Pagina's

vrijdag 31 augustus 2012

Standboeken

Op zondag 9 september was er in Vlaanderen weer Open Monumentendag. Dit jaar was het thema 'Muziek, woord en beeld'.
De redactie van de programmabrochure voor de regio Kortrijk vroeg me het onderdeel woord te benaderen. Moeten woorden voor altijd bewaard worden? Alleszins niet door standbeelden op te trekken voor schrijvers, schreef ik in mijn bijdrage.

Het is de verdomde plicht van bibliotheekmedewerkers om de eigen collectie doorlopend te evalueren en gedateerde of stukgelezen publicaties af te voeren. Op de brandstapel te gooien dus.
Ik weet het, sommigen onder jullie zijn nu al boos op mij. Koen de ketter! “Jullie gooien toch geen boeken weg?” Jawel hoor, en heel veel. Sorry, het is en het kan niet anders. De bib focust op actuele collecties: schrijvers van nu, met thema’s van nu en informatie van nu. Maar… geen nood, er zijn procedures die ervoor zorgen dat unieke en kostbare werken niet (nooit!) uit de collectie van de verzamelde Vlaamse bibliotheken verdwijnen. Lees dus met een gerust hart verder.

Omdat mij enige interesse en misschien ook wel wat deskundigheid in de thema’s ‘Taal en letterkunde’ en ‘Geschiedenis’ worden toebedeeld, ontferm ik me met zekere regelmaat over deze rubrieken in de gesloten magazijncollectie van onze bibliotheek. Wat niet meer actueel of waardevol is, moet eruit zodat plaats vrijkomt om recentere boeken nog even in het vagevuur van de bibliotheek op te stellen. Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik dat ik me misschien beter om de rubrieken ‘Esoterie’ en ‘Wiskunde’ zou bekommeren. Dan verdwijnen alle boeken zonder hartzeer zo in de prullenbak en komt er heel veel plaats vrij om nog meer taal- en geschiedenisboeken te bewaren. Maar dit helemaal terzijde.
Onlangs ging ik weer over de rubriek taalkunde en botste op pareltjes uit vervlogen tijden (de jaren ’80 en ’90) die een licht lieten schijnen over het fenomeen taal. 
‘Plastictaal’ (Uwe Pörksen, 1988) leek zo’n pareltje. Over plastic woorden die door verkeerd gebruik in de omgangstaal een nieuwe en onjuiste betekenis kregen. Woorden en zinnen van kunststof: waardeloos, bestemd om even te gebruiken, wegwerptaal. Woorden die je kan recycleren: je geeft ze aan iemand anders en die geeft er een nieuwe betekenis aan. Woorden die alleen maar door een fractie van de bevolking worden begrepen. Zurkeltrutte bijvoorbeeld. In Reninge weten ze wat het betekent, in Ronse hebben ze geen flauw idee. Waarom verbaasde het me ook niet dat de auteur in zijn werk verwees naar de holle woorden van een politicus, naar de modewoorden uit de reclamewereld en naar slogans die niet bedacht hadden mogen worden? Strijken moe? Wij doen het voor joe. Het milieu is tevree, want ik rij op LPG. Elk kakje in een zakje. 
Ook ‘Vrouwentaal en mannenpraat’ (Dédé Brouwer, 1979) trok mijn aandacht. Kennis van de taalverschillen tussen de seksen kan bijdragen tot bewustwording, las ik op de achterflap van het boek. Onlangs was ik op vriendenweekend met een motorclub en dat leerde mij weer dat mannen onder elkaar anders praten dan als er vrouwen in het gezelschap zijn. En onze vrouwen thuis zullen wel niet even stoer voor de dag zijn gekomen als wij, Hell’s Angels for a weekend. Misschien moet ik het boek toch maar eens helemaal lezen vooraleer ik weer met motards op stap ga.
Een boek dat me heel erg boeide, was ‘Ontdek je woorden: over taaltoerisme’ (J.G. Thijs, 1989). De auteur had eind jaren ´80 een zaterdagse taalrubriek in Trouw en veroorloofde er zichzelf menig uitstapje naar de schone letteren in. Ik bladerde en las in het boek en voelde me onderwijl een taaltoerist: iemand die met het grootste plezier op reis gaat door de taal en zich laat verrassen door haar heerlijkheden zonder die academisch te lijf te gaan. Als toerist ben je in vakantiestemming. Het moet prettig blijven. Na lectuur van het boek weet ik waarom ‘klokken’ voor Willem Frederik Hermans vrouwelijk waren en dat ‘iemand gedag zeggen’ geen plastictaal is, maar niets minder dan een vingerwijzing naar hoogstaande literatuur bij Nescio en Marga Minco. Dat en nog veel meer kom je dus aan de weet als je taaltoerist bent.

Maar taal komt ook wel eens op de proppen als je écht op reis bent. Mijn echtgenote en ik voeren spitse dialogen vol hilarische taalvondsten als we in een gezochte stad of gevonden dorp voor een kerk, kathedraal of bibliotheek staan. Deze drievuldigheid zuigt mij op, maar stoot mijn vrouw af. Een wonderlijke taalstrijd is het gevolg.
Ook marmeren standbeelden zorgen voor taaltoerisme. Ik herinner me de immense omweg die we maakten op het einde van een slopende dag in Firenze omdat ik te allen prijze het standbeeld van Dante Alighieri wilde zien. Het stond op pagina 156 van onze reisgids én op het Piazza Santa Croce, een beetje in de luwte van de Florentijnse gekte. Man, wat is dat een lelijk beeld. Dat verdient die arme Dante niet. Werd hij destijds overigens niet levenslang verbannen uit zijn geboortestad? Dan hoefde dit beeld als poging tot eerherstel ook niet.
Toen ik voor het beeld stond (kijken deed ik niet), dacht ik dat taal toch beter niet altijd letterlijk wordt genomen. Je hoort het wel eens: die man (of vrouw) verdient een standbeeld. In de meeste gevallen neemt men dit beter niet letterlijk op, want het standbeeld dat vele jaren later het gevolg is van de uitspraak verdient maar zelden de persoon naar wie het opgetrokken is.
Ik doe een oproep aan stadsontwikkelaars en/of schepenen van cultuur. Als jullie vinden dat lokale schrijvers een standbeeld verdienen, hou je dan vooral aan de figuurlijke betekenis. Schrijvers zijn blij genoeg als er van hen gezegd wordt dat ze een standbeeld verdienen. Verder moet niets meer gedaan worden. Schrijvers zijn mannen en vrouwen van het woord. Woorden maar geen daden. Misschien kan de lijst van wie een standbeeld verdient, worden goedgekeurd door de gemeenteraad, dan krijgt het woord zelfs kracht van wet. Maar alstublieft geen beeld naast een kerk, op een rotonde, op een plein of op een parkeerplaats. 
Daar in Firenze maken duizenden toeristen dagelijks kennis met Dante. Ze kennen de dichter persoonlijk en hoeven hem dus niet eens meer te lezen.
Als je literatoren wil memoreren, moet je vooral geen standbeeld voor hen optrekken. Dat schrijven ze zelf wel. Lezers kunnen het dan lezen en leren de schrijver nog veel beter kennen. Letterlijk dan. Naar woord zonder beeld.

Raadpleeg de volledige programmabrochure [pdf-document - opent traag!]

http://www.youtube.com/watch?v=4Wys9VzF-_E


vrijdag 24 augustus 2012

Plastic Kubb 2016

Morgen wordt in Hasselt het Belgisch Kampioenschap kubben gespeeld. Mijn favoriete team HDS-United was al eens kampioen in 2008 en verdedigt nu zijn kansen met één dames- en twee herenploegen. Ze vroegen me naar wat support voor hun ledenblad. Graag gedaan, alle beetjes helpen om hen weer tot beste stokkenwerpers van het land te kunnen kronen. De koningen van de kubb.

Zo’n acht jaar geleden was ik samen met een groep vrienden van het jeugdhuis (al waren wij ondertussen veertigers) op weekend in een kasteeldomein in de omgeving van Brugge. 
Al jarenlang werd dat weekend afgesloten met de traditionele petanquematchen op zondag – Duvel binnen handbereik (Omer was toen nog niet uitgevonden).
Die keer verstoorde een van de deelnemers vrij bruusk het feestje. Hij droeg ons op om geen petanque te spelen die keer, maar om te ‘koningen’. De notoire weekendganger kwam in de loop der jaren al meer dan eens met een fantastisch idee op de proppen, dus dit kon er ook nog wel bij.
‘Koningen’ dus. Zijn poging om het spel aan ons, ongeletterden op dat vlak, uit te leggen, werkte vooral op de lachspieren (al hebben we die zondagmorgen niet veel nodig om tranen in de ogen te krijgen). Hij goochelde met stokken en blokken hout, die hij van de ene lijn op de andere plaatste, en vertelde hoe je het tactisch aan boord moest leggen om dat plankenspel te winnen. Heel leuk was vooral dat hij het die keer zelf eigenlijk nog niet zo goed wist.
We begonnen gewoon met stukken hout te gooien en onze sportanimator zou tijdens het spel wel uitleggen wat we in elke fase moesten doen. Dat was althans de bedoeling. Concreet kwam het erop neer dat hij geregeld zijn hulplijn moest opbellen – niet toevallig iemand die professioneel in de educatieve houtsector actief was.
Maar het lukte, we kregen de spelregels onder controle en sindsdien wordt diegene die als afsluiter van het vriendenweekend een rondje petanque voorstelt, verbannen naar het hoge Zweedse Noorden.

Naar daar waar de Vikingen vandaan kwamen, volgens de legende de uitvinders van het Kubbspel. Het is een oeroud spel, gespeeld in diverse varianten, maar met als terugkerend kenmerk: je kan het niet uitleggen. Uitleggen wat kubben is, is nog stukken moeilijker dan iemand uit de doeken laten doen wat de buitenspelval in het voetbal is. Of hij hoeft Johan Cruyff te wezen.
Toch klinkt dit wat old-fashioned. Tegenwoordig is niks meer moeilijk uit te leggen. Ga naar Wikipedia en daar krijg je in enkele zinnen een heldere typering van alles.
Zo staat het er: ‘Kubb is een buitenspel met als doel het omvergooien van houten blokken door er houten stokken tegenaan te gooien.’
Beste lezer, mag ik hier hartelijk om lachen? Wat klinkt dit ontzettend belachelijk. Het is ook zo, je moet maar eens van op afstand een kubbwedstrijd observeren. En stel je voor dat je niets afweet van het reglement… Het ziet er niet uit.
Maar lachwekkend of niet… ondertussen kubbt iedereen en we beleven er met ons allen ontzaglijk veel plezier aan. Sportleraars wijden hun leerlingen in, gemeenteambtenaren spelen het tijdens hun jaarlijkse teamdag, families spelen het bij oma en opa in de tuin, kubbclubs schieten als paddenstoelen uit de grond. Die clubs gaan op zoek naar hun beste krachten voor de begin-, tussenin- en eindworp en al of niet in het geniep zie je clubleden oefenen in hun tuin. Nu de tornooien welig tieren, moet overigens nog een zinsnede aan Wikipedia worden toegevoegd. Kubb is voortaan ‘een buitenspel met als doel het omvergooien van houten blokken door er houten stokken tegenaan te gooien en waarbij de winnaar een houten blok krijgt’. Die hij vervolgens met gepaste trots op zijn mooiste kast plaatst. 
Voor wie er snel bij was, lag de voorbije jaren het hele kampioenschappenveld nog open. Regionale, provinciale, Vlaamse en landelijke tornooien wijzen ondertussen met de grootste zorg (en zonder scheidsrechter) de respectievelijke kampioenen aan. Wie geld, tijd en passie genoeg heeft, kan zelfs deelnemen aan het wereldkampioenschap in het Zweedse Gotland.

Maar de ambitie moet nog veel hoger reiken. Kubbers aller landen moeten voortaan Olympisch denken en Rio 2016 moet het ultieme doel zijn. Moeilijk kan het niet zijn om van kubben een Olympische sport te maken. Eén telefoontje naar het IOC moet volstaan. Snel even uitleggen aan de telefoonbediende wat kubben is (kan wel eens tegenvallen, zie hoger) en klaar zal Kees zijn.
In het slechtste geval kan er zich wel nog een ethisch probleem voordoen. Het zal weinig tactvol overkomen om in een land waar de strijd tegen het kappen van het Regenwoud al jarenlang een belangrijk politiek thema is, ongecontroleerd houten stokken en blokken in de lucht te kegelen. Misschien moet gedacht worden aan kunststofkubben? Ter compensatie kan de houten medaille ingevoerd worden.
Al is dit een detail. Hoofdzaak nu is: wie belt snel naar Jacques Rogge?

woensdag 1 augustus 2012

De wolken van Wallis

J’ étais ici il y a trente ans… Ik zei het de voorbije tien dagen wel tien keer in die wonderlijke vallei in Zwitserland. Val d’Hérens: boven Sion, de hoofdstad van Wallis, de hoogte in. Zo’n 30 kilometer natuurpracht, steeds niet kapotgetoerist. Tussen gletsjerpiramides, donkerbruine houten huizen en groene pijnboombossen rij je zo naar de witte pracht van wonderlijke bergtoppen en smeltende gletsjers. 

Tsjonge, wat ben ik boos op mijn ouders! In de jaren ’75-’80 van de vorige eeuw namen ze me mee naar het idyllische dorpje Villaz-La Sage in het Zwitserse kanton Wallis. Villaz was door God vergeten, hoe hoog het ook gelegen was en hoe devoot de plukjes inwoners ook de kerkdienst in hun kamergrote kapel bijwoonden. Precies 1774 meter boven de zeespiegel, maar nog veel hoger reikten de bergen die even verder waren: de Dent Blanche (4365 meter) en de Dent d’Hérens (4171 meter) bijvoorbeeld. Als je er enkele weken verbleef, bleven ze een heel jaar op je netvlies geprint, zo indrukwekkend waren die bergreuzen.

Ik beleefde schitterende jeugdjaren in die Zwitserse vallei. ‘Wat is het eerste boek dat je ooit hebt geschreven?’ vragen scholieren me steevast tijdens lezingen op scholen. ‘Een reisgids voor de Alpen’, vertel ik dan. Het klinkt wellicht dom en onbegrijpelijk, maar zo is het wel. Na elke zomervakantie schreef ik, overijverige tiener, op steekkaarten aan een neverending reisgids ‘Evolène’ (zo heet het centrumdorp in de vallei). Bijna encyclopedisch rafelde ik alles uit wat me bond aan die magische vallei. De reisweg ernaartoe: die begon in Tourcoing en ging over Lille, Reims, Chaumont, Besançon en Lausanne tot in Sion – van alle dorpjes, streekjes en riviertjes die je tegenkwam kon je een toeristische, geografische en cultuurhistorische schets lezen. De toeristische hoogtepunten van het dal: de houten huizen met Mäuseplatten, de koeiengevechten, de klederdracht, de wolnijverheid, de raclettekaas. De bergtochten die je er kunt maken en de berghutten waarin je kunt overnachten: met persoonlijke aantekeningen en originele verblijfsstempel. Voor bergfanaten was er ook een uitgeschreven versie van de fatale eerste beklimming van de Matterhorn op 14 juli 1865 door de Engelse tekenaar-alpinist Edward Whymper en zijn metgezellen – je kan nooit genoeg weten. Pronkstuk van mijn handgeschreven reisgids was het onderdeel fauna en flora. Alle planten en dieren die je tijdens je zwerftochten door de Zwitserse Alpen kon tegenkomen, werden breedvoerig en gedetailleerd beschreven. Twee zomers lang verdween een aanzienlijk deel van mijn opgespaarde zakgeld aan prentkaarten van Alpenbloemen. De feiten zijn verjaard, dus dit mag ook: tijdens de bergtochten die we maakten, speurde ik naar de exclusieve bergbloemen en van elke soort die ik ontwaarde verdween een exemplaar in het boek dat ik in mijn rugzak meezeulde. Het moest vliegensvlug gaan, want de planten die ik verzamelde genoten hoge bescherming en er stonden zware boetes op als je je niet hield aan het strenge plukverbod. Niet alle wandelgenoten zouden me laten betijen, maar zij waren uiteraard niet op de hoogte van het hogere doel dat ik me had gesteld en dat me een absolute vrijgeleide gaf om alles te plukken wat ik nodig had voor mijn verzamelencyclopedie. Terug thuis (in het Vlaamse laagland) keek ik nieuwsgierig of de planten mooi gedroogd waren en ze in mijn flora hun plaats konden krijgen. 
Lokaal cultureel en biologisch erfgoed: ik was actief in een sector die nog niet bestond.

Natuurlijk heb ik de boekjes nog! Jammer dat ik mijn puberhandschrift zo moeilijk kan lezen, maar het lukt wel. Alles zit opgeborgen in rode ringmapjes, drie in totaal en netjes ontsloten en geordend zoals je van een later bibliotheekmens mag verwachten. Met inhoudsopgave, abstracts en trefwoordenregister. Foto’s geknipt uit folders, brochures en verhelderende prentkaarten. En de gedroogde bloemen natuurlijk: Alpenaster, wolverlei, grootbloemige doronicum, voorjaarsgentiaan, grasbladrapunzel, zwarte vanilleorchis, gele monnikskap en veel meer van die zaligheden. Op bladzijde 25 van deel drie vind je het hoogtepunt in het boek: twee gedroogde bloempjes van de Leontopodium Alpinum – Edelweiss voor de vrienden.

Vorige week ging ik voor het eerst na ruim dertig jaar terug naar dat heiligdom van mijn jeugd. Neen, niet met mijn persoonlijke reisgids, die bleef veilig thuis. Alles wat erin staat, ken ik toch uit mijn hoofd. Ik had vijf dagen nodig om mijn wederhelft de geheimen van de streek te tonen (zij was er nooit eerder). Niets was veranderd. Oké: geen muilezels meer, geen klederdrachten, de gletsjers hebben last van de opwarming der aarde… maar verder: dezelfde bergen, dezelfde wegen, dezelfde winkels, dezelfde cafés. Je gelooft het niet: op dezelfde plek als dertig jaar geleden, achter een verloren rotsblok op de flank van de Col de Torrent, floreerden weer twee Edelweisjes. Mijn plukwerk van toen had dus geen blijvende schade en het uitsterven van de soort teweeg gebracht. En neen: dit keer plukte ik de bloempjes niet.

Om al die teruggevonden schoonheid ben ik niet boos op mijn ouders. Maar wel omdat ik vorige week vruchteloos zocht naar mijn grootouders die il y a trente ans trots terugkeerden van een wandeling met een ruiker hoogbeschermde Turkse Lelies. Omdat ik mijn ouders voor me zag terwijl ze in korte broek op de ladders van Cabane Bertol klommen. Omdat ik elke seconde terugdacht aan de leeftijdgenoten die il y a trente ans met me meereisden. Aan ons groepje tieners dat ’s avonds door het bos naar het café La Cordéé trok om milkshakes te drinken (het Tiroler robotorkestje is er nog). Aan de groepstochten die we il ya trente ans maakten naar de berghutten in de streek en aan onze angst voor de verschrikkelijke Yeti. Omdat ik niemand meer kende in chalet Plein Soleil en camping Molignon waar we toen verbleven. Omdat ik niet meer even snel en soepel de bergen bestormde zoals il y a trente ans. Omdat niet meer Bernard Hinault maar Bradley Wiggins de Tour de France won. 

Ouders aller landen, ga niet elk jaar terug naar dezelfde vakantiestreek. Je bezorgt er je kroost een weliswaar legaal maar wel levenslang emotioneel trauma mee.
Volgend jaar ga ik op reis naar Umbrië, de Spaanse Pyreneeën, de Noorse fjorden of de Schotse Highlands. Op geen van die plaatsen kwam ik eerder. 
Maar in 2014 kom ik wellicht terug naar Villaz-La Sage, de mooiste plaats ter wereld.

http://www.youtube.com/watch?v=mROvTael9G4&feature=related

Lees ook mijn vakantieterugblik 2011.


maandag 2 juli 2012

Veel meer dan jezelf

‘Koen D’haene schrijft nu en dan eens wild om zich heen’. Dat is de baseline van deze blog, die niets meer dan wat vrije woordspielerei wou zijn bij dingen onderweg en tussendoor die me boeien of intrigeren. Meer dan ik het zelf wil, wordt het stilaan een dead man’s blog. Na Jonathan, mijn oversteker, Eva en Oscar is er nu Hans. 

Ik wou eerst niet over Hans schrijven. Het klopt nog steeds niet, ook niet drie dagen nadat het overlijdensbericht binnensijpelde. Ik kan het maar niet aan elkaar lijmen: Hans en de dood. Ook nu hij er niet meer is, blijf ik hem associëren met liefde en passie voor het leven. 
Ik weiger om afscheid van jou te nemen, Hans. Kom, laten we een Omer drinken en praten over de dingen die we samen deden.

Vorig jaar in Bourgogne bijvoorbeeld. We hadden afgesproken naast de kerk van het historische stadje Autun. We kwamen terecht in het decor van de opnames voor een Chinese film (het kan ook een Japanse geweest zijn, weet jij het nog?). We dronken eerst een koffie terwijl de Oosterse acteurs en actrices om ons heen liepen en zich even verderop in een caravan gingen omkleden. Het was een mooie dag. We slenterden wat door de nauwe straatjes en over de restanten van een Romeins amfitheater. Je vertelde over wat je de vorige dagen op reis al had bezocht. Weet je nog hoe we lachten omdat je enkele keren een begonnen zin niet kon afmaken? Middenin vond je een woord niet en je begon opnieuw. Tot hetzelfde woord weer niet kwam. Ik gaf je nog een derde kans en je waagde je moedig aan de laatste poging. Maar weer lukte het niet. ‘Nu is het genoeg geweest’, zei ik, ‘zo kan je blijven proberen. Nu vertel ík wel iets, je zal me niet blijven aan het lijntje houden’. We lachten wat af toen.
Op een groot plein maakten we tijd voor een lange babbel met een groot glas wijn. Je vertelde over je joie de vivre tijdens de korte opeenvolgende reizen die je die zomer maakte. Je wou leven en vreugde opzuigen. Want diep binnenin sluimerde de angst. Er stond je een delicaat onderzoek te wachten, enkele dagen later in Leuven. ‘We gaan moeten springen’, zeiden jullie in duet. Een sterk duet. Together waren jullie zó strong. En wij erg stil toen we even later terug naar ons vakantiehuis in de Morvan reden.

Weet je nog vele jaren terug toen we samen naar het Bronx jeugdtheater gingen? Jij werkte als programmator in het cultuurcentrum en je nodigde me uit om mee op prospectie te gaan. ‘Vallen’, naar het jeugdboek van Anne Provoost. Altijd nodigde je mensen uit, je gunde iedereen alles en je wist heel goed waarmee je iemand kon boeien of een plezier doen. Het was een heel mooie voorstelling. Over iemand die valt, lang voor jij wou springen om niet te vallen. Wat ik me ook nog herinner van die prospectieavond… Dat hij ontzettend lang duurde ;-) Omer moesten ze nog uitvinden en ik weet niet wat we toen dronken. Maar ik weet wel dat ik met een heel gelukkig gevoel thuiskwam. Een avond met jou doorzakken leverde boeiende tooggesprekken op. Het is wel eens anders.

Gesprekken over boeken bijvoorbeeld. We wisselden vaak tips met elkaar uit. Ook toen je ziek was, bleef je trouwe klant van de bibliotheek. Om je boeken te kiezen, maar ook om ‘de meisjes’ en ‘de heren’ van de bibliotheek te zien. Een praatje te maken. Je was door iedereen zo graag gezien, Hans. Als je binnen was, ging het als een lopend vuurtje door de wandelgangen. Jij vertelde ons honderduit over wat je deed en meemaakte. En wij waren blij om je te zien en te horen en ondertussen groeide onze bewondering voor zoveel enthousiasme en levenskracht.
Weet je dat je mij eens heel blij maakte? Toen je me zei dat je had moeten denken aan Oosterschelde windkracht 10 toen je mijn Gek van een eiland had gelezen. Verdomme, die heeft dat aangevoeld, dacht ik bij mezelf. Je kan niet denken hoe blij ik was met dat complimentje. Jan Terlouw is de held onder de schrijvers die ik als tiener las en jij plaatste me naast hem op het schavotje. En ja, jij had het en mij goed gelezen. Ik merkte dat je trots was toen ik zei dat het wel een beetje mijn bedoeling was om een gelijkaardig verhaal te schrijven en eenzelfde sfeer op te roepen. En dat jij de enige was die het had gemerkt.

Over muziek praatten we ook natuurlijk, maar daarover had jij zoveel meer te vertellen dan ik. Maar ken je het liedje hieronder? Het past wel bij jou nu, vind ik. Zo levenslustig, ondanks alles. En de muziek... misschien is het wel iets voor je jazz-combo? Ik haal er de contrabas zo uit! Luister maar eens, het applaus op het einde is helemaal voor jou.

Over hoe je ernaar verlangde om weer eens een tijd zonder pijn te leven. Zonder zorgen om nakende onderzoeken. Om je vrouw (je Mieke) en je kinderen niet met die ellende te moeten blijven opschepen. Maar ook over je grote droom die je alsmaar bleef koesteren: na de vakantie (altijd weer de volgende) hoopte je weer les te geven. Wellicht parttime, maar je wou les geven, musiceren, bij je leerlingen en de collega’s zijn, iets doén! Elke week probeerde je binnen te springen in de leraarskamer van je college. Je moet nog altijd eens bij ons thuis langskomen als je naar het college fietst, Hans. Onze woonkamer is nogal veranderd sinds de tijd toen Janne bij ons in de kinderopvang was. Je Janne en je Jitse, je schatten.

Hoe is het met het boek dat je wou schrijven? Ik herinner me nog heel goed de dag toen je het me vertelde. Dat je tussen al die behandelingen door zoveel tijd had om te lezen en onderwijl groeide die schrijfdroom. Ik weet wat ik dacht toen je het zei: dit zou wel eens kunnen lukken. Er zijn er zovelen die me zeggen dat ze ook een boek zullen schrijven, als ze even wat tijd hebben. Altijd weer moet ik de lippen op elkaar houden. Hen niet vertellen dat het er waarschijnlijk nooit van zal komen. 'Heb je al een thema', vraag ik dan voorzichtig. ‘Een thema? Ik schrijf gewoon over mezelf. Wat ík allemaal al heb meegemaakt!’ Dit wordt niets, denk ik dan en ik heb nog nooit een eerste zin, laat staan een eerste hoofdstuk, gelezen van deze would-be schrijvers. Maar toen jij het zei, dacht ik in mezelf: doen Hans! Ik ben er zeker van dat ergens op je harde schijf het begin van een stevige plot en de aanzet voor een mooi verhaal staan. Niet over je eigen leven. In die val zou jij nooit trappen. Je eigen leven is nooit boeiend genoeg om er een boek over te schrijven. Zelfs niet dat van jou. Jij had zoveel meer te vertellen.

Ik heb op mijn gsm een berichtje bewaard van jou. Datum: 30 oktober 2011, de dag na het muziekfestival Chanté. ‘Proficiat aan de Chantéers. Schitterend! (ik heb niet alle nummers maar ’t is voor de vele organisatoren!)’ Misschien best dat je niet alle nummers had, want je zou vast aan elk van hen een bericht gestuurd hebben. Wij waren blij dat je er was, op het podium met jouw Ortierkoor. Jij dacht niet aan jezelf, maar aan het initiatief vol muziek en lawaai waarvoor je zo hard supporterde. Je was zó sterk, Hans.

Tot mijn verrassing bots ik bladerend door mijn inbox nog op een tweede berichtje van je. ‘Wij zitten tussen de Chinese acteurs naast de St-Lazare. We eten iets op terras van Le Lutrin. Tot straks.’ Het is een schitterend vooruitzicht. Tot straks!

https://www.youtube.com/watch?v=VN_LpWDJesk


Tekening: Brecht Carton

maandag 18 juni 2012

Fietsend reporter

Soms gebeurt er iets dat je herinnert aan een lang vervlogen episode in je leven. Zo verzeilden mijn gedachten deze week meer dan eens naar een ver verleden waarin ik actief was als plaatselijk persmedewerker. 

‘Het Wekelijks Nieuws’ heette het weekblad dat gebruik maakte van mijn pennenvruchten. Als jonge reporter schuimde ik zo’n drietal jaar de gemeente af om organisatoren de zo begeerde promotie voor hun jaarfeest, clubkampioenschap, opendeurdag of jubileumfeest te bezorgen. Computers waren er toen nog niet – althans niet voor plaatselijke reporters. De krant verscheen op vrijdag en ten laatste op maandag moesten mijn bijdragen netjes zijn ingetikt op briefpapier van de krant. Ik wist perfect hoeveel ruimte een vol getikte pagina in beslag nam – en wat mijn rijkelijke gage per blad was (150 frank, meen ik me te herinneren – maar er werd serieus geknipt in de eindafrekening). De enveloppe met het wereldnieuws uit eigen gemeente moest voor de laatste postlichting in de brievenbus om het de vrijdag daarna in de krant te krijgen. Voor de foto’s hadden we een dag respijt: de maandag bij de fotograaf, de dinsdag in de brievenbus. Telkens weer een heel gedoe. De regionale redacteur ratelde ooit over een speciale computer die we eerlang zouden krijgen: we zouden de artikels thuis kunnen intikken en hij zou die automatisch kunnen ontvangen in zijn kleine bureau aan de Dolfijnkaai in Kortrijk. Een fantast, vond ik hem.

Elke maandag hadden we met de plaatselijke medewerkers een korte bijeenkomst, waarop we de opdrachten onder elkaar verdeelden. De redacteur zag er nauwlettend op toe dat we niets vergaten en het grote lokale nieuws helemaal coverden. We hadden een goed team. Een collega focuste op ongevallen, brandstichtingen, botsingen, huwelijksjubilea en winkeldiefstallen. Over de gemeentelijke politiek wou en mocht ik niet schrijven, maar daar hadden we een specialist voor. Ook voor de sportverslaggeving (de miniemen van SV Wevelgem en de studaxen van SK Gullegem) was er een deskundige. Al de rest was voor mij.

Er kon dus heel veel voor een jongeman die vrijuit wou schrijven over wat hem boeide in eigen gemeente. Ik wijdde mij met grote plichtsbewustheid aan de verslaggeving over de culturele gebeurtenissen: het programma van het cultureel centrum, de activiteiten van de bibliotheek, de artikels in het heemkundig tijdschrift, de initiatieven van de wereldwinkel, de werking van de jeugdraad, het programma van de open-monumentendag, de seizoenskeuze van het filmforum. Ik zocht naar een originele invalshoek of een boeiend persoon die een eigenzinnige kijk op het obligate reportagewerk kon bieden. De redacteur moedigde me aan en keek er ook op toe dat mijn bijdragen niet te lang werden. ‘Het Wekelijks Nieuws’ was ‘De Standaard’ niet en de lezers van de krant waren niet altijd even gepassioneerd door de historiek van een verdwenen abdij, de artistieke drijfveren van een schilder, de passie voor Italiaanse films van een cinefiel of de creatieve roeping van een beeldhouwer.

Ik denk overigens dat hij me erg nauwlettend en soms hoofdschuddend in de gaten hield, die brave redacteur. Voor mij was het een uitdaging om ook gebeurtenissen in eigen vriendenkring in de krant te krijgen. Een vriend die schilderde? Vertel maar op. Vrienden die samen wat musiceerden? Laat maar horen. Een vriend die trouwde in een tent? Tell it. Een buurman die met een bakfiets boodschappen deed voor vrouw en vijf kinderen? Een half blad en foto op de cover. Een oom die een reuzegrote pompoen had gekweekt? Voorpaginanieuws! Een nephuwelijk met fake priesters in de jeugdclub? Goed voor een sterreportage. Mijn eigen vrouw naast Stef Bos aan de piano in de catacomben van het cultuurcentrum? Ik verzin wel een artikel. En je raadt nooit wie Johnny Guitar, de leadzanger van ‘The Tropicana’s’, was die tijdens het vrij podium in Jeugdclub Ten Goudberge het publiek én zijn gitaar verpletterde. De foto zit in map drie.

Mijn journalistieke hoogtepunt was evenwel de verslaggeving over de eerste verkiezing van Miss Belgian Beauty in Parkhotel Cortina. De beroepsjournalist van de krant had er geen zin in en gaf zijn vrijkaart grootmoedig aan mij. ‘Maak er maar iets moois van,’ zei hij. In mijn mooiste jeansbroek en minst gekreukte hemd stalde ik mijn fiets tegen de gevel van het parkhotel en bood ik me aan bij de stralende Ignace Crombé. ‘En u bent?’ zei hij, terwijl hij me wat ongerust monsterde. Ik zou zelf de foto’s maken die avond en ik had mijn fototoestel opgeborgen in een oude sporttas (in hel groen en flitsend rood) die over mijn schouder hing. Hij loodste me naar de tafel van de collega’s van de Kortrijkse perskring, die me wat verrast maar snel heel hartelijk begroetten. Ik vergaapte me aan jurylid Jean-Marie Pfaff die via een wijde omweg naar de toiletten ging om toch maar alle dames de kans te bieden een handtekening van hem te krijgen. Trots als een gieter ging ik na de verkiezing naar de persruimte, waar Rani De Coninck, een 21-jarige schone uit Lochristi, het journalistengild te woord stond. Of er nog vragen waren? Ik stak als eerste mijn hand op. Wat haar toekomstplannen waren? Je gelooft het nooit: het meisje verklaarde dat ze ‘iets in de media wou doen’. Toen was dat nog nieuws. Overigens, haar foto zit in map vijf.

Ach, het was een leuke tijd… Ik hield het voor bekeken toen ik vader werd en dat ambt niet langer kon combineren met dat van fietsend reporter. Het zal je van een bibliotheekmens niet verwonderen: alle artikelen die ik bijeen schreef heb ik netjes verzameld in mappen, geordend per week. Als ik eens tijd heb, moet ik ze eens opnieuw lezen. Ik schreef maar een goede drie jaar voor de krant en toch is de artikelenberg 12 cm hoog. Ik zal veel tijd nodig hebben om ze te herlezen en het zal mijn neiging tot nostalgie aanzwengelen.

Stel je voor dat ik die reportersjob pakweg 41 jaar had volgehouden! Geen enkele heemkundige of lokale geschiedschrijver zou ooit zoveel petite en grande histoire bijeen kunnen schrijven als ik zou gedaan hebben. Geen enkele vrijetijdsmedewerker of cultuurbeleidscoördinator zou ooit zoveel kennis van het plaatselijke verenigingsleven kunnen opbouwen als ik schrijvenderwijs zou verzameld hebben. Geen enkele politicus zou ooit zo’n groot netwerk van contactpersonen en referenties kunnen opbouwen als dat van mij. Geen enkele inwoner zou even goed op de hoogte zijn van de grote emoties, kleine verdrietjes en stille dromen van zijn dorpsgenoten.

Niemand zou zoveel respect, vriendschap en waardering verdienen als ik. (KDW)

In dankbare herinnering. Het ga je goed, Oscar.

http://www.youtube.com/watch?v=ErRx1bZXhCE&feature=fvwrel


dinsdag 1 mei 2012

De Dag van de Arbeid

Tijdens de pauze van een theateropvoering naar mijn boeken (wat klinkt dat belachelijk pretentieus!) kreeg ik het weer te horen: ‘Maar wat kun je toch een hele dag doen in de bibliotheek? Je kan daar toch niet wérken?’
Niet wéér, dacht ik. Ik heb de vraag zo’n vijftien jaar geleden opgegeven. Onontvankelijk verklaard vanwege veel te moeilijk en te langdradig beantwoordbaar. En net toen kwam er een nieuwe dimensie bij die vraag: ‘Schrijf je je boeken dan in de bibliotheek?’
Het leven is hard.

In de beginjaren van mijn bibliotheekloopbaan was ik, prille twintiger, trots toen me de vraag werd gesteld. Ik kon in mijn antwoord al mijn kennis van en engagement voor het openbaar bibliotheekwezen etaleren. Al was het niet altijd vleiend, de manier waarop de vraag me werd gesteld.
Die keer op de trein toen ik terugkwam van een studiedag (jawel, een studiedag voor bibliotheekmedewerkers – over AVI-leesniveaus, geen uitleggen aan)… Trots om zoveel opgedane kennis en met een treinticket betaald door de burgemeester op zak, ging ik in gesprek met een oudere reiziger voor mij.
- ‘Wat doe jij van job, jongen?’
- ‘Ik werk in een bibliotheek!’
- ‘Jaja, mijn zoon leest ook wel eens een boek, maar ik bedoel: heb je ook een beroep?’
In die beginjaren sleepte je nóg iets mee als je in een gemeentelijke bibliotheek werkte. Zoals die grijze man me rond 20 september 1987 op de trein ter hoogte van het station Denderleeuw eens vertelde: ‘De bibliotheek? Dan moet je ook wel politieke voorspraak hebben zeker…’ Daar zat ik dan met mijn ‘Akte van Bekwaamheid tot het houden van een openbare bibliotheek’. Diploma? Niet nodig, voorspraak moet je hebben!

Maar dit zijn maar borrelhapjes. Veel consistenter waren de vragen die vrienden en kennissen me later stelden. ‘Wat doe je in godsnaam de godganse dag in die godverdomse bibliotheek?’ (Dimitri Verhulst was nog geen schrijver toen). Toen legde ik alles nog geduldig uit. Dat er best wel wat tijd kruipt in het zorgvuldig selecteren en bestellen van de juiste boeken en cd’s (‘ah, die moeten jullie zelf kiezen!’). Dat het tijdig betalen van de facturen binnen een gemeentelijke administratie best wel wat tijd opslorpt (‘moeten bibliotheken die boeken dan ook betalen?’). Dat er heel wat collega’s intens bezig zijn met het rubriceren en catalogiseren van de boeken (‘ah zo, ook dàt moeten jullie zelf doen!’). Dat er ook een boekverzorger in dienst is (‘plastificeren jullie die boeken dan zelf?’). Dat het organiseren van lezingen, tentoonstellingen en auteursontmoetingen niet vanzelf gaat (‘doen jullie dat dan?’). Dat er ook heel wat tijd kruipt in het promoten van de activiteiten en diensten op affiches, in folders en in de gemeentekrant – weblogs, nieuwsbrieven, websites, facebook en twitter waren er toen nog niet (‘ha, schrijven júllie die teksten in de gemeentekrant dan?’). Dat er best wel heel veel klassen en groepen langskomen voor een rondleiding of instructiebezoek (‘en jullie leiden die groepen dan zélf rond?’ – hopla, terloops nog een sneer naar mijn lerarendiploma).

Je leest het, het waren saaie gesprekken toen. Ik hield me wel eens in voor zoveel onbegrip en verbaasde me erover dat we met zovelen zijn die nog in die kaboutertjes geloven. Kabouters die boeken beoordelen, selecteren, kopen, betalen, rubriceren, catalogiseren, plastificeren, uitlenen, innemen, terugplaatsen en promoten. En nog zoveel meer.

Beste lezers en (vooral) lieve collega’s, tot mijn spijt moet ik bekennen dat het me niet gelukt is om het bibliotheekwerk op passende en overtuigende wijze te promoten. Ondanks al mijn beroepsernst en engagement, slaagde ik er niet in om bij mijn toehoorders enige sérieux los te weken. Tien jaar haalde ik alles uit de kast om respect en waardering op te bouwen. Helaas. Wie in de bib werkt, plaatst stempels, that’s it.

Volledigheidshalve wil ik hieraan toevoegen dat bibliotheekmedewerkers niet de enige bedreigde beroepsgroep vormen. Een directeur van een cultuurcentrum vertrouwde me toe dat geen mens begrijpt wat hij doet. Een vriend van hem had onlangs op een zaterdagavond een voorstelling in het cultuurcentrum bijgewoond en had er zich over verwonderd de directeur er niet te zien. ‘Je zat niet eens in je kantoor!’ Hij verwachtte wellicht niet dat de directeur er echt aan het werk was (wat kán hij ook doen, zo’n directeur?) maar wel dat hij op zijn minst in zijn kantoor zat voor, tijdens en na de voorstelling. Of houdt hij niet van kruiswoordraadsels misschien?

Om niet voortijdig in een burn-out terecht te komen (het zou de perceptie nog moeilijker maken, want hoe kun je een burn-out krijgen als je niet eens een volwaardige job uitoefent?) gooide ik het vanaf het eerste jaar van dit millennium helemaal over een andere boeg. Ze zouden me niet meer in een bij voorbaat hopeloos verloren gesprek over de zin en het nut van bibliotheekwerk laten verzeilen. Ik had mijn lesje geleerd en zou elke beroepsvraag voortaan met een krachtig en overtuigend antwoord counteren. Ik was die trotse en trieste jongen op de trein niet meer en ik zou niet meer met me laten sollen. Het was genoeg geweest.
- ‘Wat doet u als beroep, mijnheer?’
- ‘Ik werk in een bibliotheek.’
- ‘Euhm, ja…de bibliotheek, juist. Is daar dan werk genoeg? Ik bedoel, wat doen jullie daar de godganse dag?’
Ik verpink niet meer.
- ‘Werk genoeg, hoor. Ik bijvoorbeeld vul de kruiswoordraadsels in en sla op elke katern van de krant een stempel. Mijn collega maakt de katernen met nietjes aan elkaar vast.’
Verder niets meer.
Sindsdien weet ik dat er minder slimme en heel slimme mensen op de aardbol zijn.

De eerste groep blijft me verbouwereerd aankijken. Als ze merken dat ik alweer onverstoord over iets anders begin en geen verdere commentaar op mijn job geef, klampen ze me aan. Met nieuwe vragen. ‘Dat kun je toch niet menen? Is dat alles wat je moet doen? Dat is toch ontzettend vervelend! En word je dáárvoor betaald met ons belastinggeld?’
Ik geef geen verdere uitleg: het is wat hopeloos, vrees ik. Weet ik. Zeker als ze over belastinggeld beginnen. De enige vrees die ik dan stilletjes verbijt, is dat ik hen ongewild een bijkomend argument geef om belastingen te ontduiken. Belastinggeld dient toch enkel maar om profiteurs als ik de krant te laten lezen en politici hun zakken te laten vullen. Vooral dat, kijk naar die van Dexia en heb je dat gehoord van Pol Van Den Driessche en Jos Ghysen?

Gelukkig zijn er ook heel veel mensen in de tweede groep. Ook zij kijken mij verbouwereerd aan. Even maar. Als ze merken dat ik halsstarrig weiger mijn beroepsleven verder in te kleuren, verschijnt een glimlach rond hun lippen. En pretoogjes. Meer moet ik dan niet zeggen en meer zullen ze niet vragen.
Ik dank hen voor zoveel begrip en respect voor het edelste beroep op aarde. 


zaterdag 21 april 2012

Wie zal Donnis zijn?

De laatste auteurslezingen van dit seizoen komen er weer aan. VTI Ieper en Onze-Lieve-Vrouwecollege Oostende heb ik nog te goed (of zij mij) en dan verdwijnen Donnis, Aloïs, Jens en Wout weer voor enkele maanden in mijn lezingentas. Volgend jaar komen ze wel weer naar boven, wellicht samen met een nieuw hoofdpersonage en dat zal voor het eerst een meisje zijn. Het werd tijd!

Ik doe het graag, die lezingen.
In een vorig leven was ik leraar Nederlands en een dagje voor de klas is altijd een beetje thuiskomen. Ik krijg het vaak te horen van organisatoren: 'Je komt zeker uit het onderwijs?' Dat merken ze aan de opbouw van mijn lezingen. Een auteurslezing met Koen D'haene is geen theateruurtje, ik heb geen gitaar bij, ik zing niet. Ik vertel wat me drijft als schrijver en elke vraag van een leerling wordt schijnbaar improvisatorisch beantwoord met een of ander aspect van het schrijverschap. Improvisatie? Vergeet het, elke lezing komt op hetzelfde neer, net zoals pakweg Wouter Deprez en Kader Abdolah altijd hetzelfde vertellen. Denk maar niet dat ze het exclusief voor jou doen, als je hen hoort of ziet!

Nog iets waarom die lezingen voor mij zo boeiend zijn. Ik kom vaak in bibliotheken en dan ben ik dus te gast bij collega's. Altijd leuk en ze maken geen bezwaar als ik wat spiek of hen uithoor. Hoe zij het doen in de bibliotheek. Hebben zij een leesclub en welke boeken lezen ze dit jaar? Wat doen ze tijdens de Jeugdboekenweek of de Bibliotheekweek? Hoe stellen ze hun prentenboeken op? Welke auteurs nodigen zij verder nog uit? Hebben ze een zelfuitleenbalie? Hoe compenseren zij hun overuren? Worden ze op zondag dubbel betaald? Ik leer dus heel veel bij, al ben ik altijd in vakantiestemming als ik lezingen geef. Kom ik in een middelbare school, dan loop ik wel eens een oud-medestudent tegen het lijf. 'Weet je nog, die jaren in Brussel?' En soms, heel soms, een ex-lief. Dát doet raar hoor!

Lezingen doe je voor het contact met de lezers, luidt het officieel. Elke auteur zegt dat en het is ook wel een beetje zo natuurlijk. Schrijven is een eenzame bezigheid en die lezingen geven je de kans om over je personages te praten met zij die het boek hebben gelezen of (misschien wel) zullen lezen. 
Tja, ook dit klopt weer voor een deel. Ik zit lang niet elke minuut van de dag aan mijn bureau - al schrijf ik 24 uur per dag, dat is even uitleggen aan de jonge lezers. Maar zo eenzaam ben ik dus niet. Bibliotheekwerk is een sociaal beroep en ik heb een stamcafé.

Net zoals de personages me ontglippen van zodra het boek er is, geef ik ook veel over hen prijs als ik er met lezers over praat. Soms met tegenzin, want ze zijn van mij. Ze verheffen schrijven net tot een heel sociale bezigheid. Eenmaal ik helemaal in mijn eigen verhaal zit, worden mijn personages echte vrienden.
Hoezo, schrijven is eenzaam? Elke regel die ik schrijf gaat over mensen van vlees en bloed. Ik liep met Donnis door de Bronx en zocht samen met Peter naar een manier om hem uit de rotzooi te halen. Ik was vlaswerker, immigrant, frontsoldaat en tunnelbouwer met Aloïs. Ik ergerde me net als Jens aan de pestkoppen op zijn school en was met zijn Hella op het strandje naast de rivier (wie Valsspeler las, weet hoe leuk het daar werd). En ik was even benieuwd als Wout naar de tragedie die zich had afgespeeld op het mysterieuze eiland Terschelling. Nog een geluk dat hij het mij vertelde zodat ik het kon opschrijven. In die volgorde. 
Sorry voor wie nu hoopt dat ik vertel wat mijn nieuwe vrouwelijke hoofdpersonage zal overkomen. Wait now, read later. Ik hou de lippen stijf. Alleen jongeren krijgen het te horen als ik tijdens een lezing vertel waarover mijn volgende boek zal gaan. En wat de titel is. Lees wat ik over die schrijversvragen vertelde in mijn eerste blog.

Een altijd terugkerende vraag tijdens lezingen in scholen en bibliotheken, is: 'Meneer, zou je graag hebben dat er een boek van jou wordt verfilmd?' Je kan niet denken hoe graag! Helaas, ik ben J.K. Rowling, Henning Mankell of Dirk Bracke niet. Maar de komende weken kom ik dicht in de buurt. De hel in New York en De oversteek komen op de planken. Het maakt me erg benieuwd. Hoe zullen Donnis, Peter en Aloïs er uit zien? Veel kans dat ik hun gezicht ken, want het zijn acteurs uit de buurt.
Mijn personages ben ik kwijt, mijn vrienden zijn gaan lopen. Best dat mijn ex-lief tot hiertoe niet opdook in mijn boeken.


'Bloemspeling', theater en dans gebaseerd op 'De hel in New York' en 'De oversteek', wordt opgevoerd op vrijdag 27 april en maandag 30 april in OC De Stekke Moorsele en op woensdag 16 mei in CC Guldenberg Wevelgem.

http://www.youtube.com/watch?v=Q7gBPBBZHw4