Pagina's

maandag 16 februari 2026

Une Belle Histoire: Valentijnslezing 2026

'Valentijnslezing' tijdens de nieuwjaarsreceptie voor alle leden van heemkundige kring Wibilinga in Wevelgem op zaterdag 14 februari 2026 in de Kleine Porsies in Wevelgem.

Of ik tijdens de nieuwjaarsreceptie van de heemkundige kring een gelegenheidstoespraakje wilde houden, vroeg voorzitter Didier me in het vroege najaar van 2025. Deze receptie was gepland op 14 februari en ik vermoed dat de voorzitter zich nog herinnerde dat hij op 14 februari 1975 net als alle andere leerlingen uit de klas van meester Malfait door mij werd getrakteerd op een chocoladereep en dat de hele klas vervolgens in groep een verjaardagslied voor me had gezongen. Lang zou ik leven in de gloria. Jawel, dames en heren, vandaag ben ik jarig en ik dank de heemkring om bij deze gelegenheid een kleine receptie aan te bieden. 

Maar de belofte was gegeven en ik moest op zoek naar een invalshoek om het thema liefde, verliefdheid en romantiek te verbinden met de lokale geschiedenis. Ik had die invalshoek evenwel snel gevonden, want ook in het verleden zijn alle grote levensthema’s nu eenmaal de revue gepasseerd. Bovendien hoorde ik ooit een wijze en bevriende schrijver uit een buurgemeente verklaren dat je in een historische roman heel veel mocht liegen en fantaseren, maar altijd met kennis van zaken. Ik ging er gemakshalve maar van uit dat hetzelfde gold voor een gelegenheidstekst voor een heemkundige kring en gezien de omstandigheid van vandaag, een feestelijke en informele nieuwjaarsreceptie, ging ik er ook van uit dat het eerste deel van de quote veruit de meeste aandacht mocht krijgen. Heel veel liegen en fantaseren dus. 

En kijk, bladerend in de lokale geschiedenis botste ik op het liefdesverhaal van ons aller eerbiedwaardige voorvader Jan Vande Perscherie. Op 15 mei 1249 vroeg onze oudste en ongetwijfeld ook grootste dorpsgenoot Jan, op dat moment een flinke en dromende puberjongen, aan zijn moeder of hij op zaterdagavond naar het jeugdhuis Ten Goudberge mocht gaan. ‘Wat ga je daar wel doen?’ vroeg zijn moeder bezorgd terwijl ze haar zoon onderzoekend aankeek. ‘Oh, niets bijzonders,’ zei hij. ‘Tafelvoetbal of pingpong spelen, zoals iedereen in het jeugdhuis.’ Moeder schudde haar middeleeuwse hoofd en slikte haar aarzeling door. ‘Het is goed,’ zei ze voorzichtig. ‘Maar wel mooie manieren hebben hé.’ ‘Natuurlijk!’ zei Jan enthousiast en hij sprong ogenblikkelijk op zijn fiets vermits ouders in die vroege jaren hun tienerzonen en dochters nog niet met de wagen konden afzetten aan de deur van het uitgaandershok van hun kroost. Van tafelvoetballen en pingpongen kwam evenwel niet veel in huis. Nauwelijks een half uur later vinden we Jan terug op de atletiekpiste van het Sint-Pauluscollege, die toen evenwel nog niet aangelegd was vermits de school nog niet bestond. Jan liep er samen met Margriete, een meisje uit de buurt. Halverwege gingen ze langs het voetbalplein even zitten op de invallersbank die er toen wel nog was.
Jan keek Margriete diep in haar donkerblauwe ogen.
‘Oh Margrietje, rozen zullen bloeien!’ zei hij passioneel.
‘Ik zie jou ook graag!’ beantwoordde het meisje zijn niet mis te verstane boodschap.
Vier maanden later treffen we Jan en Margriete samen met hun familie aan in het kasteel van Wevelgem. Vermits er toen nog geen treinen waren en er van stations en goederenloodsen nog geen sprake was, werd daar in de gauwte en in alle stilte het veel vroeger dan voorziene huwelijk van het jonge paar ingezegend. Nog geen anderhalf jaar later zien we Jan en Margriete terug aan de vijver achter het kasteel. Gezeten op een bank genieten ze van de fratsen van hun zoontje dat naarstig hompen oud brood naar de kikker in de vijver gooit. Jan en Margriete leefden nog lang en gelukkig en kregen waarschijnlijk vele kinderen.’ 

Oeps, ik geef toe. Dit is wel heel veel gelogen en gefantaseerd. Vergeet het voorgaande, het is tijd voor een iets serieuzere invalshoek. Die vond ik in het amoureuze leven van onze geliefde heemkring Wibilinga zelf. Deze kwam ter aarde op het einde van de jaren ‘80 van de vorige eeuw, ik vermoed op de eerste verdieping van café De Middenstand. Na een zorgeloze kindertijd beleefde Wibilinga een glorieuze jeugd onder de kerkkoren van Sint-Hilarius. Maar toen de heemkring tot volwassenheid was gekomen, kwam het tot een huwelijk met heemkundigen uit een noordelijke buurgemeente en beleefde het echtpaar vrolijke en vruchtbare tijden. Maar helaas, niets werelds is een heemkring vreemd en het kwam ook bij hem tot een echtscheiding. Tot verdriet van velen gingen beide partners uit elkaar en Wibilinga kroop terug in zijn vertrouwde cocon. Toch groeide hij mee met de snel veranderende levensvormen in deze moderne tijden. In de wandelgangen wordt er gefluisterd dat er sprake is van een ménage à trois en het zou me niet verbazen dat die nieuwe levensstijl nog dit jaar zal resulteren in een bijzondere fototentoonstelling in de expozaal van de gemeentelijke bibliotheek. 

Maar alle gekheid op een stokje: ook een gekunstelde constructie die liefde en romantiek probeerde te verbinden met de geschiedenis van de heemkundige kring leidde niet tot de gewenste onderhoudende toespraak die ik voor deze nieuwjaarsreceptie in elkaar wilde knutselen. Toen kwam ineens het inzicht dat ik het allemaal niet zo ver moest zoeken en dat ik het vooral wetenschappelijker moest aanpakken. Academischer zelfs. Recent kreeg ik hiervan twee inspirerende voorbeelden van notoire universiteitsprofessoren. Zowel Petra De Sutter van UGent als Rik Torfs van KULeuven gaven aan hoe ik deze gelegenheidstekst moest aanpakken en met succes uitschrijven.
Jawel, AI, ofte AI, ofte artificiële intelligentie: dit was de weg die ik moest bewandelen. Via ChatGPT moest het me lukken om in een handomdraai een doorleefde, sprankelende én historisch correcte tekst over het bijzondere thema te presenteren.
Ik zette me aan mijn computer en ging te rade bij mijn onvolprezen Copilot.

Dit heb ik toen ingetikt: ‘Ik moet op 14 februari voor een heemkundige kring in de gemeente Wevelgem een gelegenheidsspeech geven over 'liefde en romantiek' in de plaatselijke gemeenschap. Heb je inspiratie of ideeën die me hiervoor op weg kunnen zetten?’
Beste mensen, op AI kun je rekenen. Binnen vijf seconden had ik een doorwerkte en gestructureerde tekst van vijf A4’tjes die ik probleemloos voor jullie zou kunnen voorlezen. ‘Natuurlijk kan ik je helpen,‘ zei AI vriendschappelijk. ‘Liefde voor een heemkundige kring biedt een prachtige kans om het thema te verbinden met lokale geschiedenis, tradities en mensen.’ Ik kreeg voorwaar een resem invalshoeken die richting konden geven.
Liefde als bindmiddel van een gemeenschap? AI had ideeën zat: liefde voor de stad, liefde voor tradities en erfgoed, liefde tussen generaties, liefde voor het verenigingsleven. AI gaf ook concrete tips: zoek een oude foto van een dorpskermis waar koppels dansen, ga op zoek naar plaatsen in de gemeente waar mensen vroeger hun partner leerden kennen. Scholen, cafés, fabrieken: overal kon liefde vorm krijgen. Misschien, vroeg AI zich af, was er vroeger een parochiezaal of een processie in de gemeente die veel jonge mensen op de been bracht? Of was er een kantine bij het voetbalveld of een voetbalveld achter de kantine? Ongetwijfeld waren er ook bankjes en bosjes langs de Leie waar Wevelgemse romances tot volle wasdom waren gekomen.
Eindig met een warme, verbindende boodschap, zei AI nog. Zo zou ik bijvoorbeeld kunnen vertellen dat erfgoed niet alleen gebouwen zijn, maar ook relaties tussen mensen. 

Er zat iets in, maar helemaal goed werd het toen AI de obligate citaten toevoegde om de speech in opbouw verder te kruiden. Ik zal de gevleugelde woorden niet allemaal opsommen, maar hierbij toch een kleine bloemlezing van toonaangevende citaten die de sterke band van de gemeente Wevelgem met liefde en romantiek kunnen illustreren en/of bevestigen. 

Dit citaat stond bovenaan.
‘De heerlijkheid Wibilinga, gelegen aan de glooiende linkeroever van de rivier de Leie in de huidige provincie West-Vlaanderen, vormde een gemeenschap die gekenmerkt was door een liefdevolle band onder zijn inwoners en een plaats vol romantische en idyllische locaties voor verliefde paartjes’.
Dit citaat komt van ere-bibliothecaris Lieven Vervenne en werd opgetekend in het boek ‘De geschiedenis van Wevelgem’ op pagina 845, rechts bovenaan. 

Of dit:
‘De zusters van het klooster van Sint-Vincentius à Paulo droegen met veel liefde en toewijding zorg voor de borelingen in het moederhuis, de meisjes met blauwe schorten in het Instituut Maria Onbevlekt en de ouderlingen in het rusthuis Sint-Camillus’.
Dit is een citaat van historicus Philippe Haeyaert in zijn boek ‘Juventus et pauperes,’ pagina 678, links onderaan. 

Dit is wel een zeer liefdevolle poëtische passage:
‘Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar onze liefde blijft altijd bestaan’.Dit is, steeds volgens AI, een passage uit een gedicht van de Wevelgemse dichter Philip Hoorne in zijn bundel ‘Het verdriet van België’, pagina 153 

In de rubriek sport en spel botste ik op enkele passende citaten of anekdotes.
 
Deze bijvoorbeeld:
‘Heel veel wereldtoppers en onder hen vele wereldkampioenen namen in het verleden graag deel aan de wielerwedstrijd Gent-Wevelgem omdat ze uitzagen naar de innige en liefdevolle omhelzing met de Wevelgemse bloemenmeisjes op het erepodium in de Vanackerestraat’.
Citaat van wielerauteur Rudy Neve in zijn boek ‘Gent-Wevelgem,’ pagina 455, centrale tekst 

In dezelfde rubriek pikte AI heel recent onderstaande tekst op in een regionaal krantenartikel.
‘De bewierookte en getalenteerde sportjournalist Ruben Van Gucht is de trouwe presentator van de gemeentelijke sportreceptie en verwijst als reden voor zijn jarenlange professionele medewerking niet alleen naar de aanwezigheid van een noodzakelijk treinstation maar ook naar de plaatselijke schonen. Na zijn acte de présence in januari 2026 zocht en vond de sportjournalist ter gemeente liefde en romantiek in de armen van een lokale Valentina. Ruben Van Gucht leeft nog lang en gelukkig en krijgt vele meisjes’. 

Ook in de politieke geschiedenis van de gemeente Wevelgem vond AI meerdere liefdevolle citaten.
 
Dit bijvoorbeeld:
‘We zullen onze naaste buurgemeente met veel liefde omarmen en koesteren en samen une belle histoire schrijven, precies zoals in het liedje van Jacques Brel’.
Woorden van toenmalig burgemeester Gilbert Seynaeve, uitgesproken kort na de fusie van onze gemeente met Gullegem en Moorsele op 1 januari 1977. 

Dit citaat zal ongetwijfeld ook de nodige herkenning opleveren:
‘Wij wensen de komende maanden de koele Kortrijkstraat en de kille Menenstraat om te toveren tot een lange hartverwarmende en adembenemende chaussée d’amour die alle gemeenten in de buurt ons zullen benijden.’
Citaat van burgemeester Jan Seynhaeve op 16 mei 2007. 

Dames en heren, de kracht en kennis van AI is niet te vatten. Groot was mijn verbazing toen ik op mijn scherm ook toekomstige citaten kon lezen. Wijsheden en verklaringen die mensen in de toekomst zullen uitspreken, al weten ze het op dit eigenste moment zelf nog niet.
Zoals deze:
‘In navolging van mijn voorgangers zal ik de ontwikkeling van onze mooie gemeente met veel toewijding verder op de kaart zetten en ik zal dat met veel liefde en passie doen.’
Woorden van toekomstig burgemeester Kevin Defieuw, uitgesproken op 3 januari 2029.

Beste mensen, ik had jullie gewaarschuwd: deze toespraak zou er een worden vol leugens en fantasie. Onthoud en geloof van al het voorgaande alles wat je wil. Of niets, zo je wil. Maar hierna wil ik dan toch het tweede luik van de genoemde quote onder de aandacht brengen. ‘Met kennis van zaken’. Niet met een digitale zoekmachine, niet met
AI of niet met de zoekfunctie op mijn computer ging ik handmatig op zoek naar liefde, passie en romantiek in ons eigenste tijdschrift Wibilinga. En voorwaar, er zijn vele mooie geschiedenissen te vinden en wel degelijk zoals in het liedje van Michel Fugain.
Ik speurde de voorbije weken over de inhoudsopgaven van alle Wibilinganummers, op zoek naar de menselijke verhalen. Ik zocht naar inwoners die verliefd waren op hun buurt, op hun ambacht of stiel, op hun oude scholmeester of jeugdleidster, op hun hobby of passie, of gewoon: op elkaar. De opsomming die groeide en die ik hierna presenteer is een afwijkende en alternatieve inventaris van artikelen uit Wibilinga, een ode aan lokale mensen en hun verhalen en een verzameld in memoriam voor vele dorpsgenoten. 

Hier gaan we: 
Oscar De Winter vertelde over de liefde van wijkburgemeester Richard Rots voor zijn wijk De Kweken. Dat was in 1988 in het eerste nummer van ons geliefde tijdschrift. 
Luk Margodt haalde liefdevolle herinneringen op aan E.H. Georges Dujardin en zuster Agnes Lemahieu, Philippe Haeyaert aan zuster Maria Vanneste en E.H. Honoré Maes, Paul Leman aan broeder Jérôme Vermeersch, Henri Minne aan witte zuster Maria Magdalena Verschoore en zuster Marcelline, Véronique Vanderhasselt aan meester-missionaris Maurits Schrurs, Pierre Van der Stichele aan pater Leo Van der Stichele en Z.E.H. Bruno Van der Stichele en Danny Chambaere aan Deken Jonckheere. 
Schoolmeesters Oscar Gobert, Roland Malfait en Albert Vanwalleghem, blijven of bleven voor altijd in het hart van Luc Cappelle, Wilfried Vanneste en Lionel Deflo. 
Er was veel liefde voor de stiel: Luc Cappelle vond die bij Henri Defieuw in zijn gemeentepark en bij papleverancier Désiré Cappelle, Marcel Samyn bij de beenhouwers, Albert Lauwers bij de bakkers, Renéé Martheleur bij crèmemarchand Albert Demazure, Luc Cappelle bij boer Soete die niet meer ploegde en Martin Vermeire bij cafébazin Maria Feys van den Bascuul. 
Liefde kent geen grenzen in tijd en ruimte. Philippe Haeyaert volgde Constant Huybrecht zelfs tot in het land van de rijzende zon, Danny Chambaere zocht, vond en memoreerde Monseigneur Leo De Neckere aan de andere kant van de Atlantische Oceaan in New Orleans, Patrick Caytan vergezelde Pierre Vandebogaerde in de Garde d’Honneur van Napoleon en Bart Seynaeve honoreerde Isidore Nollet, een Moorseelse cowboy in Canada. 
Rudy Neve treurde uit liefde voor de koers om het heengaan van Georges Matthys, Gaston Rebry, Briek Schotte, Maurice Desimpelaere, Maurice Geldhof en Albert Depreitere. 
Philippe Haeyaert draagt Lode De Boninghe en alle Wevelgemse Leiekerels voor altijd in zijn hart.
Lothair Vanoverbeke zal Etienne Bataille, Paul Duquesne, Frans Noyelle en alle andere gesneuvelde soldaten, verongelukte piloten en onschuldige burgerslachtoffers nooit vergeten.
Herman Vanhoutte herdacht eerste oorlogsslachtoffer Guillaume Vanraes en Willy Naesens vergat de vergeten gesneuvelde Arthur Jonckheere niet. 
Ook de overleden Wevelgemse kunstenaars werden liefdevol in de armen gesloten: zanger Antoon De Candt, grafisch kunstenaar Alain Hautekiet, muzikant Willy Albimoor, kunstschilders Marcel Coolsaet en Paul Vandendriessche, schrijver en literator Lionel Deflo, dichter en toneelschrijver Hedwig Verlinde. 
Er waren warme en koesterende In Memoriams voor Etienne Vanden Hove, Raymond Scherpereel, Frans Soenen, Dries Favorel, Etienne Withouck, Jules Vandevoorde, Frans Robesijn, Jacques Stichelbaut, Maurice Decour, Paul Stragier, Constant Vansteenkiste, Florimond Prosper Urbain Vanneste, Petronilla Demunck, Peter Silenius Debrouwere, Robert Staelens, Henri Verlinde, Lucien De Loof, Philippus Jacobus Holvoet (en zijn vier vrouwen), Robert Staelens, Jules Coussens, Robert Vanneste en Roger Favoreel. 
En, last but not least: Maurice Verbrugge beloofde dat hij zijn geliefde moeder altijd graag zou blijven zien. 

Dames en heren, de opsomming hierboven is ongetwijfeld nog onvolledig, want in mijn huisbibliotheek ontbreekt 1 nummer van Wibilinga. Wellicht vergat ik in mijn snelle scan van de vele inhoudsopgaves nog enkele notoire of eenvoudige inwoners, waarvoor mijn excuses. Maar de lange nochtans onvolledig gebleven opsomming hierboven is er geen voor dodendag 1 november, maar een voor liefdesdag 14 februari. Wie goed geteld heeft, zal weten dat ik zopas 65 Wevelgemnaren heb opgesomd die we misschien niet voor eeuwig, maar wel voor heel lang in onze harten zullen sluiten. Ter vergelijking: in de deelgemeente Wevelgem zijn er 18 beschermde gebouwen en 1 beschermd dorpsgezicht. Dames en heren, de gebouwen komen nog niet aan de enkels van de mensen. 

Zo kreeg AI toch een beetje gelijk. Lokale geschiedenis is niet alleen een verhaal van gebouwen, maar ook en vooral van mensen die elkaar gaarne zien en een gemeenschap die zijn inwoners koestert en omarmt. Je kan een gebouw of een monument herstellen, renoveren of restaureren en het als onroerend erfgoed beschermen, verzegelen of inventariseren, het zijn toch de mensen en de relaties tussen mensen die ervoor zullen zorgen dat het levend en gekoesterd erfgoed blijft.
Wat zou de Westpoort van de vroegere Guldenbergabdij waard zijn zonder alle Wevelgemse paartjes die er ooit hun huwelijksfoto zijn gaan maken?
Wordt het gemeentelijk park met het kasteel en de prieeltjes niet nog eens veel mooier wanneer pas getrouwde koppels er op hun huwelijksdag komen poseren?
Hoeveel mooier is de donkere goederenloods van het station niet geworden sinds Wevelgemse koppels er hun ja-woord komen uitspreken? Het maakt Wevelgem ongetwijfeld ook een unieke gemeente in de ruime regio: hier wordt niet getrouwd in een gemeentehuis, maar in een goederenloods. De goederen verdwenen, de mensen kwamen in hun plaats.
En als we het hebben over de leegloop van onze monumentale kerken: zijn het niet net de huwelijksvieringen die de kerken het langst een hart en een ziel geven? 

