Pagina's

woensdag 2 augustus 2017

Wat gaan jullie drinken?

Ik ga graag naar Nederland op reis. Ik hou van het land en zijn bewoners. Bovendien achtervolgt het idee ‘Nederland – Gidsland’ me al mijn hele leven. Dankzij Boudewijn De Groot zijn ook wij gaan fietsen, dankzij Freek De Jonge gingen we strijden voor de natuur, Jan Terlouw leerde ons beter zorgen voor elkaar. En voetballen natuurlijk. Johan Cruyff die het spel even stillegde om zijn ploegmakkers met de wijsvinger aan te geven waar ze moesten gaan lopen. En hen dan vervolgens de bal op de afgesproken plek toespeelde. Die Nederlanders dus. Zij die de woeste zee bedwongen en nieuw land drooglegden.

Maar na tien dagen reizen door achtereenvolgens Gelderland, Friesland en Flevoland is het even mijn beurt om te gidsen. Want niet alles doen jullie, Nederlanders, even vlekkeloos en voorbeeldig.
Ik beperk me in deze bijdrage tot enkele bedenkingen na veelvuldig bezoek aan diverse eethuizen in de genoemde landen in Nederland.

De keuze op de menukaart is gevarieerd en ik heb geen reden tot twijfel aan de kookkunsten van de chef. Op dat vlak hebben jullie de voorbije decennia heel veel achterstand opgehaald. Maar wij, Vlamingen, drinken graag een aperitiefje vooraleer we eten en we krijgen daar graag de tijd voor. En neen, we bedenken thuis niet vooraf, in een breed maatschappelijk debat, wat we gaan drinken als we aan onze tafel in het restaurant gaan zitten. Dat het bij jullie in Nederland allemaal net iets sneller gaat, is ons genoegzaam bekend. Maar geef ons alstublieft een beetje tijd om ons drankje te kiezen. En een drankenkaart graag. 
Hierbij aansluitend: het is niet de bedoeling van ons, Vlamingen, om met één drankje zowel het aperitief, de hoofdschotel en het dessert te doorstaan. Het mag best bij elk van de genoemde onderdelen met een ander drankje. Zo zuinig zijn wij echt niet. Vraag maar op, we bestellen wel iets.
Het was verder ook nogal vreemd toen dat overigens sympathieke tafelmeisje in de gezelligste kroeg van Ameland aan de al even vriendelijke Duitser vroeg of hij een nieuw glas wou voor zijn tweede biertje. Een tweede biertje schenken wij, Vlamingen, in een net glas. Tot mijn tevredenheid hebben ook de Duitsers deze voorkeur. Nu jullie nog.
Tot slot nog enkele kleinigheden. Toch maar oppassen met de naamgeving van de herbergen. In Harderwijk gingen we met veel genoegen eten in een fijne kroeg die nogal Vlaams aandeed, maar ter informatie toch dit: een Vlaamse Griet is niet Dol, maar Dul. En het is ook geen fantastisch idee om een leuke koffieherberg in het erg gezellige plaatsje Nes op het formidabele eiland Ameland de naam ‘Nescafé’ te geven. 

Het kan dus net een beetje beter. Maar volgend jaar ben ik er weer. Hopelijk geven jullie me dan wat meer tijd voor de keuze van een drankje als ik ga zitten. Hoef ik met de ogen dicht niet van de weeromstuit zoveel Heineken of Hertog Jan te kiezen. Of niet elke keer weer een glas Sjaardonnee toegeschoven te krijgen.

zondag 23 april 2017

Gullegem 951

In 2016 werkte ik 'voor het werk' actief mee aan de viering van de 950ste verjaardag van de gemeente Gullegem. Zo voerde ik de reactie van de eenmalige themakrant 'Gullezine' (die twee keer verscheen...) In het afsluitende nummer schreef ik een 'uitzwaai'. Over Gullegem en ik.

