Pagina's

Posts tonen met het label leerkrachten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leerkrachten. Alle posts tonen

dinsdag 27 oktober 2015

Gein van Hein

Eigenlijk zou ik boos op hem moeten zijn. Veel rancune voelen. Nooit over mijn ergernis heen raken. 

Toen we op de lagere middelbare school zaten, bekleedden we dezelfde positie als voetballer. We waren allebei leider van de verdediging. Libero. We wezen de vrijstaande mannen aan, dekten de zones af, gaven aanwijzingen aan de aanvallers voor ons, zetten de buitenspelval op. Maar toen er een schoolteam moest worden samengesteld, koos de schoolcoach steevast voor Hein. Ik kon niet tegen hem optornen.

En ook niet tegen die vier andere libero’s die toen op het Sint-Pauluscollege zaten. Op onze school zaten leerlingen van RC Lauwe, SV Wevelgem, SK Gullegem, SV Moorsele, WS Lauwe en RC Bissegem. En al de libero’s van die ploegen waren beter dan ik. Ik nam met een brede glimlach mijn plaats ver naast de bank in. Eerst zij, dan ik. Van al die libero's was ik de laatste man.
Maar ook die andere libero’s gaf Hein (White Star Lauwe) het nakijken. Hij was de patron van de ploeg. Hein ging prompt centraal in de achterlinie staan, hield alle aanvallen van de andere ploegen af en zette de eigen aanval op. Ons schoolteam won nogal wat matchen en dat was niet alleen Heins verdienste. Er zat een toekomstige Rode Duivel in het team. Lorenzo was niet zo charismatisch en dominant op het veld. Maar hij was wel de betere voetballer. Links achteraan maakte Rudy het gouden trio rond. Ook hij kwam later aan de bak in de eerste klasse - bij KV Kortrijk, SV Waregem, Seraing en  Sint-Truiden. 
Drie toppers die op hun zestiende al in het eerste elftal van White Star Lauwe – ooit Klein Anderlecht – speelden. En zij waren niet eens de allerbesten. Vooraan in de spits stond Bart Maes. Nooit van gehoord? Maeske was zestien toen hij met Club Brugge mee op voetbalstage ging naar Japan. Jan Ceulemans was onder de indruk: het grootste talent dat hij ooit op een Belgisch voetbalveld zag, orakelde Caje. Hij zal gelijk hebben gehad. En toch verdween Bart in de anonimiteit. Geen idee of hij na de beloftenploeg van Club Brugge nog ergens aan spelen toe kwam.

Wat ik me herinner van Hein… 
Je zou het hem nu niet meer nageven, maar Hein was ontzettend snel. De sportleraar van toen – Tarzan heette hij en toen Hein vorig jaar als ereburger van Menen werd ingehaald, stond hij op de eerste rij te pronken toen Hein hem de beste leraar die hij ooit had, noemde – was nogal een atletiekfan en Hein schitterde op het gravel van de atletiekpiste van de school. Ik denk niet dat er hem iemand kon kloppen op de 100 meter sprint. De 100 meter sprint! Hein Vanhaezebrouck!
Hein was ook een groot supporter, hij droeg in de winter nogal opzichtig een sjaal en een muts van zijn favoriete voetbalclub. Alleen ben ik in de loop der jaren vergeten welke kleuren die sjaal had. Ik twijfel tussen blauw-zwart of paars-wit. Ach, het is een detail – een ploeg is een ploeg. Hetzelfde probleem heb ik met Lorenzo. Ook hij was in die middelbare school fan van een van de twee clubs. In zijn actieve voetbalcarrière bevestigde hij mijn twijfel door om beurt bij elk van de twee genoemde ploegen te gaan spelen.
Hein bracht het niet tot in het Jan Breydel- of het Constant Vandenstockstadion. Hij leidde de verdediging van KV Kortrijk, van Sporting Lokeren en van Racing Harelbeke in de topjaren waarin die ploeg vlotjes in eerste klasse meedraaide. 
En dan werd Hein trainer. Uiteraard eerst bij KV Kortrijk, een half seizoen onbegrepen bij Racing Genk, dan weer KV Kortrijk. Vorig jaar maakte hij zich onsterfelijk bij AA Gent. 
Hij ziet er een beetje als een buffalo uit, vind ik. Maar ik ben trots als ik Jan Mulder, Johan Boskamp en Marc Degryse de loftrompet hoor blazen over Vanhaezebrouck. Ik ben trots als ik Hein in Valencia zijn dappere Gentenaren aanwijzingen zie geven. Van niets of niemand onder de indruk. Hij maakte zelf indruk op de Spanjaarden langs het veld en op de Europeanen voor hun televisie. Neen, deze trainer speelde niet eerder bij Anderlecht. Hij speelde ook niet voor het nationale voetbalelftal. Wel voor White Star Lauwe  en voor het schoolteam waarin ik ver naast de bank zat.

Natuurlijk blijft hij geen trainer van AA Gent, weet Filip Joos. Het is alleen nog wachten op een telefoontje van een échte topploeg, zegt Peter Vandenbemt. Anderlecht is achter de schermen al aan het hengelen. Marc Wilmots kan zich geen misstappen veroorloven want Hein weet nu al hoe hij het verzameld Belgisch voetbaltalent zou aanpakken en beter zou doen spelen. Hazard en Debruyne in dezelfde ploeg? Hein schaft es.
Maar ook Engeland en Nederland lonken. Natuurlijk lonkt Nederland. Wat ik me van Hein-de-schoolvoetballer nog herinner: hij gaf altijd aanwijzingen. Arm ver vooruit, uitgestoken hand, gestrekte vinger. Dáár moet je zijn. Dié man moet je pakken. Dáár komt mijn voorzet. Iedereen weet aan wie de Hollanders denken als ze een wijzende voetballer op het veld zien. 
Toch maar niet beginnen roken, Hein.

De pretoogjes van Hein als hij geamuseerd een vlijtige voetbalreporter van repliek dient. Hij had ze toen ook al… 
Na de lagere middelbare school ging ik net als hij naar een school in Kortrijk. Een grote school en ook een hoge school - dat laatste blijft niet duren. Omdat we discipelen van Tarzan waren, werden we door een sportleraar die om een door mij nooit achterhaalde reden Madeleine werd genoemd als topatleten beschouwd. Voor mezelf was dat veel te veel eer, maar Rudy en Hein deden hun titel al snel alle eer aan. Naast atletiek en krachtbal was handbal de derde favoriete sport van mijnheer Tarzan. Ons schoolteam – weer keek ik toe, ver naast de bank gezeten – won de toen prestigieuze Kardinaalsbeker tegen scholieren die doorgaans een jaar ouder waren dan die van onze ploeg – wij hádden maar tot het derde jaar. Tijdens de eerste sportles in de nieuwe school in Kortrijk leerde de nieuwe sportleraar ons de basisregels van het handbal. Hij schreeuwde altijd zo! Hoe we een aanval moesten opzetten. Zij – die van Kortrijk – keken en luisterden met open mond, maar wij – die van Tarzan – konden een glimlach niet inhouden. Wij wisten en konden veel beter.
De pretoogjes van Hein waren wat te opvallend. Te grijnzend. Te geamuseerd. De sportleraar voelde zich uitgedaagd en schreeuwde Rudy en Hein naar voor. ‘Toon het ons maar eens als je denkt dat jullie het beter kunnen! Probeer maar eens zo’n pas aan elkaar te geven! En weet je wat!? Ik ga zelf in het doel staan! Dan gaan we wel eens zien of het jullie lukt een ordentelijke aanval op te zetten! En of je in het doel kunt werpen! Probeer maar eens! En stop met grijnzen!’
Hij ging in doel staan. Hein en Rudy namen hun posities in. Die van Kortrijk keken gefascineerd toe – dat zouden ze later in hun Guldensporenstadion nog vaker doen. 
Een snellere en snedigere handbalaanval heeft niemand ooit gezien. Hein naar Rudy, de korte sprint, Rudy weer naar Hein, de sprong, de worp, de bal zoefde door de ruimte…
Neen, het werd geen doelpunt. Heins worp spatte te pletter op het doelhout, de goal trilde even en viel toen tegen de muur achterover. Pas nu zag mijnheer Madeleine wat er was gebeurd. De bal had hij niet gezien. Dat zijn goal achter hem in de prak lag, wel. En de pretoogjes van Hein natuurlijk.
De volgende les was er coopertest.



zaterdag 10 januari 2015

Die ochtend in Parijs

Met dit bericht wil ik de heer Filip Rogiers, redacteur van De Standaard en verdienstelijk verhalenverteller, ervan beschuldigen dat hij een boek heeft gelezen. En niet zomaar een boek: het betreft een prentenboek van een westers (meer specifiek: Engels) auteur dat bovendien doorspekt is met humor die je doet nadenken. Een wijs boek dus.

Vanmorgen bladerde ik met meer dan gewone belangstelling snel in het weekendmagazine van De Standaard om het ‘Eerst dit’ (zo heet het editoriaal in dat deel van de krant) te lezen. Ik hou namelijk van editorialen: de auteurs ervan mogen veel meer dan de journalisten van de uitvoerige reportages en nieuwsverslagen hun mening verwoorden in het korte bestek van niets meer dan een goede bladzijde. Van de mening van een eind-, hoofd- of voorwoordredacteur verwacht ik elke keer wel iets. Ik ga ervan uit dat die man of vrouw de hele week met zijn neus in het nieuws zat, alle bijdragen van zijn journalisten doorworsteld en bijgestuurd en besproken en bediscussieerd heeft en daardoor in staat is om een mening te verwoorden die er toe doet. Ook al ben ik het niet eens met die mening: ze helpt mij om wijzer te worden. Beter te begrijpen.

‘Die ochtend stapte in Parijs een jongen van 10 de deur uit om wijzer te worden’. Zo begint Filip Rogiers zijn editoriaal en na die zin hield het lezen bij mij op. Die zin had hij gejat (lees: geparafraseerd, ik overdrijf wel eens) uit een prentenboek dat ik in woord en beeld uit mijn hoofd ken. En in één klap steeg Rogiers in mijn achting. Ik stuurde hem ondertussen een vriendschapsverzoek op Facebook: zo groot is mijn adoratie.

Het hoofdpersonage in dat schitterende prentenboek van John Burningham (uit 1988!) heet Bastiaan Boezeman. In het boek vertrekt deze jongen elke morgen moedig en vol verwachting naar zijn school in de hoop om wijzer te worden. Maar Bastiaan treft het niet: alle rampen des heelals dwarsen zijn weg. De ene dag wordt hij aangevallen door een krokodil die uit de stadssloot kruipt en zijn boekentas wil opknabbelen. Een andere dag moet hij op de vlucht in een boom omdat hij op het pad wordt opgewacht door een leeuw met grote honger. Een derde keer wordt hij op het brugje over de beek in het stadspark verrast door een tsunami die er al was nog voor hij was uitgevonden. Elke morgen haalt hij zich de woede van de vreselijke meester op de hals, die geen excuses aanvaardt als je te laat binnenkomt en ook geen greintje mededogen of zin voor humor heeft. Op tijd zult gij zijn, is zijn credo. Geen excuses. En Bastiaan ondergaat lijdzaam de schrijfstraffen en vertrekt vervolgens elke morgen  nog wat vroeger naar school.
Maar de vierde dag gaat hij dwars het klaslokaal door als hij zijn meester hoog aan het plafond aan een lichtbak ziet hangen, gevangen in de klauwen van een gevaarlijke gorilla die nauwelijks kan wachten om hem te verscheuren. ‘Roep snel de oproerpolitie en de terreurbrigades,’ schreeuwt hij naar zijn afvallige leerling. Maar Bastiaan ziet niet in waarom. Zo snel is hij niet uit zijn lood geslagen. Zo slim is hij wel. Er zijn betere plaatsen om nog wijzer te worden.Bij meesters met nuance en wijsheid.

Wijs zijn. Het is een nobel streven. Je hoeft er niet lang voor naar school te gaan en je mag al eens te laat komen. Je hoeft er niet voor naar de hogeschool of naar de universiteit. Je moet geen intellectueel, ingenieur of filosoof te zijn. Je moet zelfs geen jeugdauteur of editoriaal schrijver te zijn. Slim moet je ook al niet zijn. Maar je moet wel elke morgen blijven opstaan en wijzer willen worden. 
Of een prentenboek lezen.

In mijn beginjaren in de bibliotheek was De jongen die altijd te laat kwam, het prentenboek over Bastiaan Boezeman die elke morgen van huis vertrekt om wijzer te worden, mijn favoriete boek om beginnende lezers tijdens een klasbezoek te introduceren in de wereld van het boek. Ik hoor en zie nog steeds de verontwaardiging op de jonge gezichtjes voor me. Hoe durft die kwalijke meester zo lelijk doen tegen Bastiaan? Die krokodil, leeuw en de orkaan waren er toch echt? Ze stonden op de prenten in het boek en ze hadden het echt op Bastiaans leven gemunt.
Maar het was deel van het leerproces. Van rampen word je sterker. Niemand die je vorige dinsdag had geloofd als je te laat op je werk kwam omdat de doorgang werd belemmerd door twee kalashnikovs en een dode agent op het trottoir. Toch was het zo.
Zo worden we elke dag weer wat wijzer. Elke ochtend opstaan in de weerbarstige beschaving. En die proberen te begrijpen. Wijs proberen te zijn.

Straks komen de nieuwe lezers weer op bezoek en op eigen verzoek zal ik hen weer zelf rondleiden in de bibliotheek. En in de wereld van Bastiaan Boezeman, Filip Rogiers en Charlie Hebdo.
Dat wordt lachen!



woensdag 27 maart 2013

Meester Koen

‘Hallo Koen…’
De stem klinkt fluweelzacht achter mij. Ik had niet gemerkt dat iemand naast mij was komen staan. Ik was veel te diep in mijn werk tussen de boekenrekken verzonken. Oordelen of een ooit gekoesterd maar nu stukgelezen boek nog in de collectie moet blijven. 
‘Ha, dag Elke… Zo lang geleden!’
Dat is het ook. Sinds ze die nieuwe job heeft, komt ze minder vaak op bezoek in de bibliotheek. De keerzijde van de medaille. Dan heb je die job, maar kun je niet meer naar de bibliotheek komen. Dát probleem ken ik alvast niet.
‘Ja hé…’
Ze zegt niets meer, kijkt wat afwezig naast me.
‘Hoe maak je het…?’
‘Eigenlijk niet zo goed…’ zegt ze.
‘Oei…’
‘Met die nieuwe job liep het verkeerd. Verwachtingen die niet werden ingelost, foute collega’s, slechte verloning... Ook privé kan het beter nu… Maar ach, ik moet je er niet mee lastig vallen…’
Ik leg een verfrommelde Arnaldur Indridason op de boekenkar voor mij. Tijd voor het sociale aspect van bibliotheekwerk, denk ik.
‘Geen probleem hoor…’
‘Toch wel, ik mag er niet altijd over beginnen…’
Daar heeft ze ongetwijfeld over nagedacht. Ze wil niet gemeden worden omdat er altijd iets niet oké is met haar. 
‘Maar, weet je…!’
Plots straalt ze en ze kijkt me lachend aan.
‘Ik heb me ingeschreven voor een cursus… Bibliotheekopleiding, in Brugge…’

Ik ben de meest ervaren lesgever in het team van die Brugse bibliotheekopleiding. Al sinds 1 september 1997, toen de cursus voor het eerst werd georganiseerd, geef ik er het vak 'Beroepsveld' en 'Klantgerichte communicatie' aan volwassenen die in een bibliotheek zijn gaan werken of hopen te mogen gaan werken. Vooral het laatste. De opleiding ‘Initiatie bibliotheek-, documentatie- en informatiekunde’ is geen garantie voor snel en degelijk werk.
Honderden cursisten passeerden ondertussen de revue. Ik gaf les aan jonge vrouwen en jaren later aan hun volwassen dochters. Collega’s van nu zijn cursisten van vroeger. Of hun zonen of dochters. Waar ik ga in Vlaamse bibliotheken, kom ik oud-cursisten tegen. 
Ik vind het erg leuk en zinvol om er les te geven. ‘Qui informe, ’s informe’ zei een wijs man me ooit. En het klopt. Dankzij dat lesgeven heb ik steeds meer oud-cursisten onder de collega’s in andere bibliotheken en van hen zie en hoor ik ervaringen die mijn eigen bibliotheek alleen maar ten goede komen.
Ik ben een puzzel, denk ik wel eens. Ik werk in de bib, geef les in de bibliotheekopleiding, schrijf boeken en neem dan verlof in mijn bibliotheek om in een andere over die boeken te vertellen. In die andere bibliotheken ontmoet ik andere schrijvers die ik dan in mijn eigen bibliotheek uitnodig. En op een blog schrijf ik alles aan elkaar.

Elke weet ongetwijfeld niet dat ze ook van mij les zal krijgen.
‘Hopelijk vind je het een leuke opleiding…!’
Ze kijkt raar op. Die bedenking had ze wellicht niet van mij, bibliotheekmens in hart en nieren, verwacht.
‘Dat zal wel zeker. Bibliotheekwerk ís toch leuk?’
‘Tuurlijk, je kan veel leuke dingen doen in de bibliotheek. Maar dat staat niet borg voor een leuke opleiding toch…’
‘Ik lees veel. Er zal toch veel literatuur worden gegeven, veronderstel ik….?’
Het is de verwachting van veel cursisten in de opleiding. Die docenten zullen hen vertellen over de boeken in de bibliotheek. Over de schrijvers en de verhalen. Ongemeen boeiende dingen die je alleen maar mag en kan weten als je in een bibliotheek werkt. De docenten zullen hen meenemen naar de werkkamer én de huiskamer van de schrijvers. Zaligheid der zaligheden….
‘Valt een beetje tegen hoor, Elke. De bibliotheek is meer dan literatuur alleen hé…’ counter ik haar voorzichtig. Maar het tempert haar enthousiasme nauwelijks.
‘Maar dat hoeft ook niet. Ik zou het al leuk vinden om gewoon aan de uitleenbalie te mogen werken. Je komt in contact met mensen en je kan een praatje slaan over de boeken die ze hebben gelezen En hen overladen met tips en favoriete boeken en schrijvers. Fantastisch toch?’
‘Tja, als je er de tijd voor hebt. En niet iedereen wil aangesproken worden, hoor. Veel mensen willen zo snel mogelijk naar huis met de boeken die ze hebben gekozen.’
‘Ah zo…’ 
Ik merk de eerste ontgoocheling. Goed dat ik er niet heb bijgezegd dat de uitleenbalie en zijn immer vriendelijke, goedlachse en boekminnende medewerkers aan het verdwijnen zijn uit de bibliotheken. De zelfuitleenbalie is niet meer te stoppen. Waarom moet een mens boeken uitlenen als een machine het minstens even goed kan?
Hier schuilt trouwens nóg een aanleiding voor veel cursisten om de bibliotheekopleiding te volgen. Dat ze geen verstand van computers hebben en dat ze daarom in een bibliotheek wensen te werken. Altijd een pijnlijk moment: in de bibliotheekschool raden we deze cursisten aan om in de instelling eerst een computercursus te volgen en pas dan de bibliotheekopleiding. Wie geen verstand van computers heeft, kan niets meer aanvangen in een bibliotheek.
‘Je krijgt er nogal wat wetgeving en organisatie. Hoe bibliotheken werken, de structuur en doelstellingen van de sector, automatisering, deontologie….’
‘Oei, klinkt niet zo leuk…’
‘Tja , het hoort er een beetje bij. Het is een basiscursus hé, je moet weten waar je terechtkomt.’
‘Begrijp ik wel…’
‘Niet onderschatten ook dat je ’s avonds les hebt. Soms tot half tien. Soms vallen cursisten wel eens van pure vermoeidheid in slaap tijdens de les. En dan moeten ze nog terug van Brugge. In principe twee keer in de week, maar soms komt er een derde avond of een zaterdagmorgen bij.’
Ze staat een beetje bedremmeld voor me.
‘Amai… Heb je dat ook moeten volgen?’
‘Ik volgde een gelijkaardige opleiding voor ik begon. In 1984 was dat.’
Ik schrik als ik het jaartal uitspreek. In de prehistorie van het bibliotheekwezen dus. Toen boeken nog op perkament werden geschreven. Of konden spreken.
‘Maar… eigenlijk weet ik het vooral omdat ik er nu zelf les geef…’
‘Ha, krijg ik dan les van jou?’
Haar verrassing straalt ook wat blijdschap en verwachting uit.
‘Ja… Ik geef een saai vak. Beroepsveld. Ik heb het over het decreet lokaal cultuurbeleid. Een blokvak eigenlijk. Er zit ook een stukje deontologie in…’
‘Héhé…’
Ik kan me de kop inslaan. Heb ik in enkele zinnen haar lichtje in de duisternis gedoofd. Ze verwacht veel van de bibliotheekopleiding. Dat ik er les geef, zal ze ook wel fijn vinden. Het kan praktische beslommeringen makkelijker maken. En dan heb ik het verdomme alleen maar over hoe zwaar het volwassenenonderwijs wel is.
‘Maar ik probeer het wel leuker te maken dan het is,’ haast ik me. ‘Ik vervang een lesavond door een bezoek aan een bijzondere bibliotheek. In Ieper, Brugge, Oostende of Jabbeke. En in plaats van moeilijke examenvragen geef ik leuke opdrachten die je vooraf moet maken. En soms, heel soms, vertel ik een verhaaltje. Een prentenboek of een voorleesverhaal om de les af te sluiten.’
‘Amai! Een verhaaltje voor het slapengaan dus… Dát klinkt leuk…’
Ik ben blij dat ze haar motivatie terugvindt.
‘Dat is het ook…’ zeg ik. ‘Over kikker van Max Velthuijs, Platvoetje van de Schuberts en over Max en de Maximonsters. Verhalen die je moet kennen als je in een bibliotheek gaat werken. Dat vind ik toch…’
‘Fantastisch. Geef je vaak les?’
‘Niet zo veel meer. Maar genoeg om je toch wat leesplezier bij te brengen!’
‘Ik ga me volgende week inschrijven… Hopelijk is er toch niet te veel wetgeving en organisatie?’
‘Maar neen hoor, valt echt mee! En omdat jij in de groep zit, zal ik een extra-verhaaltje vertellen. Kikker en de horizon, een pareltje!’
‘Ik ken het niet, maar het klinkt veelbelovend. Ik zie er naar uit om het je te horen vertellen!’

Zie je wel: die bibliotheekopleiding vergeet echt niet waarover het werkelijk gaat. Mensen liefde voor de literatuur bijbrengen, ondanks de automatisering, de deontologie, de wetgeving en de organisatie.
‘Oké, dan zie ik je snel in Brugge!’ zeg ik.
‘Be sure!’ zegt ze.
‘Moet ik dan vanaf nu Meester Koen tegen je zeggen?’
Ik lach.
‘Als ik je dan mijn charmantste cursiste mag noemen?’
‘Geen probleem!’
Nooit meegemaakt hoe iemand zo snel van stemming kan wisselen. De kracht van een verhaal en met dank aan de bibliotheekopleiding.

http://www.youtube.com/watch?v=OR7CjJwr3ac


Lees ook 'De avonturen van Elke en Koen' - deel 5.

vrijdag 7 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (1)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stijlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van Hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Het lijkt alsof ik Willy Spillebeen al mijn hele leven ken en tegelijk heeft hij minstens zeven levens voor mij. Altijd weer kwam hij op de proppen en altijd weer in een min of meer andere gedaante.

Eerst was er Willy Spillebeen, de schrijver. Toen ik de jeugdromans van Jan Terlouw en Thea Beckman was ontgroeid, kwam ik nogal snel bij hem terecht. Van de leraar Nederlands in het vijfde middelbaar moesten we van drie schrijvers een titel naar keuze lezen: Willy Spillebeen, Ward Ruyslinck en Roger Van de Velde. Het ontgoochelde mij wat want het was geen uitdaging: van dat trio had ik al heel wat boeken gelezen en van Van de Velde had ik ze alle zes gelezen. Ik was gek van zijn Knetterende schedels en Galgenaas. Voor de obligate boekbespreking koos ik toen Spillebeens De Vossejacht. Voor mij is deze roman een deel van het drieluik De krabben, De sfinks op de belt en De Vossejacht: het zijn romans die me toen meer raakten en aanspraken dan het rijtje romans van Ward Ruyslinck dat ik toen achter de kiezen had.
Tijdens mijn opzoekingswerk voor de schooltaak kwam ik te weten dat de schrijver een streekgenoot was en dat hij les gaf in het Sint-Lucasinstituut in Menen. ‘Tuurlijk!’, zei mijn broer. ‘Wist je dat dan niet? Fijne leraar en je kon hem makkelijk bezig houden. Gewoon eens vragen of hij met een boek bezig was en dan kreeg je verder nauwelijks nog les…’

Dat hij met boeken bezig was en goed kon vertellen, dat wist ik wel en steeds beter. In een tweede periode leerde ik een erg geëngageerd schrijver kennen en dat sprak me toen erg aan.
Ik was zelf een combattief Oxfam-Wereldwinkel-activist en Willy’s Zuid-Amerikaanse boeken raakten me erg. Ik las De hel bestaat toen de regio in shock was omwille van de ontvoering van de Menense scheutist Serge Berten in Guatemala (nonkel Serge in mijn De hel in New York).
Een vriend die werkte als maatschappelijk werker in het Menense JIAC zei dat Spillebeen bij hem was geweest en naar informatie vroeg over jeugdculturen. Enkele maanden later las ik De engel van Saint-Raphael. 
In het jeugdhuis waar ik erg actief was kwam een jonge Vietnamese jongen op vraag van zijn ouders en het JIAC meedraaien in de werking. We deden hard ons best om hem te integreren en Nederlands te doen praten. Later kwam ik Tan opnieuw tegen in Een pluisje van de zee.
Enkele jaren later las ik Cortés, of de Val, de roman die nog altijd in mijn top tien van favoriete romans staat en zonder twijfel mijn favoriete Spillebeen blijft. Macht en machtsmisbruik in een wonderlijk historisch decor. Een boek naar mijn hart, nog steeds en voor altijd. En wat was die Hernàn  Cortés een enge man!

Ik heb me dankzij Willy overigens ook zelf eens bezondigd aan een subtiele vorm van machtsmisbruik. Tijdens mijn lerarenopleiding had ik een stageweek in het Sint-Lucasinstituut waar Willy les gaf. De lessen volgden elkaar snel op en ik herinner me dat ik erg tevreden was over het verloop. Ik gaf mezelf goede punten en vond het erg jammer dat de pedagogen en didactici uit het verre Brussel niet eens langskwamen om te observeren en te evalueren.
Toen was er een worst case scenario. Van één les op de laatste stagedag was ik niet zeker van de goede afloop. Een stugge grammaticales over voornaamwoorden (zo’n lessen bestonden toen nog) voor een klas die ik ondertussen als ‘lastig’ had leren kennen. Als ze nu maar niet kwamen observeren… Ze kwamen toch. Tijdens de recreatietijd zag ik de door alle studenten (en zeker de West-Vlaamse met hun g en hun h) gevreesde docent Herman Bogaert de lerarenkamer binnenwandelen. Dit kon niet anders dan fout aflopen. Toen kreeg ik in een flits één van de helderste invallen in mijn jeugd. Ik zou Bogaert, die met poëzieprogramma’s Vlaanderen rondtrok, naar Willy Spillebeen leiden. Ik schudde de gevreesde leraar hoffelijk de hand en vertelde hem enthousiast dat dit de school was waar dichter-schrijver Willy Spillebeen les gaf. 'Kijk, daar is hij net!' Bogaert wist dat natuurlijk, waarom zou hij anders naar het door hem onbeschaafde want onverstaanbaar sprekend West-Vlaanderen komen? Maar ik loodste hem zo hartelijk mogelijk naar Willy Spillebeen die mij wat verbaasd aankeek. Ik had geen stageopdrachten bij hem, hij had er geen idee van wie ik was. Hij keek me even verbouwereerd aan, maar dan begroette hij heel verrast en hartelijk Herman Bogaert. Ik liet de twee heren hartelijk zijn en verontschuldigde me toen even later de bel rinkelde. Of ik misschien alvast naar de klas kon gaan? ‘Ik kom zo bij je’, zei Herman Bogaert.
Mijn pokerspelletje lukte. Ik zag hem die dag niet meer terug.

Lees ook deel 2.

http://www.youtube.com/watch?v=VXujuDnjcqU


maandag 27 februari 2012

Nakende de vijftig

Op zondag 26 februari was er in Cultuurcentrum Guldenberg een viering n.a.v. vijftig jaar Culturele Raad Wevelgem. Acht verdienstelijke Wevelgemnaren kregen de prijs voor cultuurverdienste.
De organisatoren vroegen mij een feestrede te houden en ik ging graag op hun vraag in.
Ik wandelde door mijn leven en bracht een kleine ode aan enkele iconen van de Wevelgemse cultuur. Namen noem ik niet in de tekst, maar wie goed leest herkent zeker 15 vooraanstaande Wevelgemnaren. 
En een Tsjechisch mannenkoor.

Hieronder de tekst van mijn toespraak. Die duurde 15 minuten, het is dus ook een erg lang blogbericht... ;-)

Dames en heren,

Twee weken geleden, op 14 februari, liefdevoller kan het niet, was het mijn verjaardag. Ik werd 48 jaar, een leeftijd die in mijn vriendenkring wordt gekarakteriseerd als ‘nakende de vijftig’, een typering die helemaal anders klinkt als je ze op haar Wevelgems uitspreekt. Het zal je niet verbazen dat in diezelfde vriendenkring een tijd van feesten is aangebroken. Met een zekere regelmaat vertoef ik dezer maanden en jaren op een verjaardagsfeest van weer iemand die zijn of haar halve eeuw wenst te vieren. Wij, die van nakende de vijftig, spreken dan ons medelijden uit met de oud geworden vriend of vriendin, die zich dan op zijn of haar beurt verkneukelt om ons snotneuzenschap.
In mijn leven is de culturele raad er dus altijd geweest. En als ik er de voorbije weken over nadacht, kwam ik tot het inzicht dat hij er ook altijd écht is geweest. De culturele raad van Wevelgem maakt deel uit van mijn leven, zonder dat ik er ooit echt lid van ben geweest. Op een korte periode na, want je kan mijn naam terugvinden op enkele verslagen uit de jaren negentig, toen ik als onafhankelijke aan de ledenlijst was toegevoegd. 

Je ontmoet wel eens mensen die bedenkelijk het hoofd schudden als je vertelt over de culturele raad. Ze associëren zo’n raad met folkloristische dorpspolitiek. Cultuur onder de kerktoren. Misschien is dat ook wel zo. Als wij in Wevelgem 17 woorden op een geel geschilderde deur schrijven, noemen wij dat een ‘gele haiku’. Als we het stelen van een fiets op zo’n olijk versierde deur niet bestempelen als vandalisme, maar als kunstroof, dan kunnen we niet ontkennen dat we een beetje last hebben van zelfoverschatting. Zo wordt een evenementenhal die veel weg heeft van een bedrijfsloods, bij ons een Porseleinhal genoemd.
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de schepen, beste bestuursleden, wees gerust. Beschouw het voorgaande als grappig opwarmertje. Als ik zeg dat de culturele raad er voor mij altijd geweest is, ben ik daar vooral blij om. Als hij er niet was geweest, zou men hem hebben uitgevonden. Wat in veel gemeenten overigens het geval is geweest: het decreet op het lokaal en geïntegreerd cultuurbeleid van 2002 verplichtte de Vlaamse gemeenten om culturele adviesorganen op te richten. Bij ons in Wevelgem werkten we al veertig jaar conform de nieuwe regelgeving.

Beste aanwezigen, in wat volgt wandel ik even door mijn persoonlijk lokaal cultureel leven en bots ik op monumenten van de jarige culturele raad. Namen zal ik niet noemen, maar zoals het ook bij een goede sleutelroman het geval is, zal de luisteraar weinig moeite hebben om de juiste man of vrouw op de juiste plaats te zetten. Je herkent hen wel. Deze korte tekst is een kleine hommage aan enkele pioniers, sterkhouders of bezielers van het cultureel leven en/of de culturele raad Wevelgem. Zie er zeker geen vingerwijzing in naar wie straks met de prijzen voor cultuurverdienste gaat lopen. Toen schepen Lobke Maes me vroeg om deze inleiding te verzorgen, heb ik haar nog voor ik toehapte meteen gezegd dat ik niet wou weten wie de prijzen zou krijgen. Het zou mijn tekst onvermijdelijk beïnvloed hebben.

De culturele raad was er al heel vroeg. Als kind las ik elke maand heel trouw de culturele kalender, dat blaadje met het rare formaat dat zomaar bij mijn ouders in de bus viel en dat vol aankondigingen van vreemde activiteiten van al even vreemde verenigingen stond. Stel je nu geen bijzondere dingen voor bij het voorgaande: ik las alles als kind. In die zin had die culturele kalender evenveel aantrekkingskracht als het etiket op het botervlootje bij het ontbijt of dat op de confituurpot bij het vieruurtje.

Je mag niet oordelen over het verleden met kennis van het heden, maar het vijfde leerjaar van de gemeentelijke jongensschool zat in 1974 tjokvol lokaal cultureel talent. We zaten bij een beer van een onderwijzer die handen als schoppen had en na schooltijd iets deed met toneel en cultuur. In ons leerjaar zaten onder meer een toekomstig heemkundig voorzitter, een cultuurbeleidscoördinator ad interim en een Vlaams dichter en poëzierecensent. Wisten zij, en wist ik zelf, dat zij ook nog met een toekomstig jeugdauteur opgescheept zaten!

Een eerste bewuste kennismaking met denken over lokaal cultuurbeleid kreeg ik als leerling van het Sint-Pauluscollege. Een leraar Nederlands gaf een vurig pleidooi voor de bouw van een nieuwe bibliotheek in het park. Wandelen in het park en een boek lezen in de schaduw van de bomen of op een bank in de zon. Kuieren in de bib en door de vele ramen uitzien over het prachtige park. Het zou helemaal goed worden als er in dat park een plaats zou zijn waar muziekgroepjes de bezoekers zouden verwelkomen en vergasten op een concert. Middenin het park moest een kiosk komen, zei de leraar. Ik was benieuwd hoe zo’n kiosk er zou kunnen uitzien. En eigenlijk ben ik dat nog altijd. Een kiosk, hoe verzon hij het!
Maar ik was het idee van een bibliotheek in het midden van een park wel genegen en ik was vooral jaloers op die bibliotheekmedewerkers die niet alleen tussen de boeken, maar ook nog tussen de bomen zouden kunnen werken. De gelukzakken!
Ik zat op school in Kortrijk toen de Wevelgemse schooljeugd de bibliotheekboeken van de Hoogstaat naar het park hielp verhuizen. Een immense klus, naar het schijnt. Ik ben blij dat zo’n wissel van de ene bibliotheek naar de andere aan mij is voorbijgegaan.

De leraar Nederlands moet me erg beïnvloed hebben, want enkele jaren later trok ik naar het Sint-Thomasinsituut in Brussel om zelf zo’n leraar te worden. De lessen literatuur boeiden mij veruit het meest. We kregen les van professor Hugo Bousset die ons de liefde voor de schone letteren op onnavolgbare wijze en met een beroemde baritonstem bijbracht. En hoe we die liefde moesten overbrengen op jonge mensen. Tijdens een stageles in een school in Groot-Bijgaarden moest ik aan de slag met een heel mooi gedicht. ‘Rendez-vous’, heette het en het ging over verstikking in een maatschappij vol verbods- en gebodstekens. Later kocht ik in De Plukvogel, de roemrijke Brusselse boekhandel, een hele bundel vol poëzie van de dichter van ‘Rendez-vous’. 
Twee jaar later werkte ik even in het Sint-Pauluscollege in Moorsele en ik kwam al snel met het gedicht en de bijhorende les op de proppen. Bij een eerste lectuur van het gedicht werd ik nogal bruusk onderbroken door twee leerlingen, broer en zus, die zeiden dat het voorgelezen gedicht van hun vader was. Han en Soetkin natuurlijk, het waren niet de braafste maar misschien wel de grappigste en meest fijnzinnige leerlingen van de klas. Ik gaf ze maar net geen straf en dat was maar goed ook, want gelijk hadden ze, zo bleek algauw. Die dichter die in alle schoolhandboeken en didactische gidsen was opgenomen, woonde onder de Moorseelse kerktoren. Vergeet maar wat ik daarstraks zei over cultuur onder de kerktoren.