Het is tijd om in schoonheid en liefde af te sluiten. Vorige maandag nam ik deel aan het jaarlijkse inspiratiefestival rond Open Monumentendag van Herita. Dit jaar was Kortrijk de gaststad voor het festival en de Broeltorens het decor voor de obligate persbabbels. Minister Ben Weyts, bevoegd voor erfgoed in Vlaanderen, gaf er een inspirerende gelegenheidstoespraak. Ik hoorde dat het de betrachting van het Agentschap voor Onroerend Erfgoed is om de komende jaren op zoek te gaan naar nieuwe kansen en uitdagingen om aan leegstaande of verkommerende panden en monumenten een passende en levendige bestemming te geven. ‘Monumenten verzekeren hun bestaansrecht als ze door mensen gekoesterd, beleefd of ervaren worden,’ hoorde ik de minister zeggen. Ik moest even slikken. Mijnheer Weyts heeft mijn Valentijnstekst voor Wibilinga gelezen, flitste het door mijn hoofd. De mensen halen het van de monumenten. Maar dan hoorde ik de minister zeggen: erfgoed moet geen last, maar een lust zijn. En toen was het ook in Kortrijk tijd voor de receptie.
 

Ik dank u.
 

© Koen D’haene
14 februari 2026

https://open.spotify.com/track/3WVOF0JVMHAkRMm6MEqbRU?si=b3c440f43c134320



vrijdag 19 december 2025

Mijn boek van het jaar

Op het einde van een fijn leesjaar (jawel, ik las veel goede boeken in 2025) zal ik geen uitvoerig leeslijstje presenteren. Maar ik blik wel graag terug op mijn bijzonderste leeservaring van het jaar.

Een van de boekenplanken in mijn huisbibliotheek noem ik de Bousset-plank. Daarop staan alleen maar boeken die me herinneren aan mijn studententijd in Brussel, toen ik in het Marolse Sint-Thomas Nederlandse literatuur kreeg van Hugo Bousset. Voor mij zijn het iconische boeken die ik beschouw als mijn lange inleiding in de toenmalige hedendaagse Nederlandse literatuur. Bij die romans staan ook enkele essaybundels van Bousset zelf, waarin hij schrijvend doceerde hoe je moest schrijven aan een opus.
 
Bousset was bezeten van Ivo Michiels, dat viel me als student van 19 al snel op. Ik herinner me dat ik voor het mondeling examen alle titels van het tiendelige 'Journal Brut' uit het hoofd had geleerd - mooi in volgorde van (nog te) verschijnen. Volkomen overbodig overigens: bij Bousset moest je vooral veel lezen - waarvoor nog altijd mijn grote dank. Ik hoor nog levendig zijn warme baritonstem galmen in dat pietluttige leslokaal. Zoals hij vertelde niemand over het bewegen van het hoge gras op de top van de heuvel.n kijk, dan verschijnt er 40 jaar later de bijzondere biografie over Ivo Michiels, geschreven door dochter Sigrid Bousset. Ik heb 'Wat ik haar niet vertelde' ontzettend graag gelezen. Al valt weer een geliefde schrijver van zijn voetstuk: eerder dit jaar strompelde ook al Hugo Claus. Maar hoe intens heb ik genoten van Sigrids boek. De schrijvers van toen figureerden van ver of van dichtbij. Claude Van de Berge, Jacques Hamelink, Bernard Kemp, Mark Insingel, Maurice Gilliams and the others: ze waren allemaal op de afspraak. En ja: Hugo Bousset zat in die vroege jaren 80 echt geregeld met het hele gezin aan tafel bij Ivo Michiels en zijn Christiane, daar in het vermeende paradijs van de Provence. De lasagne smaakte heerlijk en de wijn vloeide rijkelijk.

Maar 'Wat ik haar niet vertelde' is veel meer dan een verhelderende én ontluisterende biografie van een van de grootste vormvernieuwers in het Nederlandse proza. Sigrid Bousset moest schrijvend ongetwijfeld heel veel laagjes idolatrie, aanbidding en vriendschap van zich afschijven. Ook haar god was minder goddelijk dan een leven lang gedacht. Haar goden en haar vaders. Het verhaal van haar eigen zoektocht boeide minstens evenveel als dat van die naar de echte Ivo Michiels. De ontluistering groeide, de liefde bleef.

Wat heb ik genoten van dit dit boek! Twee weken voor de jaarwende roep ik het uit tot het mooiste boek dat ik heb gelezen in 2025.

'Wat ik haar niet vertelde' van Sigrid Bousset verscheen bij De Bezige Bij.


zondag 4 mei 2025

De Wedstrijd

Mijn jeugdroman 'De Wedstrijd' werd op 1 maart 2025 voorgesteld in JC Ten Goudberge in Wevelgem.

Ben je op zoek naar een gesigneerd exemplaar?
Dat bezorg ik je graag. Mail hiervoor naar koenbib@gmail.com

Wil je het boek gewoon kopen?
Vraag het in je favoriete boekhandel of bestel het online.

Lees hier recensies en leesimpressies over het boek:  https://koendhaeneschrijft.blogspot.com/2025/05/recensies-van-de-wedstrijd.html

zondag 9 maart 2025

De kromme weg van het leven

Op 1 maart 2025 werd mijn nieuwe jeugdroman De Wedstrijd voorgesteld in JC Ten Goudberge in Wevelgem. Dat was the place to be voor dat boek, want het leven van de hoofdpersonages speelt zich af in en rond een jeugdhuis. Bovendien was ik in mijn jonge jaren niet weg te slaan uit het Wevelgemse jeugdhuis. Ik woonde er, zei mijn moeder.
Tijdens de drukke en gezellige voorstelling had ik met auteur Maaike Monkerhey een gezellig gesprek over het boek. Een korte bloemlezing. 

De jeugdjaren zijn een goudmijn voor een schrijver, zei ooit eens iemand. In dit jeugdboek keer je terug naar je kindertijd bij het jeugdvoetbal en je tijd als jongere in het jeugdhuis. 

Het was de Engelse auteur Graham Greene die ooit schreef dat een ongelukkige jeugd een onuitputtelijke goudmijn is voor een schrijver. Maar ook een gelukkige jeugd is zo’n goudmijn. Ik heb vooral heel fijne herinneringen aan mijn kindertijd en mijn jeugdjaren en het is fantastisch om ze in mijn boeken op een originele manier weer te kunnen memoreren. Mijn schooltijd, mijn studententijd, mijn reizen in de Alpen, de Wadden en de Ardennen, maar ook veel kleine herinneringen en anekdotes: ik heb ze in de meest wisselende combinaties een plaatsje gegeven in mijn verhalen.
De Wedstrijd gaat over mijn kindertijd bij het jeugdvoetbal, ik speelde bij de kadetten en miniemen van SV Wevelgem, en mijn jaren als jongere en vrijwilliger in dit jeugdhuis – JC Ten Goudberge in Wevelgem. 

Maar het boek gaat niet over je eigen voetbalcarrière en jouw jeugdhuisjaren? 

Absoluut niet. Het voetbalstadion en het jeugdhuis zijn gewoon een decor, kleine werelden waarin de hoofdpersonages vertoeven. De vrienden en klasmakkers van de hoofdpersonages, de broers Robbie en Juan, gaan naar het jeugdhuis, maar dit is niet naar de zin van hun vader. Voor hem is het jeugdhuis een no-go-zone. Het is de jongste broer Juan die zich als eerste bevrijdt van het juk en het gezag en zijn weg zoekt en vindt in het jeugdhuis. Juan voetbalt niet, niet meer, maar heeft een andere passie: hij tekent en schildert, maakt cartoons en strips. Het jeugdhuis biedt hem de kans om zijn creativiteit te ventileren. 

In het boek verwijs je naar een gedicht van Ed Franck? 

Ja. Ed Franck is een jeugdauteur die ik bijzonder waardeer. Hij was overigens de mentor en de lector van mijn eerste jeugdboek De hel in New York. Juan maakt zich los van de rechte, strikte weg die zijn vader voor zijn zonen heeft uitgetekend. In het gedicht klinkt het zo: ‘Kom zei de rechte weg, maar Wouter keerde om. Kom, zei de kromme weg, en Wouter ging met hem mee.’ 

Het boek is een ode aan het jeugdhuis, schreef je ergens.

Dat is zo. Een ode aan de creativiteit en het engagement van het jeugdhuis. De creativiteit krijgt een gezicht met Juan, die zich losmaakt van de rechte weg van zijn pa. Hij doet zijn ding, schildert en tekent, helpt zijn broer en koestert de liefde. Ook letterlijk: hij wil zijn broer koppelen aan Luna die gek van hem is.
Daarnaast het engagement en daarvan is Hanne, de jeugdhuiswerkster in het boek, het gezicht. Ze stimuleert de creativiteit, maar begeleidt ook haar zoekende jongeren. Zij kan de vader uit zijn starre denken helpen en de zoekende broers helpen. Zij weet hoe ze jongeren kan helpen en begeleiden op de kromme weg van het leven.
De vaderfiguur is dan weer erg belangrijk omdat hij zich verplaatst van de rechte naar de kromme weg. Hij is erg fout in zijn beleving van het voetbal van zijn zoon, al meent hij het ontzettend goed. Dat maakt het voor Robbie moeilijk om te kiezen. Hanne slaagt erin om Juan en Robbie te laten communiceren met hun stugge vader, zij het met een immense omweg. Ze slaagt erin om ook vader te doen afwijken van zijn beangstigend rechte pad. Hanne is eigenlijk het sympathiekste en warmste personage in het boek. 

Je schetst twee broers. In welke van de personages herken je het meeste van jezelf? 

Het is zoals in elk boek … In elk van de personages zit een deeltje van mezelf. Ik ben de gepassioneerde voetballer Robbie (al kon ik zelf niet goed voetballen) die in zijn hobby met rust wil gelaten worden. Ik ben ook de vrijdenker Juan, die stil, een beetje rebels en creatief bezig is. Ik ben ook de vader: hyperbezorgd om zijn zonen en hierdoor misschien de verkeerde keuzes makend, maar tegelijk met het hart op de juiste plaats en in staat om zich n te passen en te kiezen voor zijn zonen boven zichzelf. Maar ik ben ook de geëngageerde jeugdwerker, bezorgd om de wereld en de mensen om me heen. 

In je boeken komt dat maatschappelijk engagement wel vaker naar boven? 

Pesten en machtsmisbruik in Valsspeler, verslaving en alcoholisme in Een hoofd vol rommel, straatkinderen en daklozen in De hel in New York. Ik schuw de zware thema’s niet. Zelfs in mijn drie misdaadromans kun je tussen de regels door steeds weer een stuk engagement lezen. Ik ben altijd een beetje een wereldverbeteraar gebleven.
Ook in De Wedstrijd komt dat engagement inderdaad ook weer naar boven. Vooral het racisme en de onbeschoftheid in de marge van het jeugdvoetbal hekel ik in het verhaal. Tijdens het schrijven van het boek ging ik enkele keren op zaterdag naar een jeugdvoetbalwedstrijd kijken. Ik moet zeggen dat mij vooral de vriendschap onder de jonge voetballers is opgevallen. Na de match kwamen die alle supporters een hand geven, ook dat was bijzonder. Het was schril in contrast met vele verhalen over geweld en racisme langs het veld van de jeugdwedstrijden die je leest in kranten en tijdschriften. De clubs leveren echt wel inspanningen om de sportiviteit aan te wakkeren. Ook in het boek loopt het langs het veld uit de hand, maar het zijn vooral de jonge spelers zelf die de ‘supporters’ aan de zijlijn tot inkeer brengen. 

Ging je het voorbije jaar echt met je notitieboekje in de hand naar de matchen van het jeugdvoetbal kijken? 

Dat is research, hé. Ik wil me goed en juist inleven. Het was best bijzonder toen. Ik stond er op mijn eentje, in alle stilte de match en de supporters gade te slaan. Niemand die mij kende. Ik had mijn notitieboekje bij waarin ik allerlei dingen noteerde. Ik zag ouders naar mij kijken en over mij vertellen en fluisteren. Ik denk dat ze mij zagen als een talentenscout van Club Brugge of Sporting Anderlecht en ze hoopten wellicht dat ik kwam voor hun zoon. De kansen op een toptransfer waren groot. Na de match mengde ik me onopvallend tussen de ouders en supporters in de kantine. Ik wilde de gesprekken vatten. Toen viel me op dat de sfeer niets was veranderd vergeleken met die uit mijn eigen voetbaltijd.

Hoe lang schreef je aan dit boek? 

Ik begon aan dit boek in december 2003. Ik schreef toen de eerste twee hoofdstukken, maar het viel dan stil. Niet dat ik vast zat, maar zoals wel vaker in mijn leven had ik een periode weinig tijd om te schrijven. In die tussentijd drongen zich andere thema’s op. Het boek bleef even in mijn figuurlijks schuif liggen en er verschenen andere jeugdboeken, toneelteksten en misdaadromans. Maar na de publicatie van Rots, het derde deel van mijn misdaadtrilogie, wou ik per se weer eens aanknopen bij mijn eerste jeugdboeken, waarmee het allemaal begon. En dus haalde ik het voetbalboek uit mijn schuif en begon waar ik twintig jaar eerder ophield. Bij het derde hoofdstuk dus.

Aanvankelijk ging het boek vooral over de voetballende broer: Robbie. Maar tijdens het schrijven werd Juan, de creatieve, artistieke en meer speelse broer, steeds belangrijker. Uiteindelijk is net de afstand en de vriendschap tussen de broers het belangrijkste geworden. En het is geen boek over voetbal of over de jeugdclub, maar een coming of age-verhaal: over kinderen die volwassen worden, over zoekende en groeiende jongeren. Iemand noemde dit onlangs ‘hybride’ romans, Het zijn boeken die zowel bij jongeren als bij volwassenen in de smaak vallen. 

Als titel koos je voor ‘De Wedstrijd’. Is dat niet een beetje voorspelbaar? 

De eerste titel was Gewoon voetballen. Die paste ook wel, vond ik. Robbie wil gewoon voetballen zonder al dat gedoe rond de club. Maar die titel leidde te eenzijdig naar het voetbal. De Wedstrijd past beter. Ik hoop dat de jonge lezers de dubbele betekenis zullen vatten. Het gaat niet in de eerste plaats om een voetbalwedstrijd. In het boek gaat het om een wedstrijd tussen twee zonen en hun vader. In hun prille puber-tijd moeten ze het opnemen tegen hun nogal autoritaire, dominante en bemoeizuchtige vader. Dat moet elke jonger van die leeftijd ergens doen, denk ik. Vind ik eigenlijk. Aan mij vroegen ze destijds vaak waarom ik voor jongeren schreef. Net hierom, omdat ik die puberteit zo’n ontzettend belangrijke tijd in je leven vind. Hier voer je je eerste oorlogjes, hier verzamel je je eerste dromen, hier worden levens gevormd en persoonlijkheden gemaakt. Daarom wou ik ook weer voor jongeren schrijven. Dat verhaal over mijn kindertijd in het voetbal en mijn jeugdjaren in het jeugdhuis moest ik kunnen schrijven.

De Wedstrijd verwijst uiteraard ook naar het reële gebeuren in het boek. De lezer leest naar een wedstrijd toe. De wedstrijd van de bevrijding; Voor de voetbalploeg van Robbie, maar ook voor het leven van vader en zoon. Wees gerust, het komt allemaal erg goed hoor. En voor je twijfelt: er is ook een love-story.

Een slotvraagje.’ De Wedstrijd’ is nu geschreven. Zijn er plannen voor een volgend boek? 

Ik kan het niet laten, ik moet schrijven. Daarstraks zei ik dat voor mij schrijven het verzamelen van herinneringen is. Ik schreef over mijn schooltijd, mijn studententijd in Brussel, vakanties en reizen in de Alpen, de Wadden en de Ardennen, mijn tijd bij het voetbal, mijn tijd in het jeugdhuis, mijn tijd als vader. Er is in dit rijtje nog een grote afwezige …

Ik heb een vermoeden. Iets met een bibliotheek? 

Dat dacht je goed... Ik werk dit jaar 40 jaar in de bibliotheek. In die tijd gaf ik ook meer dan 20 jaar les in de bibliotheekopleidingen in Brugge en Gent. Als jeugdauteur was ik te gast in zowat de helft van de bibliotheken in West-Vlaanderen. Tja, dan moet je daar iets mee doen. Ja, toch? Ik heb een fantastisch idee, ook al zal het hoofdpersonage niet Koen heten en al helemaal niet in een bibliotheek werken. En in dat verhaal moet ik niet alleen afrekenen met die bibliotheek, maar ook met een historisch personage dat al enkele keren opdook in een boek van mij: de zestiende eeuwse cartograaf en theoloog Petrus Plancius uit Dranouter. Ook met hem ben ik nog niet helemaal klaar. Ik noemde hem ooit een enge wereldburger. Maar dat is allemaal voor later eerst … De Wedstrijd! 

‘De Wedstrijd' is een jeugdroman voor jongeren vanaf 12 jaar.
Het boek telt 172 pagina’s en verscheen bij uitgeverij Neckar.
Je kan het boek zowel online als in de boekhandel kopen, onder meer hier.

Gewoon voetballen


vrijdag 14 februari 2025

De goudmijn van mijn jeugd

In 2003 begon ik vol ambitie en met veel goesting aan een nieuwe jeugdroman. De verhaallijnen lagen vast, de persoonlijke invalshoek was afgelijnd, de hoofdpersonages hadden een uiterlijk en een karakter, de spanningsboog was me gekend, thema en motief zaten in mijn hoofd, er was een soundtrack en er was een persoonlijke held die me dreef. Voor mijn lezers was het een kwestie van maanden vooraleer na De hel in New York, De oversteek en Valsspeler mijn vierde jeugdboek op het schap zou staan. De titel kon nog veranderen, maar Slang of slungel was het eerste idee en dat zou best ook wel eens op de cover van het boek kunnen prijken.

Maar toen dwarsboomden die dekselse Waddeneilanden mijn plannen. De legende van de heks Ritskemooi nam me bij de kraag en ik kon niet wachten om mijn liefde voor de eilanden en de mysteries van de Wadden te schrijven. Ineens was er een aangrijpend levensverhaal van een vriendin en mijn jongens werden zo snel groot. Dat moest allemaal te boek. En de herinneringen aan de jeugdvakanties in de Alpen, de smeltende gletsjers, mijn studentenjaren in Brussel, de kindertijd in de Ardennen. En weer die Wadden, Schiermonnikoog deze keer. Ineens waren er schrijfopdrachten voor theater en voor educatieve kinderboeken. En waarom spookten ineens die 16de eeuwse ketters en beeldenstormers en hagenprekers van de Kemmelberg door mijn hoofd?

To zover deze selectieve opsomming van waarachtige (ik zweer het!) excuses voor het uitblijven van mijn vierde jeugdroman die de elfde is geworden. Maar op het eind van deze maand is het er wel degelijk. Met tweeëntwintig jaar vertraging verschijnt De wedstrijd. De eerste twee hoofdstukken schreef ik in 2003, de laatste zeventien in 2023. 

De hoofdpersonages zijn Robbie, Juan en Luna. Drie zoekende jongeren, de favoriete personages in mijn boeken. Ze zijn geen kind meer maar ook nog lang niet volwassen. Dat zijn de echte helden van mijn boeken, over hen schrijf ik het liefst. Wellicht omdat mijn jonge zoekende zelf zo vaak weer opduikt in mijn hoofd. Daarom ging ik ooit studeren voor leraar in het middelbaar onderwijs.