Hoe zet je als niet-Gullegemnaar een project 950 jaar Gullegem in de steigers? Je begint met een brainstorm, zoals het hoort. Als ik denk aan Gullegem, dan denk ik aan… De woorden komen vlot: de LVD, de ijspiste, Bergelenput, het VTI, de Meiboom, carnaval, Kokopelli, Hullehem, het Kobbegat, de Pro Mille, de Supra Bazar. En uit die woordenvloed groeit stilaan het plan voor wat ondertussen een zeer geslaagd herdenkingsjaar kan genoemd worden.
In míjn vroegste herinnering is Gullegem de Stock Américain. Ik ging er met mijn ouders wel eens naar toe. ‘De Amerikanen hebben na de oorlog niet alles terug meegenomen en nu kan je de restjes hier kopen,’ grapte mijn vader. Ik snapte het verband met de oorlog niet. In Kortrijk, niet ver van de Menenpoort, was er ook zo’n Stock en daar was het makkelijker: een soldatenpop met geweer in de
aanslag hield de wacht aan de ingang. Ik vond het fascinerend, die soldaat op het trottoir. Ik was nog een kind. Het deed raar toen Gullegem en Moorsele ineens Wevelgem kwamen vervoegen. Ik had liever gefusioneerd met Lauwe: daar woonden maten van het college en meisjes van de meisjesschool. Maar de brug over de Leie was een te groot obstakel voor een geslaagde fusie, werd er gezegd. De wegen tussen Gullegem, Moorsele en Wevelgem waren kaarsrecht en zo plat als een vijg.
Makkelijk voor fietsers.
In de hierop volgende jaren ging ik op ontdekking bij mijn nieuwe dorpsgenoten. Moorsele was meer dan zijn zwembad, zijn vliegveld en zijn voorrang van rechts (dit laatste als een verkeerstechnisch begrip te lezen). 
En Gullegem bleek veel meer dan die Stock Américain.
Plots dook een man die ik van uit de krant kende als de nieuwe burgemeester van Wevelgem op in de tribune van míjn voetbalclub SV Wevelgem. Vreemd, er was toch ook een club in zijn eigen gemeente? Wat moest hij hier? Toch zei ik goedendag en knikte hij vriendelijk naar mij terug. Aarzelend maakte ik in de jaren die volgden de brug die er toen nog niet was. Ik fietste door straten met wonderlijke namen: Bosbolletra, Rommelen, Hemelhofweg, Kleppe Voetweg, Poezelhoek. Ik ontdekte het Kobbegat en vond er een stukje verre wereld nog voor Kokopelli was uitgevonden. Mijn zus kocht een huis in de Pijplap en ik droeg met mijn eigen handen een steentje bij tot de renovatie van het bouwkundig erfgoed van Gullegem. Ik ging vogels spotten in Bergelen, karabijnschieten in De Gouden Bank, schaatsen in Finlandia, fietsen naar Steenbekebos en werken in het bibliotheekfiliaal.
Ik voel me steeds minder een vreemde als ik op Gullegem Platse rondloop. En als aan mij wordt gevraagd wat ik het mooiste plekje van Wevelgem vind, antwoord ik steevast: Bergelen. De ultieme knieval.
Maar een echte Gullegemnaar ben ik ook na het feestjaar niet geworden. Tijdens dat jaar leerde ik ook waarom: ik heb Fiene Boelie niet gekend.

https://www.youtube.com/watch?v=DZkxjNdBars

Lees Gullezine 2
Lees Gullezine 1


donderdag 2 maart 2017

Afscheid van een raam

Van 20 februari tot 6 maart 2017 verbleef ik voor een tweede keer als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem. 
Ik schreef en sleutelde er aan teksten. En ik werd vriend van een schrijver en zijn huis.

Dag Stijn,

Ik ben dan stillekesaan weer weg hé. Dank dat ik nog eens in je fantastische huis mocht vertoeven. Je was een goede gastheer: je liet me gerust en ik jou, zo hebben we het allebei graag.
Ik ben wel blij dat ik me welkom voelde in het Lijsternest. Je bent gene gemakkelijken hé! Maar ik probeerde je leven hier niet al te veel te verstoren. Ik was geen vorte zage, zoals André Demedts dat voor jou wel was. Je joeg me ook niet weg, zoals je mijn vader ooit eens wegjoeg toen hij hier eind de jaren ’60 even halt hield op zijn wekelijkse diensttrip naar Ronse. Je verstopte je ook niet achter een gordijn zodat je de deur niet moest open doen, zoals wel eens gebeurde als alweer een journalist of een biograaf langskwam om je enkele vragen te stellen.

