Pagina's

Posts tonen met het label jeugdliteratuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugdliteratuur. Alle posts tonen

dinsdag 14 april 2015

Nooit over jezelf

‘Waarom schrijf je niet eens een boek voor volwassenen?’ vragen vrienden me soms. ‘Misschien, ooit,’  zeg ik dan. ‘Maar eerst wil ik een boek voor jonge kinderen schrijven. Dat lijkt me veel moeilijker’.
Voortaan heb ik een excuus minder om geen boek voor volwassenen te schrijven, want het boek voor kleine kinderen is er. 

Of ik de tekeningen in mijn boeken zelf maak, vragen kinderen me vaak als ik een lezing geef in een lagere school. ‘Neen,’ zeg ik dan, ‘dat doe ik niet en daar mogen jullie erg blij om zijn. Want ik kan niet tekenen. En dus ben ik zelf ook blij dat ik de tekeningen voor mijn eigen boeken niet maak, want dan zouden jullie die niet willen kopen. Wedden dat je het een lelijk boek zou vinden nog voor je een zin hebt gelezen? Om tekeningen voor een boek te maken, moet je heel goed kunnen tekenen. Een echte kunstenaar zijn!’ zeg ik dan.
En nu is er een kinderboek met tekeningen van Ellen Loncke die ik bij voorbaat dus een echte kunstenares noemde. 
Kijk in De plannetjes van papa op bladzijde 71. Kijk naar Siemen. Hoe hij zijn linkerbeen strekt en straks zijn voet zal laten neerploffen. En naar dat ene kleine puntje dat zijn rechteroog voorstelt. Hoe woest die blik, hoe geïrriteerd dat gezicht. Hij vindt zijn pa een luierik. Dat zie je zo op zijn gezicht, nog voor je het hem op de volgende bladzijde leest zeggen.  
Dat alles door dat ene puntje. Met een potlood van Caran d’Ache, denk ik. Maar de punt staat precies waar en hoe hij moet staan. Net zo precies, even to the point als de timing tijdens een theatershow van Wouter Deprez. Een flauwe grap wordt hoogstaande humor als je elk woord en elke spatie op het juiste moment laat horen.

Of de boeken die ik schrijf over mezelf gaan, vragen jongeren uit de middelbare school vaak. ‘Neen, dat mag je als schrijver nooit doen,’ zeg ik dan. ‘Iemand die denkt dat zijn eigen leven boeiend genoeg is om er een boek over te schrijven, heeft last van hoogheidswaanzin. Geen enkel leven is boeiend genoeg om er een heel boek aan te wijden. Je kan een prachtig liedje met een schitterende tekst over het leven van Frank Vandenbroucke schrijven, maar geen heel boek. Ik schrijf levensechte verhalen en alles kan ook echt gebeuren. In elk boek zit altijd wel iets van mezelf, maar ik verzin mijn personages en alles wat ze doen.’
Dat probeer ik de scholieren met schrijfgoesting uit te leggen. Dat ze vooral niet te veel over zichzelf moeten willen schrijven.

‘Je hebt gewoon een boek over jezelf geschreven,’ zegt mijn vrouw nadat ze De plannetjes van papa nog eens heeft nagelezen. Ik schrik ervan. Waarom zegt ze dat, want dat wou ik echt niet. Ik verzon maar wat. Mijn prille vaderschap van jaren terug was een inspiratiebron, een aanleiding, maar niet het script voor de verhaaltjes in het boek. 
Ik  spreek wat verbolgen op haar in. ‘Niet waar toch! Ik schreef gewoon vier verhaaltjes over een wat gekke papa en zijn twee zonen. De ene zoon is nogal nuchter en onbezorgd, de andere  piekert meer en heeft last van driftbuien. En ze heten Rindert en Siemen, zo heten die van ons toch niet? En die vader in het verhaal bedenkt dan gekke plannetjes om zijn zonen te helpen als ze een probleem hebben. Echt gek hoor, ronduit stomme dingen! Je houdt het toch niet voor mogelijk wat die man uit zijn botten slaat om zijn jongens iets wijs te maken. Maar hij bedoelt het goed, hij wil hen iets leren. Iets bijbrengen. Hij is vast leraar, denk ik. Alleen…’
Ze laat me niet verder ratelen. ‘Je hebt gewoon een boek over jezelf geschreven…’ lacht ze.

---
De plannetjes van papa is een kinderboek voor jonge lezers vanaf zeven jaar en hun papa’s.
Het verscheen bij De Scriptomanen en is verkrijgbaar in de boekhandel.

Het boek werd voorgesteld tijdens Kinderboekendag op zaterdag 25 april in Standaard Boekhandel Menen en in Standaard Boekhandel Wevelgem.
Op zondag 26 april kon je kennismaken met de plannetjes van papa en de tekeningen van Ellen Loncke tijdens een informele babbel in het Verdip in Wevelgem.



zaterdag 10 januari 2015

Die ochtend in Parijs

Met dit bericht wil ik de heer Filip Rogiers, redacteur van De Standaard en verdienstelijk verhalenverteller, ervan beschuldigen dat hij een boek heeft gelezen. En niet zomaar een boek: het betreft een prentenboek van een westers (meer specifiek: Engels) auteur dat bovendien doorspekt is met humor die je doet nadenken. Een wijs boek dus.

Vanmorgen bladerde ik met meer dan gewone belangstelling snel in het weekendmagazine van De Standaard om het ‘Eerst dit’ (zo heet het editoriaal in dat deel van de krant) te lezen. Ik hou namelijk van editorialen: de auteurs ervan mogen veel meer dan de journalisten van de uitvoerige reportages en nieuwsverslagen hun mening verwoorden in het korte bestek van niets meer dan een goede bladzijde. Van de mening van een eind-, hoofd- of voorwoordredacteur verwacht ik elke keer wel iets. Ik ga ervan uit dat die man of vrouw de hele week met zijn neus in het nieuws zat, alle bijdragen van zijn journalisten doorworsteld en bijgestuurd en besproken en bediscussieerd heeft en daardoor in staat is om een mening te verwoorden die er toe doet. Ook al ben ik het niet eens met die mening: ze helpt mij om wijzer te worden. Beter te begrijpen.

‘Die ochtend stapte in Parijs een jongen van 10 de deur uit om wijzer te worden’. Zo begint Filip Rogiers zijn editoriaal en na die zin hield het lezen bij mij op. Die zin had hij gejat (lees: geparafraseerd, ik overdrijf wel eens) uit een prentenboek dat ik in woord en beeld uit mijn hoofd ken. En in één klap steeg Rogiers in mijn achting. Ik stuurde hem ondertussen een vriendschapsverzoek op Facebook: zo groot is mijn adoratie.

Het hoofdpersonage in dat schitterende prentenboek van John Burningham (uit 1988!) heet Bastiaan Boezeman. In het boek vertrekt deze jongen elke morgen moedig en vol verwachting naar zijn school in de hoop om wijzer te worden. Maar Bastiaan treft het niet: alle rampen des heelals dwarsen zijn weg. De ene dag wordt hij aangevallen door een krokodil die uit de stadssloot kruipt en zijn boekentas wil opknabbelen. Een andere dag moet hij op de vlucht in een boom omdat hij op het pad wordt opgewacht door een leeuw met grote honger. Een derde keer wordt hij op het brugje over de beek in het stadspark verrast door een tsunami die er al was nog voor hij was uitgevonden. Elke morgen haalt hij zich de woede van de vreselijke meester op de hals, die geen excuses aanvaardt als je te laat binnenkomt en ook geen greintje mededogen of zin voor humor heeft. Op tijd zult gij zijn, is zijn credo. Geen excuses. En Bastiaan ondergaat lijdzaam de schrijfstraffen en vertrekt vervolgens elke morgen  nog wat vroeger naar school.
Maar de vierde dag gaat hij dwars het klaslokaal door als hij zijn meester hoog aan het plafond aan een lichtbak ziet hangen, gevangen in de klauwen van een gevaarlijke gorilla die nauwelijks kan wachten om hem te verscheuren. ‘Roep snel de oproerpolitie en de terreurbrigades,’ schreeuwt hij naar zijn afvallige leerling. Maar Bastiaan ziet niet in waarom. Zo snel is hij niet uit zijn lood geslagen. Zo slim is hij wel. Er zijn betere plaatsen om nog wijzer te worden.Bij meesters met nuance en wijsheid.

Wijs zijn. Het is een nobel streven. Je hoeft er niet lang voor naar school te gaan en je mag al eens te laat komen. Je hoeft er niet voor naar de hogeschool of naar de universiteit. Je moet geen intellectueel, ingenieur of filosoof te zijn. Je moet zelfs geen jeugdauteur of editoriaal schrijver te zijn. Slim moet je ook al niet zijn. Maar je moet wel elke morgen blijven opstaan en wijzer willen worden. 
Of een prentenboek lezen.

In mijn beginjaren in de bibliotheek was De jongen die altijd te laat kwam, het prentenboek over Bastiaan Boezeman die elke morgen van huis vertrekt om wijzer te worden, mijn favoriete boek om beginnende lezers tijdens een klasbezoek te introduceren in de wereld van het boek. Ik hoor en zie nog steeds de verontwaardiging op de jonge gezichtjes voor me. Hoe durft die kwalijke meester zo lelijk doen tegen Bastiaan? Die krokodil, leeuw en de orkaan waren er toch echt? Ze stonden op de prenten in het boek en ze hadden het echt op Bastiaans leven gemunt.
Maar het was deel van het leerproces. Van rampen word je sterker. Niemand die je vorige dinsdag had geloofd als je te laat op je werk kwam omdat de doorgang werd belemmerd door twee kalashnikovs en een dode agent op het trottoir. Toch was het zo.
Zo worden we elke dag weer wat wijzer. Elke ochtend opstaan in de weerbarstige beschaving. En die proberen te begrijpen. Wijs proberen te zijn.

Straks komen de nieuwe lezers weer op bezoek en op eigen verzoek zal ik hen weer zelf rondleiden in de bibliotheek. En in de wereld van Bastiaan Boezeman, Filip Rogiers en Charlie Hebdo.
Dat wordt lachen!



zondag 10 februari 2013

Veel meer dan meisje van de zee

Sinds meer dan dertien jaar ben ik redacteur van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers. Tweemaandelijks verschijnt als aflevering van het tijdschrift VWS-cahiers een monografie over een West-Vlaamse schrijver. Voor elke tekst gaat de redactie op zoek naar een gastauteur die vertrouwd is met het werk van de schrijver. 
In februari verschijnt aflevering 274 over auteur Katrien Vervaele uit De Haan. Deze keer schreef ik zelf de tekst. Katrien schreef jeugdboeken die ik erg graag heb gelezen en ik leerde haar door de jaren heen kennen als een boeiende en verrassende schrijfster. 

De eerste keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette… Ik had haar uitgenodigd in de bibliotheek voor een auteurslezing in het kader van de Jeugdboekenweek 2001. Gezeten in een gemakkelijke sofa werd ze geïnterviewd door leraar-criticus Marc De Smet, die zijn leerlingen badinerend door het leven en het werk van de schrijfster loodste. Het was een merkwaardige babbel die het vrij gratuite auteursgesprek oversteeg. Marc slaagde erin om zijn leerlingen te laten kennismaken met de ziel van de schrijfster en de leerlingen bleven met grote aandacht en stijgende bewondering luisteren. Katrien had het vrijmoedig en eerlijk over wat er in haar hoofd leefde en over de thema’s waarover ze wou schrijven. Kastanjes was toen net uit en het thema homoseksualiteit kwam eerlijk en met veel inleving en gevoel op de leerlingen af. Marc De Smet: “Ik herinner me het interview nog heel goed. Ik heb er echt van genoten. Katrien Vervaele was geconcentreerd en ad rem. Haar toen pas verschenen roman Kastanjes wekte vele en soms delicate vragen op bij de jongeren, maar ze ging het thema niet uit de weg en antwoordde zonder omwegen en recht uit het hart.”

De tweede keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette… We waren in 2002 allebei genomineerd voor de Kleine Cervantes, de jeugdliteratuurprijs van de stad Gent. De genomineerde auteurs werden op 23 april, op wereldboekendag, uitgenodigd in de Kopergieterij, waar de leerlingen van de deelnemende scholen na een dag van discussie en beoordeling het mooiste boek van het jaar zouden kiezen. Katriens Inkt en mijn De oversteek moesten nipt de duimen leggen voor Zwarte sneeuw van de Nederlandse schrijfster Simone Van der Vlugt. Drie historische romans, het was opvallend die dag. De jonge lezers waren niet lief voor de uitgenodigde auteurs. Ze vuurden gretig kritische en doorwrochte vragen op ons af. Ik herinner me dat Katrien geïrriteerd voor de dag kwam en verveeld reageerde op stekelige commentaar van een van de leerlingen. Ze was het niet eens met de stelling die de woordvoerder van de klas naar voor bracht. Katrien had gelijk, weet ik nog, maar het verraste me dat ze zich zo opwond. Maar van die dag herinner ik me ook hoe lovend en geamuseerd ze even later op de dag terugkeek toen ze tijdens de afsluitende drink in het cafetaria op haar zoon wachtte. En hoe hoog ze haar kritische lezers inschatte.

Een volgende keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette – het was al lang niet meer de derde keer… Naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen was er op 26 november 2005 in de Gentse Vooruit een groot verjaardagsfeest voor begeleiders en auteurs. Met Katrien ging alles goed, maar zonder veel poeha vertrouwde ze me en passant toe dat ze het als jeugdauteur wat had gehad. De respons op haar boeken viel wat tegen (vond ze zelf) en het hoefde niet meer zo nodig. Ze wou iets anders gaan doen, alleen wist ze nog niet goed wat. Een dipje dacht ik, het komt wel goed. Maar in de jaren die volgden verschenen enkel nog de jeugdromans Korstmos en De adem van de godin - en dat waren inderdaad haar laatste.

Een daaropvolgende keer dat ik Katrien Vervaele ontmoette, heette ze Zee Meermin en de ontmoeting gebeurde via Facebook. Onder haar nieuwe alter ego post ze foto’s, herinneringen en gebeurtenissen uit het leven van garnaalvissers, strandjutters, vissersvrouwen en zeelieden en deelt die met iedereen die het lezen wil. Ze gaat op zoek naar het verhaal achter de vele monumenten of legendes van de kust. Ze schrijft en herschrijft de histories en reizen van oude schepen en schuiten. Ook een streepje kunst en een vleugje cultuur passeren de revue. Maar altijd heeft het iets te maken met de zee. Onderwijl krijgen de vele jeugdauteurs die elkaar volgen, groeten en steunen op het sociale netwerk schouderklopjes, aanmoedigingen en knipoogjes. Dan wordt Zee Meermin weer even Katrien Vervaele. Maar enkele berichten later vertoeft ze alweer met een stoere zeebonk op een aftandse schuit in het zilte water van haar geliefde zee.

De auteursmonografie Veel meer dan meisje van de zee over Katrien Vervaele verscheen op 22 februari 2013 als VWS-cahier 274.
Het cahier werd op zondag 10 maart voorgesteld in de bibliotheek van De Haan.
Contacteer me voor alle inlichtingen over VWS en het cahier over Katrien Vervaele.

http://www.youtube.com/watch?v=j5CNZwbY9Uo


zaterdag 20 oktober 2012

De bib beu

Vandaag begint de Bibliotheekweek met in elke bibliotheek een verwendag. De gekste dingen gebeuren dan in je plaatselijke bibliotheek.
Enkele jaren geleden nam ik samen met Marc De Bel en Brigitte Minne deel aan een schrijfproject in een Oost-Vlaamse bibliotheek. We schreven samen met de leerlingen het begin van een bibliotheekverhaal en toen we weer weg waren, was het aan de leerlingen om de knoop te ontwarren.
Dit was mijn begin voor de leerlingen van de tweede graad...
Oh ja, je dacht toch niet dat ík de bib beu was? Niet hoor, lang leve de bib!

Met een grote zwaai zwiert Robrecht zijn fiets tegen de muur. Net op het moment waarop de klok van de kerk negen uur slaat.
Gerda van de bib staat hem bij de deur op te wachten.
‘Dag Robrecht,’ zegt ze vriendelijk.
Hij schrik. Kent ze dan echt van alle mensen die naar de bib komen hun naam? Of hebben ze in de bib een geheime computer waarin van alle bezoekers een foto te vinden is? Zou best wel kunnen, tegenwoordig kun je alles vinden op computers!
‘Je bent er vroeg bij. Of kon je niet langer wachten om je door ons te laten verwennen?’
Robrecht begrijpt er niets van.
‘Euh, ja…’ prevelt hij. ‘Ik kom eigenlijk gewoon internetten. Als ik niet vroeg genoeg kom, is er geen pc meer vrij…’
‘Zozo…’ fluistert Gerda geheimzinnig. ‘Dat zou vandaag dan wel eens kunnen tegenvallen hoor, jongen… Het is verwendag hé! Ik denk niet dat je straks nog veel zin zal hebben om te surfen. Je zal wel iets anders om handen hebben…’
Verwendag… Hij had er iets van gelezen in de gemeentekrant en er was een affiche in de refter op school. ‘Verdwaal in de bib en beleef een superspannend avontuur’, stond er. Maar hij had er verder geen aandacht aan besteed.
In een flits denkt hij aan Ellen. Wat was die gisteren kwaad op hem geweest! Alleen maar omdat hij geen berichtje had gestuurd wanneer hij aan het zwembad zou staan. Tja, een vriendinnetje hebben kan wel eens lastig zijn. Misschien moet hij haar deze namiddag eens verwennen. Of hij kan haar vragen om naar de bib te komen, hoeft hij dan zelf niets voor haar te bedenken!
‘Roembaderum!’
Robrechts hart staat stil. Een tovenaar die zo uit een Harry Potter-film is geplukt, staat vlak voor hem. Hij kijkt hem recht in de ogen zonder verder iets te zeggen.
Dan verschijnt zijn hand vanachter zijn rug. Hij reikt Robrecht een glas met een dampend drankje aan.
‘Dank je…’ zegt Robrecht.
De tovenaar kijkt van hem weg en zijn vurige ogen gaan op zoek naar een andere bezoeker.
Verbouwereerd loert Robrecht de bib binnen. Nog zo vroeg en al zo veel volk! Rond de balie staan wel tien mensen bij een tafel met koffie, fruitsap en croissants. Had hij dat geweten! Thuis had hij heel snel een snee brood uit de zak van gisteren genomen. Hard en vreselijk van smaak.
Vanachter de balie klinkt muziek en hij hoort gelach en gejuich weerklinken vanaf het balkon.
Naast hem staan Ann en Hans van de bibliotheek. Ze kijken tevreden om zich heen. De verwendag verloopt blijkbaar naar wens!
Opeens is er luid gestommel in de jeugdbibliotheek. Mannen roepen, vrouwen gillen, kinderen schreeuwen.
‘Nee, wij willen en zullen hier niet langer blijven’, klinkt een norse stem.
Robrecht loopt Ann en Hans achterna in de richting van het tumult.
Met een schok blijven ze staan.
Op het hoogste rek staat een boek. Blinker en de bakfietsbioscoopEn… het praat!
‘De boeken hebben mij vannacht gevraagd om jullie in naam van alle bibboeken mee te delen dat wij de bib beu zijn! We zijn het beu om elke dag opnieuw door tientallen handen te worden vastgenomen. En daarna altijd weer op de verkeerde plaats te worden teruggeplaatst. Gisteren nog plaatste iemand mij bij de boeken over gifslangen! We zijn het ook beu om meegenomen te worden door slordige lezers die ons vervoeren tussen de snelbinders van hun fiets en ons laten rondslingeren op de gekste plaatsen van de vreemdste huizen…’
Blinker en de bakfietsbioscoop zwijgt even.
‘Vorige week las een jongen Kobe en de salamimannen op het toilet! En een meisje las Sjakie en de chocoladefabriek terwijl ze in bad zat! Sammie Stokvis kwam terug in de bib vol kreuken en ezelsoren en op bladzijde 45 van Het dolfijnenkind heeft iemand in rode letters ‘ZOT’ geschreven. Schande!’
Hier en daar beginnen boeken in de rekken te trillen. Ze mompelen allerlei klachten. De mensen in de bib zijn doodstil. Niemand begrijpt wat er gebeurt.
‘Mijn rug is gekreukt omdat een engerd mij ’s avonds onder zijn nachtkussen legt,’ roept De Grote Vriendelijke Reus. Robrecht had het boek nog nooit kwaad gezien.
Het regent boekenklachten. Tot Blinker en de bakfietsbioscoop in zijn bladzijden klapt.
‘Wij boeken zijn de bib beu’, roept  het dikke boek luid.
Robrecht luistert zijn oren uit. Plots leunt Ann, de bibliothecaresse, op zijn schouder.
‘Sorry, zegt ze, ‘dit wordt me even teveel…’
Van overal klinkt nu geroep uit de rekken.
‘Wij boeken zijn de bib beu! Wij boeken zijn de bib beu!’
Sommige mensen vluchten de bib uit. Nee, op de verwendag gebeurt van alles in de bib, maar dit gaat te ver. 
Robrecht zoekt de tovenaar. Hij schrikt. Die heeft zijn pak uitgetrokken en stopt het haastig in zijn verkleedkoffer. Hij ziet lijkbleek.
Nee, dit is geen bibactiviteit! Dit is bittere ernst! De boeken zijn de bib echt beu!
Ook Ann van de bib is nu helemaal over haar toeren.
‘Hans, wat moeten we doen? Moeten we de politie bellen? De agenten moeten de boeken oppakken! Voor ze er vandoor kunnen gaan..’
Hans lacht.
‘Ann toch, maak je geen zorgen. Dit is toch ongelooflijk grappig? Nog spannender dan het spannendste boek uit de bib! Kijk, moet je de Harry Potters zien tekeer gaan! Haha!!!’
Maar Robrecht vindt dit helemaal niet grappig. Het is tijd voor actie! Dit is het moment waarop ze met de Geheime Klusclub al zolang wachten. Een echt mysterie oplossen! Want de boeken moeten koste wat het kost in de bibliotheek blijven! 
Robrecht  neemt zijn gsm en tikt het afgesproken nummer…

Wat een liedje deze keer... Ik heb er nog op gedanst...
http://www.youtube.com/watch?v=ovwXM_Qg52g