Een ongelukkige jeugd is een levenslange goudmijn voor een schrijver, zei ooit een veel grotere schrijver dan mezelf. Maar ik denk dat dat net zo geldt voor een gelukkige jeugd. Ik kijk met veel liefde, heimwee en warmte terug op mijn kindertijd en jeugdjaren en ze geven me heel veel schrijfinspiratie.

Gaat het boek dan over mezelf? Absoluut niet.
Ik zou mezelf wel erg tegenspreken. Geen enkel leven is boeiend genoeg om er een roman over te schrijven, geef ik vaak mee als schrijfadvies. Sla je herinneringen op, koester ze, verdraai, verwerk en verwring ze en fantaseer er vervolgens op los. Ik moet de stukjes van mezelf die een plaats kregen in mijn boeken dringend eens gaan inventariseren. Er zijn de grote terugkerende blokken: de vakanties in de Alpen, de Ardennen en de Wadden, mijn studietijd in Brussel, de jaren op de middelbare school. Stilaan ontelbaar en niet meer te determineren zijn de kleine knipoogjes en helse herinneringen. Of zij die mijn levenspad kruisten en verschenen als handig verpakte personages of figuranten in een boek.

De wedstrijd is het verhaal van Robbie, Juan en Luna. Twee van de genoemden zijn al autobiografisch belast. Het verhaal is de gefantaseerde herinnering aan mijn wonderjaren bij de miniemen en kadetten van SV Wevelgem en als medewerker bij jeugdclub Ten Goudberge. Those were the days.

Gaat het boek dan over mezelf? Uiteraard wel.
Lees het snel en zoek me maar - in het boek of op de foto hieronder.

Mijn jeugdroman De wedstrijd verschijnt op 28 februari bij uitgeverij Neckar (alle info).
Voorstelling op zaterdag 1 maart in JC Ten Goudberge in Wevelgem.
Signeersessie op zaterdag 22 maart van 14 tot 17 uur in Standaard Boekhandel Wevelgem.

Soundtrack De Wedstrijd

dinsdag 14 januari 2025

Dag André

Het is een stille en droevige dag voor de Vlaamse jeugdauteurs. André Sollie, hij die zijn volk leerde tekenen, is niet meer. Dan hebben we met zijn allen flink de pest in en zeggen we liever niks.

Heel goed heb ik André niet gekend. Hij kwam enkele keren op bezoek in de bibliotheek voor een lezing of een workshop. Hij zeulde een zware koffer met schetsen en pennen en stiften en boeken mee en vooraleer hij ’s middags met de trein vertrok wou hij nog even in de stad dwalen. Een middagwandeling in Wevelgem, een koffie in een gezellige kroeg: ik voelde plaatsvervangende schaamte. Maar hij stond erop. ‘Met die zware koffer, André!’ probeerde ik. ‘Die laat ik in het station wel achter in een locker.’ Plaatsvervangender schaamte. ‘Je kan die koffer bij mij thuis in de gang plaatsen. Ik laat de deur open,’ zei ik snel en vriendelijk, op die manier het euvel van het afgesloten station-zonder-lockers en de onbestaande kroeg-met-koffie omzeilend.

Met diezelfde trein reisden we in de late jaren ’90 naar de jaarlijkse Jeugdboekendag in het VTI van Ieper. Ik herinner me hoe onbevangen en gelukkig André vertelde over zijn nakende huwelijk met Wim. En die keer toen we de trein terug net misten. We gingen iets drinken in een Iepers café. Er was tijd voor één glas, André betaalde. ‘Volgende keer is het mijn beurt,’ zei ik. Dat glas heeft hij voor eeuwig van mij te goed.

Dag André, grote lieve zachte man.


vrijdag 22 november 2024

Trotse voorzitter

Het was me het weekje wel. De voorbije acht dagen tijd vielen de gesigneerde boeken van alle kanten op mijn schoot. De schrijvers liepen me voor de voeten, er waren fijne babbels en boeken vol handtekeningen en mooie woorden. Mijn beurs werd niet armer, mijn boekenkast veel rijker. 

Vorige donderdag was er in de bibliotheek van Wevelgem (ja, die) een lezing met historicus Pieter Serrien. Hij vertelde het wonderlijke verhaal van de geuzentijd in de Nederlanden aan de hand van het levensverhaal van Petronella van Praet. Dat was genieten. Zijn vuistdikke boek In opstand! had ik al, maar Pieter signeerde het met veel plezier. Ik compenseerde door hem ongevraagd een gesigneerd exemplaar van mijn Ketters van de Kemmelberg te offeren. Het is een opwindende gedachte dat de ketterskenner bij uitstek het boek zal aanprijzen bij zijn leerlingen van het hoger middelbaar onderwijs. En hij zal het lezen, zei hij, want hij kende mijn held Jan Caemerlynck uiteraard. Die van De bastaard van Brussel, het boek dat mijn uitgeversplannen bij een Nederlandse uitgever destijds dwarsboomde omdat de dekselse ketter van haar net iets vroeger op het uitgeversbureau lag. ‘Haar’ is Simonne Van der Vlugt, de schrijfster die mijn prijzendroom dwarsboomde omdat haar Zwarte sneeuw de Gentse scholieren net iets meer kon bekoren dan mijn De oversteek waardoor de Gentse jeugdboekenprijs Kleine Cervantes in 2003 niet naar Wevelgem maar naar Hoorn reisde. Simonne Van der Vlugt, de schrijfster die ik ondanks alles erg waardeer en heel graag lees. Omdat In Opstand al in mijn boekenkast stond, kreeg ik van Pieter prompt een exemplaar van zijn laatste exploot Het elfde uur. Gesigneerd uiteraard.

Tijdens de lezing van Pieter kwam daar plots de vermaledijde pijpenrookster Pierrette COffrée de zaal binnengewaaid. De uitgeweken Moorseelse Antwerpse loopt dezer dagen op een wolk nu haar debuutbundel Tabak Taboek op geboren staat. Ik stimuleerde haar om haar tekst aan een uitgever aan te bieden en ik redigeerde waar het kon of mocht en voor die noeste arbeid ontving ik veel eerder dan menigeen een exemplaar van haar bijzondere bundel. Uiteraard gesigneerd, opgedragen aan de ‘koenste raadgever en hedendaagse geus van de Guldenberg’. Vooralsnog houdt de ‘revaliderende performance-moeder haar kleine tegen haar berstenvolle borsten,’ maar als het boek op 6 december ter aarde verschijnt in de Groene Antwerpse Waterman zal ik er zijn – met een gesigneerd exemplaar van Ketters van de Kemmelberg als geboortepresentje, want dat wil deze dochter van de Kezelberg van me. Gesigneerd uiteraard.

Vrijdag was er tijd voor nog grootser theatraal werk. In de Ieperse Stadsschouwburg liep Bart Van Loo met stoute schoenen op de planken. Een avond met Bart Van Loo is een avond genieten in het gezelschap van hertogen, keizers, zangers en schrijvers. De boeken van deze schrijver-van-om-het-hoekje had ik al, gesigneerd en al, maar de hartelijke begroeting achteraf in het cafetaria gold als symbolische signering. Schrijfster Maaike Monkerhey was in de buurt en kreeg ook zo’n signatuur. Maaikes boeken staan al een tijdje in mijn boekenkast, gesigneerd en al. En ik ben er zeker van dat ze haar Roerloos in het voorjaar van 2025 ook voor mij zal willen signeren.

Het hoogtepunt van het weekend stond met stip genoteerd voor de zaterdag. In de Gotische zaal van het Brugse Stadhuis (daar komen is een historische sensatie – ‘niet mijn term, maar die van Johan Huizinga’, memoreerde ene Bart ons gisteren nog). Mijn literaire sensatie was dat ik zaterdag als voorzitter van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers de tiende VWS-prijs mocht uitreiken. De prijs was voor Bart Moeyaert en ik was best trots om hem te mogen toespreken en feliciteren. ‘Ik voel me even hertog Koen de Stoutmoedige,’ schreef ik die dag wat Bourgondisch op mijn Facebookpagina. Deze andere Bart ging voordien al lopen met onder veel meer de Astrid Lindgren Memorial Award (aka de Nobelprijs voor de jeugd) maar zei met nadruk dat hij het een eer vond de VWS-auteursprijs te mogen ontvangen. Uit mijn handen en uit die van kunstenaar en dichter Renaat Ramon. Van Renaat is de nieuwe dichtbundel Visum op komst naar mijn boekenkast – gesigneerd uiteraard. Omdat ik zaterdag als voorzitter o zo trots was, kreeg ik van Bart een hagelnieuw exemplaar van Duet met valse noten cadeau. Bart schreef iets moois in het boek en signeerde het ook. Mijn fier- en blijheid spoelde ik na de receptie republikeins weer door in het gezelschap van dichter Paul Rigolle. Van hem verschijnt in het voorjaar een nieuwe dichtbundel – ik mag niet vergeten om hem te vragen mijn exemplaar te signeren.

Op zondag was er tijd voor een muzikaal intermezzo in het cultuurcentrum van Oarelbeke Weireldstad. Al zijn die teksten van Charles Aznavour ook niet mis en al zeker niet als ze worden gezongen door Frank Mercelis en muzikaal ondersteund door de VRT-Bigband. Oh ja, van Franks alter ego Eddy heb ik een gesigneerde cd, hij staat helaas niet in mijn boekenkast.

Het slotakkoord van deze achtdaagse volgde op donderdag. In de bibliotheek (altijd weer die bibliotheek) ging Jooris van Hulle in gesprek met misdaadauteur Toni Coppens. Een boeiend gesprek – vooraan op het podium en achteraf aan de mobiele bar. Ik kreeg prompt een exemplaar van zijn Roofdier. ‘Wil je het boek voor mij signeren, Toni?’ Hij deed het met veel plezier en zette zo ook zijn handtekening onder een vrij literaire achtdaagse.

Oh ja, zei ik al dat er in maart 2025 een nieuw boek van mij verschijnt? Als je dat wil, zal ik het dan graag voor je signeren.

Lees ook: Mijn Clausiaanse vriend
Lees ook: Uitreiking VWS-prijs aan Bart Moeyaert


zondag 8 september 2024

Mijn Clausiaanse vriend

In november zal ik als voorzitter van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (VWS) de tiende VWS-auteursprijs mogen uitreiken aan Bart Moeyaert. Het vooruitzicht maakt me blij en trots.

Vorige zomer liet ik me meeslepen door twee bijzondere biografische publicaties: ‘De levens van Claus’ door Mark Schaevers en ‘Een ander leven’ van Bart Moeyaert. Ik was van beide onder de indruk en ik verbind ze graag met elkaar.

Om het met de woorden van Claus te zeggen: ik mag Bart Moeyaert een intieme, literaire en intellectuele vriend noemen. We studeerden in het midden van de jaren ‘80 van de vorige eeuw aan dezelfde hogeschool in Brussel. We studeerden er voor leraar Nederlands en kregen er les Nederlandse literatuur van Hugo Bousset, de latere gezaghebbende docent en huidige professor emeritus aan de Brusselse, Leuvense en Amsterdamse universiteit. 

Voor Bart en ik waren Boussets lessen niet voldoende. Lang na de les en tot in de de vroege uurtjes  zaten we in de studentenkroeg ‘Greenwich Village’ urenlang te praten en te discussiëren over de Nederlandse letteren, onze grootse schrijfplannen en over hoe wij het literatuuronderwijs anders en beter zouden aanpakken. Ook na onze opleiding maakten we plannen voor een grondige revolutie in het Vlaamse letteren- en onderwijslandschap. Wij zouden het anders en beter doen!

Vergeet wat je hierboven las: dit is een Clausversie van de feiten. Bart en ik kennen elkaar helemaal niet. Oké, we studeerden inderdaad aan dezelfde hogeschool en kregen Nederlandse literatuur van Hugo Bousset. En van pedagoog Falleyn, die in Barts boek een knipoog en een sneer krijgt. Maar in werkelijkheid hebben we elkaar er nooit ontmoet, ook al liepen we tezelfdertijd door dezelfde gangen van de krakende hogeschool in de Brusselse Marollen. Ook in de jaren na Sint-Thomas (zo heette de hogeschool die nu niet meer is) kwamen we elkaar nauwelijks tegen. Ik moest Bart als bibliothecaris uitnodigen voor een lezing in de bibliotheek om hem eindelijk eens persoonlijk te kunnen groeten. Onze band met Sint-Thomas verraste en verblijdde hem. Een kleine voetnoot, meer niet.

Claus was net iets handiger dan ik in zijn leven. Ook al bots je in zijn biografie op een twijfelende, depressieve, zoekende, wankelende en liegende Claus: wat een man was hij! De blik van Schaevers maakte mijn bewondering alleen maar groter.  Hoe meer mens, hoe meer schrijver.

Kijk, zo maakte ik een vergezocht brugje tussen twee schrijvers die mijn lezersleven bepaalden en bepalen. Ik blijf ze lezen. En ik zie uit naar een eerste gesprek met mijn oud-studiegenoot Bart Moeyaert. Maar dat we studiegenoten zijn, weten we enkel uit de literatuur – en zo hoort het.

Lees ook: Een goed jaar voor schrijvers
Lees ook: Inspiratiegeld

La Dolce Vita

maandag 12 februari 2024

Mijn immense meester Malfait

Onlangs werd ik onverwachts zo’n vijftig jaar terug in de tijd geworpen. Opeens zat ik weer in het vijfde leerjaar bij mijn immense meester Malfait. Hij was zo groot en sterk dat hij van de directeur verbod had gekregen om leerlingen te slaan. Het verbod werd overigens te laat uitgevaardigd, want het schooljaar voor dat waarin ik zijn klas betrad, had mijn immense meester een leerling zo hard geslagen dat hij op de speelplaats was overleden.

Dat bleek al snel een schoollegende te zijn en met meester Malfait viel het allemaal heel erg mee. Meer zelfs. Ik was gefascineerd door wat hij allemaal kon met krijtjes op het bord. Hij tekende staatkundige en geografische kaarten van alle werelddelen en van Wevelgem met de precisie van Google Maps. Zijn kruiswoordraadsels waren fenomenaal, net als zijn speurdertjes en uitpluizertjes. En van de historische plastieken figuurtjes die destijds bij een pakje van een kwartkilo gemalen koffie zaten, had hij de hele collectie verzameld. In concreto betekende dit: alle koningen van de Franken, graven van Vlaanderen, hertogen van Bourgondië, vorsten van Frankrijk en keizers van het Heilig Roomse Rijk stonden in pocketformaat uitgestald op een houten rekje op de vensterbank. Wat een etalage!

Maar ik dwaal af. De throwback die ik onlangs had was er een naar de lessen elementaire ethiek en essentiële etiquette die meester Malfait ons gaf. Al was hij zelf niet altijd de gemanierdheid zelve: de jongen die links vooraan in de klas zat, moest steevast de sigarettenpeuk die na des meesters nonchalante worp niet netjes in de vuilnisbak was beland, van de grond rapen en in de daarvoor voorziene bak werpen. Voor je eraan twijfelt: roken in de klas mocht toen nog. Althans voor meester Malfait.

Maar ik dwaal af, bis. Meester Malfait had ook wijze levenslessen voor ons, zijn leerlingen. Zo leerde hij ons dat een stofzuiger niet de beste uitvinding van het mensdom was: onze moeders gingen stof en viezigheid in huis maar beter te lijf met een vochtige dweil. We kregen ook lessen EHBO in de klas: op het einde van het schooljaar stormden we allemaal als ‘helpertje’ richting zesde leerjaar.

Maar neen, ook daarover gaat dit stukje niet. Wat meester Malfait ons ook leerde, was dit. Als je op een overvolle bus, tram of trein zit en je ziet een oudere persoon of een zwangere vrouw rechtop staan, dan moet je ogenblikkelijk je plaats voor hem of haar afstaan. Hij kwam er vaak op terug: dit mochten we nooit vergeten en vooral: dit moesten we doen.
Ik heb de les goed onthouden, maar ik heb ze tot hiertoe weinig in de praktijk gebracht. Wanneer is iemand oud? Als je je zitje te vroeg aanbiedt aan een persoon die er nog niet het vereiste aantal jaren voor heeft bereikt, kan het erg beledigend overkomen. En ik wil al helemaal niet degene zijn die plichtsbewust zijn plaats afstaat aan een vrouw die gewoon net wat corpulenter is dan het gemiddelde.

Maar onlangs, in het verre Dubai of all places, werd ik met een schok herinnerd aan wat meester Malfait mij destijds had opgedragen. Elke keer dat ik de altijd overvolle metro betrad, werkten jongeren zich uit de naad om mij een zitje aan te bieden. Ook als ik de plaats aanvankelijk weigerde omdat ik maar een of twee haltes moest overbruggen, werd ik kordaat maar vriendelijk aangespoord om te gaan zitten. Het inzicht dat ik opeens in de andere doelgroep uit de levensles van meester Malfait zat, kwam schokkend op me af. Het werd nog erger toen ik bij een zoveelste opstap zag hoe mensen waarvan ik dacht dat zij ouder waren dan mezelf, hun plaats aan mij afstonden, vriendelijk en bewonderend knikkend voor zoveel ouderdom.

Woensdag word ik zestig. Ik moet niet langer wachten om de les van meester Malfait indachtig te zijn. Vanaf nu zijn alle zitjes op alle bussen, trams, treinen én metro’s voor mij gereserveerd. Op bevel van mijn immense meester Malfait en op straffe van een dodelijke handveeg.



zaterdag 2 december 2023

Groothandelaar in verhalen

In september 2023 had ik met uitgever Johan Vergote en auteur Maaike Monkerhey een lange babbel over ons aller liefde voor boeken en verhalen. Het gesprek leidde naar een uitgebreid artikel over Johans uitgeverij Bibliodroom en haar fictieauteurs.
‘Groothandelaar in verhalen: over een uitgever en zijn auteurs’ verscheen in Jaarwerk MMXXIII, het negende jaarboek van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers.
Hieronder een sfeerbeeld uit het artikel. 

Boekhandel 

Ik ontmoet Johan Vergote tussen de volle boekenrekken van de verder lege Bib in het Park in Wevelgem. Vele jaren geleden was hij hier te gast voor een publiekslezing over West-Vlaamse spreekwoorden en kluchtjes – een nevenproject bij drie boeken over het plat West-Vlams van zijn hand die bij Bibliodroom waren verschenen. ‘Het is wat ik met de uitgeverij nog altijd doe,’ vertelt Johan. ‘Een boek is nooit alleen maar een boek. Elk boek is een heel leven. Er komen lezingen, projecten, samenwerkingsverbanden. Een boek is een gebeurtenis.’
Achteraf vernam ik dat Johan nerveus was voor de babbel over zijn uitgeverij: hij bracht een blad met een ruime voorbereiding mee. De rust van de bibliotheek in het park en de boeken in de rekken werkte rustgevend. De schriftelijke voorbereiding kwam tijdens het gesprek niet boven water. 