Ik vraag me eigenlijk af waarom je me liet betijen. Misschien omdat ik een klein beetje koersschrijver ben? Zag je in mij een vage opvolger van je vriend des huizes Karel Van Wijnendaele? Hoopte je dat ik na Kuurne-Brussel-Kuurne zou binnenkomen met in mijn kielzog Peter Sagan zoals Van Wijnendaele ooit bij jou op bezoek kwam met de Italiaanse wonderboy Gino Bartali? Bartali was blij dat hij niet al je boeken moest lezen, zei hij, maar jij was evenzeer verheugd dat je al die bergen in Frankrijk en Italië niet moest beklimmen, ook al was je een fietser. En kijk, daar zijn we toch wel een beetje verwant, jij en ik. Ik ga ook graag dretsen met mijn velo en ik hou al evenmin van bergen. Ik rij er ook omheen, stukken makkelijker. Maar ik mag me dit allemaal niet inbeelden, want ik ben op het terrein van collega-resident Patrick Cornillie gekomen. Hij is de koersauteur en hij was hier vorige herfst te gast. Hij zou inzoemen op jouw boek 'Mijn rijwiel'. Wat vond je van de oldtimerfiets die hij meebracht?

Wees gerust, ik heb goed voor alles gezorgd. Je souvenirs, kunstobjecten en prullaria staan er nog. Op je vensterbank heb ik er zelfs nu en dan tijdelijk eentje bijgeplaatst, maar die kleinigheden neem ik straks weer mee naar huis. Er is zo al geen plaats meer bij jou. Het is ook niet min als je meer dan 60 jaar in hetzelfde huis woont. Wat je al niet verzamelt dan!
Ik heb bijna geen boeken uit de kasten gehaald. Nu en dan eens, maar met grote voorzichtigheid en wees maar zeker dat ik ze op de juiste plaats heb teruggezet. Dat mag je van een bibliotheekmens ook wel verwachten. Ik ontdekte geen classificatiesysteem of rangschikking in je bibliotheek. Een beetje per auteur, toch? Hopelijk vind je het niet erg, maar ik heb een D’haene in je leeshoek achtergelaten. Ik weet niet of mijn roman iets voor jou is hoor, je ziet maar of je tijd vindt om hem te lezen.
Ik heb verder je bad niet gebruikt, slechts heel uitzonderlijk je toilet en een keer ging ik voor een foto op je bed liggen. Ik at nooit in je keuken en maakte er geen eten klaar. Ik ging nauwelijks in je leeszetels zitten. Vanavond at ik in de zon op een bank in je tuin, maar die was vast niet van jou? Ik tikte verder niet op je AEG-schrijfmachine, speelde niet op je piano, rookte je pijp niet, schoot niet met je revolvers, trok niet aan het touw van je torenklokje. Ik deed wél eens je hoed aan … maar hij hangt er weer terug, niemand die het ziet.
's Avonds als het pikkedonker en muizestil was in je huis en ik de vreemde geruchten hoorde, ging ik wel eens aan je mooie tafel in je mooiste plaats zitten. Dan las ik in 'Dag Streuvels' van Hedwig Speliers en leerde ik je wat beter kennen. Sommigen zijn boos op Speliers, las ik ondertussen. Tja, er staan passages in die vreemd lijken. Dat je niet vooraan in de kerk wou zitten omdat je de pastoor niet wou behagen. Maar sommigen zeggen dat je liever achteraan zat om de mensen te observeren en te kiezen als personages voor je boeken. Die speelden zich toch in de streek af, dus waar kon je hen makkelijker op het spoor komen dan in de kerk, met hun zondagse kleren aan? Elders zag je hier geen kat. Kwatongen beweren zelfs, nog altijd volgens Speliers, dat je achteraan ging zitten om naar de jonge meisjes te kijken. Ook die had je nodig voor je boek, toch? Je had nu eenmaal een fotografisch oog. En waar kon je de Mira's uit de Waterhoek en elders beter bekijken dan achteraan in de kerk? En als het niet voor je boeken was … et alors? Heb je Mitterand nog gekend eigenlijk?