De literatuur had me erg te pakken toen ik terugkwam van mijn leerschool in de Brusselse Marollenwijk. Als neo-neerlandicus wilde ik de vakliteratuur en de letteren op de voet blijven volgen. Hugo Bousset zou me niet blijven bij de hand houden, nu moest ik het alleen zien klaar te spelen. Een deel van mijn eerste loon – 16.000 frank gestort op de voor onderwijsmensen obligate postchequerekening – zou ik spenderen aan een abonnement op een eerbiedwaardig literair tijdschrift. Toen was er nog keuze zat en ik dacht er lang over na welk tijdschrift het zou worden. Dietsche Warande en Belfort? Ons Erfdeel? Revolver? Yang? Ik onderwierp ze in de bibliotheek, tussen de bomen en de boeken, aan een streng onderzoek en uiteindelijk viel mijn keuze op het literair en kunstkritisch tijdschrift Kreatief. Het zag er het mooiste uit met covers van bekende ontwerpers en artikelen die mij het meeste konden boeien. Ik ging op zoek naar het redactieadres van het tijdschrift en tot mijn grote verrassing leidde die zoektocht me naar de Groeningestraat in Wevelgem. De hoofdredacteur van dat tijdschrift dat me de weg toonde naar boeken en culturen van over de hele wereld woonde in de schaduw van de kerktoren van de Wijnberg. Mijn verwondering was groot, maar die van de hoofdredacteur des te groter, zo bleek later. Je krijgt er als tijdschriftenuitgever niet zo makkelijk en spontaan nieuwe leden bij!

Maar je leeft niet van boeken alleen als je twintig jaar bent. Als ik niet las, vond je mij in die jaren nogal vaak in Jeugdclub Ten Goudberge. In die tijd, toen chiroleiders nog een zadel als hoofddeksel droegen, hadden we een nogal lyrische en creatieve vriendengroep die in het jeugdhuis een forum en een speeltuin vond. Ten Goudberge werd kundig geleid door een pv, een permanent verantwoordelijke. Ik kende de man als speler van de basketbalclub van dewelke ik vele jaren naar de thuismatchen ging kijken, de zondag tijdens de hoogmis. Met de volle steun van de pv organiseerden we fuiven, workshops, spreekbeurtenavonden en politieke debatten. Wat ik me van de man ook nog herinner, is zijn liefde voor vergaderen en overleggen en zijn talent om handig gebruik te maken van subsidiereglementen en decreten om het jeugdhuis vooruit te helpen. Maar hij was er even graag bij als bepaalde activiteiten niet tijdig konden afgerond worden en pas in het holst van de nacht tot volle wasdom kwamen. Bij gebrek aan een cultureel centrum moedigde hij ons aan om in de zaal concerten en optredens te organiseren. Het kruim van de Belgische pop- en rockmuziek kwam in de arena van Jeugdclub Ten Goudberge. Je moet het nu niet meer proberen, zegt mijn oudste zoon, die niet leest en dus nog meer dan ik destijds in het jeugdhuis vertoeft. Grote rockbands, zoals Steak Number Eight of SX, vind je nu alleen nog op de grote festivalweides of op rockconcerten in Londen of Düsseldorf. Of hun zanger of zangeres achter de tapkast van café De Polka in de Menenstraat.

Een uit de hand gelopen grap uit die tijd was de oprichting van een Tsjechisch Mannenkoor. Op de melodie van een lied uit de Vlaamse liederenkrans en met woorden uit titels van liedjes op een plaat met Tsjechische volksliederen bouwden we een repertoire van twee nummers op. Het hilarische koor werd gevraagd als applausmeester, opwarmer, curiositeit of afsluiter van feesten en braderieën. Wevelgem zond zijn zonen uit. Enkel radio-icoon Martin De Jonghe ving bot toen we hem weglachten als hij zei dat hij ons wou laten optreden voor de radio. Hij meende het, maar helaas voor hem wij ook. Voor wie zich bezighoudt met erfgoed: het Tsjechisch koor bestaat nog steeds en geeft binnenkort zijn negende comeback tijdens een schoolfestival in Menen. Op het podium vijftien mannen van nakende de 50 of nog ouder en onder hen de cafébaas van die Polka die in een vorig leven erg belangrijke dingen deed voor de gemeentelijke cultuur.

Wij waren verknocht aan ons jeugdhuis en gingen niet vaak weg vanonder de Wevelgemse kerktoren. De brug over naar Lauwe was een optie. Daar had je jeugdhuis ’t Beerke en we kenden er vele jongeren vanuit onze collegejaren. Maar de roemruchte zéro-huit uit de annalen van de voetbalgeschiedenis van de White Star en de Essevee bleek nog altijd niet doorgespoeld en in Lauwe waren we niet altijd even welkom. Naar Hullehem dan maar. Daar had je de groezelige kroeg ’t Kobbegat en daar viel altijd wel iets te beleven. Rare jongens, die kobbegatters. Ze dronken duister bier uit de fles en hadden geen geld om hun gat te verwarmen. Maar ze haalden wel Drs. P. naar hun café en jazzlegende Dana Gillespie naar hun tent onder de Gullegemse kerktoren. Anno 2012 leeft de geest van ’t Kobbegat nog steeds voort en verspreidt zich over heel Vlaanderen. Een opperkobbegatter werkt bij de redactie van Woestijnvis en verkondigt op woensdagavond weetjes voor de vogelliefhebber in De Laatste Show. Maar hij verzint ook vragen voor De Pappenheimers en zo verzeilde enkele maanden geleden een rubriek Hullehem in de zondagavondquiz. Een hilarisch eerbetoon van het redactielid aan zijn geboortedorp en aan de gemeente waar zijn moeder jarenlang erg belangrijke dingen deed voor de gemeentelijke cultuur.

Enkele jaren later diende zich een nieuw en passend uitgaanshok aan. We konden nu ook naar een echt cultureel centrum en we botsten er weer op die basketbalspeler die Ten Goudberge had geruild voor Guldenberg. Ik ging gretig in op het nieuwe cultuuraanbod en ik was ook een van de vijfenveertig aanwezigen toen op 25 oktober 1985 in het cultuurcentrum het Wevelgemse filmforum weer werd opgestart. De organisator liet de tegenvallende opkomst niet aan zijn hart komen. Hij ging voor het publiek staan en zei met schrapende stem dat de zaal binnen twintig jaar helemaal vol zou zitten. Een man die er prat op gaat dat hij de heilige Jo Röpcke ooit heeft verslagen in een filmquiz, mag je niet van enige overdrijving verdenken. Hij kreeg gelijk: we zijn 25 jaar later en in een tijd dat bioscoopzalen leeglopen, loopt het cultuurcentrum vol voor zijn films. En voor veel meer dan alleen maar zijn films overigens.