‘Fictie is liefde’ 

Bij opstart van de uitgeverij was Johan Vergote niet meteen van plan om fictie op te nemen in zijn fonds. Toch volgde hij zijn hart en ging hij snel overstag. En dit was onder meer de schone fout van Piet Coucke en Maaike Monkerhey, die hem kort na elkaar overtuigden om hun fictiewerk bij Bibliodroom uit te geven. 
Johans liefde voor boeken en hun auteurs straalt af op de auteurs van Bibliodroom, die met veel enthousiasme en warmte vertellen over hun uitgever.
Joris Denoo, van vele uitgeversmarkten thuis, schrijft: ‘Mijn biotrilogie Upperdog t.g.v. mijn 65ste werd van in den beginne door uitgever Johan Vergote hartelijk gekoesterd. Als puur literair liefhebber (letterlijk) (h)erkende hij wat ik met taal uitspookte. Onze wederzijdse mailberichten waren al literatuur. It takes one to know one. Hij durfde het aan een boek te publiceren dat tot geen enkel genre behoort. Tijdens twee drukbezochte presentaties maakte Johan als uitgever een diepe indruk op de toehoorders. Hij heeft net als ik enige bedenkingen over het letterkundig wereldje van recensenten, gazetten, recepties, relaties, de juiste cafés en het ons-kent-ons schoudergeklop. Daarom waardeer ik hem ten zeerste en is hij een blijvende lettervriend.’
Hannes Dedeurwaarder debuteerde in 2022 met zijn roman Redder bij Bibliodroom. ‘Johan was zo enthousiast over mijn manuscript dat hij het meteen wilde publiceren. Ikzelf was iets minder snel tevreden en heb het nog zes keer herschreven. En Johan is daar telkens heel genereus en geduldig in meegegaan. Nooit heeft hij gezegd: ‘En nu is het genoeg!’ Dat kon ik wel appreciëren.’
Maaike Monkerhey herinnert zich al lachend de impulsieve telefoontjes naar haar uitgever. ‘Dan zit ik helemaal in de flow van mijn verhaal en heb ik ineens een inval. Dan heb ik Johan nodig. Mijn klankbord.’
Maaike noemt Johan met veel respect haar ‘nonkel’ en wordt hierin bijgetreden door Westhoekgenoot Miguel Bouttry: ‘‘Nonkel’ Johan is zoveel meer dan een uitgever. In mijn geval werd hij al snel een goeie vriend, familie zelfs. Mijn boeken werden onze boeken. Johan meet het succes van een literair project niet af aan verkoopcijfers of omzet, wel aan hoe het proces verliep, de samenwerking met de schrijver. De connectie en interactie met zijn auteurs zijn voor hem minstens zo belangrijk als de eindkwaliteit van de publicaties en ongetwijfeld belangrijker dan het succes aan de kassa. Dat maakt Bibliodroom zo uniek.’
Misdaadauteur Piet Coucke gaat nog verder, want voor hem is Johan Vergote zelfs meer dan een ‘nonkel’: ‘Het bijzondere aan Bibliodroom is dat ik niet samenwerk met een uitgeverij, maar met de warme mens Johan. Hij laat je zeer vrij, want ‘het is jouw boek’. Na elk contact met Johan voel je je gelukkig en gemotiveerd. Hij is eerder een vaderfiguur voor zijn auteurs dan een administratieve uitgever.’
Yves Bondue wordt zowaar lyrisch als hij over de samenwerking met Johan Vergote vertelt. ‘Een paar jaar nadat ik hem in de boekhandel over mijn fotomateriaal van het soundscape-collectief WXII vertelde, was het al zover. Twee kunstige fotoboeken met schaarse sprankels tekst, perfect gedoseerd tussen de magische beeldtaal werden fraai uitgegeven bij zijn gloednieuwe uitgeverij Bibliodroom. Beide boeken ontstonden gedurende urenlange sessies waarin we met twee muzikanten, een fotograaf en een uitgever rond de tafel op zoek gingen naar die ene, ultieme compositie van een weergaloze bladspiegel. Het waren de mooiste uren uit onze samenwerking; nagenoeg bij elk samenzijn hebben we het er nog over.’ 

Het eerste boek 

Johan Vergote maakt er een erezaak van om zijn auteurs persoonlijk het eerste exemplaar van een publicatie te bezorgen. ‘Ik kan van me van elk van mijn auteurs herinneren hoe het was toen ik het eerste boek overhandigde. Dat eerste exemplaar vertrekt nooit met de post. Ook al staat die dag de paus aan mijn deur, het eerste exemplaar draag ik persoonlijk naar het huis van de auteur.’ Het zal ongetwijfeld een unicum zijn in de uitgeverswereld.
Maaike Monkerhey vertelt: ‘Ik was brood aan het bakken. Het was nog maar net uit de oven, het stond nog te geuren op de tafel, toen Johan ineens met het eerste exemplaar van Niet omkijken, Camille aan de voordeur stond. Prompt trommelden we Ingrid Tierssen, die mee de aanzet voor het boek gaf, op en zaten we met ons drieën aan de tafel. Later haalde Johan een voorraadje Camilles uit zijn autokoffer.’
Ook Yves Bondue herinnert zich de ‘eerste boekoverhandiging’ en nodigt uit op een tegenbezoekje: ‘Aan u, lezer dezes, raad ik aan: trotseer het onmogelijke verkeersplan van Meulebeke en wip even binnen bij Johan. Er zal koffie klaarstaan. Weet ik zeker. Er zullen verhalen zijn. En ge gaat er indliks welgekomen zijn, zoals we hier in het westen van het land zeggen.’

Het volledige artikel verscheen in Jaarwerk MMXXIII, het jaarboek 2023 van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers.
Contacteer me als je het boek wenst aan te kopen (25 euro).


zondag 22 oktober 2023

Miner

Vooreerst moet ik een mea culpa uitspreken. In 2011 schreef ik een stukje op mijn blog waarin ik mijn beginnende bewondering voor Wannes Cappelle aanvulde met een oproep die je ook als opbouwende kritiek kon beschouwen. Ik vroeg aan Wannes om niet langer Willem Vermandere te zijn. Bram Vermeulen, die moest zijn referentie worden. Niet in het Wevelgems, maar in het Nederlands.
Ik had het fout. Wannes is geen Willem meer, hij werd niet Bram, maar hij is Wannes. En wereldberoemd.
 
Wannes was gisteren weer eens te gast in zijn Wevelgem – in het cultuurcenturm op ca. 250 meter van zijn geboortehuis in de Hoogstraat. De straat die lang voor hij werd geboren het terrein was van de Wevelgemse botenkopers: mercantiele vlasverkopers die met hun witte schorte over de halfopen deur van hun pedeir leunden. De straat van Arrie.
 
Arrie is Henri Minne. De oervlasser van Wevelgem die destijds werd vereeuwigd in een beeld in het Vlasmuseum in Kortrijk. Die eeuwigheid haalde Henri echter niet, want het Vlasmuseum is verdwenen en Texture kwam in de plaats. Maar Henri leeft voor eeuwig en veel schoner verder in het lied van Wannes, die als zevenjarige jongen dagelijks bij de zeventigjarige Henri aanklopte en met hem gesprekken over het leven voerde. Menten voor den asem. 
Henri kruiste ook heel even mijn leven en ik gaf hem ook een heel klein stukje eeuwigheid.

Toen we in het begin van de jaren '90 net in een oud botenkopershuis waren komen wonen, op de kop van de Hoogstraat, klopte Henri bij ons aan. Of hij eens mocht binnenkomen? Hij maakte een praatje, wou weten wie we waren, wou vertellen wie hij was. Hij liet bewondering en verbazing achter toen hij weer vertrok. Hij kwam geen tweede keer meer langs, zijn asem was kort daarna helemaal op.
 
Vele jaren later schreef ik ‘De Oversteek’, een roman die begint bij de Wevelgemse vlassers langs de Leie. Het hoofdpersonage heet Aloïs. ‘De oversteek’ in het boek is die van de landverhuizers van het begin van de twintigste eeuw. De mythische grootoom uit mijn kindertijd claimde de naam van mijn hoofdpersonage. Nonklaalwis van Amerika. Maar de vlassersjongen  moest ook een familienaam hebben en ik twijfelde niet. Minne, naar de Wevelgemse oervlasser. Minne in Wevelgem, Miner in Amerika. Want Minne klinkt niet in het Engels net zoals keukenkast niet klinkt in het Antwerps.
 
In 2014 schreef ik op vraag van de culturele raad een toneeltekst over de eerste maanden van Wereldoorlog I in Wevelgem. Ik kreeg inzicht in het oorlogsdagboek van Felix Vervenne (kijk: die woonde ook in de Hoogstraat, vijftig meter van het huis waar Henri later kwam wonen). Maar er werd me ook een toneeltekst in de handen geduwd – ‘misschien kun je hier ook iets mee doen’. ‘Kerstnovelle van een vlasser’, stond er op de kaft van de gestencilde brochure. Die vlasser was Henri Minne en ik verwerkte zijn tekst in de eerste scène van de toneeltekst. Zijn kerstnovelle kreeg als titel ‘Kroonprins van Oostenrijk’. Het was niet makkelijk om in de wat statische tekst van Henri wat meer leven te krijgen, maar … ‘als ’t vlas gaat, alles gaat’.
 
De gevleugelde woorden brengen mij naar een derde stukje Henri. Vorig jaar herwerkte ik op vraag van heemkring Wibilinga een historische toneeltekst van uitvinder en vlastheoreticus Constant Vansteenkiste tot een speelbare historische evocatie. Ik moest ook die tekst nogal grondig updaten, al bleef de titel: ‘De sobere avonturen van een bale vlas’. Ik ga het niet hebben over het vlas. Ook niet over de familieband  van Constant Vansteenkiste en Henri Minne en dat ze zowat in elkaars huis zijn gaan wonen. Het is allemaal maar een grote omweg om mijn anachronistische zin uit de toneeltekst te kunnen citeren. Er is in de scène alweer een rumoerige discussie tussen de vlasverkopers aan de gang. De vlaswerkers, verkopers en voerders krijgen het met elkaar aan de stok en hekelen de wantoestanden en omkooppraktijken in de vlaskommerce in het begin van de twintigste eeuw. Het illustere hoofdpersonage Vlasmans maakt een einde aan het geruzie op straat. ‘Het is wreed om te zeggen, maar die jongen van Cappelles in de Hoogweg heeft gelijk: ‘Waarom doet de botenkoper kommerce in het vlas? Voor ’t geld, alleen maar voor stif veel geld!’
 
Geld en Arrie: Wannes zong beide nummers op het podium van cultuurcentrum Guldenberg. In ’t Wevelgems van de Hoogweg.



vrijdag 31 maart 2023

Blijven schrijven, Theo!