Ik hoop dat je het niet kwalijk neemt, maar ik heb ook je vrienden opgezocht. Ik weet dat je veel aan hen had. Je vond Ingooigem verder een van de banaalste dorpen om in te wonen. Je houdt je ook niet in, jij. Het waren wel je buren hé!
Maar ik botste op Hugo Verriest in zijn statige pastorie en zijn pompeuze ouderlingenhuis. Kunstschilder Valerius De Saedeleer: het wordt echt tijd dat hij zijn huisje opknapt, anders verzakt het in de Tiegemberg. Ik ontmoette dorpsschrijver Torie Mulders aan zijn kapelletje, de ene keer vanuit Tiegem en de andere keer vanuit Ingooigem. Dorpsschilder Staf Stientjes kwam ik ook tegen in zijn lusthof ’t Vossenhol. Waar woonde Gustave Van de Woestijne eigenlijk? Op de Tiegemberg, las ik. Maar vanuit je raam bekeken is dat wel een immense berg, hoor! Wat is dat overigens een vreemd verhaal van die molen van Torie Mulders! Hebben ze die echt in brand gestoken voor de opnames van een film? Ik ken molenliefhebbers die het jullie kwalijk zouden nemen. Het armtierige prentje van de molen gaf je een plaats aan een muur in je nest. Je kreeg toch geen spijt?
Je miste hen hé, de laatste jaren van je leven. Al die vrienden-kunstenaars-geestegenoten bij wie je zo graag langsging. ‘Als ik de blik laat gaan over de streek, is er niets meer dat mij aantrekt: vrienden en kennissen die ik er vroeger wonen wist zijn weg of gestorven, geen posten meer om bezoeken af te leggen. Ik kan er alleen nog aan denken hoe het geweest is.’

Ach, ik hoop maar dat je mij geen onaangename huisgenoot vond. Ik zei niet veel en deed in stilte voort. Ik zorgde goed voor je huis, ook toen die Franssprekende klusjesmannen en overenthousiaste schoolkinderen eens langskwamen. Haha, een jongen dacht dat ik Stijn Streuvels was! Ik liet mijn ouders binnen en zij bleven een hele tijd tussen de boeken zitten. Het mocht toch wel hé? Je bent in de jaren ’60 niet erg vriendelijk geweest tegen mijn vader. Het was nochtans uit bewondering voor jou hoor dat hij even halt hield aan het Lijsternest!
En ach, nu ga ik jou en je vrienden op mijn beurt missen. Ik ging nog even langs, vanavond. Langs het huis van kapelaan Verriest, het kapelletje van Torie Mulders, de stulp van De Saedeleer. Zondagmiddag ga ik met mijn vrouw en kinderen eten in Stientjes’ Vossenhol. Daarna ga ik nog een laatste keer aan je raam zitten. Het panoramische raam van schrijver Stijn Streuvels. Want daar heb ik, de vorige twee weken en de afgelopen twee jaar, met de goedkeuring van het Provinciebestuur en een vrijgeleide van Passa Porta, uren en uren gesleten. Daar kon zelfs jij me niet weghouden. Sorry als het je pijn deed.

Heel veel dank voor je gastvrijheid, Stijn! Wees gerust, ook al vertoeft residentieverantwoordelijke Tom hier bijna elke dag, lopen in de zomer de toeristen je deur plat en neemt in de winter de ene na de andere schrijver je raam en je huis even over: het Lijsternest blijft altijd van jou. Op je klijtkop ‘leef en heers je’ voor eeuwig ‘als een koning te rijk’. Van hier op de hoogte gaat ‘alleen jouw blik over de vier windstreken’ en mag je ‘tot op het einde der tijden de wereld overschouwen’. ‘De blijdschap, de jubel in de ziel en het bovenmenselijk geluk om elke morgen van hier uit de zon te zien opstijgen en de blik te laten scheren over een oneindige ruimte’ zijn voor eeuwig van jou. Jij bent voor altijd The Lord of the Hill.

https://www.youtube.com/watch?v=U2no4xBL-zc



zaterdag 19 maart 2016

Inspiratiegeld

‘Hoe lang schrijf je aan een boek?’ vragen jongeren me vaak tijdens lezingen in scholen en bibliotheken. Ik geef dan altijd twee antwoorden. Het eerste antwoord is: vier weken. Het tweede antwoord is: vijf jaar. Zo leg ik hen het verschil uit tussen het langzaam groeiende verhaal in mijn hoofd en de snelle schrijftijd aan mijn computer. Ik  schrijf elk boek eerst in mijn hoofd. Als het klaar is, moet ik het alleen nog tikken. Ik kan nogal snel tikken. En hard, weten zij die wel eens in mijn buurt zijn als ik aan het tikken sla.

