Pagina's

vrijdag 7 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (1)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stijlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van Hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Het lijkt alsof ik Willy Spillebeen al mijn hele leven ken en tegelijk heeft hij minstens zeven levens voor mij. Altijd weer kwam hij op de proppen en altijd weer in een min of meer andere gedaante.

Eerst was er Willy Spillebeen, de schrijver. Toen ik de jeugdromans van Jan Terlouw en Thea Beckman was ontgroeid, kwam ik nogal snel bij hem terecht. Van de leraar Nederlands in het vijfde middelbaar moesten we van drie schrijvers een titel naar keuze lezen: Willy Spillebeen, Ward Ruyslinck en Roger Van de Velde. Het ontgoochelde mij wat want het was geen uitdaging: van dat trio had ik al heel wat boeken gelezen en van Van de Velde had ik ze alle zes gelezen. Ik was gek van zijn Knetterende schedels en Galgenaas. Voor de obligate boekbespreking koos ik toen Spillebeens De Vossejacht. Voor mij is deze roman een deel van het drieluik De krabben, De sfinks op de belt en De Vossejacht: het zijn romans die me toen meer raakten en aanspraken dan het rijtje romans van Ward Ruyslinck dat ik toen achter de kiezen had.
Tijdens mijn opzoekingswerk voor de schooltaak kwam ik te weten dat de schrijver een streekgenoot was en dat hij les gaf in het Sint-Lucasinstituut in Menen. ‘Tuurlijk!’, zei mijn broer. ‘Wist je dat dan niet? Fijne leraar en je kon hem makkelijk bezig houden. Gewoon eens vragen of hij met een boek bezig was en dan kreeg je verder nauwelijks nog les…’

Dat hij met boeken bezig was en goed kon vertellen, dat wist ik wel en steeds beter. In een tweede periode leerde ik een erg geëngageerd schrijver kennen en dat sprak me toen erg aan.
Ik was zelf een combattief Oxfam-Wereldwinkel-activist en Willy’s Zuid-Amerikaanse boeken raakten me erg. Ik las De hel bestaat toen de regio in shock was omwille van de ontvoering van de Menense scheutist Serge Berten in Guatemala (nonkel Serge in mijn De hel in New York).
Een vriend die werkte als maatschappelijk werker in het Menense JIAC zei dat Spillebeen bij hem was geweest en naar informatie vroeg over jeugdculturen. Enkele maanden later las ik De engel van Saint-Raphael. 
In het jeugdhuis waar ik erg actief was kwam een jonge Vietnamese jongen op vraag van zijn ouders en het JIAC meedraaien in de werking. We deden hard ons best om hem te integreren en Nederlands te doen praten. Later kwam ik Tan opnieuw tegen in Een pluisje van de zee.
Enkele jaren later las ik Cortés, of de Val, de roman die nog altijd in mijn top tien van favoriete romans staat en zonder twijfel mijn favoriete Spillebeen blijft. Macht en machtsmisbruik in een wonderlijk historisch decor. Een boek naar mijn hart, nog steeds en voor altijd. En wat was die Hernàn  Cortés een enge man!

Ik heb me dankzij Willy overigens ook zelf eens bezondigd aan een subtiele vorm van machtsmisbruik. Tijdens mijn lerarenopleiding had ik een stageweek in het Sint-Lucasinstituut waar Willy les gaf. De lessen volgden elkaar snel op en ik herinner me dat ik erg tevreden was over het verloop. Ik gaf mezelf goede punten en vond het erg jammer dat de pedagogen en didactici uit het verre Brussel niet eens langskwamen om te observeren en te evalueren.
Toen was er een worst case scenario. Van één les op de laatste stagedag was ik niet zeker van de goede afloop. Een stugge grammaticales over voornaamwoorden (zo’n lessen bestonden toen nog) voor een klas die ik ondertussen als ‘lastig’ had leren kennen. Als ze nu maar niet kwamen observeren… Ze kwamen toch. Tijdens de recreatietijd zag ik de door alle studenten (en zeker de West-Vlaamse met hun g en hun h) gevreesde docent Herman Bogaert de lerarenkamer binnenwandelen. Dit kon niet anders dan fout aflopen. Toen kreeg ik in een flits één van de helderste invallen in mijn jeugd. Ik zou Bogaert, die met poëzieprogramma’s Vlaanderen rondtrok, naar Willy Spillebeen leiden. Ik schudde de gevreesde leraar hoffelijk de hand en vertelde hem enthousiast dat dit de school was waar dichter-schrijver Willy Spillebeen les gaf. 'Kijk, daar is hij net!' Bogaert wist dat natuurlijk, waarom zou hij anders naar het door hem onbeschaafde want onverstaanbaar sprekend West-Vlaanderen komen? Maar ik loodste hem zo hartelijk mogelijk naar Willy Spillebeen die mij wat verbaasd aankeek. Ik had geen stageopdrachten bij hem, hij had er geen idee van wie ik was. Hij keek me even verbouwereerd aan, maar dan begroette hij heel verrast en hartelijk Herman Bogaert. Ik liet de twee heren hartelijk zijn en verontschuldigde me toen even later de bel rinkelde. Of ik misschien alvast naar de klas kon gaan? ‘Ik kom zo bij je’, zei Herman Bogaert.
Mijn pokerspelletje lukte. Ik zag hem die dag niet meer terug.

Lees ook deel 2.

http://www.youtube.com/watch?v=VXujuDnjcqU


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen