Pagina's

zaterdag 27 oktober 2012

De heks van de Kortekeer

Beselare heeft zijn heksen, Kemmel zijn paardje van Malegijs en Dendermonde zijn Ros Beiaard. En Lauwe heeft niets. Hàd niets, want sinds enkele jaren is er de heks van de Kortekeer.

Elke legende valt terug op gebeurtenissen die zich echt voordeden in een stad of dorp. Die worden dan uitvergroot of in een andere context geplaatst. Dat in werkelijkheid niet alles gebeurde zoals het verhaal laat uit schemeren, is duidelijk. Maar toch… er is altijd een grond van waarheid.
Van het Davidsfonds Lauwe kreeg ik in de lente van 2011 een aantal hints en anekdotes waarmee ik een dorpslegende mocht schrijven. Tussen haakjes, ik kreeg ook een aantal thema’s waarover het niet mocht gaan. Over Willem Vermandere bijvoorbeeld, die is een levende legende.
Grote wereldschokkende feiten hebben zich de voorbije eeuwen evenwel niet voorgedaan in Lauwe. De geschiedenis kwam hier voorbij, even geruisloos als het water van de Leie.

Of toch… In 2010 was er iets dat het dorp beroerde. Herinner je je nog de zwerver die bij het begin van de zomer werd overreden door een tractor? Weet jij waar die slapende man in het maïsveld vandaan kwam? Iemand die weet wat die man in Lauwe deed? En, nog straffer, iemand die weet waar hij naartoe trok, want het is een publiek geheim dat hij spoorloos verdween uit het ziekenhuis.
Die anonieme, vreemde zwerver figureert in de legende van de heks van de Kortekeer. De legende brengt ons terug naar de zestiende eeuw, toen Gentenaar Keizer Karel heerste over een rijk waar de zon nooit onderging. 
In het verhaal draait alles rond de bal – hoe kan het anders in een gemeente met twee legendarische voetbalclubs (de Rassing en de Wiet Star) en halve voetbalgoden als Rudy Ducoulombier, Hein Vanhaezebrouck, Bart Maes en Lorenzo Staelens.

In de legende komen we éindelijk ook te weten waarom die van Lauwe en die van Wevelgem het zo vaak met elkaar aan de stok kregen en krijgen. 

Dit droeve voorval dateert van bijna vijfhonderd jaar geleden.
De jonge Gentenaar Keizer Karel heerst over een rijk waar de zon nooit ondergaat en zijn pracht en luister stralen uit over het hele graafschap Vlaanderen. Burgemeesters en edelen zetten hun beste beentje voor zodat hun dorpen en steden er altijd stralend uitzien. Ze hoopten dat de jonge Keizer tijdens zijn zegetochten door de Lage Landen ook hun dorp zou voorbijkomen en dan wilden ze dat op zijn mooist tonen. Overal verschenen fonteinen, praalbomen en huizen met sierlijke gevels en torentjes. Tijdens jaarmarkten en kermissen dongen muzikanten, vuurspuwers, kunstenmakers, toneelspelers en liedjeszangers om beurt naar de gunsten van het publiek.
In het vredige Lauwe in een nietige barak langs de Leie, niet ver van de overzetboot naar de Guldenbergabdij in Wevelgem, ligt visser en voerman Blancke nog slaapdronken op zijn strobed. In de verte slaat de klok van de kerk. Blancke zucht. Het is tijd om naar de rivier te gaan. Het is vrijdag en de burgers in de straten rond de kerk wachten op hun verse vis. Als hij voor zijn voerronde nog tijd wil overhouden voor zijn wekelijkse verkenningsronde langs de oevers van de Leie, mag hij niet langer blijven pitten.
Blancke sluipt door de donkerte van het struikgewas en speurt naar iets van waarde dat de voorbije dagen door de stroming van de rivier op de oever is geworpen. Een stuk hout of wat lompen, het kan zijn schamele inkomen als visser en voerman aanvullen. Woensdag was er felle wind en het onweer sloeg toe, wat zijn kansen op een lucratieve vondst zeker niet vermindert.
Op een boogscheut van de rivier houdt hij in. Wat ligt daar zo mooi te glimmen in de eerste zonnestralen? Blancke stapt er behoedzaam op af. Hij knielt bij het vreemde voorwerp. Het lijkt een zware arduinsteen, rond van vorm. De geheimzinnige bol is groter dan zijn eigen hoofd en door het sierlijke houwwerk strooit het sierlijke lichtstralen uit over de glinstering van het Leiewater. Blancke buigt door zijn knieën en zet zich schrap. Hij wil de steen optillen, maar valt achterover als hij hem in zijn handen neemt. De steen is vederlicht, net alsof hij met lucht is gevuld. Deze steen is veel te rond en te licht voor mensenhanden, dit is een hemelse bol. Blancke wil zo snel mogelijk van het godending af. Hij loert naar de overkant van de rivier. Het is nog stil rond de Guldenbergabdij. Maar het kan niet anders of de bol hoort de cisterciënzerinnen toe.
Hij legt de bol vlakbij de rivier op een bergje aarde en gaat tien passen achteruit…
- ‘Wacht, ellendeling!’
Blancke verstijft en kijkt achterom. Mallo, de heks van de Kortekeer, kijkt hem grijnzend aan. 
- ‘Waag het niet de bal naar de overkant te trappen. Hij hoort de nonnen van Wevelgem niet toe. Jij hebt de bol gevonden en je moet hem de rest van je leven bijhouden’.
Blancke luistert niet naar de heks. Hij neemt zijn aanloop en trapt de bol zo hard hij kan naar de overkant. Hij hoort een doffe bons tegen de poort van de abdij. Nu vlug ervandoor voor zuster-portier openmaakt.
Achter hem krijst Mallo.
- ‘Je weet niet wat je doet, Blancke. Je hebt de bol gevonden en je raakt er nooit meer vanaf.’
- ‘Allemaal praatjes, Mallo’, roept Blancke. Maar hij voelt hoe de angst zich in zijn lichaam nestelt. Niemand in Lauwe weet wat hij met gekke Mallo moet aanvangen. Als ze je eenmaal heeft uitgekozen, laat ze je nooit meer los, zeggen ze.
Als Blancke de volgende morgen weer gaat piepen op zijn plaatsje bij de rivier, krijgt hij met toegesnoerde keel de flikkerende bol weer in de gaten.
Hij loopt er op af en net als hij de bol met een wereldtrap de rivier wil over knallen, hoort hij weer de snerpende stem van de heks.
- ‘Doe het niet, Blancke! De bol is van jou nu. Waag het niet hem de rivier over te trappen…’
- ‘Laat me, smerige heks’, roept hij trillend terug. De angst giert door zijn lichaam als hij de bol met al zijn overblijvende macht over de rivier trapt.
- ‘Hier zal je voor gestraft worden, ellendeling. Hoe meer je de bol van je wegtrapt, hoe groter de duivelse wraak zal zijn. Hou de bol bij je tot hij vanzelf verdwijnt.’
En zo geschiedde het wel acht nachten op rij. Elke morgen gaat Blancke naar de Leie en elke morgen ligt de bol precies op dezelfde plaats op hem te wachten en elke morgen scheldt de heks hem de huid vol als hij de bal naar de overkant kegelt. Niet één keer ziet hij aan de overkant een non die de bol komt ophalen.
Maar op de negende dag, als hij de bal weer tussen het gras op dezelfde plaats ziet liggen, wacht Blancke vruchteloos op het gekrijs van de heks. Hij wacht even om te trappen en kijkt om zich heen. Geen heks te bespeuren.
Blancke neemt de bol op, loopt er mee naar zijn barak en legt hem in de laadbak van zijn voerwagen. Hij verstopt de bol onder een hoop lompen en rijdt naar de burgemeester.
Nadat Blancke hem omstandig over de mysterieuze bol en de woorden van de heks heeft verteld, neemt de burgemeester een wijze beslissing. Op de eerstvolgende jaarmarkt zal de bol bovenop de kerktoren worden gelegd en al wie wil, mag meedingen om hem vanaf de grond met de kruisboog neer te halen. Wie hem naar beneden schiet, mag de glinsterende bol houden.
Zo gezegd zo gedaan. De avond voor de jaarmarkt, midden de zomer, als de marskramers en stuntenmakers van heinde en ver de staten van Lauwe vullen, ligt de bol al te flikkeren op de kerktoren. Drie onbevreesde schutters hebben zich bij de burgemeester aangemeld voor de prijsschieting: een dronkaard uit het zuiden van het dorp, een burger die naast de kerk woont en een paapse herenboer uit Wevelgem. Alle drie zijn ze er vast van overtuigd de kostbare bol mee naar huis te nemen en ze zijn niet bevreesd als ze horen over de dreigementen van de heks.
Maar die avond, als Blancke zijn wagen vult met spullen die hij op de jaarmarkt wil verkopen, staat Mallo plots voor hem. Haar gele tanden vallen haast uit haar mond en haar neus lijkt krommer dan de boog van de poort van de Guldenbergabdij. 
- ‘Je hebt niet naar mij geluisterd’, sist de heks. ‘Ik zei dat je zelf voor de bol moest zorgen. Je hebt je lot in eigen handen genomen en zal hiervoor gestraft worden.’
Blancke wordt er draaierig van en plots begint alles om hem heen te duizelen. In een flits weet hij dat hij de heks heeft uitgedaagd en dat zij hem hiervoor vreselijk zal straffen.
Die nacht als de duisternis over het dorp is gevallen, klimt Blancke met knikkende knieën naar de torenspits. Alleen als hij de bol terugsteelt en hem voor altijd bij zich verborgen houdt, kan hij de duivelse toorn misschien nog ontlopen. 
Zonder dat iemand in het slapende dorp hem opmerkt, gaat Blancke ervandoor. Hij kan niet meer terug naar zijn barak bij de Leie, want daar zullen de woedende dorpelingen ‘s morgens de gestolen bol komen zoeken. Hij vlucht door de stille straten en over het rijpe maïsveld, de bal krampachtig onder zijn armen verborgen. Maar middenin het veld botst hij op de heks Mallo, die hem bruusk tot stilstand brengt.
- ‘Het is te laat, Blancke. Acht keer heb je mijn vermaan genegeerd en dan heb je de bol laffelijk weggeschonken. Niets kan je fout nog goedmaken. Hier in het maïsveld zullen jij en je bol verdwijnen. Voor eeuwen zal je hier naamloos rusten en pas als de duivelse toorn van je afvalt, zul je weer het levenslicht zien en als een verdwaalde geest door het dorp dwalen. Vaart wel, Blancke!’
De gele tanden en de scheve neus zijn het laatste wat de arme Blancke in zijn aardse leven ziet.
En zo komt het dat over het dorp Lauwe een eeuwenlange burenruzie is neergestreken. De volgende dag bij het ontwaken gaven de drie groepen rond de deelnemers aan de wedstrijd elkaar de schuld van de gestolen bol. ’s Avonds tijdens de jaarmarkt rolden woestelingen uit de drie bendes in het licht van de vuurspuwers vechtend over de straat terwijl de heks Mallo hen vanaf de kerktoren grijnzend in de gaten hield. 
Tussen die van de statie en die van de platse en tussen die van Wevelgem en die van Lauwe is het nooit meer goed gekomen.

http://www.youtube.com/watch?v=BW3gKKiTvjs


zaterdag 20 oktober 2012

De bib beu

Vandaag begint de Bibliotheekweek met in elke bibliotheek een verwendag. De gekste dingen gebeuren dan in je plaatselijke bibliotheek.
Enkele jaren geleden nam ik samen met Marc De Bel en Brigitte Minne deel aan een schrijfproject in een Oost-Vlaamse bibliotheek. We schreven samen met de leerlingen het begin van een bibliotheekverhaal en toen we weer weg waren, was het aan de leerlingen om de knoop te ontwarren.
Dit was mijn begin voor de leerlingen van de tweede graad...
Oh ja, je dacht toch niet dat ík de bib beu was? Niet hoor, lang leve de bib!

Met een grote zwaai zwiert Robrecht zijn fiets tegen de muur. Net op het moment waarop de klok van de kerk negen uur slaat.
Gerda van de bib staat hem bij de deur op te wachten.
‘Dag Robrecht,’ zegt ze vriendelijk.
Hij schrik. Kent ze dan echt van alle mensen die naar de bib komen hun naam? Of hebben ze in de bib een geheime computer waarin van alle bezoekers een foto te vinden is? Zou best wel kunnen, tegenwoordig kun je alles vinden op computers!
‘Je bent er vroeg bij. Of kon je niet langer wachten om je door ons te laten verwennen?’
Robrecht begrijpt er niets van.
‘Euh, ja…’ prevelt hij. ‘Ik kom eigenlijk gewoon internetten. Als ik niet vroeg genoeg kom, is er geen pc meer vrij…’
‘Zozo…’ fluistert Gerda geheimzinnig. ‘Dat zou vandaag dan wel eens kunnen tegenvallen hoor, jongen… Het is verwendag hé! Ik denk niet dat je straks nog veel zin zal hebben om te surfen. Je zal wel iets anders om handen hebben…’
Verwendag… Hij had er iets van gelezen in de gemeentekrant en er was een affiche in de refter op school. ‘Verdwaal in de bib en beleef een superspannend avontuur’, stond er. Maar hij had er verder geen aandacht aan besteed.
In een flits denkt hij aan Ellen. Wat was die gisteren kwaad op hem geweest! Alleen maar omdat hij geen berichtje had gestuurd wanneer hij aan het zwembad zou staan. Tja, een vriendinnetje hebben kan wel eens lastig zijn. Misschien moet hij haar deze namiddag eens verwennen. Of hij kan haar vragen om naar de bib te komen, hoeft hij dan zelf niets voor haar te bedenken!
‘Roembaderum!’
Robrechts hart staat stil. Een tovenaar die zo uit een Harry Potter-film is geplukt, staat vlak voor hem. Hij kijkt hem recht in de ogen zonder verder iets te zeggen.
Dan verschijnt zijn hand vanachter zijn rug. Hij reikt Robrecht een glas met een dampend drankje aan.
‘Dank je…’ zegt Robrecht.
De tovenaar kijkt van hem weg en zijn vurige ogen gaan op zoek naar een andere bezoeker.
Verbouwereerd loert Robrecht de bib binnen. Nog zo vroeg en al zo veel volk! Rond de balie staan wel tien mensen bij een tafel met koffie, fruitsap en croissants. Had hij dat geweten! Thuis had hij heel snel een snee brood uit de zak van gisteren genomen. Hard en vreselijk van smaak.
Vanachter de balie klinkt muziek en hij hoort gelach en gejuich weerklinken vanaf het balkon.
Naast hem staan Ann en Hans van de bibliotheek. Ze kijken tevreden om zich heen. De verwendag verloopt blijkbaar naar wens!
Opeens is er luid gestommel in de jeugdbibliotheek. Mannen roepen, vrouwen gillen, kinderen schreeuwen.
‘Nee, wij willen en zullen hier niet langer blijven’, klinkt een norse stem.
Robrecht loopt Ann en Hans achterna in de richting van het tumult.
Met een schok blijven ze staan.
Op het hoogste rek staat een boek. Blinker en de bakfietsbioscoop. En… het praat!
‘De boeken hebben mij vannacht gevraagd om jullie in naam van alle bibboeken mee te delen dat wij de bib beu zijn! We zijn het beu om elke dag opnieuw door tientallen handen te worden vastgenomen. En daarna altijd weer op de verkeerde plaats te worden teruggeplaatst. Gisteren nog plaatste iemand mij bij de boeken over gifslangen! We zijn het ook beu om meegenomen te worden door slordige lezers die ons vervoeren tussen de snelbinders van hun fiets en ons laten rondslingeren op de gekste plaatsen van de vreemdste huizen…’
Blinker en de bakfietsbioscoop zwijgt even.
‘Vorige week las een jongen Kobe en de salamimannen op het toilet! En een meisje las Sjakie en de chocoladefabriek terwijl ze in bad zat! Sammie Stokvis kwam terug in de bib vol kreuken en ezelsoren en op bladzijde 45 van Het dolfijnenkind heeft iemand in rode letters ‘ZOT’ geschreven. Schande!’
Hier en daar beginnen boeken in de rekken te trillen. Ze mompelen allerlei klachten. De mensen in de bib zijn doodstil. Niemand begrijpt wat er gebeurt.
‘Mijn rug is gekreukt omdat een engerd mij ’s avonds onder zijn nachtkussen legt,’ roept De Grote Vriendelijke Reus. Robrecht had het boek nog nooit kwaad gezien.
Het regent boekenklachten. Tot Blinker en de bakfietsbioscoop in zijn bladzijden klapt.
‘Wij boeken zijn de bib beu’, roept  het dikke boek luid.
Robrecht luistert zijn oren uit. Plots leunt Ann, de bibliothecaresse, op zijn schouder.
‘Sorry, zegt ze, ‘dit wordt me even teveel…’
Van overal klinkt nu geroep uit de rekken.
‘Wij boeken zijn de bib beu! Wij boeken zijn de bib beu!’
Sommige mensen vluchten de bib uit. Nee, op de verwendag gebeurt van alles in de bib, maar dit gaat te ver. 
Robrecht zoekt de tovenaar. Hij schrikt. Die heeft zijn pak uitgetrokken en stopt het haastig in zijn verkleedkoffer. Hij ziet lijkbleek.
Nee, dit is geen bibactiviteit! Dit is bittere ernst! De boeken zijn de bib echt beu!
Ook Ann van de bib is nu helemaal over haar toeren.
‘Hans, wat moeten we doen? Moeten we de politie bellen? De agenten moeten de boeken oppakken! Voor ze er vandoor kunnen gaan..’
Hans lacht.
‘Ann toch, maak je geen zorgen. Dit is toch ongelooflijk grappig? Nog spannender dan het spannendste boek uit de bib! Kijk, moet je de Harry Potters zien tekeer gaan! Haha!!!’
Maar Robrecht vindt dit helemaal niet grappig. Het is tijd voor actie! Dit is het moment waarop ze met de Geheime Klusclub al zolang wachten. Een echt mysterie oplossen! Want de boeken moeten koste wat het kost in de bibliotheek blijven! 
Robrecht  neemt zijn gsm en tikt het afgesproken nummer…

Wat een liedje deze keer... Ik heb er nog op gedanst...
http://www.youtube.com/watch?v=ovwXM_Qg52g


dinsdag 16 oktober 2012

Zum quotzen

Zum quotzen… Het was de tweet van Felix De Clerck na de boze boodschap dat vader Stefaan in de luren was gelegd door het triumviraat van Vincent, Philippe en Rudolf. Hoe quleinmenselijqu waren die geweest, hoe on-democratisch!
Of het ondemocratisch is? Weet iqu niet eens zo zequer. Drie partijen vormen samen een democratische meerderheid en vertegenwoordigen meer dan de helft van de Quortrijquse bevolquing. So what? Maar iqu begrijp Felix: hij is ooqu een zoon en iqu heb ooqu een vader.
Maar voor wie eraan twijfelt: iqu vind het net zo jammer als hijzelf. Intriest eigenlijqu.

Bijna net zo triestig als de tranen van Parick Janssens. Voor mij is dit het beeld van 2012. Patrick in tranen op de schouder van Gène Bervoets. Hoe meer hij huilde, hoe groter mijn respect werd. Omdat ik vermoed dat ik weet waarom Patrick weende. Nee, zeker niet omdat hij zelf verloor en omdat hij geen burgemeester meer mocht zijn. Dat mooie maandloon niet meer zou opstrijken. Het schoon verdiep moest verlaten. Maar omdat hij zijn Antwerpen en alle Antwerpenaren in handen moest geven van iemand die hij niet vertrouwde. Patrick heeft zorgen en het zijn niet de zijne, maar die van zijn geliefde stad, van zijn geliefde inwoners.

Van ons allemaal. Daar kwam hij het podium op, die nieuwe schoonverdieper. Het eerste wat hij zei was ‘Beste vrienden’ – wat had ik spijt dat ik niet net even had gezapt. En dan vloog hij uit tegen Elio Di Rupo. Dat hij snel België in twee moest verdelen. In de zaal klapte zijn deel van de Antwerpenaren in de handen, ik zou op mijn vingers gefloten hebben  - als ik dat zou kunnen en als ik in die zaal was geweest. Het eerste wil ik nog leren, het tweede overkomt me nooit. Dan is hij nog niet eens burgemeester en hij laat zijn inwoners al in de steek. Kiezersverraad. Wat kan hem A schelen?  Hij zegt A, maar denkt B. De B van Bye Bye Belgium. Maar dat heeft zijn deel van de Antwerpenaren niet door. Is er eigenlijk wel iemand van zijn deel van de Antwerpenaren die weet wat Die Man in Antwerpen gaat doen? Weet hij het zelf wel?
Voor hij tot zijn menigte sprak, was het masker al gevallen. Nooit iemand zo onbeschoft zijn DJ weten uitkafferen. Zet die plaat af, idioot. Geen vraag, een bevel. Befehl. En het staat vol symboliek. Die Man houdt niet van muziek. Niet van dans. Niet van  theater. Niet van poëzie. Niet van film. Het klinkt erg goedkoop, maar ik vrees dat hij echt alleen van vendelzwaaien houdt. En van De Strangers. Nog even wachten en daar staat Gène Bervoets te huilen op de schouder van Patrick Janssens. En hij niet alleen.
En in het late journaal. Net terug van het voorzittersdebat op Eén geeft hij al zijn collega’s een ferme natrap. Die Man is echt tegen alles en iedereen. Ik krijg het zo koud al ik hem bezig zie, bezig hoor. Hij is zo tégen!

Een vriendin die jonger is dan ik en van wie ik niet zeker was op welke plaats ze haar politieke hart droeg, zei dat ze bang is van Die Man. Dat hij haar aan Hitler doet denken. Zo raken we nooit over het trauma van die vreselijke oorlog heen. Als  generaties die de oorlog van steeds verder horen zeggen kennen er weer aan herinnerd worden door look-a-likes. Ze horen Die Man en het herinnert hen aan wat ze in schoolboeken over een Duitse dictator hebben gelezen. Goed dat er leerkrachten geschiedenis bestaan die het wel goed begrepen hebben en juist uitleggen. En dat ze de leerplannen en schoolboeken nóóit zullen veranderen. Nooit.
Ach, misschien moet ik nu wel boos zijn op Woestijnvis. Het is allemaal de schuld van De Slimste Mens, hoor je nu. De quiz (of toch maar kwis?) heeft Die Man veel te populair gemaakt. Tja, dat heb je ook wel met mensen die veel te snel dwepen. Met BV’s of BA’s.

Weet je wat ik Die Man en de zijnen vooral kwalijk neem? Dat ze mensen constant misleiden. Een 70-jarige man die me om begrijpelijke redenen na aan het hart ligt, liet doorschemeren dat hij voor Niet Voor Antwerpen  (NVA) zou stemmen. Hij zou dat niet voor zichzelf en ook niet voor mij doen, maar voor mijn kinderen en hun kinderen. Want als we nu niet opletten, is België heel snel in handen van de Walen, de Algériens en de Polen. Dat had Die Man hem goed ingelepeld. Dat mijn gesprekspartner mijn kinderen en hun kinderen een veel groter plezier zou doen door ook aan hun gezondheidszorg, hun sociale zekerheid, hun verkeersveiligheid, hun gezonde lucht en hun open geest te denken, komt niet in hem op. En ik geef toe: mijn Cicero-vermogen is minder sterk dan dat van Die Man. Ik slaagde er niet in het hem uit te leggen.

Wannes Cappelle heeft zijn conclusies getrokken. Zijn appartement in hartje (nou ja) Antwerpen staat te koop. Hij verhuist. Omwille van veel te goed, veel te warm en veel te schoon voor een stad die nu snel ijskoud zal worden. Er staat een huis te huur in de Hoogstraat,  Wannes. Maar niks voor jou, denk ik. Ga maar naar Gent. De stad van Daniel. God, wat rust er plots een zware verantwoordelijkheid op die man zijn schouders! Daniel for president?

Ziezo, de tequst is geschreven, de trein is weer in Quortrijqu.
Iqu ga het Stationsplein op. Iqu bots op Philippe Dequoene. Hij die ongetwijfeld een soulmate, een spitsbroeder was van Patrick. Iqu volg hem naar zijn café. Hij gaat Den Bras binnen, pleisterplaats bij uitstequ van ruimdenquend straatvolqu. Philippe zal er zich goed gevoeld hebben, na  een dag in het hol van de leeuw. Maar straqus  wordt hij quind aan huis in dat hol. Ocharme.
En toch hoop iqu dat hij zorgt voor een beetje K in Q.

PS
Vond je de eerste en laatste alinea van deze tekst lastig lezen? Komt ervan. Het is de fout van de administratieve vereenvoudiging waarvoor de nieuwe burgemeester van Kortrijk in een vorig leven zorgde. Het leven waarin hij voluit ging voor zijn roeping om het leven makkelijker te maken. Vier jaar lang zou hij ook de pensioenen hervormen. Tot hij ineens een nieuwe roeping kreeg.

http://www.youtube.com/watch?v=UA78e27R_J4


vrijdag 31 augustus 2012

Standboeken

Op zondag 9 september was er in Vlaanderen weer Open Monumentendag. Dit jaar was het thema 'Muziek, woord en beeld'.
De redactie van de programmabrochure voor de regio Kortrijk vroeg me het onderdeel woord te benaderen. Moeten woorden voor altijd bewaard worden? Alleszins niet door standbeelden op te trekken voor schrijvers, schreef ik in mijn bijdrage.

Het is de verdomde plicht van bibliotheekmedewerkers om de eigen collectie doorlopend te evalueren en gedateerde of stukgelezen publicaties af te voeren. Op de brandstapel te gooien dus.
Ik weet het, sommigen onder jullie zijn nu al boos op mij. Koen de ketter! “Jullie gooien toch geen boeken weg?” Jawel hoor, en heel veel. Sorry, het is en het kan niet anders. De bib focust op actuele collecties: schrijvers van nu, met thema’s van nu en informatie van nu. Maar… geen nood, er zijn procedures die ervoor zorgen dat unieke en kostbare werken niet (nooit!) uit de collectie van de verzamelde Vlaamse bibliotheken verdwijnen. Lees dus met een gerust hart verder.

Omdat mij enige interesse en misschien ook wel wat deskundigheid in de thema’s ‘Taal en letterkunde’ en ‘Geschiedenis’ worden toebedeeld, ontferm ik me met zekere regelmaat over deze rubrieken in de gesloten magazijncollectie van onze bibliotheek. Wat niet meer actueel of waardevol is, moet eruit zodat plaats vrijkomt om recentere boeken nog even in het vagevuur van de bibliotheek op te stellen. Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik dat ik me misschien beter om de rubrieken ‘Esoterie’ en ‘Wiskunde’ zou bekommeren. Dan verdwijnen alle boeken zonder hartzeer zo in de prullenbak en komt er heel veel plaats vrij om nog meer taal- en geschiedenisboeken te bewaren. Maar dit helemaal terzijde.
Onlangs ging ik weer over de rubriek taalkunde en botste op pareltjes uit vervlogen tijden (de jaren ’80 en ’90) die een licht lieten schijnen over het fenomeen taal. 
‘Plastictaal’ (Uwe Pörksen, 1988) leek zo’n pareltje. Over plastic woorden die door verkeerd gebruik in de omgangstaal een nieuwe en onjuiste betekenis kregen. Woorden en zinnen van kunststof: waardeloos, bestemd om even te gebruiken, wegwerptaal. Woorden die je kan recycleren: je geeft ze aan iemand anders en die geeft er een nieuwe betekenis aan. Woorden die alleen maar door een fractie van de bevolking worden begrepen. Zurkeltrutte bijvoorbeeld. In Reninge weten ze wat het betekent, in Ronse hebben ze geen flauw idee. Waarom verbaasde het me ook niet dat de auteur in zijn werk verwees naar de holle woorden van een politicus, naar de modewoorden uit de reclamewereld en naar slogans die niet bedacht hadden mogen worden? Strijken moe? Wij doen het voor joe. Het milieu is tevree, want ik rij op LPG. Elk kakje in een zakje. 
Ook ‘Vrouwentaal en mannenpraat’ (Dédé Brouwer, 1979) trok mijn aandacht. Kennis van de taalverschillen tussen de seksen kan bijdragen tot bewustwording, las ik op de achterflap van het boek. Onlangs was ik op vriendenweekend met een motorclub en dat leerde mij weer dat mannen onder elkaar anders praten dan als er vrouwen in het gezelschap zijn. En onze vrouwen thuis zullen wel niet even stoer voor de dag zijn gekomen als wij, Hell’s Angels for a weekend. Misschien moet ik het boek toch maar eens helemaal lezen vooraleer ik weer met motards op stap ga.
Een boek dat me heel erg boeide, was ‘Ontdek je woorden: over taaltoerisme’ (J.G. Thijs, 1989). De auteur had eind jaren ´80 een zaterdagse taalrubriek in Trouw en veroorloofde er zichzelf menig uitstapje naar de schone letteren in. Ik bladerde en las in het boek en voelde me onderwijl een taaltoerist: iemand die met het grootste plezier op reis gaat door de taal en zich laat verrassen door haar heerlijkheden zonder die academisch te lijf te gaan. Als toerist ben je in vakantiestemming. Het moet prettig blijven. Na lectuur van het boek weet ik waarom ‘klokken’ voor Willem Frederik Hermans vrouwelijk waren en dat ‘iemand gedag zeggen’ geen plastictaal is, maar niets minder dan een vingerwijzing naar hoogstaande literatuur bij Nescio en Marga Minco. Dat en nog veel meer kom je dus aan de weet als je taaltoerist bent.

Maar taal komt ook wel eens op de proppen als je écht op reis bent. Mijn echtgenote en ik voeren spitse dialogen vol hilarische taalvondsten als we in een gezochte stad of gevonden dorp voor een kerk, kathedraal of bibliotheek staan. Deze drievuldigheid zuigt mij op, maar stoot mijn vrouw af. Een wonderlijke taalstrijd is het gevolg.
Ook marmeren standbeelden zorgen voor taaltoerisme. Ik herinner me de immense omweg die we maakten op het einde van een slopende dag in Firenze omdat ik te allen prijze het standbeeld van Dante Alighieri wilde zien. Het stond op pagina 156 van onze reisgids én op het Piazza Santa Croce, een beetje in de luwte van de Florentijnse gekte. Man, wat is dat een lelijk beeld. Dat verdient die arme Dante niet. Werd hij destijds overigens niet levenslang verbannen uit zijn geboortestad? Dan hoefde dit beeld als poging tot eerherstel ook niet.
Toen ik voor het beeld stond (kijken deed ik niet), dacht ik dat taal toch beter niet altijd letterlijk wordt genomen. Je hoort het wel eens: die man (of vrouw) verdient een standbeeld. In de meeste gevallen neemt men dit beter niet letterlijk op, want het standbeeld dat vele jaren later het gevolg is van de uitspraak verdient maar zelden de persoon naar wie het opgetrokken is.
Ik doe een oproep aan stadsontwikkelaars en/of schepenen van cultuur. Als jullie vinden dat lokale schrijvers een standbeeld verdienen, hou je dan vooral aan de figuurlijke betekenis. Schrijvers zijn blij genoeg als er van hen gezegd wordt dat ze een standbeeld verdienen. Verder moet niets meer gedaan worden. Schrijvers zijn mannen en vrouwen van het woord. Woorden maar geen daden. Misschien kan de lijst van wie een standbeeld verdient, worden goedgekeurd door de gemeenteraad, dan krijgt het woord zelfs kracht van wet. Maar alstublieft geen beeld naast een kerk, op een rotonde, op een plein of op een parkeerplaats. 
Daar in Firenze maken duizenden toeristen dagelijks kennis met Dante. Ze kennen de dichter persoonlijk en hoeven hem dus niet eens meer te lezen.
Als je literatoren wil memoreren, moet je vooral geen standbeeld voor hen optrekken. Dat schrijven ze zelf wel. Lezers kunnen het dan lezen en leren de schrijver nog veel beter kennen. Letterlijk dan. Naar woord zonder beeld.

Raadpleeg de volledige programmabrochure [pdf-document - opent traag!]

http://www.youtube.com/watch?v=4Wys9VzF-_E


vrijdag 24 augustus 2012

Plastic Kubb 2016

Morgen wordt in Hasselt het Belgisch Kampioenschap kubben gespeeld. Mijn favoriete team HDS-United was al eens kampioen in 2008 en verdedigt nu zijn kansen met één dames- en twee herenploegen. Ze vroegen me naar wat support voor hun ledenblad. Graag gedaan, alle beetjes helpen om hen weer tot beste stokkenwerpers van het land te kunnen kronen. De koningen van de kubb.

Zo’n acht jaar geleden was ik samen met een groep vrienden van het jeugdhuis (al waren wij ondertussen veertigers) op weekend in een kasteeldomein in de omgeving van Brugge. 
Al jarenlang werd dat weekend afgesloten met de traditionele petanquematchen op zondag – Duvel binnen handbereik (Omer was toen nog niet uitgevonden).
Die keer verstoorde een van de deelnemers vrij bruusk het feestje. Hij droeg ons op om geen petanque te spelen die keer, maar om te ‘koningen’. De notoire weekendganger kwam in de loop der jaren al meer dan eens met een fantastisch idee op de proppen, dus dit kon er ook nog wel bij.
‘Koningen’ dus. Zijn poging om het spel aan ons, ongeletterden op dat vlak, uit te leggen, werkte vooral op de lachspieren (al hebben we die zondagmorgen niet veel nodig om tranen in de ogen te krijgen). Hij goochelde met stokken en blokken hout, die hij van de ene lijn op de andere plaatste, en vertelde hoe je het tactisch aan boord moest leggen om dat plankenspel te winnen. Heel leuk was vooral dat hij het die keer zelf eigenlijk nog niet zo goed wist.
We begonnen gewoon met stukken hout te gooien en onze sportanimator zou tijdens het spel wel uitleggen wat we in elke fase moesten doen. Dat was althans de bedoeling. Concreet kwam het erop neer dat hij geregeld zijn hulplijn moest opbellen – niet toevallig iemand die professioneel in de educatieve houtsector actief was.
Maar het lukte, we kregen de spelregels onder controle en sindsdien wordt diegene die als afsluiter van het vriendenweekend een rondje petanque voorstelt, verbannen naar het hoge Zweedse Noorden.

Naar daar waar de Vikingen vandaan kwamen, volgens de legende de uitvinders van het Kubbspel. Het is een oeroud spel, gespeeld in diverse varianten, maar met als terugkerend kenmerk: je kan het niet uitleggen. Uitleggen wat kubben is, is nog stukken moeilijker dan iemand uit de doeken laten doen wat de buitenspelval in het voetbal is. Of hij hoeft Johan Cruyff te wezen.
Toch klinkt dit wat old-fashioned. Tegenwoordig is niks meer moeilijk uit te leggen. Ga naar Wikipedia en daar krijg je in enkele zinnen een heldere typering van alles.
Zo staat het er: ‘Kubb is een buitenspel met als doel het omvergooien van houten blokken door er houten stokken tegenaan te gooien.’
Beste lezer, mag ik hier hartelijk om lachen? Wat klinkt dit ontzettend belachelijk. Het is ook zo, je moet maar eens van op afstand een kubbwedstrijd observeren. En stel je voor dat je niets afweet van het reglement… Het ziet er niet uit.
Maar lachwekkend of niet… ondertussen kubbt iedereen en we beleven er met ons allen ontzaglijk veel plezier aan. Sportleraars wijden hun leerlingen in, gemeenteambtenaren spelen het tijdens hun jaarlijkse teamdag, families spelen het bij oma en opa in de tuin, kubbclubs schieten als paddenstoelen uit de grond. Die clubs gaan op zoek naar hun beste krachten voor de begin-, tussenin- en eindworp en al of niet in het geniep zie je clubleden oefenen in hun tuin. Nu de tornooien welig tieren, moet overigens nog een zinsnede aan Wikipedia worden toegevoegd. Kubb is voortaan ‘een buitenspel met als doel het omvergooien van houten blokken door er houten stokken tegenaan te gooien en waarbij de winnaar een houten blok krijgt’. Die hij vervolgens met gepaste trots op zijn mooiste kast plaatst. 
Voor wie er snel bij was, lag de voorbije jaren het hele kampioenschappenveld nog open. Regionale, provinciale, Vlaamse en landelijke tornooien wijzen ondertussen met de grootste zorg (en zonder scheidsrechter) de respectievelijke kampioenen aan. Wie geld, tijd en passie genoeg heeft, kan zelfs deelnemen aan het wereldkampioenschap in het Zweedse Gotland.

Maar de ambitie moet nog veel hoger reiken. Kubbers aller landen moeten voortaan Olympisch denken en Rio 2016 moet het ultieme doel zijn. Moeilijk kan het niet zijn om van kubben een Olympische sport te maken. Eén telefoontje naar het IOC moet volstaan. Snel even uitleggen aan de telefoonbediende wat kubben is (kan wel eens tegenvallen, zie hoger) en klaar zal Kees zijn.
In het slechtste geval kan er zich wel nog een ethisch probleem voordoen. Het zal weinig tactvol overkomen om in een land waar de strijd tegen het kappen van het Regenwoud al jarenlang een belangrijk politiek thema is, ongecontroleerd houten stokken en blokken in de lucht te kegelen. Misschien moet gedacht worden aan kunststofkubben? Ter compensatie kan de houten medaille ingevoerd worden.
Al is dit een detail. Hoofdzaak nu is: wie belt snel naar Jacques Rogge?

woensdag 1 augustus 2012

De wolken van Wallis

J’ étais ici il y a trente ans… Ik zei het de voorbije tien dagen wel tien keer in die wonderlijke vallei in Zwitserland. Val d’Hérens: boven Sion, de hoofdstad van Wallis, de hoogte in. Zo’n 30 kilometer natuurpracht, steeds niet kapotgetoerist. Tussen gletsjerpiramides, donkerbruine houten huizen en groene pijnboombossen rij je zo naar de witte pracht van wonderlijke bergtoppen en smeltende gletsjers. 

Tsjonge, wat ben ik boos op mijn ouders! In de jaren ’75-’80 van de vorige eeuw namen ze me mee naar het idyllische dorpje Villaz-La Sage in het Zwitserse kanton Wallis. Villaz was door God vergeten, hoe hoog het ook gelegen was en hoe devoot de plukjes inwoners ook de kerkdienst in hun kamergrote kapel bijwoonden. Precies 1774 meter boven de zeespiegel, maar nog veel hoger reikten de bergen die even verder waren: de Dent Blanche (4365 meter) en de Dent d’Hérens (4171 meter) bijvoorbeeld. Als je er enkele weken verbleef, bleven ze een heel jaar op je netvlies geprint, zo indrukwekkend waren die bergreuzen.

Ik beleefde schitterende jeugdjaren in die Zwitserse vallei. ‘Wat is het eerste boek dat je ooit hebt geschreven?’ vragen scholieren me steevast tijdens lezingen op scholen. ‘Een reisgids voor de Alpen’, vertel ik dan. Het klinkt wellicht dom en onbegrijpelijk, maar zo is het wel. Na elke zomervakantie schreef ik, overijverige tiener, op steekkaarten aan een neverending reisgids ‘Evolène’ (zo heet het centrumdorp in de vallei). Bijna encyclopedisch rafelde ik alles uit wat me bond aan die magische vallei. De reisweg ernaartoe: die begon in Tourcoing en ging over Lille, Reims, Chaumont, Besançon en Lausanne tot in Sion – van alle dorpjes, streekjes en riviertjes die je tegenkwam kon je een toeristische, geografische en cultuurhistorische schets lezen. De toeristische hoogtepunten van het dal: de houten huizen met Mäuseplatten, de koeiengevechten, de klederdracht, de wolnijverheid, de raclettekaas. De bergtochten die je er kunt maken en de berghutten waarin je kunt overnachten: met persoonlijke aantekeningen en originele verblijfsstempel. Voor bergfanaten was er ook een uitgeschreven versie van de fatale eerste beklimming van de Matterhorn op 14 juli 1865 door de Engelse tekenaar-alpinist Edward Whymper en zijn metgezellen – je kan nooit genoeg weten. Pronkstuk van mijn handgeschreven reisgids was het onderdeel fauna en flora. Alle planten en dieren die je tijdens je zwerftochten door de Zwitserse Alpen kon tegenkomen, werden breedvoerig en gedetailleerd beschreven. Twee zomers lang verdween een aanzienlijk deel van mijn opgespaarde zakgeld aan prentkaarten van Alpenbloemen. De feiten zijn verjaard, dus dit mag ook: tijdens de bergtochten die we maakten, speurde ik naar de exclusieve bergbloemen en van elke soort die ik ontwaarde verdween een exemplaar in het boek dat ik in mijn rugzak meezeulde. Het moest vliegensvlug gaan, want de planten die ik verzamelde genoten hoge bescherming en er stonden zware boetes op als je je niet hield aan het strenge plukverbod. Niet alle wandelgenoten zouden me laten betijen, maar zij waren uiteraard niet op de hoogte van het hogere doel dat ik me had gesteld en dat me een absolute vrijgeleide gaf om alles te plukken wat ik nodig had voor mijn verzamelencyclopedie. Terug thuis (in het Vlaamse laagland) keek ik nieuwsgierig of de planten mooi gedroogd waren en ze in mijn flora hun plaats konden krijgen. 
Lokaal cultureel en biologisch erfgoed: ik was actief in een sector die nog niet bestond.

Natuurlijk heb ik de boekjes nog! Jammer dat ik mijn puberhandschrift zo moeilijk kan lezen, maar het lukt wel. Alles zit opgeborgen in rode ringmapjes, drie in totaal en netjes ontsloten en geordend zoals je van een later bibliotheekmens mag verwachten. Met inhoudsopgave, abstracts en trefwoordenregister. Foto’s geknipt uit folders, brochures en verhelderende prentkaarten. En de gedroogde bloemen natuurlijk: Alpenaster, wolverlei, grootbloemige doronicum, voorjaarsgentiaan, grasbladrapunzel, zwarte vanilleorchis, gele monnikskap en veel meer van die zaligheden. Op bladzijde 25 van deel drie vind je het hoogtepunt in het boek: twee gedroogde bloempjes van de Leontopodium Alpinum – Edelweiss voor de vrienden.

Vorige week ging ik voor het eerst na ruim dertig jaar terug naar dat heiligdom van mijn jeugd. Neen, niet met mijn persoonlijke reisgids, die bleef veilig thuis. Alles wat erin staat, ken ik toch uit mijn hoofd. Ik had vijf dagen nodig om mijn wederhelft de geheimen van de streek te tonen (zij was er nooit eerder). Niets was veranderd. Oké: geen muilezels meer, geen klederdrachten, de gletsjers hebben last van de opwarming der aarde… maar verder: dezelfde bergen, dezelfde wegen, dezelfde winkels, dezelfde cafés. Je gelooft het niet: op dezelfde plek als dertig jaar geleden, achter een verloren rotsblok op de flank van de Col de Torrent, floreerden weer twee Edelweisjes. Mijn plukwerk van toen had dus geen blijvende schade en het uitsterven van de soort teweeg gebracht. En neen: dit keer plukte ik de bloempjes niet.

Om al die teruggevonden schoonheid ben ik niet boos op mijn ouders. Maar wel omdat ik vorige week vruchteloos zocht naar mijn grootouders die il y a trente ans trots terugkeerden van een wandeling met een ruiker hoogbeschermde Turkse Lelies. Omdat ik mijn ouders voor me zag terwijl ze in korte broek op de ladders van Cabane Bertol klommen. Omdat ik elke seconde terugdacht aan de leeftijdgenoten die il y a trente ans met me meereisden. Aan ons groepje tieners dat ’s avonds door het bos naar het café La Cordéé trok om milkshakes te drinken (het Tiroler robotorkestje is er nog). Aan de groepstochten die we il ya trente ans maakten naar de berghutten in de streek en aan onze angst voor de verschrikkelijke Yeti. Omdat ik niemand meer kende in chalet Plein Soleil en camping Molignon waar we toen verbleven. Omdat ik niet meer even snel en soepel de bergen bestormde zoals il y a trente ans. Omdat niet meer Bernard Hinault maar Bradley Wiggins de Tour de France won. 

Ouders aller landen, ga niet elk jaar terug naar dezelfde vakantiestreek. Je bezorgt er je kroost een weliswaar legaal maar wel levenslang emotioneel trauma mee.
Volgend jaar ga ik op reis naar Umbrië, de Spaanse Pyreneeën, de Noorse fjorden of de Schotse Highlands. Op geen van die plaatsen kwam ik eerder. 
Maar in 2014 kom ik wellicht terug naar Villaz-La Sage, de mooiste plaats ter wereld.

http://www.youtube.com/watch?v=mROvTael9G4&feature=related

Lees ook mijn vakantieterugblik 2011.


maandag 2 juli 2012

Veel meer dan jezelf

‘Koen D’haene schrijft nu en dan eens wild om zich heen’. Dat is de baseline van deze blog, die niets meer dan wat vrije woordspielerei wou zijn bij dingen onderweg en tussendoor die me boeien of intrigeren. Meer dan ik het zelf wil, wordt het stilaan een dead man’s blog. Na Jonathan, mijn oversteker, Eva en Oscar is er nu Hans. 

Ik wou eerst niet over Hans schrijven. Het klopt nog steeds niet, ook niet drie dagen nadat het overlijdensbericht binnensijpelde. Ik kan het maar niet aan elkaar lijmen: Hans en de dood. Ook nu hij er niet meer is, blijf ik hem associëren met liefde en passie voor het leven. 
Ik weiger om afscheid van jou te nemen, Hans. Kom, laten we een Omer drinken en praten over de dingen die we samen deden.

Vorig jaar in Bourgogne bijvoorbeeld. We hadden afgesproken naast de kerk van het historische stadje Autun. We kwamen terecht in het decor van de opnames voor een Chinese film (het kan ook een Japanse geweest zijn, weet jij het nog?). We dronken eerst een koffie terwijl de Oosterse acteurs en actrices om ons heen liepen en zich even verderop in een caravan gingen omkleden. Het was een mooie dag. We slenterden wat door de nauwe straatjes en over de restanten van een Romeins amfitheater. Je vertelde over wat je de vorige dagen op reis al had bezocht. Weet je nog hoe we lachten omdat je enkele keren een begonnen zin niet kon afmaken? Middenin vond je een woord niet en je begon opnieuw. Tot hetzelfde woord weer niet kwam. Ik gaf je nog een derde kans en je waagde je moedig aan de laatste poging. Maar weer lukte het niet. ‘Nu is het genoeg geweest’, zei ik, ‘zo kan je blijven proberen. Nu vertel ík wel iets, je zal me niet blijven aan het lijntje houden’. We lachten wat af toen.
Op een groot plein maakten we tijd voor een lange babbel met een groot glas wijn. Je vertelde over je joie de vivre tijdens de korte opeenvolgende reizen die je die zomer maakte. Je wou leven en vreugde opzuigen. Want diep binnenin sluimerde de angst. Er stond je een delicaat onderzoek te wachten, enkele dagen later in Leuven. ‘We gaan moeten springen’, zeiden jullie in duet. Een sterk duet. Together waren jullie zó strong. En wij erg stil toen we even later terug naar ons vakantiehuis in de Morvan reden.

Weet je nog vele jaren terug toen we samen naar het Bronx jeugdtheater gingen? Jij werkte als programmator in het cultuurcentrum en je nodigde me uit om mee op prospectie te gaan. ‘Vallen’, naar het jeugdboek van Anne Provoost. Altijd nodigde je mensen uit, je gunde iedereen alles en je wist heel goed waarmee je iemand kon boeien of een plezier doen. Het was een heel mooie voorstelling. Over iemand die valt, lang voor jij wou springen om niet te vallen. Wat ik me ook nog herinner van die prospectieavond… Dat hij ontzettend lang duurde ;-) Omer moesten ze nog uitvinden en ik weet niet wat we toen dronken. Maar ik weet wel dat ik met een heel gelukkig gevoel thuiskwam. Een avond met jou doorzakken leverde boeiende tooggesprekken op. Het is wel eens anders.

Gesprekken over boeken bijvoorbeeld. We wisselden vaak tips met elkaar uit. Ook toen je ziek was, bleef je trouwe klant van de bibliotheek. Om je boeken te kiezen, maar ook om ‘de meisjes’ en ‘de heren’ van de bibliotheek te zien. Een praatje te maken. Je was door iedereen zo graag gezien, Hans. Als je binnen was, ging het als een lopend vuurtje door de wandelgangen. Jij vertelde ons honderduit over wat je deed en meemaakte. En wij waren blij om je te zien en te horen en ondertussen groeide onze bewondering voor zoveel enthousiasme en levenskracht.
Weet je dat je mij eens heel blij maakte? Toen je me zei dat je had moeten denken aan Oosterschelde windkracht 10 toen je mijn Gek van een eiland had gelezen. Verdomme, die heeft dat aangevoeld, dacht ik bij mezelf. Je kan niet denken hoe blij ik was met dat complimentje. Jan Terlouw is de held onder de schrijvers die ik als tiener las en jij plaatste me naast hem op het schavotje. En ja, jij had het en mij goed gelezen. Ik merkte dat je trots was toen ik zei dat het wel een beetje mijn bedoeling was om een gelijkaardig verhaal te schrijven en eenzelfde sfeer op te roepen. En dat jij de enige was die het had gemerkt.

Over muziek praatten we ook natuurlijk, maar daarover had jij zoveel meer te vertellen dan ik. Maar ken je het liedje hieronder? Het past wel bij jou nu, vind ik. Zo levenslustig, ondanks alles. En de muziek... misschien is het wel iets voor je jazz-combo? Ik haal er de contrabas zo uit! Luister maar eens, het applaus op het einde is helemaal voor jou.

Over hoe je ernaar verlangde om weer eens een tijd zonder pijn te leven. Zonder zorgen om nakende onderzoeken. Om je vrouw (je Mieke) en je kinderen niet met die ellende te moeten blijven opschepen. Maar ook over je grote droom die je alsmaar bleef koesteren: na de vakantie (altijd weer de volgende) hoopte je weer les te geven. Wellicht parttime, maar je wou les geven, musiceren, bij je leerlingen en de collega’s zijn, iets doén! Elke week probeerde je binnen te springen in de leraarskamer van je college. Je moet nog altijd eens bij ons thuis langskomen als je naar het college fietst, Hans. Onze woonkamer is nogal veranderd sinds de tijd toen Janne bij ons in de kinderopvang was. Je Janne en je Jitse, je schatten.

Hoe is het met het boek dat je wou schrijven? Ik herinner me nog heel goed de dag toen je het me vertelde. Dat je tussen al die behandelingen door zoveel tijd had om te lezen en onderwijl groeide die schrijfdroom. Ik weet wat ik dacht toen je het zei: dit zou wel eens kunnen lukken. Er zijn er zovelen die me zeggen dat ze ook een boek zullen schrijven, als ze even wat tijd hebben. Altijd weer moet ik de lippen op elkaar houden. Hen niet vertellen dat het er waarschijnlijk nooit van zal komen. 'Heb je al een thema', vraag ik dan voorzichtig. ‘Een thema? Ik schrijf gewoon over mezelf. Wat ík allemaal al heb meegemaakt!’ Dit wordt niets, denk ik dan en ik heb nog nooit een eerste zin, laat staan een eerste hoofdstuk, gelezen van deze would-be schrijvers. Maar toen jij het zei, dacht ik in mezelf: doen Hans! Ik ben er zeker van dat ergens op je harde schijf het begin van een stevige plot en de aanzet voor een mooi verhaal staan. Niet over je eigen leven. In die val zou jij nooit trappen. Je eigen leven is nooit boeiend genoeg om er een boek over te schrijven. Zelfs niet dat van jou. Jij had zoveel meer te vertellen.

Ik heb op mijn gsm een berichtje bewaard van jou. Datum: 30 oktober 2011, de dag na het muziekfestival Chanté. ‘Proficiat aan de Chantéers. Schitterend! (ik heb niet alle nummers maar ’t is voor de vele organisatoren!)’ Misschien best dat je niet alle nummers had, want je zou vast aan elk van hen een bericht gestuurd hebben. Wij waren blij dat je er was, op het podium met jouw Ortierkoor. Jij dacht niet aan jezelf, maar aan het initiatief vol muziek en lawaai waarvoor je zo hard supporterde. Je was zó sterk, Hans.

Tot mijn verrassing bots ik bladerend door mijn inbox nog op een tweede berichtje van je. ‘Wij zitten tussen de Chinese acteurs naast de St-Lazare. We eten iets op terras van Le Lutrin. Tot straks.’ Het is een schitterend vooruitzicht. Tot straks!

https://www.youtube.com/watch?v=VN_LpWDJesk


Tekening: Brecht Carton