet meer aan het lachen zal brengen. Ze gaan je heel hard en heel lang missen. Maar ze zijn ook superblij dat ze je gekend hebben. Als dat geen mooi compliment is.

Deze blogpost wil niets meer dan een bloemlezing zijn. Said krijgt het laatste woord: Jote, we misn je bère ard vint.

Veel sterkte aan de familie en vrienden.


maandag 29 augustus 2011

Weer naar school....

Voor wie er ooit voor koos om leraar te worden, blijft 1 september een bijzondere datum. Ik wou hem niet ongeblogd laten voorbijgaan.
Enkele jaren geleden verscheen onderstaande tekst over mijn favoriete leraar als lezersbijdrage in De Standaard.

Het jaar 1979

Altijd een enthousiaste leerling geweest. Zelfs wiskunde en fysica boeiden me, maar Nederlands en geschiedenis waren mijn favoriete vakken.
Al had ik het wat moeilijk met de feitenopsomming die de meeste leerkrachten van de geschiedenisles maakten. Ik kende ze wel, de cijfers van het vak geschiedenis: 843, 1453, 1566, 1789. De onderwijzer uit de zesde klas voegde er een heel vreemde datum aan toe: 1968. Sinds dat jaar is de wereld helemaal veranderd, zei hij. Ik snapte niet wat hij bedoelde en waarom die vreemde grijns op zijn gezicht verscheen. Gelijk had hij, net als later zijn broer: mijn leraar geschiedenis van het derde middelbaar in het Sint-Pauluscollege van Wevelgem.

Op een dag, zo’n honderd jaar geleden, schrokken de bewoners van een buurt in een grote stad zich een aap, zei hij. In een grote kring was rondom hun huizen en straten een torenhoge muur opgetrokken. Zomaar. Er was geen uitkomen en dus ook geen ontkomen aan: de bewoners van de buurt restte ogenschijnlijk niets anders dan het vervolg van hun leven met elkaar te delen. De fabrieksbaas opende zijn rijkelijk gevulde voorraadkasten voor de arme arbeiders. De dokter verzorgde gratis de verpauperde buurtbewoners. De onderwijzer leerde de kinderen op straat rekenen en schrijven. De volkstuintjes stonden ter beschikking van al wie honger had. De bakker bakte brood voor wie hem graan bezorgde. Toen de muur vele jaren later (op het einde van de les) eindelijk werd gesloopt, wilde niemand de magische cocon nog verlaten.

Mijnheer Duhamel: we hingen aan zijn lippen. Wie het aandurfde om ook maar even op zijn stoel te wrikken, werd door de anderen met een vernietigende blik tot de orde geroepen. Stilte, hier werd verteld! In noodgevallen kwam de leraar-verteller ter hulp. Amokmakers mochten van hem gerust even naar buiten voor een ommetje, zei hij, waarna ze blozend bleven luisteren. Toen de bel ging, stormden we niet naar de deur. We gunden mijnheer Duhamel de tijd om zijn verhaal af te ronden. Het was niet echt gebeurd, zei hij. Hij had alles verzonnen. Diep ontgoocheld maar nog veel dieper onder de indruk trokken wij naar de speelplaats.
De volgende les geschiedenis leerden we over opkomst en groei van het communisme in Europa. Een makkie.

De kracht van het verhaal. Vijf jaar geleden zei Willy Spillebeen (in een vorig leven leraar geschiedenis) tijdens de voorstelling van zijn monumentale roman Busbeke, of de thuiskomst: ‘Een historische roman schrijven is veel liegen en heel veel fantaseren, maar altijd met kennis van zaken’. Hij is het vast vergeten, maar ik schreef het op een kladje.

Uiteraard werd ik enkele jaren later op mijn beurt leraar Nederlands-geschiedenis. Mijn histories strooi ik nu rond in een openbare bibliotheek en in het volwassenenonderwijs. En ik schrijf jeugdromans, bij voorkeur over frontsoldaten, strandjutters en beeldenstormers.
Geloof niet alles wat ik schrijf, maar slim word je er wel van.