Pagina's

zaterdag 8 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (2)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stiljlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Dit is het tweede blogbericht, lees eerst deel 1!

Als het om mijn favoriete Spillebenen gaat, komt De varkensput dicht in de buurt. Met de lectuur van die roman introduceerde Willy me in het nog niet verteerde oorlogsverleden van de Vlamingen. ‘Oorlog en collaboratie’ was een thema dat me meteen intrigeerde. Ondertussen werkte ik in de bibliotheek en Willy kwam over het boek vertellen voor de leerlingen van het vierde jaar van het Wevelgemse Sint-Pauluscollege.  Achteraf bleef ik met Willy en leraar-criticus Marc Desmet een tijdje napraten over de lezing en het boek. En over de sluimerende ontgoocheling dat hij er de Staatsprijs voor Prozaliteratuur niet voor had gekregen. De naam Willy Spillebeen circuleerde hiervoor uitdrukkelijk in de hoogste cenakels van de cultuurbonzen en literatuurpauzen. Er moest veel gebeuren opdat Willy die staatsprijs níet zou ontvangen. Zowat het enige wat niet mocht gebeuren, gebeurde echter: Hugo Claus schreef Het verdriet van België. En won.
Willy was in alle staten en vertrok voor een jaar naar de States. Hij was namens de Vlaamse gemeenschap één jaar lang writer-in-residence en leerde de studenten van de universiteit van Wisconsin Europese, Vlaamse en Menense schrijvers kennen en smaken.

Door mijn werk in de bibliotheek ontmoette ik Willy ook als fietser. Het provinciebestuur organiseerde naar aanleiding van de Bibliotheekweek 2001 een publiekswedstrijd en Willy was de schiftingsvraag. Hij zou met zijn fiets vertrekken aan de bibliotheek van Menen en via de rijksweg naar de bibliotheek van Wevelgem fietsen. Op het moment waarop hij de hand schudde van onze baliemedewerkster, werd de stopwatch ingedrukt. Wie het best de fietserscapaciteiten van Willy had ingeschat, won, want de vragen zelf waren net iets te makkelijk.
Dankzij de bibliotheek had ik vaker professionele contacten met Willy. Hij was onze eerste gast toen we een literaire avond organiseerden, hij was gastspreker tijdens boekvoorstellingen of inleider bij de bespreking van een boek van hem door de leesclub. Maar hij was vooral een graag geziene gast als de bibliotheek een voorstelling organiseerde van een boek van een plaatselijk auteur. Luc Vanhauwaert, Eveline Vanhaverbeke, Philip Hoorne, Vera Hoorens of goede vriend Lionel Deflo: ze waren allemaal blij als Willy opdook. Hij was en blijft geïnteresseerd in nieuw werk van andere schrijvers en zijn belangstelling is gemeend en oprecht. Het is wel eens anders in het literaire wereldje.
Ook ik was blij toen hij er was bij de voorstelling van mijn Hel in New York. Ik glunderde van trots toen hij me feliciteerde en een vriend had dat gemerkt. ‘Je moet toch niet onder de indruk zijn als hij je de hand schudt? Je bent nu toch ook schrijver!’ Ik vond die opmerking erg ongepast en onterecht. Je hebt nu eenmaal schrijvers en schrijvers.

Toch liep onze literaire loopbaan heel even over dezelfde weg. Die van en naar uitgeverij Davidsfonds in Leuven. Mijn eerste drie jeugdromans verschenen bij het prestigieuze uitgevershuis en Willy en ik reisden drie keer samen naar het jaarlijkse auteursfeest in de Brusselse Concert Noble. Gezellige avonden waren dat. Willy zat aan tafel met Jooris Van Hulle en Hubert Van Herreweghen (denk ik), ik zat aan een andere tafel tussen Marc De Bel en Dirk Bracke (weet ik). Eén keer was professor Piet Thomas de derde passagier in de wagen van Willy. Op de terugweg wees hij Willy op foute keuzes in zijn schrijverscarrières en even foute keuzes in zijn wegparcours door de Brusselse binnenstad. Willy bleef er kalm bij: ‘Misschien heb je gelijk, maar ik weet dat wat ik kies ook goed is. Ik laat me niet van de wijs brengen’, voegde hij er lachend aan toe. Om twee uur in de nacht dronken we in het bibliotheekhuis van de professor met zijn drieën samen een halve fles wijn uit. Miswijn denk ik, want in het huis van Thomas was er een altaar waar hij achter ging staan als hij voor zichzelf de mis opdroeg. Echt waar!
Het tweede jaar belde Willy me zelf op om te vragen of ik weer met hem mee reisde en toen hij me uren later weer dropte op de Wevelgemse Grote Markt gaf ik hem verbouwereerd mijn presentexemplaar van De oversteek als onkostenvergoeding. Wat geef je anders aan een schrijver?

Het was overigens niet de enige keer dat ik bij nacht en ontij met Willy op pad ging en niet elke keer hielden we het bij elk een half glas. Na de boekvoorstelling van Vera Hoorens’ Ketterse arts voor de heksen loodste een derde boekenvriend ons mee naar het huis van een collega. Een goede wijnkelder en een grote collectie platen met Frans chanson waren het lokmiddel. Wij klonken op Gilbert Bécaud en Charles Aznavour en zij klonken goed. De terugweg verliep via een jeugdhuis langs de Brugse baan en eindigde tussen al even jong volk in een Wevelgems jongerencafé. Willy gaf one for the road en even later (maar heel laat) togen we tevreden huiswaarts langs die road.


http://www.youtube.com/watch?v=ihtORsGjC2E

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen