Pagina's

Posts tonen met het label idolatrie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label idolatrie. Alle posts tonen

zondag 10 november 2013

Scholeksters

Voor wie aanwezig was op de literaire avond in het kader van Kunstmaand Ameland, ben ik tot het einde der tijden ‘die van de scholeksters’. Vreemd hoe iets loopt. Het was niet de bedoeling, maar ik ben de auteur van de scholeksters. De bonte pieten.

Het was een gezellige avond op donderdag 7 november in herberg De Zwaan in Hollum op het eiland Ameland. Voor het eerst besteedde de jaarlijkse Kunstmaand aandacht aan de eerste aller kunsten. Taal en letteren dus. En ik was de eerste literaire gast, omdat mijn jeugdroman Gek op een eiland helemaal geïnspireerd is door mijn liefde voor de Waddeneilanden en omdat ze wel eens wilden weten waarom een Vlaamse auteur zo erg gefascineerd is door die Friese eilanden.

De gezellige gelagkamer van de statige herberg was mooi volgelopen en al wie er zat, zat er met grote verwachtingen. Als dat maar goed afliep… Maar toen ik van wal stak (paste wel op dat eiland), bleek ik de goede insteek te hebben gevonden. Ik vertelde over mijn jeugdidolen en dat die vaak Nederlanders zijn. Robbie Rensenbrink, Jan Terlouw en Boudewijn de Groot bijvoorbeeld. De Nederlanders voelden gemeende interesse en waardering en bleven geboeid luisteren.

Al was die eerste een risico. Ik bracht nog eens in herinnering dat Robbie Rensenbrink en niet Johan Cruyff de geschiedenisboeken zou zijn ingegaan als de beste Nederlandse voetballer ooit als hij in 1978 tijdens de wereldbekerfinale tegen Argentinië de bal aan de juiste kant van de paal had getrapt. Oeps, dit is een nooit genezen oude wonde nog eens openrijten, bedacht ik nog tijdens het voorlezen. Ik vermoed dat een hele generatie Nederlanders (die van het publiek in De Zwaan) dit trauma nog steeds niet heeft verwerkt. München 1974 was erg, Argentinië 1978 nog veel erger. Als Romelu Lukaku deze zomer tijdens de wereldbekerfinale in Rio de Janeiro de bal aan de juiste kant van de paal in het doel van Stekelenburg zal trappen, mag ik nooit meer Amelandse grond betreden. Hoe dom kan je zijn.

Het was niet het enige risico dat ik liep.“Mijn liefde voor de Waddeneilanden ontbrandde in 1976,” vertelde ik in De Zwaan. 
“Ik zat in de eerste klas van de middelbare school. Elke donderdagavond zaten we met de hele familie aan de televisie gekluisterd. Veel keuze was er toen niet: één Vlaamse zender, de BRT, een Waalse zender, de RTB, en twee Nederlandse zenders. Van die Nederlandse zenders herinner ik me vooral Willem Ruis, Loeki de Leeuw en AVRO’s Toppop. Als kind keek ik niet zo vaak tv, ik zat toen al in de boeken. Toch is het een televisie-ervaring uit die tijd die me jaren later naar de Waddeneilanden dreef. In mijn herinnering zat ik een heel jaar lang elke week te kijken naar Sil de Strandjutter – in werkelijkheid waren er acht afleveringen van de mythische reeks. Acht weken die een hele jeugd duurden. Ik zat met bonkend hart, open mond en gloeiende wangen te kijken naar de lotgevallen van die eilandbewoners op dat verre eiland. Mijn moeder keek ook, ze was gek van die norse Sil, denk ik. Mijn zus keek, zij was verliefd op Jelle en Wietse. En ik? Ik viel voor Lobke en geef graag toe dat dat ook de verdienste was van Monique Van de Ven. De prille verliefdheid kwam pas tot volle wasdom toen ik enkele jaren later naar Turks Fruit keek. Toen keken mijn vader en mijn moeder niet meer mee.”
Ik vertelde over mijn eerste reis naar de eilanden, mijn zoektocht naar het huisje van Sil op Terschelling en mijn jeugdroman die ik er jaren later rond weefde. 
Het publiek vond het een wonderlijk verhaal. Maar in de pauze vroeg een sympathieke mevrouw (de vrouw van de burgemeester, zo bleek later) me welk eiland ik nu eigenlijk het mooiste vond. Het was een gevaarlijke voorzet. Durfde ik toen Terschelling antwoorden, mocht ik de volgende dag met de eerste boot terug naar huis. Maar ik viel op mijn diplomatieke pootjes. “Ik vind ze alle vijf even mooi,” zei ik. “Maar Ameland is toch wel erg bijzonder. Niet te groot en niet te klein.” En toen begon ik snel over de legende van de Amelandse heks Ritskemooi en haar zoon Sjoerd, die me zo had geïntrigeerd. "Gek op een eiland is het verhaal van een moeder die haar zoon moet loslaten. Niet aan de zee, maar in haar hart en haar geest," zei ik. Zo is het en de toehoorders knikten enthousiast. Dankzij Ritskemooi werd ik definitief één van hen. Ik mocht blijven.

Ach, ik was even de sympathieke, onhandige en exotische Vlaming. Ik bracht mijn eerste keer op de Wadden in herinnering, dertig jaar geleden. We reisden ernaartoe en wisten nauwelijks waar we waren en wat we er kwamen doen.

We noemden een eidereend een windei
en een tureluur was gewoon een vogel
toen we hier de eerste keer kwamen.
We vergaapten ons aan de vuurtoren
en huurden één fiets voor ons tweeën.
We bekommerden ons niet om het verboden broedterrein,
zakten verbaasd tot onze knieën in dat mooie onbetreden strand,
zochten in de veerhaven naar een verkooppunt voor een retourtje.
En wat ik ook nog weet van toen:
de campinguitbater noemde me mister O’Heane,
in het Oude Boothuis waanden ze ons Zweden met ons gekke West-Vlaams.

Wij verkneukelden ons aan dat grappige ‘Doei’.
Wat vonden wij Fries toen een rare taal.

Ik was niet de enige gast op de literaire avond in De Zwaan. Lucette van den Berg was er ook. Zij is een Jiddische zangeres met een hemelse stem, prachtige liederen én een goede gitarist. Maar tijdens de pauze vertelde ze me over haar liefde voor de Jiddische poëzie en cultuur. En hoe ze die uit de vergetelheid wil houden door ze niet steeds opnieuw te herhalen. “Nogal wat muzikanten van Klezmer-bands begrijpen niet waarom ik dit doe,” zegt ze. “Ik steek de liederen en de muziek in een heel nieuw en hedendaags kleedje. Dat moet, vind ik. Cultuur leeft en staat niet stil. Als je de Klezmer-muziek alsmaar blijft spelen en herhalen zoals ze dat honderd jaar geleden ook al deden, dan zing je die zo het verleden in. Ik ben trots op mijn afkomst en ik wil daarover getuigen. Met liederen en muziek die boeien”.
We hadden een heel fijn gesprek over taal en muziek en ik had het over het gezwoeg van Vlaanderen. Welke taal is onze cultuurtaal? Omdat het dialect ons nergens brengt en we weigeren het Algemeen Nederlands te omarmen, spreken we nu een tussentaal (Vreselijk woord overigens. Taal is. Taal is niet ergens tussen.). “Waar is dat nu goed voor?” vroeg Lucette zich luidop af. 

Toen ik donderdagavond op Ameland aankwam, was het al pikdonker. Pieter en Marleen voerden me van de veerhaven naar mijn pension en vandaar naar De Zwaan. Op het licht van de vuurtoren na, kreeg ik niets te zien van het eiland. “Ik ben pas op een Waddeneiland als ik een scholekster heb gezien," zei ik guitig tijdens de lezing. Later las ik nog een vers over scholeksters en in het fragment dat ik voorlas uit mijn boek was de wadvogel er weer. “Soms word ik gek van die vogels," foetert Johanna in het boek. “Vooral van die vreselijke scholeksters”. Schreef ik dat?

Mijn medewerking aan de literaire avond werd ruim gehonoreerd met een verlengd verblijf op het eiland. De organisatie zorgde voor een fantastisch logement in pension Ambla. Een fijne kamer met uitzicht over de weidse polder tot aan de waddendijk en met schapen en paarden die kwamen grazen tot op mijn terras. ’s Avonds werd het pikdonker alleen maar gebroken door het schitterend schouwspel van de krachtige lichtstraal van de vuurtoren, die in drie bewegingen en met de regelmaat van een klok zijn licht even spreidde over het aartsdonkere veld.

Ik beleefde drie wonderlijke dagen op het eiland. Het was schitterend weer: geen regen, een beetje wind en voortdurend een flauw zonnetje. Op vrijdag fietste ik het hele eiland rond en vergaapte me twee keer aan een neergestreken zwerm scholeksters op het drooggevallen wad. Ik trok de remmen dicht om ze even te benaderen, maar ze duldden geen gezelschap. Ik voelde me schuldig toen de honderden vogels de andere kant van het wad opzochten uit angst voor die Vlaamse schrijver. Sorry schollies, dacht ik. 
Alleen op het oneindige wad bedenk je de raarste dingen. Ik keek even om me heen, er was echt niemand te bespeuren. En toen zong ik wat je alleen daar doet: “Ons land is klein dat weet eenieder, dat hebben we op school gehad, maar het kan groots zijn in zijn schoonheid, ik denk hierbij speciaal aan ’t wad.” Neêrlands Hoop, Freek de Jonge en Bram Vermeulen, anno 1972. Wees niet plaatsvervangend bang: niemand kon me horen.

De fietstocht leidde me naar fijne en verrassende locaties met aardig kunstwerk van de Kunstmaand. “Heb je al een scholekster gezien?” monkelde de suppoost in de kerk van Hollum. Ik schrok ervan hoe lelijk de storm van 28 oktober in de dorpen had huisgehouden: 85 oude bomen sneuvelden en sommige misten op een haar na de gevel van de eilanderhuizen. Ik kon de verleiding om het kerkhof te bezoeken niet weerstaan en genoot van de zerkjes van de commandeursgraven waarachter een leven vol zeemansleed én -vreugde schuilging. Ik genoot van het geknisper van de schelpenpaadjes door de Noordzeeduinen waar ik niemand ontmoette (op een ree na). In het duingebied rond de eendenkooi bewonderde ik de speelse kunstinstallaties in het zand en ik dronk warme chocomelk in de kroeg op het einde van de wereld. In Buren ging ik Ritskemooi groeten en in Nes zag ik de uitgebrande kerk. Aan kerken geen gebrek op het eiland: je hebt ze doopsgezind, gereformeerd en hervormd. De kerk in Nes die vorige zomer in een brand verging, was de enige rooms-katholieke kerk op het eiland. Het doet je wat, als Vlaming, zo’n zwartgeblakerd skelet van een kerk te zien. Gelukkig was dit geen nawee van de Beeldenstorm. Je weet maar nooit met die calvinisten…

In de erg mooie kerk die het dichtst bij mijn verblijfplaats stond, woonde ik op mijn laatste avond op het eiland een heel innemend concert van Katell bij. Een knappe zangeres die, met steun van een stel goede muzikanten en backgroundzangers, Nederlandse kleinkunst en Frans chanson brengt. Ik hoorde een heel mooie interpretatie van Bécauds ‘Nathalie’ en een helaas wat melige versie van Jules Decortes ‘Ik zou wel eens willen weten’. Dat had niet gemoeten, maar de rest van het concert maakte alles ruimschoots goed. Zo sfeervol, zo stemvast, zo warm. Katell zong een heel mooi eigen nummer over wie ik gemakshalve maar ‘Annelies uit Enschede in Twente’ noem: een lied over een verloren droom. Waarom moest ik ineens denken aan Willem Wilmink, de veel te vroeg gestorven dichter uit Enschede die ik ooit ontmoette in mijn vroege bibliotheekjaren? Nog een bijna-vergeten jeugdidool. Katell moet mijn gemijmer opgemerkt hebben: prompt zong ze Wilminks bewerking van Brels ‘Voir un ami pleurer’. En hop, daar zat ik ineens ook bij Herman Van Veen en Johan Verminnen.

De lange treinreis terug was een langgerekt afscheid aan deze korte Frieslandreis. Tijdens de heenreis had ik vruchteloos gewacht op het grappige koffiekarretje van de Beneluxtrein tussen Antwerpen en Rotterdam. Helaas, het schattige ding is niet meer. Maar ergens tussen Heerenveen en Amersfoort werd doorheen de intercom plots de railcatering aangekondigd. “Dames en heren, zo dadelijk kom ik bij je langs met een heerlijk kopje koffie of thee, verse koffiekoeken, verkwikkende zoetwaren en andere lekkernijen”. Zo zei hij het, de jongen die even later met een volgepropte rug- en buidelzak door de trein laveerde. Ik dacht aan Lucette. Je moet dingen niet de vergetelheid indenken. De koffie kwam uit een rugzak en de jongen die hem serveerde droeg geen uniform met pet, maar het bakkie smaakte even heerlijk.

In Utrecht werd de rust van vier heerlijke dagen definitief verstoord. Een bende jongeren stapte op de bovenverdieping van de trein en deed die prompt wiebelen met rusteloos gestamp. Hun gezang klonk luid uit de trein en echode in de stationshal. Dat het stil was aan de overkant en er geen woorden maar daden moesten zijn. Feyenoordsupporters op weg naar hun Rotterdamse Kuip. Kleine boskampjes, dacht ik. Grote bek maar goed van inborst.
Zouden ze Johan Boskamp kennen? Misschien wel, van op televisie, ook op de NOS laat de halfbelg zijn voetballicht wel eens schijnen. Zouden ze Robbie Rensenbrink kennen? Misschien, van hun vader. Zouden ze Lobke van Terschelling kennen? Wellicht niet. Maar hun vaders wel. Zeker weten.

De 17de editie van Kunstmaand Ameland loopt nog tot en met 1 december 2013. Je moet er echt eens naar toe gaan. Naar Ameland en naar de Kunstmaand.



Luister naar Lucette van den Berg.
Luister naar Katell.
Lees Gek van een eiland....

vrijdag 12 juli 2013

De toverdrank van Heinz Schönberger

Voor het eerst sinds vele jaren doet de Ronde van Frankrijk wat van haar verwacht wordt. De zon en de zomer dichterbij brengen. Als de renners geschroeid en geblakerd onder een stralende zon de Champs Elysées oprijden, is het ook voor mij tijd om de koffers te pakken. Richting Frankrijk.

We gingen jaren zonder auto op reis. De trein bracht ons naar verre oorden als Marrakech, Collioure, Albufeira of Székesfehérvár, het vliegtuig naar New York, de bus naar Toscane, de veerboot naar de Friese Waddeneilanden, de fiets naar de Kemmelberg. Nu is die auto er wél en kleuren we met schandelijk veel jaren vertraging de kaart van Frankrijk in. Na Bourgogne en de Alpen reizen we dit jaar naar Bretagne.
‘Het is er heel mooi, maar je moet wel een beetje geluk hebben met het weer,’ zegt iedereen me. Waarom moet ik dan altijd aan een open deur denken? Maar ik ga niet op reis voor het weer. Ongelooflijk hoeveel afwisseling de eigen tuin op weerkundig gebied heeft te bieden.

Ik ga naar Bretagne voor het landschap, de kliffen, de zee, de vissersdorpjes, de rotskust, het achterland. We verblijven nabij Paimpol, de uitvalsbasis van de IJslandsvaarders in de roman van Pierre Loti. Ik had een oud exemplaar van Pêcheur d’Islande in mijn bezit en gaf hem enkele maanden geleden cadeau aan Katrien Vervaele tijdens de voorstelling van het biografische cahier dat ik over haar had geschreven. Ik heb er ineens wat spijt van dat ik hem grootmoedig weggaf en Katrien had geluk dat ik toen nog niet wist dat ik naar Paimpol op reis zou gaan. Maar ze was erg blij met het boek, dat maakt alles goed.
Ik kom voor het eerst in Bretagne, maar toch wordt het een trip down to memory lane en zal ik er op verre jeugdvrienden en verdwijnende herinneringen botsen.

Zo ben ik er rotsvast van overtuigd Asterix en Obelix te ontmoeten. Er wordt in Bretagne onder dorpen en steden nog steeds geruzied over het eigendomsrecht van het bordje ‘Hier woonden Asterix en Obelix’. Volgens kenners situeert dat dorp zich meer in de richting van Normandië, maar daar geloof ik dus niets van. We gaan naar de Côtes d’ Armor. Het Gallische dorp dat moedig weerstand bleef bieden aan de overweldigers en het leven van de Romeinen in de omringende legerplaatsen bepaald niet gemakkelijk maakte, lag in Armorica. Kijk maar eens onder de loep op de eerste stripbladzijde…. Juist, het Gallische dorpje waar Asterix en Obelix leefden, heet nu Bréhec, de vissersplaats waar we voor onze vakantie een huis op het strand hebben gehuurd. 
Ik verheug me er al op om elke morgen, als ik te voet naar de dichtstbijzijnde bakker mijn verse croissants ga kopen, het olijke en stoere stripduo tegen te komen. Ik kan me haast niet voorstellen dat de laatste Romeinen er nu al zijn verdwenen, dus meet ik mezelf nogal wat kans toe om een straatrel tussen Obelix en het Romeinse leger te mogen aanschouwen. Al wordt het ook uitkijken voor rondvliegende Romeinen, terugkerende kanonballen, vluchtende everzwijnen, goedgemikte menhirs, het gezang van Assurancetoruix en de verfijnde visgeur van Kostunrix. 
Rare jongens, die Bretoenen. Al zijn ze dat niet. Bretonnen, moet je zeggen. Voor één keer heb ik het moeilijk om me aan de voorschriften van de Nederlandse taal te houden. Bretons klinkt al even erg als Jeroen in de Nederlandse variant van Jerom in de stripalbums van Suske en Wiske. Jerom en Obelix, de stoere helden van mijn jeugd. De hoop dat zij het ooit in een ultieme strijd tegen elkaar zouden opnemen (en wie er dan zou winnen), heb ik ondertussen opgegeven. Misschien, ooit…

Wie ik de komende week misschien ook wel tegen het lijf zal lopen, is Heinz Schönberger. De iconische middenvelder in het SK Beveren van Jean-Marie Pfaff, dat het einde jaren ’70 tot de halve finales van de Europabeker schopte. Schönberger was de rots in de branding en nam op zijn eentje moeiteloos de maat van de Europese topclubs. Schönberger en Pfaff tegen de rest zoals Asterix en Obelix tegen de Romeinen. Toen al was ik als jonge snaak de enige die doorhad waarom Heinz zo’n weelderige snor onder zijn neus droeg en aan wie (of wat) hij zijn kracht te danken had. De Duitser was een Bretoen en hij viel als kind in een ketel vol toverdrank.
Ik keek naar SK Beveren tegen FC Barcelona, maar dacht in stilte aan de Galliërs tegen de Romeinen.

Ongetwijfeld bots ik binnenkort ook op Bernard Hinault. Dezer dagen zie je hem druk in de weer als ceremoniemeester op het altijd drukke podium na de aankomst van elke etappe in de Tour. Dit jaar (het honderdste) maakte de directie speciaal voor hem een omweg naar zijn geboortedorp Yffiniac in Bretagne. Zijn wagen hield even halt, monsieur Bernard stapte uit en groette breed lachend de Kelten op het marktplein. Jérôme Pineau, Thomas Voeckler of Sylvain Chavanel? Ze komen nog niet aan de hielen van Frankrijks wielerheld. Zelfs de minzame Raymond Poulidor en de pillenvretende Jacques Anquetil kunnen niet tegen hem op. Vijf keer de Tour en een keer Gent-Wevelgem, wie doet het Hinault na? Ik was diehard fan van Bernard Hinault, het leek er even op dat hij Eddy Merckx zou evenaren. Hoe hoopte ik dat toen… Tot hij in 1981 Roger De Vlaeminck versloeg op de eindstreep van de velodroom van Roubaix. Dat had hij niet mogen doen. Het kwam nooit meer helemaal goed tussen Bernard en ik. 

De laatste Bretoense held die ik binnenkort zal ontmoeten in de bakkerij of op het terras van mijn vakantiedorp, is Alan Stivell. De Bretoense zanger met de Keltische harp. In mijn late tienerjaren was ik nogal into folk en Stivell was een icoon. Je had vele goede folkgroepen en je had Stivell. Die stond daar boven, hij had iets mythisch, wat dan weer paste bij de sfeer van de mystiek en symboliek van de Keltische godenverhalen die over Bretagne zweeft. Ik zag Stivell in die jaren op het Folkfestival van Dranouter en ging tijdens dat optreden in mijn eentje in een verloren hoek van de tent staan om mee te zweven met de ware Assurancetourix van Bretagne.
Om me in te leven ging ik op You Tube op zoek naar de heroïsche nummers van zijn cultplaat A l’ Olympia. Dit had ik beter niet gedaan, want ineens viel me op dat ik niet meer zo into folk ben als toen. Ze klinken nogal passé en oubollig, die Keltische winden, Armoricaanse suiten, Tri Martolods en An Durzhunels. Maar het zal me er niet van weerhouden Alan hartelijk te groeten op het terras van Bréhec. Long time no see!

Reizen is altijd weer een beetje thuiskomen, ook al ben je er nog nooit geweest. Ik hunker naar Bretagne. Ondertussen daagt in de verte het reisdoel voor 2014…



woensdag 12 december 2012

Roger De Vlaeminck wint Gent-Wevelgem!

Ik had het genoegen om samen met wielerjournalist Rik Vanwallegem en koersencyclopedist Rudy Neve het jubileumboek 'Gent-Wevelgem 75' te mogen samenstellen. Het boek is ondertussen klaar en werd op 10 december voorgesteld in aanwezigheid van iconische oud-winnaars als Francesco Moser, Walter Godefroot, Guido Bontempi, Sean Kelly, Freddy Maertens en Oscar Freire. Het werd een prachtige publicatie: thema’s als de veelwinaars, de niet-winnaars, de grote en kleine geschiedenissen en (of course) de Kemmelberg worden cursief beschreven en met fantastische foto’s geïllustreerd. Als uitsmijter schreven Rik, Rudy en ik een persoonlijke terugblik: wat het doet met een koersliefhebber om aan de meet in Wevelgem op te groeien. Over mijn ‘Feest van Saint-Vélo’ zal ik hier niet berichten, dat lees je voortaan in een boek.

Rik, Rudy en ik zaten urenlang te speuren in de fotoalbums die stichter en organisator Georges Matthys bijhield. Hij verzamelde koersfoto’s toen die nog zeldzaam en kostbaar waren en hield ze zorgvuldig bij in plakboeken. Bovendien voorzag hij ze van spitse en vaak hilarische commentaren, die hij met de tikmachine op een schamel velletje papier tikte. De helden versagen niet en slaan met onverdroten moed het pad naar de illustere top in.
De fantastische zwart-witfoto’s en de hilarische commentaar van Georges Matthys presenteerden Gent-Wevelgem als een heroïsche koers waarvan je nauwelijks kan geloven dat die in onze contreien werd gereden. Er zijn fascinerende beelden van het wielerpeloton dat in waaiervorm langs de kust fietst. In de jaren vijftig was ‘langs de kust’ nog: ‘naast de duinen’. De foto die we selecteerden voor het boek, lijkt wel gemaakt op Antarctica of in het Zwitserse hooggebergte. Er zijn even wonderlijke foto’s van gesloten rennersgroepen die over de markten en plaatsen van de Vlaamse steden dokkerden. Allemaal bossen van Wallers waren dat doen, bovendien voorzien van ferme tramsporen in het midden van de weg. Ik vermoed dat de beste renners toen in die tramsporen reden, dat was minder hobbelig en het gaf minder wrijving.
En dan die Moeren... Dat was toen nog een landschap om u tegen te zeggen en niet zomaar een streek in het noordwesten van België. Het was letterlijk bachten de kupe. ‘De Moeren’ was toen nog iets zoals de Russische steppe, de Noorse fjorden, de Hongaarse poesta of de Siberische toendra. De West-Vlaamse Moeren. 
Toen was West-Vlaanderen ook nog veel groter, want uit de sfeerverslagen en de foto's van toen blijkt dat de renners uren bleven fietsen door die Moeren. Er waren nauwelijks wegen en toen was er ook veel meer wind dan nu en het vroor en sneeuwde bijna altijd. De renners waagden een beetje hun leven, want slechts om de vijftig kilometer stond er een huis. Daar konden de renners aankloppen bij de plaatselijke bewoners: een soort Neanderthalers, met wilde baard en lange ‘fabrinnen’, die een onverstaanbaar taaltje spraken. Die oerbewoners boden de renners uit een houten mok een papachtige vloeistof aan. En ze konden even verpozen op een boomstronk.
De renners die de Moeren overleefden, moesten toen nog over de vermaledijde Kemmelberg geraken. Daar lag nog geen weg, de renners liepen over een brokkelig aarden pad de berg over en werden vaak geholpen door een vriend die voor hen de fiets (het vehikel) over de berg loodste, zodat de renners zich niet nodeloos moesten vermoeien. Ik vond het niet in de wedstrijdverslagen, maar als ik de foto's uit die vroegste beklimmingen bekijk, kan ik niet anders dan vermoeden dat er toen nog bruine beren in het Kemmelbergmassief woonden.
De weg naar Wevelgem verliep vrij makkelijk, daar waren wel al wegen. Maar de aankomst was nog niet van de poes: die lag op de startbaan van het vliegveld en die vlakte was toen zo open en verlaten dat de kans op wegwaaien reëel was. Bovendien zorgden stuntmannen als vuurspuwers en autospringers voor een voorprogramma dat me minstens even gevaarlijk leek als de laag overvliegende vliegtuigen.
Je gelooft me niet? Bekijk de foto’s in het fantastische boek en oordeel zelf!

Tijdens (en vooral na) de voorstelling van het boek vroegen velen me welke editie voor mij de mooiste was. Aan welke ik het meest plezier beleefde. 
De mooiste editie is nog niet gereden en die zal ook nooit gereden worden, antwoordde ik nogal cryptisch. Want voor mij is de mooiste Gent-Wevelgem die ooit kon gereden worden die met Roger De Vlaeminck als winnaar.
Roger De Vlaeminck won nooit Gent-Wevelgem. Dat is het enige schoonheidsfoutje op de fenomenale erelijst van de wedstrijd. In het boek wijdden we er overigens een afzonderlijk hoofdstuk aan: hoe het komt dat Le Gitan nooit won. Alle wielergroten der aarde reden in de Vanackerestraat als eerste over de streep. Op de erelijst staan maar liefst 23 (drieëntwintig!) wereldkampioenen. Maar niet Roger De Vlaeminck dus. Roger werd overigens ook nooit wereldkampioen, er zit dus wel enige logica in.
Ik was fanatiek wielerliefhebber tussen mijn tiende en twintigste levensjaar en elk voorjaar weer hing ik aan de beeldbuis en toog ik naar de Vanackerestraat in de hoop dat mijn idool eindelijk zijn Gent-Wevelgem zou binnenrijven. Het kwam er nooit van. Op een lijst die door koersfanaat Bernard Callens werd opgemaakt, staat hij op de vijfde plaats, na Merckx, Van Looy, Boonen en Cipollini, de drievoudige winnaars. De Vlaeminck werd maar liefst vier keer tweede, een keer derde en twee keer zesde. Maar hij stond nooit op het hoogste schavotje. 
Wie wat afweet van koers, weet hoe dat komt. Mijn vader zei het toen al: ‘Hij zal nooit winnen, hij doet enkel kilometers. Zondag zal hij winnen, let maar op’. Na de koers fietste Roger over de Grote Markt en de Kortrijkstraat meteen verder naar zijn woonplaats Eeklo. En vier dagen later won hij Parijs-Roubaix. Elke keer, tien jaar lang. In mijn door jeugdige idolatrie doordrongen herinnering blijft Roger de enige echte Monsieur Paris-Roubaix. Ever.
Roger De Vlaeminck piekte nog voor het woord bestond.
Tijdens de voorstelling kwam alle leed uit mijn jeugd weer naar boven. Roger De Vlaeminck won nooit Gent-Wevelgem en dus zat hij ook niet naast mij in de eerste rij. Freddy Maertens en Francesco Moser wel.

Het was ongelooflijk boeiend om met Rik Vanwalleghem en Rudy Neve aan het boek te werken. Zij zíjn koers. Ze kennen alle renners persoonlijk: ze waren kind-aan-huis bij Briek Schotte, doen aan huisruil met Felice Gimondi, zitten aan de toog met Eddy Merckx. Geen koersparcours is hen vreemd, ze hebben de truitjes van Molteni en Brooklyn en ze ratelen elk palmares uit het hoofd. Wie was er in 1973 derde en hoe? Walter Planckaert, op 55 seconden van Merckx en Verbeeck. Wie kwam er in 1994 als eerste op de Kemmelbergtop? Franco Ballerini. Waar was de start van Gent-Wevelgem in 1971? Op het Sint-Baafsplein in Gent. Je leest het nu in het boek, maar zij wisten het al. Of nog.
Eén keer, echt maar een keer, kon ik hen de voorbije maanden op een foute herinnering betrappen. 
We hadden het over de fameuze overwinning van de toen nog nobele onbekende Bretoen Bernard Hinault en hoe jammer dat toen leek voor de erelijst van de wedstrijd. ‘Tot hij drie weken later Luik-Bastenaken-Luik won!’ lachten Rik en Rudy. Ik lachte niet met hen mee, want het klopte niet, dacht ik. Maar ik durfde het vooralsnog niet te zeggen. Eenmaal thuis ging ik snel even googlen. Mijn vermoeden was juist: dat jaar won Bernard Hinault de zondag na Gent-Wevelgem ook de Ardennenklassieker. Geen drie weken, maar vier dagen later dus. Bij een volgende ontmoeting wees ik hen op dit kleine foutje. Rudy moest maar heel even zoeken om mij gelijk te geven.
Natuurlijk had ik gelijk, dat wist ik heel zeker. Zij al het andere, maar ik dat. Het was een klein moment de gloire. Ik schitterde even op het terrein waar mijn twee pennenvrienden heer en meester waren. Ik voelde me zoals ook Barry Hoban, Henk Lubberding of Gerrit Solleveld zich moeten gevoeld hebben toen ze totaal onverwacht Gent-Wevelgem wonnen.
Of Bernard Hinault.

Het boek ‘Gent-Wevelgem 75’ werd uitgegeven door Kannibaal en is te verkrijgen in de boekhandel .

Lees ook: Roger De Vlaeminck: 'Ik ben 'm en ik blijf 'm!'

zaterdag 15 oktober 2011

Held van vroeger


Nog vijf keer slapen. En dan ontmoet ik één van de superidolen uit mijn jeugd.

Ik heb er wel wat, van die jeugdhelden en ze komen nogal vaak uit Nederland. Robbie Rensenbrink is er één. De sierlijke spits van Sporting Anderlecht en het Nederlands elftal. Ik keek naar hem op in de jaren waarin ik àlles wist over voetbal. Hij speelde in de tijd van Johan Cruyff en hij zou zijn landgenoot in de geschiedenisboeken overklast hebben als hij in 1978 in de wereldbekerfinale tegen Argentinië de bal aan de juiste kant van de paal had gemikt. Een andere held in die tijd was Boudewijn de Groot. Ik kende al zijn liedjes uit het hoofd, al was ik rond 1975 nog net te jong om te weten wat hij bedoelde met het testament dat hij na 22 jaren in het leven schreef. Hij zong ook over de eenzame fietser en die ben ik mijn hele leven gebleven.

Maar de echte held uit die tijd zie ik vrijdag tijdens het literaire festival Letterkoorts in Kortrijk. Als medeorganisator heb ik bovendien het voorrecht om hem persoonlijk op te wachten in het station van Kortrijk, samen met hem te eten en hem de rest van de avond te vergezellen. Ik zie uit naar vrijdagavond om 17.21 uur, het moment waarop Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10', op perron 4 van het Kortrijkse station van de trein zal stappen en ik hem handenschuddend en met een krop in de keel zal verwelkomen.

Nu kom ik als jeugdauteur, redacteur van een literaire vereniging en assistent-dienstleider in een bibliotheek wel vaker in contact met andere schrijvers. Een vroeg hoogtepunt was een brief aan Hugo Claus en het antwoord van zijn vriendin Veerle de Wit. Op de Boekenbeurs vertrouwde Karel Verleyen me ooit zijn eerste liefdesavontuur toe. De voorbije jaren ging ik lunchen met Kader Abdolah en Oscar van den Boogaard, zat ik in Ieper aan een viersterrentafel tussen Marita de Sterck en Michael Morpurgo, trakteerde Ed Franck me op een door hemzelf gebakken spiegelei in zijn keuken, ben ik vriend-aan-huis bij dichter Renaat Ramon, had ik fijne contacten met Dimitri Verhulst en Annelies Verbeke, met levensgezellin Tanja van Herman Brusselmans en zus Tanja van Saskia de Coster. Met Anne Provoost deel ik een gemeenschappelijke vriendin, met Willy Spillebeen ging ik op kroegentocht, met André Sollie maakte ik een lange treinrit, met de Duitse schrijfster Hanna Janssen gaf ik een duo-lezing in de bib van Antwerpen en met Dirk Bracke dronk ik Duvels op het terras van mijn stamkroeg.
Al deze ontmoetingen hebben vooral bevestigd dat schrijvers ook maar heel gewone mensen zijn – of wat had je gedacht?

Maar dit geldt ongetwijfeld niet voor Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10'.
Terlouw schreef meer boeken natuurlijk. Wie las er ook niet 'Briefgeheim', 'Pjotr' of 'Oorlogswinter'? En wie kent er niet de avonturen van Stach, de enige echte koning van Katoren? Niemand die kind of jong geweest is, kan om Jan Terlouw heen. Maar dat Oosterschelde-boek is het magnum opus van de nu bijna tachtigjarige Nederlander.
Het boek greep me als tiener erg aan en als ik nu zelf als jeugdauteur in een bibliotheek of school te gast ben, noem ik het boek altijd mijn favoriete jeugdboek. Ik schreef het ook zo op mijn jeugdauteursblog. ‘Een spannend verhaal over de overstroming van 1953 in Zeeland. Ik was gefascineerd door het intrigerende onderwerp, het spannende verhaal én het meisje dat haar behaatje uittrok om in de Oosterschelde te gaan zwemmen. Jan Terlouw werd mijn eerste favoriete schrijver en ik las, herlas en lees nog steeds heel graag zijn boeken. Je vindt er informatie, engagement en spanning in en die ingrediënten probeer ik mooi gedoseerd ook in mijn boeken in te bouwen. Dank u, Jan!’ Vrijdag mag ik zeker niet vergeten hem die dank persoonlijk over te maken.

De voorbije jaren werd mijn band met deze superheld nog wat meer bijzonder. Een groot voetballer zat er niet in mij, een zanger-muzikant evenmin. Maar ik werd wel jeugdauteur, al kom ik uiteraard niet aan de enkels van Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10'. Maar toch… In 2010 verscheen mijn ‘Gek van een eiland’ en een goede vriend die het boek las, zei zonder voorkennis van mijn idolatrie dat het hem wat aan ‘Oosterschelde windkracht 10' deed denken. Of ik het boek ook kende? Hij wist niet hoe trots ik die seconde even was.
De Oosterschelde en de Waddeneilanden, één strijd. Als ik over Terschelling vertel, situeert negentig procent van mijn toehoorders dat eiland ergens in Zeeuws-Vlaanderen. Ik heb me er al suf aan uitgelegd. Je hebt de Zeeuwse eilanden en je hebt de Waddeneilanden en haal ze alstublieft niet door elkaar. Ook al komen de Zeeuwse mosselen uit de Waddenzee.

In 2009 gingen mijn vrouw en ik op reis naar Zeeland. We logeerden op Tholen en we reden ons te pletter over de bruggen en dijken van de Deltawerken en elke plaats bracht me terug naar 'Oosterschelde windkracht 10'. Goeree-Overflakkee, Schouwen-Duiveland, Zierikzee, Brouwershaven, Noord-Beveland, Krammer-Volkerak, Goedereede. Ik zocht er vruchteloos naar Anne en Henk uit het beroemde jeugdboek. En naar het meisje dat haar behaatje uittrok om in de Oosterschelde te gaan zwemmen. Ik vond hen niet, maar het was alsof ik er zelf al veel meer was geweest. Een gevoel dat me ook overviel toen ik voor het eerst op de Waddeneilanden kwam en dat was toen helemaal de fout van 'Sil de strandjutter'.

Om in de sfeer te komen had ik die zomer 'Oosterschelde windkracht 10' nog eens opnieuw gelezen. Mooi hoor… maar tràag… En zo beschrijvend, een documentaire bijna. Wat is het plot ver gezocht en ongeloofwaardig. Dat plannetje om die foute ingenieur om de tuin te leiden... Haha! Zo'n script wordt in het huidige jeugdboekenlandschap nooit nog boek. Al zegt dit vooral iets over de kwaliteit van de jeugdliteratuur. Ik vraag me af hoe mooi 'Oosterschelde windkracht 10' zou geweest zijn als Jan Terlouw het anno 2011 zou schrijven. Nóg mooier!

Samen met zijn dochter Sanne schrijft vader Jan nu thrillers en misdaadromans. En af en toe een jeugdboek – in 2007 nog 'Zoektocht in Katoren'. Hoe ze dat samen doen, zullen ze vrijdag vertellen. Ik hoop eerst aan mij, dan aan het grote publiek. Ik hou alvast een nagelnieuw exemplaar van ‘Oosterschelde, windkracht 10’ klaar en hoop dat hij er een prachtige opdracht in schrijft. Ik kocht trouwens ook een ‘Joe Speedboot’, het hilarische meesterwerk van Tommy Wieringa. Een nieuwe held, wéér een Nederlander en topnaam op de Letterkoortsaffiche.

Maar Jan Terlouw is een veel betere schrijver dan Tommy Wieringa, net zoals Robbie Rensenbrink een veel betere voetballer was dan Johan Cruyff en Bob Dylan het Amerikaanse afkooksel van Boudewijn de Groot.

Nog vijf keer slapen en dan ontmoet ik Jan Terlouw, de schrijver van 'Oosterschelde windkracht 10'.