Aan ‘IJs’, mijn eerste roman voor volwassenen, heb ik mijn hele leven gewerkt. Zo lijkt het toch. Net als vele andere auteurs bazuin ik rond dat mijn verhalen niet autobiografisch zijn, maar dat ze toch altijd weer over mezelf gaan. Herinneringen,  locaties, anekdotes, belevenissen en ontmoetingen uit het leven achter mij verzeilen altijd in mijn werk. Heel veel vakliteratuur is nog niet aan mijn werk besteed, maar in de recensies en voetnoten die over mijn boeken verschenen, treedt een woord op de voorgrond:  engagement. Ik ben er blij om dat de recensenten dat hebben opgemerkt. Vrijblijvend en lichtvoetig zijn mijn jeugdromans en kinderboeken inderdaad niet. Zij die aandachtig mijn boeken hebben gelezen, zal het echter ook al zijn opgevallen dat ik ook een eeuwige nostalgicus en hopeloze romanticus ben: mijn verhalen bulken van weemoed en heimwee.

In ‘IJs’ moet het engagement het afleggen tegen de nostalgie. Oh ja, in de roman trek ik zijdelings even ten strijde tegen onmenselijk en onzinnig personeelsbeleid. En ja, de hypernerveuze en zichzelf voorbijsnellende jonge gezinnen krijgen een veeg uit de pan. En omdat het hoofdpersonage een lerares in een middelbare school is, komen wel eens wat cynische of rebelse commentaren op het onderwijs op de lezer af. En hoofdpersonage Mats draagt in 1985 een T-shirt met een rode zon op een gele achtergrond. Nuclear Power? No thanks! Even later scandeert hij We want you, Daniela! tijdens een studentenbetoging. Wie herinnert zich overigens nog onderwijsminister Daniel Coens?
‘IJs’ is een onconventionele misdaadroman. Er treden geen verzuurde flikken, drankverslaafde rechercheurs, autistische inspecteurs of flirtende procureurs op de voorgrond. Oh ja, er worden moorden gepleegd en complotten gesmeed. Sublieme moorden en venijnige complotten zelfs. Maar de roman is vooral een relatieroman – zoals elke roman waar vrouwen en mannen, of vrouwen en vrouwen, of mannen en mannen in optreden.
Voor mezelf is de roman evenwel een wandeling in Nostalgica. Heimwee naar fantastische zomervakanties met families vol leeftijdsgenoten in een wonderlijk stukje Zwitserse Alpen. Heimwee naar heuglijke studentenjaren in de Brusselse Marollen (‘Ooit zal ik deze eenzame avonden in de diepe onderbuik van Brussel hard missen,’ hoor ik mezelf als 20-jarige nog denken). Heimwee naar de eerste lerarenjaren. Heimwee naar raclettekaas, naar Rock Torhout, naar Joe Jackson, naar de Falstaff, naar Vamos a la Playa, naar de Cabane des Aiguilles Rouges, naar Veerle, naar Claudia Cardinale. Heimwee naar Christal Alken in de jeugdclub en naar Algerijnse wijn van de wereldwinkel. Heimwee naar neen aan de kernraketten en naar ik wil werk werk werk.
De zomer van 1984  (nu word ik helemaal en echt Nostalgie - de radio dan)  was de zomer van mijn leven. De tijd zonder morgen, de zomer zonder zorgen. Living for the day, worries far away.
Ook in ‘IJs’ beleven de hoofdpersonages de zomer van hun leven. Een zomer die hun hele leven blijft achtervolgen. Net zoals ik me die zomer nog haarfijn herinner. Ik haast me evenwel om dit hieraan toe te voegen: ik heb geen moorden gepleegd of complotten gesmeed. Never. Op een bepaald moment houdt de werkelijkheid op en begint de fantasie. Bij de eerste moord dus.

‘Je bent me nogal wat inspiratiegeld verschuldigd,’ zei Veerle van de zomer van 1984 me onlangs.
Ze heeft een punt. Auteurs maken al vele jaren flink amok omdat ze voor hun literaire werk onvoldoende gehonoreerd worden en omdat ze vaak buiten hun weten worden geciteerd, gespeeld, opgevoerd en gekopieerd. Auteurs staan al jarenlang op de barricaden omdat ze onvoldoende gehonoreerd worden voor de ontleningen van hun werk in openbare bibliotheken. Maar naast dit auteursrecht en leenrecht moet dringend ook een inspiratierecht worden ingevoerd. Ik wil hierbij een pleidooi houden voor een wettelijke regeling hieromtrent.
Vrienden, liefjes en minnaressen uit vervlogen tijd: neem de strijdbijl op. Jullie hebben recht op een billijke vergoeding voor de fantastische ervaringen die jullie lang geleden deelden met de schrijvers van nu.

IJs verscheen in juni 2016 bij uitgeverij LetterRijn.

https://www.youtube.com/watch?v=-mMd6D1Gw1g

zaterdag 6 februari 2016

Hij heeft gezegd

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem.
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Zaterdag 6 februari

Als dit zo doorgaat, word ik toch nog een Streuvelskenner. Je kan niet blijven schrijven aan dat raam, dus sta ik nu en dan eens op en kuier door het huis, laat mijn ogen over de boekenruggen glijden, bekijk de vele prullaria, de schilderijen van Albert Saverys en Valerius De Saedeleer, de foto's van Streuvels, het meubilair van De Coene. Er is een tablet met een digitale rondleiding, maar die bekeek ik nog niet. Eerst wil ik het zelf ontdekken. Streuvels achterna, want ook hij 'en kostert in geen kapelletje, voelt tegenover niemand enige verplichting, en brengt zijn werk ter markt wanneer hij 't goedvindt'.
Ik snuister in de vele Streuvelsiana die het huis biedt. Ik bestudeer het met de jaren groeiende grondplan en word, met Streuvels, 98 jaar. In boeken, tijdschriften en biografieën maak ik kennis met de man van dit huis. Ik beleef zijn euforie en levensvreugde als hij in zijn Lijsternest komt wonen en ik voel de gelatenheid en de berusting van de erg oude man in het droomhuis van weleer. 

Toen hij pas in zijn Lijsternest woonde...
'Ik wandelde er door de kamers boven en onder als op een ontdekkingstocht; ik hoorde er vreemde geruchten en kreeg er voor 't eerst het onbekende de gevoel dat het alles en voor altijd van mij was - iets dat ik zelf uit het niet had opgewekt en verwezenlijkt - de aanvang van een nieuw bestaan - de eerste, blanke bladzijde van een onbeschreven boek. Van uit deze uitkijkpost zou ik nu het wisselende spel der seizoenen kunnen nagaan en er de mensen die er in leefden aan 't werk zien'.
In zijn huis op de heuvel kon de schrijver ongestoord zijn weg gaan, ontslagen van alle drukkende controle en lastige bemoeienis, 'leven en heersen als een koning in zijn rijk'.
Toen hij ouder werd...
'Vandaar liep het gesprek op het moeilijke van de toestand voor artiesten die aan de middelbare leeftijd gekomen, zich te oud voelen om met de moderne strekking mede te gaan, - die niet geloven aan de nieuwe leer, en 't vertrouwen in de hunne verloren hebben, - dezulken vegeteren, geraken uit de circulatie'.
Hij dacht met nostalgie terug aan de heroïeke jeugdjaren: 'We zijn geen knoeiers geweest ... we hebben deugdelijke waar op de markt gebracht'.

Hier en daar bots ik op een citaat dat mee het beeld van de norse en onvriendelijke oude man hielp verbreiden. Dit had hij bijvoorbeeld beter niet gezegd: 'Het toeval heeft gewild dat ik 't grootste deel van mijn bestaan heb doorgebracht op het banaalste dorp dat men uitdenken kan.' En dat hij ernaar verlangde om zo snel mogelijk de maanden van verliefdheid achter de rug te hebben en weer als gewone man aan het burgerleven te kunnen deelnemen, was niet bepaald Alida-vriendelijk. Zijn collega-literatoren, met wie hij nochtans vrij goede vriendschapsbanden had, kregen er ook eens van langs: 'Ik heb zopas een paar boeken gelezen, La Peste van Camus en Christus wordt opnieuw gekruisigd van die Griek. Hewel ik doe daarbij de overtuiging op dat heel ons zootje Vlaamse literatuur bestaat uit pretentieuze dilettanten. Wat hebben wij aan te bieden in de vreemde dat zij niet honderdkeer beter hebben?' Voilà, zeg dat Streuvels het gezegd heeft.

Ik geef vaak auteurslezingen in scholen en bibliotheken en tijdens de vragenronde komt altijd de vraag: 'Hoe lang duurt het om een boek te schrijven?' Ik weet dat de vraag komt en ik knoop er een vrij uitvoerig antwoord aan vast, dat het jonge publiek laat kennismaken met de werkmethode van een schrijver. Altijd een succesmoment in de lezing, zowel bij leerlingen als leerkrachten. Inleidend verras ik hen eerst met twee antwoorden. 'Het eerste antwoord op je vraag is: vijf jaar. Het tweede antwoord op je vraag is: twee maanden'. En dan leg ik die contradictie breedsprakerig uit.    
Dit zal ik hier niet doen, maar ik laat een laatste keer Streuvels aan het woord. Ik botste zonet op een citaat, dat kan dienen als antwoord op de vraag van leerlingen tijdens een auteurslezing anno 2016: 'Als ik me neerzet aan mijn schrijftafel, is het grootste deel van mijn werk al volbracht. Gedurende vier, vijf, zes jaar soms, is heel 't plan samengevoegd, veranderd, bewerkt geworden. Wanneer het dan beslissend af is, werp ik het neer op papier. Het is overdacht, gerijpt, de geestelijke arbeid voleindigd; er blijft maar de stoffelijke opbouw over. Dat duurt niet lang. Ik schrijf heel snel: mijn handschrift is meestal bloot van doorhalingen. De 'zin' heb ik geschapen tegelijkertijd met de persoon en hij vloeit uit de pen genoegzaam bewrocht.'



donderdag 4 februari 2016

Karel

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem.
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Donderdag 4 februari

Ik vermoed dat ik in het jaar 1977 voor de eerste keer zelf een boek kocht met mijn schaarse zakgeld. Dat boek kocht ik op de jaarlijkse boekenbeurs van mijn middelbare school. Ik kocht toen Kroniek van Stijn Streuvels, een vrij iconisch boek van Luc Schepens, dat voor de verdere studie van leven en werk van Streuvels onmisbaar bleek. Het boek verzamelt schijnbaar losse berichten, kleine anekdotes en snelle aantekeningen uit het leven van Streuvels, aangevuld met al even lukrake foto’s en willekeurige kaartjes en notities. Ik las het boek toen vermoedelijk min of meer in den duik, want je loopt er als twaalfjarige niet mee te koop dat je een boek over Stijn Streuvels hebt gekocht en dat ook nog eens leest!
Ik heb het boek meegebracht naar het Streuvelshuis – al was dat niet nodig, je vindt het hier ook rondslingerend in het huis. Thuis heb ik het boek onlangs een betere plaats in mijn persoonlijke bibliotheek gegeven (dat wil zeggen: het verhuisde van mijn bureau boven naar de woonkamer beneden). Na 40 jaar bedenk ik dat het misschien wel dat boek is dat me tot liefhebber der letteren, liefhebberend schrijver en, jawel, resident van het Streuvelshuis heeft gemaakt.

Ik heb de Kroniek ook opnieuw gelezen en botste al snel op de naam die ik me nog herinnerde van mijn lectuur in 1977. Een naam die heel veel opduikt in het boek en dus ook in het leven van Stijn Streuvels: Emmanuel De Bom. Streuvels schreef er voortdurend brieven naar, vroeg hem om raad, deelde vreugde en verdriet met hem. Geen boek of artikel verscheen vooraleer De Bom om raad werd gevraagd. De Bom – bibliothecaris in Antwerpen en zelf een begenadigd maar helemaal vergeten romancier, biograaf en essayist – was ook vaak te gast in het Lijsternest en maakte boottochtjes en reisjes met Streuvels. 
Hun vriendschap moet best bijzonder zijn geweest. Zijn eerste brief aan Emmanuel De Bom schrijft Streuvels op 13 juli 1896. ‘En nu we eens kennis gemaakt hebben voel ik wel trek U eens heel en gans te zeggen wie ik ben’. Daarna volgt met grote regelmaat een vloed aan brieven: ideeën voor nieuwe boeken, een publicatieplan, de keuze van de drukker, voorstellen voor artikelen en vertalingen, vragen om advies.
Bijzonder is dat De Bom niet nalaat de jonge Streuvels ook spontaan de weg te wijzen. Zo schrijft de wijze bibliothecaris op 28 juli 1896: ‘En om nu eens iets te zeggen dat me lang op ’t hart ligt, maar waarvoor ik gewacht heb tot ik vermoeden kon hoe gij mijn aanbod zoudt opnemen: Kom tot ons, beste kerel, kom tot ‘Van nu en straks’. Niets zal u daar binden. Gij kunt geheel u zelf zijn … We hebben behoefte aan een fris en open talent, en dat zijt gij.’ En Streuvels kwam tot hen, zeer tegen de zin van nonkel Guido, die op 5 oktober 1897 met de bisschop van Brugge sprak over hoe ze Frank Lateur weer uit die vrijdenkersbende konden krijgen.  
De Bom had nog meer goede raad voor de rijzende ster der Vlaamse letteren. Op 16 oktober 1896 schrijft hij: ‘Dat ge van de tijdschriften-lectuur gaat afzien verheugt me. Dat kan u niets dan goed doen. Intussen kunt ge Goethe en Shakespeare lezen.’ En op 8 november 1897: ‘Nu een voorstel, waaraan ik reeds lang denk. Hebt gij geen lust uw novellen te verzamelen en onder de titel ‘Lente’ b.v. te laten uitkomen onder de beminnelijke hoede der gemeenschap? Ge zoudt daarin alles verenigen wat u ’t beste denkt…’
Streuvels had De Bom nodig in het begin van zijn schrijverscarrière.
Lezend in de kroniek en snuffelend in de briefwisseling met De Bom, verzeilden mijn gedachten zopas bij hen die mij op weg hielpen. 

Het script van wat even later mijn eerste jeugdroman De hel in New York werd, verzeilde via een uitgeverij op de leestafel van Ed Franck. ‘Of ik even bij hem wou langsgaan,’ klonk het aan de telefoon. Trots, maar ook met lichtjes knikkende knieën, ging ik naar mijn afspraak met de door mij bewonderde auteur. In zijn keuken, terwijl hij een spiegelei bakte voor ons twee, fileerde hij mijn script. ‘Een erg sterk verhaal,’ zei hij, maar verder bleef er niks goeds meer van over. ‘Je zou het ook anders kunnen vertellen,’ zei hij. En toen zette hij me op weg om hetzelfde verhaal met parallelle verhaallijnen te vertellen. 
Een goddelijke ontmoeting voor mijn debuut als jeugdauteur, die omelet ten huize van Ed Franck.

Vertoevend in dit huis van bewondering wil ik een tweede standbeeld oprichten. Tijdens de publieksvoorstelling van De hel in New York (met parallelle verhaallijnen, uiteraard) voerde Karel Verleyen de gelegenheidstoespraak. Op zich betekent dat niks, want in die jaren kwam Verleyen vaak op de proppen met toespraken allerhande. Maar het is een mooie intrede als een monument je publiekelijk welkom heet in de club.
Ik kwam Karel Verleyen vervolgens vaak tegen onderweg. Ik hoorde zijn ergernis na een theatervoorstelling van Tom Lanoye, ik hoorde hem auteurs interviewen op de Boekenbeurs, we dronken samen een Belgische pint op de Vlaams-Nederlandse kinderboekendag in Baarle-Hertog, ik ontmoette hem tijdens lezingen en voordrachten. Op een keer vertelde hij me hoe trots hij was dat er eindelijk een roman voor volwassenen van hem zou verschijnen (Taurus). Signerend naast hem op de Boekenbeurs vertrouwde hij me toe dat de vrouw die net een boek van hem liet signeren, een oud lief van hem was. En het verhaal dat er bij hoorde...! Ik verwerkte het als verborgen knipoogje in mijn jeugdboek Gek van een eiland (p. 71). Karel en zijn eerste lief!
Ik ben er zeker van dat Karel en ik brieven naar elkaar zouden hebben geschreven als het wiel en de mail nog niet waren uitgevonden.
Ik denk nog wel eens aan Karel Verleyen. Hij was zo overweldigend in de wereld van de jeugdliteratuur op het einde van de vorige en het begin van deze eeuw. Hij schudde met het grootste gemak elk boek dat hij wou schrijven uit zijn mouw. Speels en grappig of ontroerend en aangrijpend, het maakte niet uit. Hij vertelde even makkelijk, inspirerend en enthousiasmerend over zijn werk. En hij liet niet na om mij, en ongetwijfeld vele anderen, te bevragen over nieuw werk. Met een schouderklopje als deugddoende aanmoediging.
Plots was hij er niet meer, hij overleed vrij onverwachts in 2006 na een strijd tegen kanker. Er kwam een einde aan de vloedgolf van boeken. De uitgeverij kwam nog met wat postuum werk op de proppen, er werden boeken heruitgegeven, er werd een jeugdboekenprijs met zijn naam opgestart. Maar de Vlaamse jeugdliteratuur was een van haar rotsen in de branding kwijt.  

In de Kroniek van Stijn Streuvels staat bij 14 april 1953: ‘Dood van Emmanuel De Bom’. Op Wikipedia lees je dat Karel Verleyen overleed op 18 november 2006. 

https://www.youtube.com/results?search_query=you+tube+kandahar

Lees ook: Hij heeft gezegd.