Pagina's

zaterdag 3 augustus 2019

Achterop de fiets

Deze zomer planden we weer eens een rondje Nederland en schrijver Jan Wolkers was hierbij onze gedegen gids.

Het begon in Haarlem – heel fijne stad en wat zijn die hofjes charmant. De hele binnenstad is er autovrij en dat lukt wonderwel (ineens snapte ik niet dat het in pakweg Gent en Brugge zo moeilijk lijkt om auto’s uit de stad te weren). En of er gefietst wordt! Van op ons terras aan het stationsplein zagen we één lange file fietsers in de meest verscheiden vormen en genres voorbijrijden. Een lust voor het oog. Dat waren ook de vele vrouwen en meisjes die in amazonezit achterop de fiets van hun vriend zaten en vrolijk en vrij over de klinkers peddelden. Het mag vast niet meer bij ons. Dat regeltje schrappen we dan wat mij betreft zo snel mogelijk uit het wetboek.
De Hollandse meisjes achterop de fiets deden me prompt aan de iconische fietsscène in Turks Fruit denken. Zo schreden Rutger Hauer en Monique van de Ven door Amsterdam, even onbekommerd en vrolijk als het begeleidende deuntje van Toots. Onderwijl scharrelde lefgozer Erik een ijsje uit de handen van een brave man terwijl hij zijn Olga – dat mistige rooie beest – slingerend, uitdagend en onveilig door de stad voerde. Zo fiets je dus in Holland – toen en nu nog.
Mijn gemijmer won aan kracht toen we in de Kruisweg een zaak opmerkten met de naam Turks Fruit – wat ze er verkochten, kon ik afleiden uit de pittige kruidengeur die even verder de straat binnen waaide.

Die doordringende kruidengeur liet ons niet los toen we een dagje naar Amsterdam gingen. Het was een slecht idee vanwege veel te warm, maar ik wilde de grachtengordel nog eens zien, ik wilde as a hippie in het Vondelpark wandelen, op de Dam staan, slenteren door de Jordaan, flaneren op het Museumplein en op het Spui een blik wisselen met het Amsterdamse Lieverdje. En uiteraard: boekhandel Athenaeum binnengaan en snuffelen tussen véél en ándere boeken. Ik deed het allemaal, de verstikkende zon en de bijzondere kruidengeur nam ik er graag bij. 
En toen, in de Kalverstraat, sijpelde het bericht binnen. ‘Acteur Rutger Hauer is op 75-jarige leeftijd overleden’. Het kon niet anders of dit zou een schok geven in hartje Amsterdam. Ik keek naar de mensen om me heen, maar niemand gaf een krimp. Ook de meisjes bleven gewoon achterop de fiets zitten, geen één die haar man als stil eerbetoon wat steviger vastnam. In de boekhandel ging ik op zoek: in een verloren hoek vond ik de 576ste herdruk van Turks Fruit. Het leven ging voort. In een bericht in De Telegraaf vertelde actrice Willeke van Ammelrooy dat zij Hauers eerste grote liefde was. ‘Toen ik achterop de fiets zat bij Hauer sloegen de vonken over.’ Zekerheden.

Na Haarlem en Amsterdam reisden we naar Texel, het eiland van Turks Fruit’s Jan Wolkers. Wolkers kwam er in 1980 samen met zijn muze en echtgenote Karina wonen en schrijven en overleed er in zijn slaap op 19 oktober 2007. In 1971 verbleven hij en Godfried Bomans om beurt drie weken op het onbewoonde eiland Rottummerplaat. Bomans werd er gek en vluchtte weer naar de stad, Wolkers was gek van de Wadden en ruilde Amsterdam voor Texel. Hij ging er wonen in een bungalow aan de rand van de bossen op de Rozendijk. Hij genoot er van het uitzicht op het Texelse Oude Land en dat heerlijke witte kerkje met zijn schuine toren. Wij verbleven in het stille Den Hoorn in een omgebouwde schapenboet in de Hoge Achterom en genoten er ’s avonds op ons terras, het mooiste van het eiland, van hetzelfde oude land en witte kerkje en van de zon die ‘bloedrood onderging in een orgie van kitschwolkjes’, lezend in Kamer in Oostende en dromend van Hollandse meisjes achterop de fiets. Toen en nu nog altijd.
We huurden een fiets om over de Eierlandse duinen te fietsen, want ‘daar is de zee groen en geel en roze. Een voorwereldlijk angsttafereel’, schreef Wolkers. Ik stelde voor om slechts één fiets te huren, maar dat kon niet. De fietsverhuurder was kordaat: ‘niet met de fiets op het strand en slechts één persoon per fiets’.
Ongehinderd penetrante kruidengeuren verspreiden mag, maar je vrouw achterop de fiets: dat dan weer niet.

https://www.youtube.com/watch?v=BF5-qHKGtWY


donderdag 31 januari 2019

Iemand moet het doen


‘Ga je nu ook gedichten schrijven,’ vroeg een vriend toen ik hem vertelde dat ik eind januari een week mocht resideren in ‘Het Huis van de Dichter’ in Watou. ‘Natuurlijk ga ik geen gedichten schrijven, zei ik, ‘daarvoor moet je toch een dichter zijn?’
Ondertussen schreef ik fictie voor kinderen, voor jongeren en voor volwassenen, biografische teksten en essays over West-Vlaamse schrijvers, twee toneelteksten en allerlei gelegenheidswerk, maar van gedichten blijf ik af. Daarvoor mag je veel te weinig woorden gebruiken en dus laat ik het over aan specialisten ter zake.

Gwij Mandelinck is zo’n specialist ter zake en in zijn huis mag ik met de goedkeuring van Passa Porta (en van de nieuwe eigenaars natuurlijk, want dit is een prima vakantiewoning geworden) een weekje verblijven. De naam van het huis moet ik erbij nemen en ik maak me er niet druk om: ik schrijf proza, basta.
Maandag ging ik bij aankomst op het Watouplein met lichte schroom voorbij het silhouet van Hugo Claus in de richting van mijn tijdelijke verblijfplaats en liet met dezelfde schroom de bel van het huis rinkelen. Ik wist wel dat Gwij zelve al lang niet meer in zijn huis woonde, maar toch. Je wist maar nooit. Maar een ongelooflijke rust maakte zich van me meester toen de nerveuze huisbewaarster de deur opende. ‘U bent de schrijver?’
Die was ik en ik liet me vervolgens de geheimen van het huis tonen, zoals daar zijn: hoe werkt de microgolfoven, waar zijn de tellers van het gas en het water, hoe werkt de thermostaat, waar hangen de sleutels en waar zijn de badkamers? Ik luisterde met een half oor (wat in mijn geval nogal precair is, want met mijn rechteroor hoor ik zo al niet veel) en toen ze ineens vroeg of er nog vragen waren, vroeg ik alleen naar de wifi. Ik kon haar toch niet vragen wie op de foto in de gang de derde man was op de bank achter dewelke Gwij Mandelinck trots poseerde. Claus en De Coninck had ik en passant meteen herkend, Kopland moest ik even verifiëren als de vriendelijke mevrouw de deur achter zich had dichtgetrokken.
Na een snelle verkenning van het huis wandelde ik naar het dorp. Tot mijn groot jolijt hadden de twee bakkers er onlangs de brui aan gegeven, waren de supermarkt en de slager dicht, evenals de friture, en gaven de vermaarde gastronomische topzaken rond het befaamde plein niet thuis. Ik voelde me een feestelijk verliezer, om het te zeggen met de woorden van Luuk Gruwez die naast me op de muur waren geplakt. En dus was er alleen nog koffie uit het apparaat waarvan de vriendelijke huisbewaarster me de werking had uitgelegd.

Wat ik hier schrijf, hou ik zoals het een schrijver betaamt, geheim. Het liedje dat je hieronder kan beluisteren, vertelt niets over de aard van het verhaal-in-wording, hoogstens is er een heel kleine vingerwijzing waarvoor je wel erg ingewijd moet zijn om die te vatten. Luister anders gewoon naar het mooie lied van de zwaar onderschatte Hans Mortelmans. En misschien ontdek je in latere tijden het verband tussen een boek en een lied.

Ik vraag me af of Gwij Mandelinck geïnteresseerd is naar wie in zijn schrijvershuis resideert. Mij kent hij uiteraard niet zoals hij er absoluut ook geen weet van heeft dat hij mij ooit mee binnenloodste in de wondere wereld van de bibliotheken. Toen ik in het jaar 1985 de ‘Leergangen tot het bekomen van de Akte van Bekwaamheid tot het houden van een door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde Openbare Bibliotheek’ volgde, kregen we les van ene Guido Haerynck, bibliothecaris in Poperinge en dichter in Watou (maar dat laatste was een goed bewaard geheim). Ik vermoed dat hij het vak ‘Beschikbaarstelling en inlichtingenwerk’ doceerde. Weinig poëzie in de cursus, daarvoor was de naam van de opleiding veel te lang. Ik heb het altijd eigenaardig gevonden dat ik in de jaren die volgden, toen ik vaak bijscholingen, studiedagen en cursussen moest volgen en veel collega’s ontmoette, nooit meer Guido Haerynck op mijn pad trof. Dat hij professioneel bibliothecaris was, leek ineens ook een goed bewaard geheim.

Maar omwille van zijn vak, zijn huis, zijn zomers en zijn gedichten kreeg ik een bijzondere waardering voor de man. Ik liet hem figureren in mijn historische jeugdroman Ketters van de Kemmelberg, maar dat zal voor hem misschien ook een goed bewaard geheim blijven.
Op pagina 182 verwondert het hoofdpersonage Walram zich over het vreemde gedrag van een bendegenoot als hij in de omgeving van Watou in de bittere kou bang en paniekerig uit de klauwen van de Spaanse inquisitie hoopt te blijven. ‘Zeg Mandelinck, is dit nu wel het goede moment om met mooie verzen voor de dag te komen?’ De man kijkt hem alleen even aan en zegt dan: ‘Och, ik was alleen geïnspireerd door deze lege plek’. De bendegenoten worden niet vrolijk van zijn vreemde verzen. ‘Komaan, we kunnen hier niet blijven, op die lege plek van jou. Het is tijd om opzij te kijken. De verte is nabijer dan ze ooit was!’ Ik geef toe, het was ver gezocht die spielerei met titels van voorbije poëziezomers. Maar ik vond dat vluchtende ketters en wild om zich heen schoppende geuzen ook toen al niet zomaar door Watou konden lopen.

En dan slaat het vlakbij op de kerktoren met ingezakte spits ineens tien uur, het is aardedonker en muisstil in mijn tijdelijk ballingshuis en de paniek slaat toe. Morgen is het Gedichtendag en net nu verblijf ik in het poëziecentrum van de (Vlaamse) wereld in het ‘Huis van de dichter’. Ik voel me dichter van dienst en op mij rust ineens een verpletterende verantwoordelijkheid. Dit kan ik niet zomaar aan mij laten voorbijgaan, maar woorden schieten me te kort.
Door helse schrik bevangen ga ik bladeren in de monografie over Gwij Mandelinck die in 1989 verscheen in de reeks van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (good old VWS!). ‘Mandelinck vestigt zich in 1979 definitief te Watou in de oude kapelaanswoning, een doodstil huis, het laatste van het dorp, vlakbij de Frans-Belgische grens,’ staat er.
Ik heb het boekje en zijn biografie als een bezetene maar met bijzondere aandacht gelezen. Binnenin staan enkele foto’s. ‘In de stilte van de ex-pastorie van Watou,’ luidt het onderschrift. Ik kijk naast me: daar is die foto gemaakt, Mandelinck zit op de plaats en in de zetel waar ik me de voorbije dagen tussen het schrijven (en het wandelen) door onderdompelde in Bart Van Loo’s fantastische Bourgondiërs (ik zou boos op hem moeten zijn, zijn boek hield me veel te lang van mijn schrijftafel. Maar de zetel zat makkelijker dan de harde stoel).

Om de paniek van Gedichtendag met een goed gevoel te bezweren, geef ik Gwij Mandelinck het laatste woord. Hij vertelde aan Rudolf van de Perre waarom hij vooral is aangegrepen door de fascinatie van de stilte in de Westhoek:

‘Ik denk dat de stilte die men hier aantreft het leven ontbloot en de taal aankleedt. Hier kan ik bijna een cultuur van de stilte creëren. Je kan bijvoorbeeld de akoestiek van de vlakte uitmeten, die soms scherper is dan de gaafste akoestiek in een schouwburg. Hier hoor je werkelijk een vogel vliegen, en als je hem hoort, dan zie je hem ook veel scherper. Ik denk dat mijn verlangen naar stilte geïnspireerd is door mijn verlangen naar visualiteit.

Dichters hebben altijd gelijk.

https://www.youtube.com/watch?v=3uekfCtkC8Q


zaterdag 10 november 2018

Reveil voor een overleden dichter

Op 1 november bracht Moorsele hulde aan overleden geliefden tijdens Reveil. Ik had een vage maar zachte herinnering aan dichter Hedwig Verlinde.

Hedwig,

We hebben elkaar nauwelijks gesproken en je hebt het mij dus nooit verteld. Hoe de mensen in Moorsele over je dachten, over je spraken. Of ze je onbegrijpend of bewonderend nakeken. Of ze je kenden of negeerden. Was je de schoonzoon van de burgemeester? Werkte je in een glasbedrijf? Was je de vader van Kaïn, Soetkin en Han? Speelde je een beetje raar toneel? Was je de echtgenoot van Treeske? Of was je de dichter – en ik hou mijn lippen stijf op elkaar om er het woord charlatan niet aan toe te voegen.
Ik heb het voordeel dat ik je in de omgekeerde volgorde leerde kennen. Eerst de dichter, dan de man. Toen ik leraar Nederlands werd, volgde een periode waarin ik veel poëzie las en in die grote stroom van verzen vielen jouw gedichten mij op. Ik had er toen geen flauw idee van dat jij in dezelfde gemeente woonde als ik - nou ja, buurgemeente dan toch. Veel van je gedichten las ik vaak opnieuw. ‘Bij een foto van oma’ bijvoorbeeld vond ik een bijzonder mooi gedicht, ik hield ook erg van mijn oma. Of ‘Rendez-vous’: dat gebruikte ik zelfs als kerngedicht in een lessenreeks rond communicatie. ‘Bij de geboorte van Soetkin’ is een pareltje, ik kende het  toen uit het hoofd. Ik vond het fascinerend hoe je de geboorte van je dochter tegen de horizon van het universum hield. Ik zal maar toegeven: in mijn jeugdig enthousiasme dacht ik wel eens: zo moeilijk is dat toch niet, negen simpele regeltjes. Ondertussen ben ik vijfendertig jaar ouder en nauwelijks een regel opgeschoten.

“Dat is van mijn vader,” zei Han toen ik in het Sint-Pauluscollege van Moorsele met ‘Rendez-vous’ op de proppen kwam. “En Soetkin is mijn zus”. Ze zat enkele banken achter hem in de klas. Ik was helemaal van mijn melk. In een flits wist ik: Hedwig Verlinde is naast dichter ook een man en een vader. De panoramische uitkijk en de macrokosmos uit zijn gedichten zijn niets meer dan het zicht door zijn raam over de akkers en het vliegveld van Moorsele. Sinds dat moment kijk ik anders naar dichters, naar schrijvers en naar charlatans.

Hedwig,
Ik weet niet hoe mensen in Moorsele zich jou nu herinneren. Dichters en schrijvers leven na hun dood verder in de boeken die ze hebben geschreven, zegt men. Wat mij betreft kun je gerust zijn: al jouw bundels staan in mijn boekenkast. Sommige heb je voor mij gesigneerd en ik ben er heel blij om. En soms, vaker dan je vermoedt, lees ik dit zacht gedicht van jou opnieuw. Kijk, ook nu weer. Rust jij ondertussen voor altijd heel zacht, Hedwig.

Nooit. Nooit rafelen wolken zachter
op de vensters uiteen, noch buigt
de wind het gras
alsof hij erin wegduikt, ver, ver
weg met mijn gevoelens.

Niets. Niets aan gewicht reik ik
dan wat verdicht is
en verder niet gezegd kan zijn.

Nooit. Nooit
tussen de melkfles en het blik tonijn
rolden mijn handen blanker, leger
uit hun polsgewricht.

Niets. Niets zeggen de jouwe
maar ze gaan er in liggen, zachter en warmer
dan ik ooit in jou
en zachter
dan zacht ooit gezegd kan zijn.

‘Zacht gedicht’ komt uit de bundel De sprong van de eland (1974) van Hedwig Verlinde



zaterdag 21 april 2018

Keaukeaubelli

Voor het wereldfestival Kokopelli schreef ik naar aanleiding van wereldwaterdag een verhaal over water dat tegen de stroom oproeit en de wijde zee opzoekt. 

Het water wentelde zich nog eens in de rimpels van de rivier. Hoe anders leek het ineens. Vroeger, niet eens zo heel lang geleden, was het puur verwennerij als het water zijn armen even uitstrekte, de rivier lang bleef knuffelen en genoot van de blinkende karpers en gladde palingen tegen zijn randen en de springende visjes en zoemende insecten boven zijn oppervlak. Ineens leek alles zoveel zwaarder in zijn eens zo zoete meander in de luwte van de brede rivier. De visjes waren er nog, maar zwommen in stilte in het water, dat zich steeds donkerder zag worden. De karpers blonken nog wel, maar lagen vooral lui en saai in hun eigen dikheid onder hem. De schuld van de toeristen en de oma’s en opa’s en hun uitgelaten kleinkinderen, wist het water. Ze bleven maar brokken brood, stukken koek en weke wafels in de rivier werpen. Het water zag vaak geen steek meer voor zich uit door de papperige deegwaren in zich. Het leek op de mist die vroeger boven hem hing, maar dan in een vuile en vieze versie. En dan had het water het nog niet over de zwevende plastic zakjes en de roestende blikjes op de bodem die hem dagelijks kopzorgen baarden.
Steeds meer vroeg het water zich af wat het bond aan deze doodlopende bocht van de rivier. Niet alleen de rivier, maar ook hetzelf kwam hier tot stilstand. Water moet vloeien, leerde het vroeger op school. Maar enkele jaren later verkommerde het zielloos in deze sombere uithoek van de wereld. Hoe bekrompen was zijn leven geworden! In deze verstomde rivierbocht voelde het water zich niet langer als een vis in zichzelf. Het voelde zich gevangen in de meander, alsof het helemaal op zichzelf en brood zat.
Was het niet de hoogste tijd om de wereld te verkennen? Het water voelde steeds meer de drang om de wijde zee op te zoeken. Het waagde zich wel eens naar de rand van zijn meander en maakte een praatje met voorbijkomend water in de stroming van de rivier. Zij lieten het verhalen horen van hoe wijd de zee en hoe diep de oceanen wel waren. Hoe mooier de vissen en hoe kleurrijker de planten. Verhalen over felgekleurde koraalvissen en sierlijke zeeanemonen. Het water kon zich nauwelijks voorstellen dat het even goed in de diepte van de Noordzee of, stel je voor, van de Stille Oceaan had kunnen terechtgekomen zijn. En diep in zich koesterde het de droom om ten minste één keer in zijn leven naar het Groot Barrièrerif te kunnen vloeien.
En dan keek het water weer hoe troebel het zelf was geworden. Neen, het was genoeg geweest.

