Pagina's

woensdag 12 december 2012

Roger De Vlaeminck wint Gent-Wevelgem!

Ik had het genoegen om samen met wielerjournalist Rik Vanwallegem en koersencyclopedist Rudy Neve het jubileumboek 'Gent-Wevelgem 75' te mogen samenstellen. Het boek is ondertussen klaar en werd op 10 december voorgesteld in aanwezigheid van iconische oud-winnaars als Francesco Moser, Walter Godefroot, Guido Bontempi, Sean Kelly, Freddy Maertens en Oscar Freire. Het werd een prachtige publicatie: thema’s als de veelwinaars, de niet-winnaars, de grote en kleine geschiedenissen en (of course) de Kemmelberg worden cursief beschreven en met fantastische foto’s geïllustreerd. Als uitsmijter schreven Rik, Rudy en ik een persoonlijke terugblik: wat het doet met een koersliefhebber om aan de meet in Wevelgem op te groeien. Over mijn ‘Feest van Saint-Vélo’ zal ik hier niet berichten, dat lees je voortaan in een boek.

Rik, Rudy en ik zaten urenlang te speuren in de fotoalbums die stichter en organisator Georges Matthys bijhield. Hij verzamelde koersfoto’s toen die nog zeldzaam en kostbaar waren en hield ze zorgvuldig bij in plakboeken. Bovendien voorzag hij ze van spitse en vaak hilarische commentaren, die hij met de tikmachine op een schamel velletje papier tikte. De helden versagen niet en slaan met onverdroten moed het pad naar de illustere top in.
De fantastische zwart-witfoto’s en de hilarische commentaar van Georges Matthys presenteerden Gent-Wevelgem als een heroïsche koers waarvan je nauwelijks kan geloven dat die in onze contreien werd gereden. Er zijn fascinerende beelden van het wielerpeloton dat in waaiervorm langs de kust fietst. In de jaren vijftig was ‘langs de kust’ nog: ‘naast de duinen’. De foto die we selecteerden voor het boek, lijkt wel gemaakt op Antarctica of in het Zwitserse hooggebergte. Er zijn even wonderlijke foto’s van gesloten rennersgroepen die over de markten en plaatsen van de Vlaamse steden dokkerden. Allemaal bossen van Wallers waren dat doen, bovendien voorzien van ferme tramsporen in het midden van de weg. Ik vermoed dat de beste renners toen in die tramsporen reden, dat was minder hobbelig en het gaf minder wrijving.
En dan die Moeren... Dat was toen nog een landschap om u tegen te zeggen en niet zomaar een streek in het noordwesten van België. Het was letterlijk bachten de kupe. ‘De Moeren’ was toen nog iets zoals de Russische steppe, de Noorse fjorden, de Hongaarse poesta of de Siberische toendra. De West-Vlaamse Moeren. 
Toen was West-Vlaanderen ook nog veel groter, want uit de sfeerverslagen en de foto's van toen blijkt dat de renners uren bleven fietsen door die Moeren. Er waren nauwelijks wegen en toen was er ook veel meer wind dan nu en het vroor en sneeuwde bijna altijd. De renners waagden een beetje hun leven, want slechts om de vijftig kilometer stond er een huis. Daar konden de renners aankloppen bij de plaatselijke bewoners: een soort Neanderthalers, met wilde baard en lange ‘fabrinnen’, die een onverstaanbaar taaltje spraken. Die oerbewoners boden de renners uit een houten mok een papachtige vloeistof aan. En ze konden even verpozen op een boomstronk.
De renners die de Moeren overleefden, moesten toen nog over de vermaledijde Kemmelberg geraken. Daar lag nog geen weg, de renners liepen over een brokkelig aarden pad de berg over en werden vaak geholpen door een vriend die voor hen de fiets (het vehikel) over de berg loodste, zodat de renners zich niet nodeloos moesten vermoeien. Ik vond het niet in de wedstrijdverslagen, maar als ik de foto's uit die vroegste beklimmingen bekijk, kan ik niet anders dan vermoeden dat er toen nog bruine beren in het Kemmelbergmassief woonden.
De weg naar Wevelgem verliep vrij makkelijk, daar waren wel al wegen. Maar de aankomst was nog niet van de poes: die lag op de startbaan van het vliegveld en die vlakte was toen zo open en verlaten dat de kans op wegwaaien reëel was. Bovendien zorgden stuntmannen als vuurspuwers en autospringers voor een voorprogramma dat me minstens even gevaarlijk leek als de laag overvliegende vliegtuigen.
Je gelooft me niet? Bekijk de foto’s in het fantastische boek en oordeel zelf!

Tijdens (en vooral na) de voorstelling van het boek vroegen velen me welke editie voor mij de mooiste was. Aan welke ik het meest plezier beleefde. 
De mooiste editie is nog niet gereden en die zal ook nooit gereden worden, antwoordde ik nogal cryptisch. Want voor mij is de mooiste Gent-Wevelgem die ooit kon gereden worden die met Roger De Vlaeminck als winnaar.
Roger De Vlaeminck won nooit Gent-Wevelgem. Dat is het enige schoonheidsfoutje op de fenomenale erelijst van de wedstrijd. In het boek wijdden we er overigens een afzonderlijk hoofdstuk aan: hoe het komt dat Le Gitan nooit won. Alle wielergroten der aarde reden in de Vanackerestraat als eerste over de streep. Op de erelijst staan maar liefst 23 (drieëntwintig!) wereldkampioenen. Maar niet Roger De Vlaeminck dus. Roger werd overigens ook nooit wereldkampioen, er zit dus wel enige logica in.
Ik was fanatiek wielerliefhebber tussen mijn tiende en twintigste levensjaar en elk voorjaar weer hing ik aan de beeldbuis en toog ik naar de Vanackerestraat in de hoop dat mijn idool eindelijk zijn Gent-Wevelgem zou binnenrijven. Het kwam er nooit van. Op een lijst die door koersfanaat Bernard Callens werd opgemaakt, staat hij op de vijfde plaats, na Merckx, Van Looy, Boonen en Cipollini, de drievoudige winnaars. De Vlaeminck werd maar liefst vier keer tweede, een keer derde en twee keer zesde. Maar hij stond nooit op het hoogste schavotje. 
Wie wat afweet van koers, weet hoe dat komt. Mijn vader zei het toen al: ‘Hij zal nooit winnen, hij doet enkel kilometers. Zondag zal hij winnen, let maar op’. Na de koers fietste Roger over de Grote Markt en de Kortrijkstraat meteen verder naar zijn woonplaats Eeklo. En vier dagen later won hij Parijs-Roubaix. Elke keer, tien jaar lang. In mijn door jeugdige idolatrie doordrongen herinnering blijft Roger de enige echte Monsieur Paris-Roubaix. Ever.
Roger De Vlaeminck piekte nog voor het woord bestond.
Tijdens de voorstelling kwam alle leed uit mijn jeugd weer naar boven. Roger De Vlaeminck won nooit Gent-Wevelgem en dus zat hij ook niet naast mij in de eerste rij. Freddy Maertens en Francesco Moser wel.

Het was ongelooflijk boeiend om met Rik Vanwalleghem en Rudy Neve aan het boek te werken. Zij zíjn koers. Ze kennen alle renners persoonlijk: ze waren kind-aan-huis bij Briek Schotte, doen aan huisruil met Felice Gimondi, zitten aan de toog met Eddy Merckx. Geen koersparcours is hen vreemd, ze hebben de truitjes van Molteni en Brooklyn en ze ratelen elk palmares uit het hoofd. Wie was er in 1973 derde en hoe? Walter Planckaert, op 55 seconden van Merckx en Verbeeck. Wie kwam er in 1994 als eerste op de Kemmelbergtop? Franco Ballerini. Waar was de start van Gent-Wevelgem in 1971? Op het Sint-Baafsplein in Gent. Je leest het nu in het boek, maar zij wisten het al. Of nog.
Eén keer, echt maar een keer, kon ik hen de voorbije maanden op een foute herinnering betrappen. 
We hadden het over de fameuze overwinning van de toen nog nobele onbekende Bretoen Bernard Hinault en hoe jammer dat toen leek voor de erelijst van de wedstrijd. ‘Tot hij drie weken later Luik-Bastenaken-Luik won!’ lachten Rik en Rudy. Ik lachte niet met hen mee, want het klopte niet, dacht ik. Maar ik durfde het vooralsnog niet te zeggen. Eenmaal thuis ging ik snel even googlen. Mijn vermoeden was juist: dat jaar won Bernard Hinault de zondag na Gent-Wevelgem ook de Ardennenklassieker. Geen drie weken, maar vier dagen later dus. Bij een volgende ontmoeting wees ik hen op dit kleine foutje. Rudy moest maar heel even zoeken om mij gelijk te geven.
Natuurlijk had ik gelijk, dat wist ik heel zeker. Zij al het andere, maar ik dat. Het was een klein moment de gloire. Ik schitterde even op het terrein waar mijn twee pennenvrienden heer en meester waren. Ik voelde me zoals ook Barry Hoban, Henk Lubberding of Gerrit Solleveld zich moeten gevoeld hebben toen ze totaal onverwacht Gent-Wevelgem wonnen.
Of Bernard Hinault.

Het boek ‘Gent-Wevelgem 75’ werd uitgegeven door Kannibaal en is te verkrijgen in de boekhandel of in het secretariaat van véloclub Het Vliegend Wiel in Wevelgem.

Lees ook: Roger De Vlaeminck: 'Ik ben 'm en ik blijf 'm!'

zaterdag 8 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (3)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stiljlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Dit is het derde blogbericht, lees eerst deel 1 en deel 2.

In 1999 werd ik door Christiaan Germonpré, dichter en bibliotheekcollega in Kortrijk, gevraagd of ik geen zin had om redacteur te worden van de cahiers van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (VWS). Hij was het sinds jaren, maar wou graag de fakkel doorgeven. Ik schrok even. Ik kende de vereniging wel, volgde en las de cahiers, maar ik was geen lid van VWS en ik was toen ook nog (net) geen schrijver. Ook de eerbiedwaardige heren en dame van de VWS moeten wel even geaarzeld hebben of het een goed idee was, want ze kenden mij niet. Maar toen ik na een korte bedenktijd redacteur (en lid!) van VWS werd, hoorde ik dat ze ook bij Willy Spillebeen hadden gepolst. Of hij Koen D’haene kende? Zijn antwoord en referentie hadden de heren en dame van VWS mee overtuigd. Het bijzondere was dat de eerste publicatie die ik voor VWS moest redigeren van de hand van Willy Spillebeen was, over de Wevelgemse letterenmens Lionel Deflo…

De regio is te klein om Willy niet alleen tegen te komen tijdens boekvoorstellingen en lezingen. Een vriend trouwde met zijn dochter, mijn vrouw zorgde even voor zijn kleinzoon, mijn zoon werd de vriend van een andere kleinzoon. 
In de marge van de literaire feesten en uitstapjes leerde ik ook een heel klein beetje Zulma kennen, Willy’s geliefde echtgenote die je na één oogopslag omarmde en verbaasde met zowel moederlijke zorg als literaire interesse. Wat was zij een aimabele vrouw! Hoe hard moet Willy haar hebben gemist toen ze hem plots en onverwacht voorging.  Zijn verdriet was zo groot dat hij even niet meer kon schrijven. Geen letter, geen woord, geen zin en zelfs geen roman. Maar plots was er in 2006 de mooie dichtbundel Liefde, het enige, wonderlijke verzen van groot gemis. Opgedragen aan Z.