Maar stilaan werd het tijd dat ik mij ging settelen. Het onderwijs was in het begin van de jaren tachtig een knelpuntberoep: er was geen werk. Maar het stond in de sterren geschreven dat ik tussen die boeken en die bomen zou gaan werken. Ik schreef me in voor een cursus waarvan de titel me als muziek in de oren klonk: Leergangen tot het bekomen van de Akte van Bekwaamheid tot het houden van een door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde openbare bibliotheek. De lessen vonden plaats in de lokalen van de Provinciale hogeschool in Kortrijk. Het sneeuwde en vroor dat het kraakte op de dag van de eerste les. Toch stond ik ruim op tijd te wachten in de inkomhal van de school, samen met nog een vijftigtal cursisten die onwennig in een grote kring stonden. Het was muisstil, want niemand die wist wat er zou gebeuren. Iedereen die binnenkwam werd uitvoerig gemonsterd want het kon wel eens de lesgever zijn. Plots kwam een man binnen die ik goed kende van onder de Wevelgemse kerktoren. Hij stelde zich voor als de coördinator van de opleiding en verontschuldigde zich voor zijn laattijdigheid. Hij kwam anders nooit te laat zei hij, maar de hevige sneeuw op de weg tussen Wevelgem en Kortrijk maakte het onmogelijk om op tijd te komen.
Het duurde niet lang of ik kon aan de slag tussen de bomen en de boeken onder het gezag van de lesgever van de opleiding. Die bleek al snel veel meer dan alleen maar lesgever en bibliothecaris te zijn. Hij deed erg belangrijke dingen voor de gemeentelijke cultuur, maar toen in het begin van de jaren ’80 de Vlaamse bibliotheken aan de alarmbel trokken omdat aanhoudende besparingen hun werking in het gedrang brachten, stond de man op de barricaden en hij was de woordvoerder van de Vlaamse bibliotheeksector op het kabinet van minister van cultuur Karel Poma.

Beste aanwezigen, je schrijft niet over iets waar je zelf deel van uitmaakt. Van zodra ik ging werken in de bibliotheek, was ik voor eeuwig deel gaan uitmaken van het lokaal cultuurbeleid in Wevelgem. Door de plicht gedwongen maar met heel veel plezier was ik zelf een heel klein stukje lokaal erfgoed geworden. 
Over 25 jaar, als de culturele raad de dan heersende pensioengerechtigde leeftijd van 75 jaar zal bereikt hebben, zal iemand anders de iconen van nu in de kijker stellen. En voor de culturele raad, die nu net het snotneuzenschap is ontgroeid, zal dan pas het ware leven beginnen.

Dat, en nog veel meer, zal je dan ook kunnen lezen in een heel dik en langverwacht boek over de geschiedenis van Wevelgem.

(c) Koen D’haene, 26 februari 2012

Lees ook dit bericht.


http://www.youtube.com/watch?v=JmcA9LIIXWw

maandag 29 augustus 2011

Weer naar school....

Voor wie er ooit voor koos om leraar te worden, blijft 1 september een bijzondere datum. Ik wou hem niet ongeblogd laten voorbijgaan.
Enkele jaren geleden verscheen onderstaande tekst over mijn favoriete leraar als lezersbijdrage in De Standaard.

Het jaar 1979

Altijd een enthousiaste leerling geweest. Zelfs wiskunde en fysica boeiden me, maar Nederlands en geschiedenis waren mijn favoriete vakken.
Al had ik het wat moeilijk met de feitenopsomming die de meeste leerkrachten van de geschiedenisles maakten. Ik kende ze wel, de cijfers van het vak geschiedenis: 843, 1453, 1566, 1789. De onderwijzer uit de zesde klas voegde er een heel vreemde datum aan toe: 1968. Sinds dat jaar is de wereld helemaal veranderd, zei hij. Ik snapte niet wat hij bedoelde en waarom die vreemde grijns op zijn gezicht verscheen. Gelijk had hij, net als later zijn broer: mijn leraar geschiedenis van het derde middelbaar in het Sint-Pauluscollege van Wevelgem.

Op een dag, zo’n honderd jaar geleden, schrokken de bewoners van een buurt in een grote stad zich een aap, zei hij. In een grote kring was rondom hun huizen en straten een torenhoge muur opgetrokken. Zomaar. Er was geen uitkomen en dus ook geen ontkomen aan: de bewoners van de buurt restte ogenschijnlijk niets anders dan het vervolg van hun leven met elkaar te delen. De fabrieksbaas opende zijn rijkelijk gevulde voorraadkasten voor de arme arbeiders. De dokter verzorgde gratis de verpauperde buurtbewoners. De onderwijzer leerde de kinderen op straat rekenen en schrijven. De volkstuintjes stonden ter beschikking van al wie honger had. De bakker bakte brood voor wie hem graan bezorgde. Toen de muur vele jaren later (op het einde van de les) eindelijk werd gesloopt, wilde niemand de magische cocon nog verlaten.

Mijnheer Duhamel: we hingen aan zijn lippen. Wie het aandurfde om ook maar even op zijn stoel te wrikken, werd door de anderen met een vernietigende blik tot de orde geroepen. Stilte, hier werd verteld! In noodgevallen kwam de leraar-verteller ter hulp. Amokmakers mochten van hem gerust even naar buiten voor een ommetje, zei hij, waarna ze blozend bleven luisteren. Toen de bel ging, stormden we niet naar de deur. We gunden mijnheer Duhamel de tijd om zijn verhaal af te ronden. Het was niet echt gebeurd, zei hij. Hij had alles verzonnen. Diep ontgoocheld maar nog veel dieper onder de indruk trokken wij naar de speelplaats.
De volgende les geschiedenis leerden we over opkomst en groei van het communisme in Europa. Een makkie.

De kracht van het verhaal. Vijf jaar geleden zei Willy Spillebeen (in een vorig leven leraar geschiedenis) tijdens de voorstelling van zijn monumentale roman Busbeke, of de thuiskomst: ‘Een historische roman schrijven is veel liegen en heel veel fantaseren, maar altijd met kennis van zaken’. Hij is het vast vergeten, maar ik schreef het op een kladje.

Uiteraard werd ik enkele jaren later op mijn beurt leraar Nederlands-geschiedenis. Mijn histories strooi ik nu rond in een openbare bibliotheek en in het volwassenenonderwijs. En ik schrijf jeugdromans, bij voorkeur over frontsoldaten, strandjutters en beeldenstormers.
Geloof niet alles wat ik schrijf, maar slim word je er wel van.