Net voor de zomer en de jaarlijkse intocht van toeristisch geweld eraan kwam, waagde het water de duik. Het wou niet nog eens de schreeuwende mensen en de dreunende muziek aan de rand en de invasie van blikjes, papier en andere rommel ondergaan. Bovendien zou het in zee minder koud zijn nu waardoor de aanpassing niet zo drastisch zou zijn. In de meander was het nauwelijks twee meter diep, maar in zee zou het tot vele tientallen meters diep worden. Er werd wel wat aanpassingsvermogen van het water verwacht. Maar dit was het uitgelezen moment voor zijn emigratie naar zee.
Het water voelde zich vederlicht toen het zich aan de vertrouwde bocht liet meevoeren met de snel stromende rivier. Het had zich goed voorbereid. Niets hoefde het te doen, alleen maar vloeien en een beetje uitkijken dat het niet te vaak aanbotste tegen steigers en houtbalken die de schepen op zijn oppervlak veilig naar de havens en de loskaaien moesten leiden. In de drukke steden probeerde het water snel te stromen, wat niet meeviel want op veel plaatsen was geprobeerd om het water tot stilstand te brengen en aan de rand stukjes strand na te bootsen. Maar het water was niet meer tevreden met nepstranden. Het wou zo snel als mogelijk naar de zee, hoe verleidelijk het wel eens was om zich te nestelen in de brede rivier die nooit leek te eindigen.
Na enkele dagen vloeien maakte het water kennis met de schaduwzijde van de grote waterwereld. De rivier was ineens zo breed geworden dat het water even in paniek raakte. Dreef het nog wel in de goede richting? Even was het ter plaatse blijven trappen en liet het zich naar boven voeren. Het piepte even boven het oppervlak en zag schepen zo hoog als kerktorens en zo lang als de meander van zijn jeugd. Maar dan moest het snel weer naar beneden, want toeterend kwam zo’n reuzenschip zijn kant op. In zijn paniek botste het tegen ander water aan dat terstond begon te schelden.
‘Doe nu eens normaal, drek. Drijf voort!’
‘Hou de stroom niet op! Verder spoelen vooraan alstublieft!’
‘Als je niet durft vloeien, hoef je hier niet te zijn, smurrie.’
‘Aan de kant, kliederboel!’
Zoveel agressie was het water niet gewoon. In zijn veilige meander was het ons-kent-ons. Iedereen zorgde voor elkaar en de kleine ergernissen werden met de golf der liefde doorgespoeld. Het water keek wat bevreesd om zich heen en zocht naar bekenden, maar nu viel het ineens wel heel erg op dat ze allemaal als twee druppels van zichzelf op elkaar leken.
Het water besloot niet meer na te denken en liet zich met het verstand op zeeniveau meedrijven. Na een tijdje wende het aan de oneindige ruimte waarin het was terechtgekomen. De stroom werd nog breder en zelfs de schepen aan zijn oppervlak leken nu nietig en klein.
Op een plaats waar algen en wieren welig tierden, was er ineens zenuwachtig gewriemel. Er werd geroepen en gescholden en het water zag ander water dat op zijn schreden terugkeerde. Het kostte veel moeite om de tegenwaartse stroming te trotseren.
Plots werd ook het water vastgegrepen. 
‘Wat doe jij hier? Jij hoort in de rivieren thuis. Hier is geen plaats meer voor jou. De zee zit vol!’
Het water was de kluts kwijt. Dit had niemand hem verteld. Moest het zich nu verantwoorden waarom het naar de zee wou verhuizen? Water eindigde toch nooit. Strikt genomen was het water van zijn meander hetzelfde als dat van de Atlantische Oceaan.
‘Ik… Ik wou wel eens de zee leren kennen. Al mijn hele leven sta ik stil waar ik stroom. Er was geen toekomst meer voor mij.’
‘En die hoop je nu in zee te vinden? Weet je dan niet dat het ook daar vol zit? Dat het ook daar stikt van dode vissen, zwevende viezigheid en rottend afval? Dat vissen vreselijke pijnen lijden door de plastics in hun maag en dat ze een vreselijke dood vinden in de netten van de vissers?’
‘Ik dat zo? Daar heb ik nog niet over nagedacht…’ prevelde het water. Even kroop het in zijn schelp.
‘Ha, daar had je nog niet over nagedacht! Dat had je misschien wel eens kunnen doen, dan was die hele drijftocht naar hier niet nodig geweest. Je dacht toch niet dat alle water even welkom was in de zee?’
De wereld van het water stortte in elkaar. Was het dan echt allemaal voor niks geweest? Mocht het water vanaf hier niet meer verder en werd het op botte wijze verplicht om terug te keren naar zijn uitzichtloze meander?
Tegelijk voelde het zich in opstand komen. Het wou tegen de stroom in vloeien. Kon dit vijandige water dat zomaar verhinderen? Wie gaf het het recht om de toekomst van ander water in de weg te staan? Het water van de zee en van de rivieren van elkaar te scheiden?
‘Slechter dan in mijn meander kan het hier niet zijn,’ zei het water stoer. ‘Daar is nog veel meer viezigheid dan in de hele wijde zee. Ik wil het erop wagen. Mijn toekomst ligt hier.’
‘Dat zegt al het water dat hier aanspoelt. Allemaal denken ze dat het water blauwer is aan de overkant. Enkele maanden later kost het veel meer moeite om met hangende pootjes terug te vloeien. Dan is het stroomopwaarts hé, vergeet het niet.’
‘Ik ben jong en sterk…’ zei het water moedig. ‘Dit voelt niet alsof ik mezelf naar zee draag.’
Even werd het stil.
‘Dit heb je mooi gezegd. Vloei jij maar verder, jij redt het wel. Veel succes!’

Ineens voelde het water hoe het weer onhoudbaar werd voortgestuwd. De rivier die al zo’n brede stroom was geworden opende zich toen nog veel verder tot een oneindige zee. 
‘Is dit het dan? Ben ik er echt?’
Het water had moeite om het zich voor te stellen. Het keek om zich heen. Om zich heen zag het vermoeid en wat onthutst water. Aarzelende en onzekere blikken, maar ze stonden vol verwachting en hoop. Water dat hier was, dreef niet meer tegen de stroom in, maar liet zich gulzig verder drijven. Steeds dieper kroop de zee. Steeds sneller vloeide het water. Steeds hoger sloegen de golven van de branding. Even moest het water nog tegen de stroom in beuken, maar het was niet meer te stoppen. Het duurde niet eens heel lang voor het zich veilig in de loom deinende zee voelde. De angst op de gezichten om zich heen was verdwenen. Overal zag het de schittering van de hoop. O ja, er dwarrelde meer plastic dan het had gedacht in deze zee. En niet alle vissen met hun slokoppen en holle ogen keken het even vriendelijk aan. Kreeften met griezelige grijparmen en kwallen met zuigende lippen lieten het van angst de andere kant opkijken. Het rook hier meer dan in zijn meander naar olie en viezigheid en ook hier voelde het zich al eens mistig. Maar het water plaatste zijn blik op oneindig. Het keek hoe ruim dit sop wel was. Hoe mooi de vissen, hoe sierlijk de planten. Hoe onmetelijk was deze waterzee, hoe veelbelovend de toekomst! Het water had geen idee waar zijn vloed naar het leven zou leiden. De zee had geen einde en geen begin en overal lagen de kansen voor het grijpen. Het leven is aan de drijvers.
Bye bye, stille meander. Ik kom eraan, wijde zee. Nooit eerder voelde het water zich zo gelukkig.

Geschreven voor Kokopelli Festival Gullegem: embrace the world (11-12-13 mei 2018)

https://www.youtube.com/watch?v=zUwEIt9ez7M

Meer voor kinderen:

woensdag 31 januari 2018

Een leven vol boeken

Op 31 januari 2017 (zijn verjaardag, hij werd 77 jaar) overleed de Wevelgemse letterkundige Lionel Deflo
Voor Jaarwerk MMXVII, het jaarboek van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijversmemoreerde ik een literaire vader.

“Ik kijk graag naar boeken. Ik kom tot rust in mijn bibliotheek, als ik vanuit mijn zetel naar de veelkleurige ruggen zit te kijken. Ik ruik er ook graag aan. Boeken hebben een heel eigen geur. Zelfs met een blinddoek voor mijn ogen kan ik menig werk uit mijn kast identificeren. Ik heb er een echte sensuele affiniteit mee.”
(Lionel Deflo in VWS-cahier 196, februari 2000)

Ik zag Lionel Deflo voor de eerste keer in levenden lijve in het voorjaar van 1985.
In de Wevelgemse bibliotheek, waar ik toen nog niet werkte, werd zijn bundel met literaire kritieken Bij nader inzien voorgesteld. Ik zat stilletjes en onopvallend in de zaal, tussen heren (vooral) en dames (soms) die ik niet of nauwelijks kende. Maar ik was pas afgestudeerd als leraar Nederlands, had me net geabonneerd op het literair tijdschrift Kreatief en stond aan de vooravond van wat een leven vol letteren zou worden. Enkele keren zag ik Lionel van op het podium mijn kant opkijken – of stelde ik me dat alleen maar voor? Wie is die jonge snaak in het publiek, dacht hij ongetwijfeld. Aan de signeertafel keek hij verrast op toen ik mijn naam zei. “Dan ben jij die nieuwe abonnee van Kreatief,” vroeg hij zich luidop af. Enkele maanden voordien was hier ten huize Deflo wellicht een moment van verbazing aan vooraf gegaan. Het moment waarop een illustere en piepjonge dorpsgenoot zich spontaan abonneerde op zijn tijdschrift. Net diezelfde verwondering had ik zelf al eerder gevoeld. Ik wou me als kersvers leraar Nederlands abonneren op een literair tijdschrift en na zorgvuldige selectie in de leeszaal van de bibliotheek, koos ik voor het ‘literair en kunstkritisch tijdschrift Kreatief’. Groot was mijn verbazing toen ik merkte dat het secretariaat van dit culturele blad zich in de Groeningestraat in Wevelgem bevond. Even om de hoek dus en de hoofdredacteur was zowat mijn buurman.
Deflo’s recensiebundel Bij nader inzien gidste mij naar de poëziegeneratie van nieuw-realistische dichters als Roland Jooris, Patricia Lasoen, Stefaan van den Bremt en Herman De Coninck. Lionel Deflo was in die jaren de combattieve woordvoerder van deze stroming in de Vlaamse poëzie en zijn publicatie Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen uit 1972 is een belangrijk tijdsdocument voor wie de Vlaamse poëzie in de tweede helft van de twintigste eeuw bestudeert. 
Naar aanleiding van de twintigste verjaardag van het tijdschrift Kreatief in 1986 nodigde hoofdredacteur Deflo een twintigtal vooraanstaande Vlaamse dichters uit voor een boeiende gespreksnamiddag in de Wevelgemse bibliotheek. Vele dichters herinneren zich nu nog levendig de drukkende warmte in de zaal, het snel lessen van de grote dorst achteraf en het lange napraten in café ‘De Drie Molentjes’ bij dichtend kroegbaas Den Dantom.
In de vijftien jaar die volgden kwam ik Lionel wel vaker tegen. Ik las zijn tijdschrift en volgde zijn carrière, die zich al snel naar de uitgeverswereld verlegde. Ik voelde gedeelde trots toen ik op een middag in 1986 op het BRT-radionieuws hoorde dat West-Vlaming Lionel Deflo, Julien Weverbergh zou opvolgen als directeur bij het prestigieuze uitgevershuis Manteau. Hij werd geselecteerd uit zowat 200 kandidaten. Lionel bleef uitgever-directeur tot in 1993. Toen zette hij een stap opzij omdat ook een uitgeverij niet langer moest worden geleid door een literator maar door een manager. Lionel was hierna nog enkele jaren docent literaire creatie aan de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord in Ieper.
Ondertussen was ik medewerker in de Wevelgemse bibliotheek en daar was Lionel kind-aan-huis. Al kwam hij niet vaak naar de hoofdbibliotheek. Lionel was trouwe klant van het kleine filiaal op de wijk Wijnberg. Daar waren de boeken minder bevuild of beschadigd en las hij vaak als eerste (als enige?) de nieuwste romans. Lionel werd later voorzitter van de bibliotheekraad en bleef dat tot bij zijn overlijden in 2017. Overigens was Lionel rond de eeuwwisseling ook een tijdje voorzitter van de Wevelgemse culturele raad, maar zijn inzet en visie botsten met het wel eens logge administratieve functioneren van de raad.

In 1999 kruiste mijn aarzelende pad in de letteren ineens weer onverwachts dat van Lionel. De Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers was op zoek naar een nieuwe hoofdredacteur en op een bestuursvergadering signaleerde Christiaan Germonpré mijn naam voor deze functie. Ik aanvaardde de opdracht en tijdens mijn eerste kennismaking met de raad van bestuur bleek ook Lionel bij de wijze heren (en één even wijze vrouw) van de West-Vlaamse letteren te horen. Het toeval wilde dat mijn eerste opdracht als redacteur de afwerking van een auteursmonografie over Lionel Deflo zou zijn. VWS-cahier 196 verscheen onder de titel ‘Leven in dienst van de letteren’ en werd geschreven door Lionels goede literaire vriend Willy Spillebeen. Bij de redactionele afwerking van het cahier vielen me het oog voor detail en het bijzondere taalgevoel van Lionel op.
In de jaren die volgden reisden we vaak samen naar de bestuursvergaderingen van VWS in Brugge: de Kortrijkse dichters Christiaan Germonpré en Alain Delmotte en Lionel en ik. We waren de Kortrijkse connectie in het Brugse VWS-bastion. In de wagen hadden we het over het literaire reilen en zeilen van de dag. Lionel vertelde tijdens die onderhoudende gesprekken boeiende verhalen uit de binnenkamers van de literatuur. Vooral herinneringen aan zijn vriendschap met Willy Spillebeen, Clem Schouwenaars en Hedwig Verlinde leverden fijne anekdotes en spitante verhalen op. Maar hij vertelde even graag over zijn broer Gilbert, regisseur in grote operahuizen all over the world, de muzikale verdiensten van zijn dochter Elly en het onovertroffen antiquariaat ‘Het Ivoren Aapje’ van zijn zoon Frederik in hartje Brussel.
Tijdens de bestuursvergaderingen drong Lionel er telkenmale op aan om niet alleen in Brugge te vergaderen, vermits vier bestuursleden uit het zuiden van de provincie kwamen. Hierdoor werd in de beginjaren 2000 de jaarlijkse algemene vergadering niet op het vertrouwde adres in Brugge, maar in de Wevelgemse bibliotheek georganiseerd. Het zorgde voor licht tandengeknars bij de Brugse delegatie, vooral die ene keer toen Lionel zich zelf liet verontschuldigen op de vergadering.

In 2004 moest Lionel Deflo zijn geesteskind Kreatief loslaten. Verschrompelende subsidies vanwege het Vlaams Fonds voor de Letteren en tanende belangstelling bij het lezerspubliek noopten hem ertoe het tijdschrift te sluiten. Het laatste nummer met als titel ‘The end’ werd een collector’s item. Veel bevriende auteurs schreven een mooie ‘krans ten afscheid’ van het tijdschrift en de waardering en dankbaarheid voor Lionel waren erg groot.
Lionel kreeg wat meer tijd voor de West-Vlaamse schrijversvereniging. Hij was medeauteur van het Lexicon van West-Vlaamse schrijvers (6 delen, 2008-2013) en schreef auteursmonografieën over Johny Van Tegenbos en over zijn goede vriend Hedwig Verlinde. Het plotse overlijden van zijn Moorseelse levenslange compagnon in 2009 trof hem zeer. Zijn ontroerende en gevatte inleiding bij de opening van de tentoonstelling over Verlinde in de Wevelgemse bibliotheek eindigde met stokkende woorden en onhoudbare tranen.
Lionel was trouw op post toen boeken van Wevelgemse auteurs werden voorgesteld. Ik herinner me zijn waardering voor mijn jeugdroman De oversteek – Lionel was erg geboeid door de oorlogsliteratuur. “Ik heb het heel graag gelezen,” zei hij me. “Maar wat het hoofdpersonage Aloïs op het einde van het verhaal doet, kan niet echt zijn gebeurd. Je kon niet zomaar met een auto het Etappengebied binnenrijden, hoor…” zei hij streng. Ik moest even slikken. Hoe lang had ik zelf niet getwijfeld of ik die historische fout in mijn verhaal kon schrijven. Maar ach, welke lezer zou dit ooit opmerken, dacht ik.

In het VWS-cahier over Lionel Deflo schreef Willy Spillebeen: “Na hernieuwde lectuur van de verhalen die opgenomen zijn in verzamelbundels (…) blijf ik het jammer vinden dat we van Lionel Deflo niet ‘wat meer’ hebben mogen lezen. Zijn verhalen, waarvan sommige ruim dertig jaar oud zijn, blijven goed geschreven en opgebouwd en ze zijn nog steeds heel leesbaar. Men kan ernaar gissen waarom Lionel Deflo, die een vindingrijk, enthousiast, boeiend en kleurrijk verteller is, zo weinig creatief werk heeft geschreven.” Alleen in zijn vroege schrijversjaren waagde Lionel zich aan scheppend proza. De verhalen verschenen in tijdschriften en verzamelbundels en in 1979 kreeg hij o.m. een premie in de prijs voor het kortverhaal van de provincie West-Vlaanderen. In 2012 bundelde hij een twaalftal kortverhalen uit die vroege jaren in de bundel Eerste sergeant-majoor Clausewitz.

Het werd het laatste literaire wapenfeit van Lionel. De roman over de Geuzentijd en het artikel over de Claus-biografie van Georges Wildemeersch die hij in gedachten had, zijn er niet meer gekomen. In 2017, op zijn verjaardag, verloor hij de strijd tegen kanker. Plots kwam een einde aan een boeiend leven in dienst van de literatuur. 
Lionel heeft voor altijd zijn plaats in de galerij der Vlaamse letteren en zal vooral herinnerd worden als hoofdredacteur van het tijdschrift Kreatief, als uitgever bij Manteau en als woordvoerder van de nieuw-realistische dichters in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw.

https://www.youtube.com/watch?v=99RaijSzBvY


zaterdag 23 december 2017

Merry Kerstmarkt

Neen, de titel van dit blogje is niet het resultaat van zo’n vreselijke woordvoorspeller die als je even niet oplet ongevraagd een woord op je scherm tovert. Dan is er wel eens geluk nodig om geen grensoverschrijdende opmerking de wereld in te sturen. 

Maar dit gaat even over de zachte gesel van de kerstmarkt. Ik geef het dit jaar namelijk vroegtijdig op. Ik was weer moedig op weg naar kerstmis, maar ik haal het einde niet, vrees ik. Nog voor Mary’s boy child is geboren en terwijl the little drummer boy nog naarstig aan het trommelen is, probeer ik alweer tot de veel vrolijker orde van de gewone dag over te gaan. Des nachts werd ik net een keer te veel wakker door immer schellende jingle bells, aldoor roepende kerstmannen en in een hoofdkussen dat stinkt naar de verdorven geur van in gietijzeren vuurmandjes brandend verpakkingshout. The best is overigens yet to come: een krant presteerde het deze morgen om te becijferen hoeveel Het Laatste Avondmaal van kerstdag wel kost. Copyright Leonardo Da Vinci.

Neen, een grote fan van kerstmarkten ben ik niet. Ooit wel, toen ze voorzichtig als vanzelf uit het landschap kropen in oorden die zich lenen voor een kerstmarkt. Vele jaren geleden in Westouter bijvoorbeeld, op een gezellig dorpsplein in de glooiing van de heuvels en in een regio die vijfhonderd jaar geleden iets had met ketters die om de gunsten van Christus streden. Of in een vredig oerdorp in de Ardennen, omzoomd door sneeuwwitte heuvels en waar de aanwezigheid van rendieren meer dan enkel een vermoeden kon zijn. In idyllische dorpen als Remouchamps, Rochefort en Durbuy bijvoorbeeld. Alhoewel, sinds deze week lijkt het erop dat de huiskleuren voor kerstmis in dat laatste oord snel wel eens zouden kunnen veranderen. Wie komend jaar in het kleine vurige stadje met rood-witte sjaal of muts rondwandelt, zou wel eens van provocerend gedrag kunnen worden verdacht.

Bij gebrek aan bossen, heuvels (en dommen, zie later) moeten wij het in Vlaanderen doen met Parking Centrum Oost, Industriezone Kaaien of Sportterrein 4 Links als locaties voor de inrichting van een gezellige kerstmarkt of warme winterdrink. Plaats genoeg om het volledige assortiment kerstproducten als daar zijn glühwein, jenever, kerstmutsen, wafels, kerstbiertjes en Irish Coffee in van heel ver op Zwitserse berghutten lijkende kraampjes te etaleren. Niemand die er overigens ooit aan dacht om smeltende raclettekaas te offreren aan de kersttoeristen? Op elke plaats in Vlaanderen is de geluidsband net dezelfde als die in de echte kerstdorpen – al is er in pakweg Oostende meer K3 en in pakweg Brussel meer Lange Jojo te horen dan in pakweg  Durbuy (maar dat komt nu snel goed, wees gerust).
Deze week liet ik me aanpraten dat ik toch maar eens naar de Aachener moet gaan. Daar zijn blijkbaar 56 standjes met glühwein, 43 met jenever (met naast de obligate smaken citroen, graan en chocolade nog minstens tien andere variëteiten) en 16 met Irish Coffee. Ondertussen las ik dat er op de Kölner in de schaduw (het kerstlicht) van de Dom maar liefst 89 standjes met glühwein, 67 met jenever en 37 met Irish Coffee zijn. En 387 politieagenten.

Als we met zijn allen maar beter worden van al die warmte en die vrede natuurlijk. Honderd jaar geleden vierden in een illustere feestzaal vlakbij het huis waar ik nu woon Duitse soldaten Weihnachten terwijl de bewoner van mijn huis zat te sakkeren omdat hij van diezelfde soldaten niet eens naar buiten mocht en zijn vrouw zat te bidden voor het leven van haar jongen aan het front. Nu hangt aan datzelfde huis feestelijke kerstversiering die niet alleen erg mooi is (jawel hoor!) maar ook even verdoezelt dat Infrax (shame on them) het nu al jaren vertikt om de kapotte straatlampen te herstellen en hierdoor elke morgen en avond opnieuw vele jonge en oude fietsers door het hellhole van de duisternis de drukke straat opstuurt. Maar verder kan er in mijn straat vrolijk getafeld en gekerstmarkt worden – de soldaten die hoopten thuis te zijn met kerstmis verblijven al lang niet meer in mijn straat. 

Rest ons enkel nog ons goede doel te kiezen om deze koude week heel warm te maken. Keuze genoeg, want er is veel ellende om ons heen. Instellingen zijn op zoek naar passend speelgoed voor hun kansenarme kinderen, rusthuizen willen hun snoezelruimte beter inrichten, dierenasielen hebben onvoldoende middelen, taalcentra zoeken geschikte leermiddelen voor leergierige asielzoekers, organisaties voor blinden kunnen hun assistentiedieren niet opleiden, artsen hebben nood aan geld voor wetenschappelijk onderzoek. Deze – en wel duizend andere – doelen kunnen nooit genoeg geld krijgen. Daarvoor betalen we ook belastingen natuurlijk: opdat iedereen een menswaardig bestaan zou kunnen hebben. Jammer toch dat al die organisaties op bedeltocht moeten gaan. Moesten we al die goede doelen nu eens écht met belastinggeld betalen en de aankopen voor het leger met de opbrengst van een wafelenbak of stratenloop, opperde een kwade geest deze week. Zo kwaad is zijn gedachte niet, maar wel een beetje krom en vooral vreselijk naïef. 
Even naïef als ‘vrede op aarde aan alle mensen van goede wil’.

Gelukkig zijn er ook goede kerstmuziekjes! Zoals dit bijvoorbeeld (al vind ik dat liedje van The Pretenders ook niet mis en John Lennon heeft altijd gelijk):


dinsdag 5 december 2017

De twiggies

Opeens stond het park rond de bibliotheek vol kleine huisjes. Daar woonden de twiggies.

1.

‘Nu moet jij,’ lacht Elsje. ‘Ga met je ogen dicht tegen de boom staan en tel tot dertig. Pas dan mag je je ogen weer openen en moet je mij zoeken.’
Karim vindt het maar niks. Hij haat dit spelletje. Je verstoppen in dit enorme bos is een makkie. De bomen hebben grote stammen waarachter je helemaal kan verdwijnen en je kan makkelijk op de takken klimmen en in de bladeren verdwijnen. En dan zijn er nog die oude muren van het vervallen kasteel. Als Elsje zich niet zelf vertoont, raakt Karim nooit op tijd thuis en krijgt hij van pa straks weer een bolwassing.
Maar Elsje wou voor hem als keeper in de goal staan zodat hij zijn strafschoppen kon trappen. Wel twintig keer moest ze in de struiken achter het vangnet op zoek naar de bal. Haar benen zitten vol schrammen nu. Hij had met haar te doen toen hij het bloed op haar kuiten zag. Dus moet hij nu ook maar eens verstoppertje met haar spelen. Ze is zijn beste vriendin. Alleen jammer dat ze niet graag voetbalt.
Het wordt muisstil als hij met zijn handen voor de ogen tegen de boom leunt. Hij telt in stilte, maar bij tien roept hij zo hard als hij kan. Zijn stem echoot in het bos. Dan telt hij in gedachten weer verder.
… elf, twaalf, dertien, veertien…
Hé, wat ziet hij daar beneden tegen de boom? Dat had hij daarstraks niet opgemerkt. Het lijkt een wegwijzer, maar dan een hele kleine. Een pijltje.
Eerst verder tellen, hij kijkt straks wel.
… zeventien, achttien, negentien…
‘Twintig!’ roept hij weer hard. Het hele bos hoort hem, maar hij denkt niet dat er op Elsje en hij na nog iemand is. Hij vond het altijd al zo vreemd. Een heus bos bij hem om de hoek en niemand die er zich durft te vertonen. Ook zijn pa zegt het wel eens. ‘Ga maar niet te vaak in dat bos ronddwalen,’ moppert hij vaak.
Karim wil verder tellen, maar een stekelige pijn aan zijn knie houdt hem tegen. Hij slaat er met zijn hand op. Smerige muggen, denk hij.
… eenentwintig, tweeëntwin…
‘Auw!’ Verdomme…!’
Hij kreunt van de pijn. Weer zo’n beest op zijn knie.
Hij kijkt met een half oog. En dan met een heel, want wat hij ziet is geen mug. Het lijkt wel een wandelende tak. Een smal langwerpig insect dat kort en hevig op zijn knie prikt.
Hij houdt op met tellen en buigt zich tot bij het dier.
Dit is geen gewoon insect, ziet hij nu. Het kleine diertje is heel harig en heeft een kleur die hij niet kent. Het lijkt het meest op paars, maar dat is het niet. Ook geen rood of oranje. Iets ertussen. Als hij heel goed kijkt, ziet Karim twee armen, twee benen, een hoofd met een neus, twee oren, twee ogen en een mond. Het diertje houdt op met prikken als Karim nog wat dichter komt met zijn gezicht.