Ondanks het feit dat ik Willy leerde kennen en steeds vaker ontmoette, bleef hij voor mij in de eerste plaats een schrijver die ik graag las en naar wie ik opkeek om wat hij schreef. 
Ik las zijn bundel Honderd liefdessonnetten, een heel mooie vertaling van Cien sonetos de amor van de door hem bewonderde Pablo Neruda. Zuid-Amerika, de liefde bleef. Ook bij mij. En de poëzie schitterde zoals ze altijd doet in de bundels van Willy. Hij voelde zich meer dichter dan schrijver en pas nadat ik dat van hem hoorde, las ik ook zijn poëzie. 
Ik las De heuvel, dat wonderlijke boek over Wereldoorlog I in onze regio. ‘Het is onbegrijpelijk dat zo’n zachtaardig en vredelievend man zo’n vreselijke thema’s en gruwelijke taferelen kan schrijven,’ zei dichter Renaat Ramon me tijdens de voorstelling. Er klonk verwondering in zijn stem en er stond bewondering op zijn gezicht. 
Ik las de adolescentroman Anastasia en hoorde er van Willy een fantastisch verhaal bij dat hem had geïnspireerd voor het boek: over een oude Russische vrouw die in Moorsele woonde en daar per abuis terechtkwam omdat ze eigenlijk onderweg was naar Marseille. Moorsele en Marseille, de namen lijken net iets teveel op elkaar als je ze in Rusland hoort.
Ik las Busbeke, of de thuiskomst en kwam zo dicht in de buurt van mijn geliefkoosd romanpersonage Zeno uit mijn absolute favoriete roman, Het hermetisch zwart van Marguerite Yourcenar. Tijdens de voorstelling van Busbeke, in de bibliotheek van Menen en bijna met zicht op de kerk van Busbeke (om die helemaal te zien moet je in de werkkamer van Willy zijn) noteerde ik op een klein briefje een uitspraak die me erg raakte. Wat Willy toen zei is mijn drive als ik in stilte werk aan een historische jeugdroman met Zeno als figurant maar waarover ik verder niets meer vertel.  Zelfs Willy verklap ik die (zijn) uitspraak niet. Het moet een beetje spannend blijven en we hebben tijd zat.
Je verjaart nog wel eens, Willy, en dan kan ik je het boek met je citaat misschien cadeau geven. Maar geniet eerst van deze winter waarin je tachtig wordt. 
Van harte!

http://www.youtube.com/watch?v=v=PO3gcH2N4gs


Bij de verjaardag van Willy (2)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stiljlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Dit is het tweede blogbericht, lees eerst deel 1!

Als het om mijn favoriete Spillebenen gaat, komt De varkensput dicht in de buurt. Met de lectuur van die roman introduceerde Willy me in het nog niet verteerde oorlogsverleden van de Vlamingen. ‘Oorlog en collaboratie’ was een thema dat me meteen intrigeerde. Ondertussen werkte ik in de bibliotheek en Willy kwam over het boek vertellen voor de leerlingen van het vierde jaar van het Wevelgemse Sint-Pauluscollege.  Achteraf bleef ik met Willy en leraar-criticus Marc Desmet een tijdje napraten over de lezing en het boek. En over de sluimerende ontgoocheling dat hij er de Staatsprijs voor Prozaliteratuur niet voor had gekregen. De naam Willy Spillebeen circuleerde hiervoor uitdrukkelijk in de hoogste cenakels van de cultuurbonzen en literatuurpauzen. Er moest veel gebeuren opdat Willy die staatsprijs níet zou ontvangen. Zowat het enige wat niet mocht gebeuren, gebeurde echter: Hugo Claus schreef Het verdriet van België. En won.
Willy was in alle staten en vertrok voor een jaar naar de States. Hij was namens de Vlaamse gemeenschap één jaar lang writer-in-residence en leerde de studenten van de universiteit van Wisconsin Europese, Vlaamse en Menense schrijvers kennen en smaken.

Door mijn werk in de bibliotheek ontmoette ik Willy ook als fietser. Het provinciebestuur organiseerde naar aanleiding van de Bibliotheekweek 2001 een publiekswedstrijd en Willy was de schiftingsvraag. Hij zou met zijn fiets vertrekken aan de bibliotheek van Menen en via de rijksweg naar de bibliotheek van Wevelgem fietsen. Op het moment waarop hij de hand schudde van onze baliemedewerkster, werd de stopwatch ingedrukt. Wie het best de fietserscapaciteiten van Willy had ingeschat, won, want de vragen zelf waren net iets te makkelijk.
Dankzij de bibliotheek had ik vaker professionele contacten met Willy. Hij was onze eerste gast toen we een literaire avond organiseerden, hij was gastspreker tijdens boekvoorstellingen of inleider bij de bespreking van een boek van hem door de leesclub. Maar hij was vooral een graag geziene gast als de bibliotheek een voorstelling organiseerde van een boek van een plaatselijk auteur. Luc Vanhauwaert, Eveline Vanhaverbeke, Philip Hoorne, Vera Hoorens of goede vriend Lionel Deflo: ze waren allemaal blij als Willy opdook. Hij was en blijft geïnteresseerd in nieuw werk van andere schrijvers en zijn belangstelling is gemeend en oprecht. Het is wel eens anders in het literaire wereldje.
Ook ik was blij toen hij er was bij de voorstelling van mijn Hel in New York. Ik glunderde van trots toen hij me feliciteerde en een vriend had dat gemerkt. ‘Je moet toch niet onder de indruk zijn als hij je de hand schudt? Je bent nu toch ook schrijver!’ Ik vond die opmerking erg ongepast en onterecht. Je hebt nu eenmaal schrijvers en schrijvers.

Toch liep onze literaire loopbaan heel even over dezelfde weg. Die van en naar uitgeverij Davidsfonds in Leuven. Mijn eerste drie jeugdromans verschenen bij het prestigieuze uitgevershuis en Willy en ik reisden drie keer samen naar het jaarlijkse auteursfeest in de Brusselse Concert Noble. Gezellige avonden waren dat. Willy zat aan tafel met Jooris Van Hulle en Hubert Van Herreweghen (denk ik), ik zat aan een andere tafel tussen Marc De Bel en Dirk Bracke (weet ik). Eén keer was professor Piet Thomas de derde passagier in de wagen van Willy. Op de terugweg wees hij Willy op foute keuzes in zijn schrijverscarrières en even foute keuzes in zijn wegparcours door de Brusselse binnenstad. Willy bleef er kalm bij: ‘Misschien heb je gelijk, maar ik weet dat wat ik kies ook goed is. Ik laat me niet van de wijs brengen’, voegde hij er lachend aan toe. Om twee uur in de nacht dronken we in het bibliotheekhuis van de professor met zijn drieën samen een halve fles wijn uit. Miswijn denk ik, want in het huis van Thomas was er een altaar waar hij achter ging staan als hij voor zichzelf de mis opdroeg. Echt waar!
Het tweede jaar belde Willy me zelf op om te vragen of ik weer met hem mee reisde en toen hij me uren later weer dropte op de Wevelgemse Grote Markt gaf ik hem verbouwereerd mijn presentexemplaar van De oversteek als onkostenvergoeding. Wat geef je anders aan een schrijver?

Het was overigens niet de enige keer dat ik bij nacht en ontij met Willy op pad ging en niet elke keer hielden we het bij elk een half glas. Na de boekvoorstelling van Vera Hoorens’ Ketterse arts voor de heksen loodste een derde boekenvriend ons mee naar het huis van een collega. Een goede wijnkelder en een grote collectie platen met Frans chanson waren het lokmiddel. Wij klonken op Gilbert Bécaud en Charles Aznavour en zij klonken goed. De terugweg verliep via een jeugdhuis langs de Brugse baan en eindigde tussen al even jong volk in een Wevelgems jongerencafé. Willy gaf one for the road en even later (maar heel laat) togen we tevreden huiswaarts langs die road.


http://www.youtube.com/watch?v=ihtORsGjC2E

vrijdag 7 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (1)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stijlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van Hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Het lijkt alsof ik Willy Spillebeen al mijn hele leven ken en tegelijk heeft hij minstens zeven levens voor mij. Altijd weer kwam hij op de proppen en altijd weer in een min of meer andere gedaante.

Eerst was er Willy Spillebeen, de schrijver. Toen ik de jeugdromans van Jan Terlouw en Thea Beckman was ontgroeid, kwam ik nogal snel bij hem terecht. Van de leraar Nederlands in het vijfde middelbaar moesten we van drie schrijvers een titel naar keuze lezen: Willy Spillebeen, Ward Ruyslinck en Roger Van de Velde. Het ontgoochelde mij wat want het was geen uitdaging: van dat trio had ik al heel wat boeken gelezen en van Van de Velde had ik ze alle zes gelezen. Ik was gek van zijn Knetterende schedels en Galgenaas. Voor de obligate boekbespreking koos ik toen Spillebeens De Vossejacht. Voor mij is deze roman een deel van het drieluik De krabben, De sfinks op de belt en De Vossejacht: het zijn romans die me toen meer raakten en aanspraken dan het rijtje romans van Ward Ruyslinck dat ik toen achter de kiezen had.
Tijdens mijn opzoekingswerk voor de schooltaak kwam ik te weten dat de schrijver een streekgenoot was en dat hij les gaf in het Sint-Lucasinstituut in Menen. ‘Tuurlijk!’, zei mijn broer. ‘Wist je dat dan niet? Fijne leraar en je kon hem makkelijk bezig houden. Gewoon eens vragen of hij met een boek bezig was en dan kreeg je verder nauwelijks nog les…’

Dat hij met boeken bezig was en goed kon vertellen, dat wist ik wel en steeds beter. In een tweede periode leerde ik een erg geëngageerd schrijver kennen en dat sprak me toen erg aan.
Ik was zelf een combattief Oxfam-Wereldwinkel-activist en Willy’s Zuid-Amerikaanse boeken raakten me erg. Ik las De hel bestaat toen de regio in shock was omwille van de ontvoering van de Menense scheutist Serge Berten in Guatemala (nonkel Serge in mijn De hel in New York).
Een vriend die werkte als maatschappelijk werker in het Menense JIAC zei dat Spillebeen bij hem was geweest en naar informatie vroeg over jeugdculturen. Enkele maanden later las ik De engel van Saint-Raphael. 
In het jeugdhuis waar ik erg actief was kwam een jonge Vietnamese jongen op vraag van zijn ouders en het JIAC meedraaien in de werking. We deden hard ons best om hem te integreren en Nederlands te doen praten. Later kwam ik Tan opnieuw tegen in Een pluisje van de zee.
Enkele jaren later las ik Cortés, of de Val, de roman die nog altijd in mijn top tien van favoriete romans staat en zonder twijfel mijn favoriete Spillebeen blijft. Macht en machtsmisbruik in een wonderlijk historisch decor. Een boek naar mijn hart, nog steeds en voor altijd. En wat was die Hernàn  Cortés een enge man!

Ik heb me dankzij Willy overigens ook zelf eens bezondigd aan een subtiele vorm van machtsmisbruik. Tijdens mijn lerarenopleiding had ik een stageweek in het Sint-Lucasinstituut waar Willy les gaf. De lessen volgden elkaar snel op en ik herinner me dat ik erg tevreden was over het verloop. Ik gaf mezelf goede punten en vond het erg jammer dat de pedagogen en didactici uit het verre Brussel niet eens langskwamen om te observeren en te evalueren.
Toen was er een worst case scenario. Van één les op de laatste stagedag was ik niet zeker van de goede afloop. Een stugge grammaticales over voornaamwoorden (zo’n lessen bestonden toen nog) voor een klas die ik ondertussen als ‘lastig’ had leren kennen. Als ze nu maar niet kwamen observeren… Ze kwamen toch. Tijdens de recreatietijd zag ik de door alle studenten (en zeker de West-Vlaamse met hun g en hun h) gevreesde docent Herman Bogaert de lerarenkamer binnenwandelen. Dit kon niet anders dan fout aflopen. Toen kreeg ik in een flits één van de helderste invallen in mijn jeugd. Ik zou Bogaert, die met poëzieprogramma’s Vlaanderen rondtrok, naar Willy Spillebeen leiden. Ik schudde de gevreesde leraar hoffelijk de hand en vertelde hem enthousiast dat dit de school was waar dichter-schrijver Willy Spillebeen les gaf. 'Kijk, daar is hij net!' Bogaert wist dat natuurlijk, waarom zou hij anders naar het door hem onbeschaafde want onverstaanbaar sprekend West-Vlaanderen komen? Maar ik loodste hem zo hartelijk mogelijk naar Willy Spillebeen die mij wat verbaasd aankeek. Ik had geen stageopdrachten bij hem, hij had er geen idee van wie ik was. Hij keek me even verbouwereerd aan, maar dan begroette hij heel verrast en hartelijk Herman Bogaert. Ik liet de twee heren hartelijk zijn en verontschuldigde me toen even later de bel rinkelde. Of ik misschien alvast naar de klas kon gaan? ‘Ik kom zo bij je’, zei Herman Bogaert.
Mijn pokerspelletje lukte. Ik zag hem die dag niet meer terug.

Lees ook deel 2.

http://www.youtube.com/watch?v=VXujuDnjcqU