"Vandaag zwaait oprichter Theo van Rijn na 10 jaar en 11 maanden af als uitgever van LetterRijn. Met 77 uitgegeven titels laat Theo een aanzienlijke collectie na aan zijn opvolgers, Yfke van Vuurden en Alexander Roessen. Zij zullen na 31 maart het dagelijks bestuur overnemen, waarbij Alexander aanspreekpunt en vormgever is en Yfke de redactie verzorgt. 

Theo blijft als redacteur, vormgever en medebesluitvormer bij de uitgeverij betrokken en LetterRijn blijft thrillers en spannende verhalen uitgeven in binnen- en buitenland."

Dat lees je vandaag op de Facebookpagina van uitgeverij LetterRijn. Ik maak zowat een vijfentwintigste deel uit van het uitgeversfonds van LetterRijn. Mijn misdaadromans IJs, Zand en Rots komen uit deze stal en er staat een verhaal van mij in de bundel misdaadverhalen Onder druk

Toen ik rond 2015  het script van IJs klaar had, was het even zoeken naar een passende uitgever. Ik had tot dan alleen goede contacten met uitgevers van kinder- en jeugdboeken in Vlaanderen. Een volwassenenroman was nieuw voor mij. Welke uitgever zat er op een eigenzinnig misdaadverhaal met een verrassende twist en een bijzonder gevoel voor locaties te wachten? De grote uitgevershuizen zouden het wellicht niet zijn, dus moest ik op onderzoek. En kijk, ineens botste ik op LetterRijn, een nieuwe uitgeverij uit Leidschendam bij wie ‘woorden traag stromend door oneindig laagland gaan’. Grasduinend in de titels die al waren verschenen, dacht ik dat dit wel eens mijn literaire huis kon worden. Altijd een fan van dat laagland geweest.

Ik stuurde mijn script en na het gebruikelijke wachten (LetterRijn bewees meteen dat het de knepen van het vak al helemaal doorhad) kwam ineens een berichtje. Dat we eens moesten praten.

Ons eerste gesprek vond plaats op een zaterdagnamiddag in een doods en oersaai etablissement op het stationsplein van Sint-Niklaas. Dat plein is helemaal een saaie bedoening, maar Sint-Niklaas ligt ergens halverwege tussen Wevelgem en Leidschendam. De koffie was flauw en koud, het koekje zacht en niet lekker, maar het gesprek bijzonder fijn. Ik keerde terug met een stapel boeken van de uitgeverij en een ondertekend contract voor de uitgave van mijn script dat toen nog Dent Blanche heette. En goed opgeborgen in mijn bovenkamer de woorden van Theo: ‘We willen gewoon mooie en goede boeken maken waar zowel de uitgever als de auteur trots en blij mee kunnen zijn’.

Met dank aan Bart Van Loo veranderde Dent Blanche in IJs. En na IJs kwamen Zand en Rots. Elke roman kwam prettig tot stand, werd prettig voorgesteld en prettig gelezen. Theo bleek zelf een heel stipte, nauwgezette en creatieve redacteur te zijn – al was het wel eens wennen aan het onderscheid tussen Vlaams en Nederlands (in Nederland wandelen ze bijvoorbeeld nooit, ze lopen altijd!)

‘Transparantie, samenwerking en wederzijds respect en vertrouwen zijn voor LetterRijn geen holle woorden maar vormen de basis waarop wordt gewerkt’. Dat lees je op de homepage van de uitgeverij. En ze maken die belofte helemaal waar, Theo en de zijnen.

Twee keer kwam Theo vanuit het redelijk verre noorden naar de Wevelgemse bib om een boek mee te presenteren. Hij bleek een wielerliefhebber te zijn en hij keerde elke keer tevreden hollandwaarts met een boek over Gent-Wevelgem en ruim 100 exemplaren minder van IJs of Rots

Wie Theo volgt op Facebook, weet dat hij zelf ongelooflijk geestige tekstberichtjes plaatst. Zijn observaties zijn hilarisch, zijn typeringen origineel, zijn schrijfstijl fantastisch, zijn ironische en sarcastische humor fenomenaal. Zoek en lees hem maar eens, Theo van Rijn is de naam.

Verder schrijven, Theo! En achter de schermen graag een beetje blijven helpen bij de uitgeverij, waarvoor dank.

“De meeste mensen zijn in meer of mindere mate nieuwsgierig. Ook ik ben daarin net een mens. Ik beschik daarnaast echter over een grote mate van zelfbeheersing en heb mezelf aangeleerd om een totale desinteresse te veinzen. Ik denk dat het om die reden is, dat mensen bij mij niet op hun hoede zijn en er onbedoeld alsnog van alles uitflappen.” (Theo van Rijn)

vrijdag 3 februari 2023

Een enge wereldburger

Ik las de roman Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost van Donald Niedekker (uitg. Koppernik, 2022) en dat was een bijzonder gesmaakte leeservaring. 

Enkele jaren geleden verdiepte ik mij in de geschiedenis van de 16de eeuwse Beeldenstorm in het Westkwartier. Zo botste ik op Pieter Platevoet uit Dranouter. Hij studeerde aan de Latijnse school in Hondschote en als fervent calvinist en vurig prediker moest ook hij op de vlucht naar het veilige noorden. In Amsterdam kreeg hij als Petrus Plancius naam en faam als theoloog en cartograaf.

Hij figureerde even in mijn roman Ketters van de Kemmelberg (2017) en ik schreef een beknopte biografie over hem in de reeks VWS-cahiers (Een slimme jongen die goed kan vertellen, 2008). Het werd geen hagiografie, want mijn eindoordeel over deze 16de eeuwer was niet mals.

Plancius’ leefwereld bleef beperkt tot stukjes Vlaanderen en Nederland, maar zijn kaarten en zeevaartkundige werken openden horizonten over de hele wereld. Hij studeerde meerdere     wetenschappen, sprak maar liefst zeven talen en bestudeerde alle sterren van het universum. Maar in     zijn geest was geen plaats voor wie anders dacht dan hij en het calvinisme niet goedgezind was.     Plancius, een enge wereldburger? 

Ben je enkel in Petrus Plancius geïnteresseerd, dan kan je Een slimme jongen die goed kan vertellen eens opzoeken in je bibliotheek of Plancius zelf opsnorren in Ketters van de Kemmelberg. Je kan ook gewoon naar de film Nova Zembla (Reinout Oerlemans, 2011) kijken – in die film geeft Jan Decleir onze Plancius een gezicht en een stem. Je bent ook welkom op maandag 20 maart in Huyse Sorgvliet in Sint-Niklaas: daar geef ik een lezing over Petrus Plancius en zijn tijd voor de Orde van de Prince Land van Waas en Dendermonde. 
Wees gerust: hoe en wat je ook denkt, van mij ben je van harte welkom.

Good old Plancius kwam ineens weer uitdrukkelijk in beeld tijdens de lectuur van Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost. Deze bijzondere roman vertelt op een heel originele en authentieke manier over de illustere expeditie van de Noordsche Compagnie uit 1596. De derde poging om ‘om de Noord’, via het noordoosten, een zeeweg naar het wonderlijke Indië te vinden, mislukte andermaal. Het schip boorde zich vast in het ijs en de bemanning restte niets anders dan met de planken van het schip een hut te bouwen en ter plaatse te overwinteren. Zo leverde de expeditie geen rijke schatten uit het Oosten op, maar wel een onsterfelijk verhaal voor de historische canon van Nederland: de legendarische overwintering in Het Behouden Huys op Nova Zembla.

Petrus Plancius was voorwaar de grote man achter de avontuurlijke tocht, want hij overtuigde ontdekkingsreiziger Willem Barentsz ervan dat er wel degelijk een doortocht door of tussen het noordelijke ijs mogelijk was. 

Niedekker schreef een bijzondere roman. Geen rechtlijnig historisch verhaal, maar flikkerende fragmentjes die de tijdsgeest, het jonge Amsterdam, het leven van de zeevaarders, de verhalen van grootmoeder in Holland, de mysteries van vertellers uit het Noorden en het Oosten, de hunker van de ontdekkingsreiziger en de verhalen van de meereizende dichter op barokke manier tot leven brengen en dit alles doorspekt met licht filosofische beschouwingen en vederlichte taalspelletjes. 

Erg bijzonder is dat de auteur de (fictieve) dichter aan boord laat omkomen tijdens de expeditie. Hij blijft eenzaam achter in het metersdiepe ijs van het bevroren land. Tot het ijs in de 21ste eeuw smelt en blijft smelten en de man weer tot leven komt. Waar las ik eerder een verhaal over een teruggevonden lichaam nadat metersdiep gletsjerijs was gesmolten? 

En Plancius? Hij is in het boek opvallend aanwezig, als prediker op de kansel en als promotor van zijn kaarten en zeewegen naar het oosten. En voor sommigen: als verantwoordelijke voor de schromelijk mislukte expeditie. Wat mij enigszins verheugt, is dat Niedekker op pagina 36 en passant eenzelfde evaluatie van de man neerpende als ik deed in het cahier. 

Wie geen prijs betaalde was de tekenaar van de instructiekaart, Petrus Plancius. Hij stond op de kansel en preekte.  (…) Hij stond op de kansel en vervloekte ieder die er maar een tikkeltje ruimere geloofsopvatting op nahield dan hij. Dat, het categorisch in de ban doen van andersdenkenden of andersgelovigen, deden er meer in die tijd (…) Hij keek naar sterren, maakte hemelglobes en had een kolossaal gebrek aan inzicht in de eigen ondeugden. 

Ach, Petrus Plancius. Hij blijft me achtervolgen. Ondanks de bittere conclusie over de man is de bewondering nooit helemaal weg. De grootste reis die hij ooit maakte, was die van Dranouter naar Amsterdam. Het verste eiland dat hij ooit bereisde, was het Hollandse eiland Texel. Maar toch: 

Van de vele zonen die West-Vlaanderen uitzond, is Petrus Plancius wellicht één van de meest verdienstelijke. 

Je moet Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost zeker eens lezen: ik genoot in hoge mate.

Licht passend maar hilarisch lied