Karim verstijft. De kleine minioogjes van het insect kijken smekend in die van hem. Het diertje zegt iets, maar hij hoort niets. Hij gaat nog dichter bij de mond en houdt zijn adem in. Hij hoort iets. Een zacht gesis. Het diertje glijdt ineens over Karims been naar beneden, over zijn schoen, door het oog van zijn veter tot bij de boom. Het gaat bij het pijltje van daarstraks staan.
‘Zeg, waar blijf je? Je hield gewoon op met tellen, jij! Niet leuk hoor, flauwerik…’
Elsje is er ineens. Karim neemt haar vast en houdt zijn vinger voor haar mond. Hij wenkt haar om bij hem te komen zitten.
Snel krijgt ze het diertje ook in de gaten.
‘Het lijkt wel of we moeten volgen…’
‘Volgen? We kunnen toch niet tegen die boom lopen nu. Of wil je dat ik straks ook vol schrammen zit?’ fluistert Karim.
Het diertje wijst naar de boom.
Karim neemt zijn smartphone, knippert zijn zaklamp aan en gaat op de grond liggen.
‘Dit kan niet…’ zegt hij.
Elsje gaat naast hem liggen. Nu ziet ze het ook. Er is een deurtje in de stam van de boom. Een piepklein houten deurtje met een klink en een brievenbus. Het diertje opent de deur, gaat binnen in de donkere opening staan en kijkt achterom.
Het zwaait met zijn arm en zijn mond gaat open. Weer zijn er de smekende ogen.
‘Het wil echt dat we binnengaan!’ zegt Elsje.
‘Doe nu niet zo gek,’ zegt Karim. ‘Hoe kunnen we nu in godsnaam…’
Hij knippert met zijn wijsvinger tegen het deurtje. Hij voelt warme, hevige wind op zijn lichaam. Hij moet even zijn ogen sluiten, zo hard is de luchtstroom om hem heen. Het lijkt wel alsof een storm hem voortstuwt. Wanneer hij zijn ogen weer opent, ziet hij een vreemde persoon met een paarse mantel en lang rood haar naast hem.
‘Waar ben ik…?’ roept Karim verdwaasd. Hij wil weglopen, maar hij ziet geen deur en voor hem is alleen een donkere opening.
De man naast hem neemt zijn arm vast.
‘Wees niet bang…’ zegt hij. ‘Je bent veilig hier. Ik moet je iets vertellen. Maar laat eerst je vriendin ook binnenkomen…’
Elsje! Waar is Elsje nu ineens naartoe?
Hij kijkt naar de paarse man. Zijn ogen wijzen naar beneden.
Karim moet even slikken. Bij het topje van zijn schoenen, bij het zwarte gat, ziet hij Elsje staan. Ze is piepklein, maar hij herkent haar aan haar witte haar. In paniek kijkt hij om zich heen. Pas nu merkt hij waar hij is. Hij staat aan de andere kant van het deurtje van daarstraks. Hij staat in de boom en het diertje van daarnet is de paarse man die nu naast hem staat!
Hij gaat op zijn knieën zitten en wil Elsje in zijn hand nemen. Maar hij heeft haar nog maar even aangeraakt of ze staat al naast hem. Net zo groot als ze anders is.
‘Hé, waar was jij plots? Je was ineens zomaar verdwenen!’
‘Dat was ik ook, Elsje… Kijk eens waar je bent nu…’
Elsje kijkt om zich heen. Haar mond valt open. Pas nu ziet ze de paarse man.
‘Dat is…  Ik wil hier weg, Karim. Zo snel mogelijk. Dit is... dit is… Kom, weg hier!’
Ze wil door het zwarte gat verdwijnen, maar de paarse man trapt met zijn voet een deur dicht. Elsje bonkt hard tegen het hout en valt naast hem op de grond. Ze legt haar handen op haar voorhoofd.
Karim kijkt met bange ogen naar de paarse man.
‘Sorry, ik moest dit wel doen,’ zegt hij kordaat. ‘Probeer de deur niet meer te openen nu, het lukt je toch niet meer.’
Karim duwt met beide handen zo hard als hij kan tegen het hout. De deur geeft geen krimp. Ook de klink zit vast.
Elsje barst in tranen uit.
‘Wat ben je met ons van plan…?’ zegt Karim met trillende stem.
‘Ik snap dat jullie bang zijn, maar dat ben ik ook. Al meer dan tien jaar ben ik ontzettend bang. En eindelijk vind ik iemand die mij van die angst kan bevrijden. Jullie moeten me helpen…’
Karim ziet dezelfde smekende ogen van daarnet.
‘Helpen waarmee?’
‘Me helpen om jullie te redden.’
‘Je spreekt in raadsels,’ zegt Karim. ‘Ik snap hier niks van.’
‘Volg me naar de hoofdwortel…’
‘Naar wie?’
‘Naar de hoofdwortel. Hij zal jullie alles uitleggen.’
Hij gaat hen voor in het donker. Waar hij voorbijkomt, licht een fel licht op. Karim kijkt omhoog. Hij ziet de takken van de boom die door elkaar in alle richtingen verdwijnen.
Hij legt zijn arm om Elsjes middel.
‘Kom,’ fluistert hij. ‘We moeten wel met hem mee nu…’
De paarse man blijft ineens staan.
‘Oh ja, zei ik jullie al hoe ik heet?’
Beduusd schudden Karim en Elsje van neen.

2.

‘Ach, wat doet het er toe hoe ik heet…’ mompelt de paarse man. ‘Jullie heten Karim en Elsje, hé?’
Hoe weet hij dat nu, vraagt Karim zich af. Hij knikt van ja, maar de paarse man is alweer vertrokken. Waarom zegt hij zijn naam dan niet?
Met hun drieën gaan ze verder door de donkere en vochtige gangen in de aarde. Hier en daar moeten ze klauteren over wortels of kruipen door een smalle tunnel in de grond. De grillige vormen van de wortels maken het Karim en Elsje niet makkelijk om de paarse man te volgen. Hij is groter dan hen, maar heeft geen moeite om snel te lopen. Alsof hij deze weg al honderd keer heeft afgelegd.
Ineens blijft hij staan. Hij zegt niets en wijst met zijn hoofd naar een grote open ruimte die verborgen zit tussen grote wortels en rotte bladeren. Meteen wordt de ruimte ondergedompeld in een helder licht.
Karim laat stomverbaasd zijn ogen over de duisternis zweven. Hij valt achterover van de schrik. Gelukkig kan Elsje hem in haar armen opvangen.
‘Wat is er?’ roept ze bang.
‘Kijk… kijk zelf maar…’ prevelt hij.
Ook Elsje kijkt nu in de verlichte ruimte. Overal liggen mensen die eruitzien als de paarse man in het rond. Ze liggen kriskras door elkaar, hun benen en armen in elkaar verstrengeld. Net als de man dragen ze lange jassen, maar die hebben allemaal een andere kleur. Geen twee jassen zijn dezelfde. Karim wist niet eens dat er zoveel kleuren bestonden.
‘Het lijkt alsof ze slapen…’ zegt Elsje. ‘Wie zijn dit?’ vraagt ze met ogen vol angst aan de paarse man.
‘Ze slapen ook,’ mompelt hij. ‘Sinds drie jaar hebben ze geen oog meer geopend. Soms dromen ze hardop. Dan hoor ik hen roepen, of zingen. Of lachen. Maar ze worden niet meer wakker…’
‘Maar… wie zijn het?’ zegt Elsje opnieuw.
De paarse man staart voor zich uit. Karim ziet een traan over zijn wang glijden.
‘Kom maar mee…’
Zonder nog iets te zeggen haast hij zich weer door de doolhof van wortels, takken en bladeren.
Karims knieën knikken. Waar zijn zij in godsnaam aanbeland? Hij kijkt achterom en neemt Elsjes hand vast.
‘Ben je bang?’ vraagt hij.
‘Natuurlijk ben ik bang…’ zegt ze. ‘Heel erg bang.’
‘Het komt wel goed,’ zegt Karim stilletjes. Maar hij is lang niet zeker of dat wel zo is.
De paarse man wacht hen zwijgend op bij een zware houten deur. Als ze naast hem staan, kijkt hij hen vriendelijk aan. Hé, dat doet deugd! Ineens is Karim wat minder bang.
Dan trapt de man met zijn voet keihard tegen de deur, die met een harde bonk openklapt.
Hij kijkt ernstig hun kant op.
‘We zijn bij de hoofdwortel gekomen,’ zegt hij. Tegelijkertijd knikt hij met zijn hoofd in de donkere ruimte, die ogenblikkelijk weer in een helder licht baadt.
Karim en Elke komen dicht bij elkaar staan en houden elkaars hand stevig vast.
Maar veel is er niet te zien. Alleen een groot hol in zwarte aarde, hier en daar doorstoken met dikke en forse wortels. Die leiden allemaal naar het midden, waar niet meer dan een grote stronk is te zien. Een enorme klomp hout. Eigenaardig genoeg is die niet verlicht. Je kan hem alleen zien omdat de rest van het hol helemaal verlicht is nu.
De paarse man gaat even aan de kant staan om Karim en Elsje door te laten.
‘Ga maar…’ zegt hij.
Karim kijkt hem verbaasd aan.
‘Gaan? Naar waar dan?’
‘Naar de hoofdwortel. Hij wacht op jullie.’
‘Op ons?’
‘Ja, op jullie. Al drie jaar wacht hij. Eindelijk zijn jullie er.’
Ze blijven trillend op hun benen staan. De paarse man duwt tegen Karims rug.
‘Komaan, ga dichter. Maak hem niet boos!’
‘Maar...’
‘Ga nu!’
Bevend staan Karim en Elke bij de hoofdwortel. Ze weten niet goed waar ze moeten staan, want hij heeft geen gezicht. Staan ze nu voor, naast of achter hem?
Dan klinkt ineens een heel zachte, vriendelijke stem. Karim denkt meteen aan juffrouw Olga. Die heeft ook zo’n mooie stem. Alleen ziet ze er veel leuker uit dan deze knoest.
‘Dag Karim en Elsje. Jullie lieten me wel heel erg lang wachten. Maar ik ben blij dat jullie er zijn…’
‘Euhm… Dag,’ fluisteren Karim en Elsje.
‘Jullie hoeven niets te zeggen, laat dat maar aan mij over. Ik zeg wel wat jullie moeten doen.’
‘Oké…’ zegt Karim. De paarse man legt brutaal zijn vinger op zijn mond. Karim ziet hem driftig van neen schudden.
‘Jullie bovenmensen hebben het leven van de twiggies helemaal verstoord…’ begint hoofdwortel.
Karim zoekt vanwaar de stem komt. Ergens uit de wortel, dat is hij nu wel zeker. Maar hij ziet geen mond.
‘De twiggies hadden een prachtig bestaan. Hier onder de bomen van het park hadden we ons eigen land. In de holen bouwde elke twiggie zijn eigen kamertje. Maar er waren ook speelzalen, feestzalen, leeshoeken en knuffelkamers. Onder het kasteel was er zelfs een zwembad met water dat altijd warm en helder was. En tijdens de vakantie speelden we met de bovenmensen…’
‘De bovenmensen... dat zijn jullie,’ fluistert de paarse man stilletjes in Karims oor.
Hoofdwortel vertelt onverstoord verder.
‘Maar die tijden zijn lang voorbij. Jullie bovenmensen maakten onze wereld kapot. Jullie goten de grond vol beton en overal zitten nu buizen en leidingen. Onze holen stortten in en vele twiggies verdronken in water, stikten door gas of schrokken zich dood aan de elektriciteitsleidingen. Maar dit was lang niet het ergste…’
Karim en Elsje luisteren met open mond naar wat de hoofdwortel vertelt.
‘Het ergste is… Jullie zijn er niet meer. In de bovenwereld zijn geen kleine bovenmensen meer. Er rijden overal auto’s en motoren. Er klinkt harde muziek en er ronken grote machines. Maar er wordt niet meer gespeeld en verteld. Wie weet nog wat bosgeesten zijn? Wie zoekt nog naar boselfen en toverprinsen? Wie gelooft nog in kabouters en paddenstoelen als kastelen? De twiggies verveelden zich te pletter. Zij die niet door asfalt en beton werden verpletterd, gingen ten onder aan verveling. Boven was er niemand meer om te spelen…’
Het blijft even stil. Karim en Elsje kijken elkaar onwennig aan.
‘Jullie hebben de twiggies gezien. Ze zijn ingedommeld in de grote zaal. Ze hebben nog wel vrolijke kleuren, maar de lach is van hun gezicht verdwenen. Ze hadden nergens nog zin in. Daarom kropen ze dicht bij elkaar en vielen in een slaap waaruit ze nu al jaren niet ontwaken. Vroeger klonk overal gelach, werd er gezongen en gespeeld, ging het er vrolijk aan toe. Nu is het hier stil. De twiggies vielen in slaap van verveling en verdriet.’
Karim snapt wat er is gebeurd. Nog niet eens zo lang geleden kwam hij hier ook vaker met zijn pa spelen. Er waren toen ook veel meer kinderen. Ze maakten kampen in de bomen en speelden spannende bosspelen. Maar nu is het veel stiller geworden. De grote parking maakte het leukste stukje van het bos kapot. Rond de vijver verscheen een traliehekken. De hoogste bomen werden gekapt. En het kasteel is in verval en mag niet meer betreden worden.
‘Alleen jullie spelen hier nog, Karim en Elsje. Jullie verstoppen zich tussen de bomen, hollen door het bos en spelen voetbal op het veld. Jullie zijn de overblijvers en de laatste kans om de twiggies uit hun slaap te halen. Misschien krijgen ze dan weer zin om te leven en wordt het ook voor de bovenmensen weer veel leuker in het bos.’
Karim is in de ban van wat de hoofdwortel vertelt. Hij kijkt naar Elsje. Haar ogen fonkelen.
‘Ik snap het wel…’ zegt Karim. ‘Maar hoe moeten wij dat dan doen?’
De hoofdwortel zucht.
‘Helaas… Ik heb geen idee. Ik zie wat er gebeurt, maar ik ben niet sterk genoeg om er iets aan te doen. Ik kan ook niet weg van deze plaats. Ik zit voor eeuwig vast in de grond. Maar… Ik heb iets dat jullie misschien kan helpen.’
Meteen komt de paarse man tot bij de hoofdwortel. Hij buigt zich en haalt iets uit een verborgen holte.
‘Dit is de sleutel van het kasteel. Met de sleutel kunnen jullie in alle kamers en zalen. En elke vervallen ruimte waar jullie komen, zal weer schitteren als voorheen. De ruïne zal veranderen in het schitterende kasteel dat er vroeger was. Met de sleutel in de hand kunnen jullie de prinsen en prinsessen, de ridders en jonkvrouwen en de tovenaars en kunstenmakers van vroeger weer tot leven wekken. Het haardvuur zal weer branden in alle kamers.’
Opeens valt de sleutel voor Karims voeten. Hij neemt hem voorzichtig op. Hij is zwaar en koud.
‘Alleen jullie beschikken over de toverkracht. Probeer de twiggies weer tot leven te brengen. Laat kinderen spelen en doe het bos weer leven.’
Karim staat trots voor de hoofdwortel. Hij voelt zich ineens heel belangrijk.
‘Je kan op ons rekenen!’ zegt hij wat overmoedig.
‘Dat dacht ik al de hele tijd. Het duurde lang voor jullie mij vonden. Maar vandaag is de dag. Ga nu, Karim en Elsje. En vergeet niet: de toverkracht hebben jullie alleen in het kasteel. Veel geluk…’
Op hetzelfde moment gaat het licht uit en is er een felle windscheut. Er is geen spoor van de hoofdwortel meer te zien.
Karim en Elsje wrijven in hun ogen. Dan zien ze dat ze weer voor de boom in het bos staan. Waar zijn die twiggies nu? Waar is de hoofdwortel? Waar is de paarse man? Dit was toch niet gewoon een droom!
Karim buigt door zijn knieën. Jawel, hij ziet het kleine deurtje in de boom. En pas nu merkt hij de grote sleutel aan zijn voeten.
Hij kijkt naar het vervallen kasteel aan de andere kant van het bos.
‘Kom…’ zegt hij tegen Elsje.


3.

Karim en Elsje kijken van ver naar het vervallen kasteel. Hier woonde vroeger een rijke baron, zei vader eens. Hij had geen kinderen en na zijn dood bleef het gebouw leeg staan. Grote stukken van het dak zijn ingestort en de meeste vensters zijn aan diggelen geslagen. Maar het voorste deel van het gebouw staat er nog. Er is een grote inkomdeur met mooie versieringen. Aan beide kanten van de deur zitten hoge ramen, maar door modder en stof kun je er nauwelijks nog door kijken.
Karim aarzelt als hij de sleutel in het oude roestige slot van de deur wil steken.
‘Mogen wij dit wel doen?’
Elsje kijkt hem verbaasd aan.
‘Het is toch wat de hoofdwortel ons vroeg? Het kasteel binnengaan en alle kamers en zalen weer doen schitteren.’
‘Ik weet het wel,’ zegt Karim. ‘Maar mag het wel? Het kasteel is toch niet van ons. Misschien komt de politie wel langs. Of boze buren die zien dat we binnengaan…’
Ineens kijkt hij paniekerig om zich heen.
‘Soms zijn er camera’s in de buurt van zo’n gebouw. In het politiekantoor staren agenten de hele dag naar een computerscherm. Ze zien alles wat je doet. Hé, misschien zijn ze al onderweg naar hier…!’
Karim haalt de sleutel snel weer uit het slot.
‘Ik weet niet of ik dit wel durf hoor, Elsje. Eigenlijk weten we niet eens wie die hoofdwortel is. Kunnen we hem wel vertrouwen? Misschien is hij een misdadiger. Misschien is het een valstrik en worden we zelf wel opgepakt. Misschien liggen we straks ook wel in dat donkere hol tussen de wortels van de boom!’
Elsje zucht. Ze komt op hem af en rukt de sleutel uit zijn hand.
‘Bangerik! Natuurlijk is die boomwortel geen bedrieger. Hij heeft ons nodig! We moeten de twiggies redden en die reddingsactie begint hier en nu in het kasteel!’
Karim laat zich de sleutel ontfutselen en zet een stap achteruit als Elsje die weer in het slot steekt. Het kost haar moeite om hem om te draaien. Het slot is roestig en de sleutel zwaar.
‘Yes…!’
Met een doffe plof springt het slot open. Elsje kijkt even achterom.
‘Kom je mee?’
Ze duwt voorzichtig de deur open. Een vieze geur dringt haar neus binnen. Het ruikt naar mos en dode ratten. Althans, dat denkt ze, want ze weet eigenlijk niet goed hoe dode ratten ruiken.
‘Bwah!’ roept Karim nu ook. ‘Wat een stank!’
Met hun vingers rond hun neus duwen ze de deur helemaal open en zetten enkele stappen in de inkomhal. Het is er erg donker. Maar de ruimte is heel groot en het plafond mooi versierd.
Aarzelend gaan ze naar binnen. Zodra de deur dichtvalt, licht de zaal helemaal op. Ineens werpen wel honderd fijne fonkelende lampjes een helder licht in de zaal. Er staan mooie houten kasten vol glinsterende glazen en borden en op zuiltjes tegen de muur staan porseleinen vazen te glanzen in het licht.
Helemaal verstomd kijken Karim en Elsje in het rond.
Elsje steekt haar hand uit.
‘Kom,’ zegt ze. ‘Daar verder is weer een deur.’
Karim neemt haar hand en volgt haar terwijl zijn ogen door het gebouw zweven. Waar komen al dat licht en dat sierlijk huisraad ineens vandaan?
Ook de deur die naar de andere ruimte leidt, zit op slot.
Elsje neemt de sleutel, opent de deur en duwt die voor zich uit.
Ze moeten even wennen aan de duisternis, maar ze zijn amper binnen en de zaal wentelt zich in een feestelijk licht. Er staan mooie banken waarop wel honderd mensen kunnen zitten aan een zware houten tafel met mooie tekeningen op het tafelblad en sierlijke krullen aan de poten. De mooie kasten tegen de muur zijn volgestouwd met boeken met kleurrijke ruggen en naast de ramen hangen stijlvolle schilderijen. In het midden is er een grote haard met houten blokken en knetterend vuur.

