Pagina's

zaterdag 27 oktober 2012

De heks van de Kortekeer

Beselare heeft zijn heksen, Kemmel zijn paardje van Malegijs en Dendermonde zijn Ros Beiaard. En Lauwe heeft niets. Hàd niets, want sinds enkele jaren is er de heks van de Kortekeer.

Elke legende valt terug op gebeurtenissen die zich echt voordeden in een stad of dorp. Die worden dan uitvergroot of in een andere context geplaatst. Dat in werkelijkheid niet alles gebeurde zoals het verhaal laat uit schemeren, is duidelijk. Maar toch… er is altijd een grond van waarheid.
Van het Davidsfonds Lauwe kreeg ik in de lente van 2011 een aantal hints en anekdotes waarmee ik een dorpslegende mocht schrijven. Tussen haakjes, ik kreeg ook een aantal thema’s waarover het niet mocht gaan. Over Willem Vermandere bijvoorbeeld, die is een levende legende.
Grote wereldschokkende feiten hebben zich de voorbije eeuwen evenwel niet voorgedaan in Lauwe. De geschiedenis kwam hier voorbij, even geruisloos als het water van de Leie.

Of toch… In 2010 was er iets dat het dorp beroerde. Herinner je je nog de zwerver die bij het begin van de zomer werd overreden door een tractor? Weet jij waar die slapende man in het maïsveld vandaan kwam? Iemand die weet wat die man in Lauwe deed? En, nog straffer, iemand die weet waar hij naartoe trok, want het is een publiek geheim dat hij spoorloos verdween uit het ziekenhuis.
Die anonieme, vreemde zwerver figureert in de legende van de heks van de Kortekeer. De legende brengt ons terug naar de zestiende eeuw, toen Gentenaar Keizer Karel heerste over een rijk waar de zon nooit onderging. 
In het verhaal draait alles rond de bal – hoe kan het anders in een gemeente met twee legendarische voetbalclubs (de Rassing en de Wiet Star) en halve voetbalgoden als Rudy Ducoulombier, Hein Vanhaezebrouck, Bart Maes en Lorenzo Staelens.

In de legende komen we éindelijk ook te weten waarom die van Lauwe en die van Wevelgem het zo vaak met elkaar aan de stok kregen en krijgen. 