Sprakeloos lopen Karim en Elsje op de toppen van hun tenen door de zaal. Ze komen bij een andere deur en weten dat ze ook nu weer zullen worden verrast.

Elsje opent de deur en een helder licht floept aan van zodra ze een stap in de zaal zetten. Weer zien ze een grote ruimte, gehuld in een helder licht, gevuld met mooie meubelen en versierd met prachtige schilderijen. De zaal daarnaast is de keuken waarin de potten en pannen en het zilveren bestek glinsteren in de glazen kasten. Daarnaast komen ze in een slaapkamer met een heerlijk hemelbed waarop wel twintig vrolijke knuffeldieren zitten. De deur in de slaapkamer leidt naar een grote binnentuin vol bloemen en hoge bomen met slingers tussen wel tien boomhutten en met in het midden speeltuigen rond een grote zwemvijver.
Karim en Elsje vallen van de ene verbazing in de andere. Ze komen al jaren in het park en ze konden niet vermoeden dat achter de grijze muren en donkere ramen van het oude kasteel zo’n schitterende plaatsen waren verborgen. Of komt het dan toch door de wonderlijke sleutel die ze van de hoofdwortel kregen?
Op het einde van de tuin die groter lijkt dan het park zelf is er een klein houten poortje. Ook hier past de sleutel in het slot.
Hé, dit is schrikken. Ineens staan ze op het saaie asfaltpad dat naar de parkeerplaats naast het park leidt. Verder is er niemand te zien. Zelfs de eenden en zwanen in de vijver laten niets van zich horen.
‘Hoe saai hier,’ zegt Karim.
‘Ja hé,’ zegt Elsje een beetje triest. ‘Kom, we keren terug. Ik wil het kasteel verder verkennen!’
Karim knikt en wacht tot ze het deurtje weer opent.
Neen! De tuin is er niet meer! Wat ze zien, is een grote vieze koer. Omgevallen muren, resten bakstenen en dakpannen en verweerde houtbalken liggen slordig over elkaar. Twee ratten snellen weg over de stenen.
‘Hoe komt dit nu?’ roept Elsje. ‘Waar is die tuin nu?’
Ook Karim snapt er niks van. Hij grijpt naar de sleutel in Elsjes handen en loopt haastig naar de deur van de slaapkamer. Hij vreesde het al. De prachtige slaapkamer vol kleuren en knuffels is verdwenen. Hij ziet alleen een oude bergplaats waarin een oude bestelwagen staat en het ruikt naar olie en roestend ijzer.
Hij gaat ontgoocheld zitten. Elsje komt bij hem staan.
‘Misschien moeten we maar eens kijken in de andere kamers. Die meubels kunnen toch niet zomaar verdwenen zijn…!’
‘Ach, Elsje… Alles is weg. Het kasteel is niks meer dan een vervallen gebouw. We beeldden het ons allemaal maar in. Hoe kon dat ineens?’
‘Wat we zagen was toch echt? Neen hoor, Karim. Je geeft het veel te snel op. De hoofdwortel gaf ons een toversleutel om de twiggies te redden. Er moet iets zijn. Hebben we hem niet goed begrepen misschien?’
Elsje gaat naast Karim zitten.
‘Dankzij deze sleutel zou de ruïne weer veranderen in een kasteel, zei de hoofdwortel…’
‘Ja, dat was wel zo. Maar alleen die ene keer…’
Elsje denkt diep na.
‘We vergeten iets, denk ik. Maar wat?’
Opeens springt Karim recht. Hij houdt zijn hoofd tussen zijn handen.
‘Ik weet het!’ roept hij. ‘Ik weet wat de hoofdwortel wou zeggen!’
Elsje kijkt hem vol verwachting aan.
‘Wel… Met de sleutel moesten we niet alleen van de ruïne een kasteel maken. Hij zei ook…’
Elsje laat hem niet uitspreken.
‘Dat is het! We moesten ook de prinsen en prinsessen, de ridders en de jonkvrouwen en de tovenaars en de kunstenmakers weer tot leven wekken!’
Karim schiet in de lach.
‘Dat is het! Dat is ook normaal, toch! Een kasteel en een tuin waar niemand is… Wat heb je daar aan?’
‘Niks!’ lacht Elsje nu ook.
Maar dan worden ze ineens weer stil en kijken ze elkaar aan.
‘Denk je wat ik denk?’ vraagt Karim plots ernstig.
‘Ik denk het,’ zegt Elsje. Ze kijken om zich heen. Waar moeten ze die prinsen en prinsessen, tovenaars en kunstenmakers vandaan halen? Ze kijken in het rond. Niemand te zien… In de verte horen ze alleen het geronk van voorbijrijdende auto’s en vrachtwagens.
Ontgoocheld kijken ze naar elkaar.
‘Dit komt niet goed,’ zegt Karim. ‘De hoofdwortel heeft makkelijk praten. Hij zegt wat we moeten doen, maar niet hoe. Met die toversleutel kunnen we het kasteel wel mooi maken, maar sprookjesfiguren die kun je niet zomaar toveren…’
‘We moeten de kinderen uit hun huis halen. Misschien zitten ze nu voor de televisie. Of zitten ze te gamen of op hun smartphone…’
‘Konden ze maar zien hoe mooi dit kasteel kan zijn!’
‘Dan kwamen ze wel… Er zit niks anders op. We gaan overal aanbellen. Iedereen naar buiten, iedereen naar het kasteel!’
’Dat zijn wel heel veel kinderen, hoor.  Hier zijn we dagen zoet mee…’
‘Dat is zo. Iemand moet ons helpen…’
‘Maar wie?’
Ineens horen ze geritsel in de struiken aan de overkant van het pad. Het lijken wel naderende voetstappen. En nu is er ook gefluister.
Ze kijken elkaar onbegrijpend aan.
Ineens komen wel twintig twiggies uit het struikgewas. Ze wrijven zich de ogen uit en kijken nog wat verdwaasd in het rond. De paarse twiggie in de eerste rij blijft stokstijf staan en wijst naar het kasteel.
Ook Elsje en Karim kijken in die richting. Hé, kijk eens! Nu komt er wel weer licht uit de ramen! Van waar ze hier staan, kijken ze binnen in de haardzaal en zien ze de kleurrijke ruggen van de boeken.
Opgewonden beginnen de twiggies door elkaar te praten. Maar ineens worden ze muisstil en kijken met zijn allen naar de paarse twiggie die voor Karim komt staan.
Hij maakt een diepe buiging en spreekt met een diepe, plechtige stem.
‘We gaan jullie helpen. Jullie brachten het kasteel weer tot leven. Dat geeft ons moed. Nu gaan we samen bewoners zoeken. Loop maar mee…’
‘Maar…’ stotteren Karim en Elsje tegelijk. ‘Hoe…’
‘Laat het maar aan ons over…’
Verbouwereerd lopen Karim en Elsje achter de paarse twiggie aan. Achter hen lopen de andere twiggies druk vertellend en luidop lachend.
Karim kijkt naast zich door het grote raam van de haardzaal. Hé, ziet hij daar een man voorbijkomen? En draagt hij echt een kroontje? Karim probeert beter te kijken, maar de ramen zijn te hoog en de paarse twiggie maakt haast.
Ze komen nu voorbij de slaapkamer. Ziet hij die knuffels in het rond vliegen? En hoort hij kinderstemmen achter de ramen?
Hij kijkt achterom. Net op dat moment zwaait het poortje van de kasteeltuin open. Wel tien kinderen die hij kent uit de klas van juffrouw Olga lopen naar buiten. Ze zijn verkleed als ridder en stormen luid roepend en met hun zwaard boven hun hoofd het park in.
Zou Elsje het ook gezien hebben? Maar Karim ziet haar niet. Zijn ogen dwalen in het rond en plots ziet hij haar. Twee twiggies staan gebogen voor het raam van de keuken. Elsje staat op hun rug en kijkt naar binnen.
‘He, Karim, moet je zien! De twiggies zijn aan het werk in de keuken!’
Karim staat stil. Hij snuffelt met zijn neus. Wafels!
Dan vliegt ineens de grote deur van het kasteel open. Verbluft ziet Karim juffrouw Olga naar buiten komen. Ze ziet eruit als een prinses.
‘En nu allemaal naar buiten!’
Een hels kabaal komt uit het kasteel. Wel honderd kinderen stormen naar buiten. Karim herkent veel jongens en meisjes uit zijn school. Ze zijn allemaal verkleed. Je kan het niet gek genoeg bedenken waarin ze zijn verkleed. In geen tijd is het park vol leven.
Karim zoekt de andere twiggies. Maar die zijn er niet meer. Hij speurt de omgeving af. Even verderop ziet hij bij de grote beuk naast het kasteel gewriemel op de grond.
Karim slikt.
‘Kom,’ zegt hij tegen Elsje. Ze lopen naar de boom en gaan op hun knieën zitten. De kleine harige diertjes lopen vrolijk in het rond.
‘Als je heel goed kijkt, kun je zien dat ze een vreugdedansje maken…’ zegt Elsje.
Karim kijkt blij naar de dansende twiggies en naar de spelende kinderen in het park.
‘Kom,’ zegt hij tegen Elsje. ‘We gaan ook spelen…’
Hij kijkt nog een laatste keer naar de twiggies. De paarse twiggie is dichter bij hem komen staan.
Als Karim heel goed luistert, hoort hij hem ‘dank je’ zeggen. En hij knipoogt.

Geschreven in de zomer van 2017 voor een speels avontuur van de Jeugddienst Wevelgem in het Park van de Bib in Wevelgem.

https://www.youtube.com/watch?v=B0jMPI_pUec

Meer voor kinderen:
- Keaukeaubelli
- Boom vol licht