Dit droeve voorval dateert van bijna vijfhonderd jaar geleden.
De jonge Gentenaar Keizer Karel heerst over een rijk waar de zon nooit ondergaat en zijn pracht en luister stralen uit over het hele graafschap Vlaanderen. Burgemeesters en edelen zetten hun beste beentje voor zodat hun dorpen en steden er altijd stralend uitzien. Ze hoopten dat de jonge Keizer tijdens zijn zegetochten door de Lage Landen ook hun dorp zou voorbijkomen en dan wilden ze dat op zijn mooist tonen. Overal verschenen fonteinen, praalbomen en huizen met sierlijke gevels en torentjes. Tijdens jaarmarkten en kermissen dongen muzikanten, vuurspuwers, kunstenmakers, toneelspelers en liedjeszangers om beurt naar de gunsten van het publiek.
In het vredige Lauwe in een nietige barak langs de Leie, niet ver van de overzetboot naar de Guldenbergabdij in Wevelgem, ligt visser en voerman Blancke nog slaapdronken op zijn strobed. In de verte slaat de klok van de kerk. Blancke zucht. Het is tijd om naar de rivier te gaan. Het is vrijdag en de burgers in de straten rond de kerk wachten op hun verse vis. Als hij voor zijn voerronde nog tijd wil overhouden voor zijn wekelijkse verkenningsronde langs de oevers van de Leie, mag hij niet langer blijven pitten.
Blancke sluipt door de donkerte van het struikgewas en speurt naar iets van waarde dat de voorbije dagen door de stroming van de rivier op de oever is geworpen. Een stuk hout of wat lompen, het kan zijn schamele inkomen als visser en voerman aanvullen. Woensdag was er felle wind en het onweer sloeg toe, wat zijn kansen op een lucratieve vondst zeker niet vermindert.
Op een boogscheut van de rivier houdt hij in. Wat ligt daar zo mooi te glimmen in de eerste zonnestralen? Blancke stapt er behoedzaam op af. Hij knielt bij het vreemde voorwerp. Het lijkt een zware arduinsteen, rond van vorm. De geheimzinnige bol is groter dan zijn eigen hoofd en door het sierlijke houwwerk strooit het sierlijke lichtstralen uit over de glinstering van het Leiewater. Blancke buigt door zijn knieën en zet zich schrap. Hij wil de steen optillen, maar valt achterover als hij hem in zijn handen neemt. De steen is vederlicht, net alsof hij met lucht is gevuld. Deze steen is veel te rond en te licht voor mensenhanden, dit is een hemelse bol. Blancke wil zo snel mogelijk van het godending af. Hij loert naar de overkant van de rivier. Het is nog stil rond de Guldenbergabdij. Maar het kan niet anders of de bol hoort de cisterciënzerinnen toe.
Hij legt de bol vlakbij de rivier op een bergje aarde en gaat tien passen achteruit…
- ‘Wacht, ellendeling!’
Blancke verstijft en kijkt achterom. Mallo, de heks van de Kortekeer, kijkt hem grijnzend aan. 
- ‘Waag het niet de bal naar de overkant te trappen. Hij hoort de nonnen van Wevelgem niet toe. Jij hebt de bol gevonden en je moet hem de rest van je leven bijhouden’.
Blancke luistert niet naar de heks. Hij neemt zijn aanloop en trapt de bol zo hard hij kan naar de overkant. Hij hoort een doffe bons tegen de poort van de abdij. Nu vlug ervandoor voor zuster-portier openmaakt.
Achter hem krijst Mallo.
- ‘Je weet niet wat je doet, Blancke. Je hebt de bol gevonden en je raakt er nooit meer vanaf.’
- ‘Allemaal praatjes, Mallo’, roept Blancke. Maar hij voelt hoe de angst zich in zijn lichaam nestelt. Niemand in Lauwe weet wat hij met gekke Mallo moet aanvangen. Als ze je eenmaal heeft uitgekozen, laat ze je nooit meer los, zeggen ze.
Als Blancke de volgende morgen weer gaat piepen op zijn plaatsje bij de rivier, krijgt hij met toegesnoerde keel de flikkerende bol weer in de gaten.
Hij loopt er op af en net als hij de bol met een wereldtrap de rivier wil over knallen, hoort hij weer de snerpende stem van de heks.
- ‘Doe het niet, Blancke! De bol is van jou nu. Waag het niet hem de rivier over te trappen…’
- ‘Laat me, smerige heks’, roept hij trillend terug. De angst giert door zijn lichaam als hij de bol met al zijn overblijvende macht over de rivier trapt.
- ‘Hier zal je voor gestraft worden, ellendeling. Hoe meer je de bol van je wegtrapt, hoe groter de duivelse wraak zal zijn. Hou de bol bij je tot hij vanzelf verdwijnt.’
En zo geschiedde het wel acht nachten op rij. Elke morgen gaat Blancke naar de Leie en elke morgen ligt de bol precies op dezelfde plaats op hem te wachten en elke morgen scheldt de heks hem de huid vol als hij de bal naar de overkant kegelt. Niet één keer ziet hij aan de overkant een non die de bol komt ophalen.
Maar op de negende dag, als hij de bal weer tussen het gras op dezelfde plaats ziet liggen, wacht Blancke vruchteloos op het gekrijs van de heks. Hij wacht even om te trappen en kijkt om zich heen. Geen heks te bespeuren.
Blancke neemt de bol op, loopt er mee naar zijn barak en legt hem in de laadbak van zijn voerwagen. Hij verstopt de bol onder een hoop lompen en rijdt naar de burgemeester.
Nadat Blancke hem omstandig over de mysterieuze bol en de woorden van de heks heeft verteld, neemt de burgemeester een wijze beslissing. Op de eerstvolgende jaarmarkt zal de bol bovenop de kerktoren worden gelegd en al wie wil, mag meedingen om hem vanaf de grond met de kruisboog neer te halen. Wie hem naar beneden schiet, mag de glinsterende bol houden.
Zo gezegd zo gedaan. De avond voor de jaarmarkt, midden de zomer, als de marskramers en stuntenmakers van heinde en ver de staten van Lauwe vullen, ligt de bol al te flikkeren op de kerktoren. Drie onbevreesde schutters hebben zich bij de burgemeester aangemeld voor de prijsschieting: een dronkaard uit het zuiden van het dorp, een burger die naast de kerk woont en een paapse herenboer uit Wevelgem. Alle drie zijn ze er vast van overtuigd de kostbare bol mee naar huis te nemen en ze zijn niet bevreesd als ze horen over de dreigementen van de heks.
Maar die avond, als Blancke zijn wagen vult met spullen die hij op de jaarmarkt wil verkopen, staat Mallo plots voor hem. Haar gele tanden vallen haast uit haar mond en haar neus lijkt krommer dan de boog van de poort van de Guldenbergabdij. 
- ‘Je hebt niet naar mij geluisterd’, sist de heks. ‘Ik zei dat je zelf voor de bol moest zorgen. Je hebt je lot in eigen handen genomen en zal hiervoor gestraft worden.’
Blancke wordt er draaierig van en plots begint alles om hem heen te duizelen. In een flits weet hij dat hij de heks heeft uitgedaagd en dat zij hem hiervoor vreselijk zal straffen.
Die nacht als de duisternis over het dorp is gevallen, klimt Blancke met knikkende knieën naar de torenspits. Alleen als hij de bol terugsteelt en hem voor altijd bij zich verborgen houdt, kan hij de duivelse toorn misschien nog ontlopen. 
Zonder dat iemand in het slapende dorp hem opmerkt, gaat Blancke ervandoor. Hij kan niet meer terug naar zijn barak bij de Leie, want daar zullen de woedende dorpelingen ‘s morgens de gestolen bol komen zoeken. Hij vlucht door de stille straten en over het rijpe maïsveld, de bal krampachtig onder zijn armen verborgen. Maar middenin het veld botst hij op de heks Mallo, die hem bruusk tot stilstand brengt.
- ‘Het is te laat, Blancke. Acht keer heb je mijn vermaan genegeerd en dan heb je de bol laffelijk weggeschonken. Niets kan je fout nog goedmaken. Hier in het maïsveld zullen jij en je bol verdwijnen. Voor eeuwen zal je hier naamloos rusten en pas als de duivelse toorn van je afvalt, zul je weer het levenslicht zien en als een verdwaalde geest door het dorp dwalen. Vaart wel, Blancke!’
De gele tanden en de scheve neus zijn het laatste wat de arme Blancke in zijn aardse leven ziet.
En zo komt het dat over het dorp Lauwe een eeuwenlange burenruzie is neergestreken. De volgende dag bij het ontwaken gaven de drie groepen rond de deelnemers aan de wedstrijd elkaar de schuld van de gestolen bol. ’s Avonds tijdens de jaarmarkt rolden woestelingen uit de drie bendes in het licht van de vuurspuwers vechtend over de straat terwijl de heks Mallo hen vanaf de kerktoren grijnzend in de gaten hield. 
Tussen die van de statie en die van de platse en tussen die van Wevelgem en die van Lauwe is het nooit meer goed gekomen.

http://www.youtube.com/watch?v=BW3gKKiTvjs


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen