Pagina's

vrijdag 30 december 2011

Beste oma en opa

Of ik een nieuwjaarsbrief wou schrijven voor een regionale krant...? 
Zolang het met letters, woorden en zinnen is, doe ik alles voor iedereen. Dus ook voor die krant. Alleen was er wat minder plaats dan voorzien. In de krant is er een holle light versie, hier kun je het volle script lezen...

Beste oma en opa,

Alweer is een jaar voorbij gevlogen! Een jaar waarin veel gebeurde. Hongersnood in Soedan, burgeroorlog in Libanon, lente in Arabië. In België was er de ramp op Pukkelpop en de aanslag in Luik. We kregen een nieuwe regering met een Italiaan als eerste minister. En La Esterella is overleden, maar Stefanie Callebaut, dat meisje van SX, zingt ook mooi. 
In de familie gaat alles goed. Mijn zonen, jullie achterkleinkinderen, hebben allebei een leuke vriendin. Jullie kinderen, mijn ouders dus, worden er niet jonger op, maar ze beleven samen nog steeds mooie dagen.
Weet je nog 40 jaar geleden? Toen stond ik hier ook en ik zei net hetzelfde. Oh ja, de hongersnood was toen in Bangladesh, Libanon heette Noord-Ierland, de lente was in Praag, de ramp in de Innovation. Ik moest toen alleen niet zeggen hoe het de familie verging. Jullie zagen zelf wel of het de kinderen en kleinkinderen voor de wind ging. En wie van ons een beetje meer aandacht nodig had.
Ik ben er zeker van dat jullie ons van bovenop die wolk moeiteloos vinden in de chaos die de wereld is geworden. Natuurlijk hopen jullie ook op vrede in Afghanistan, maar nog beter zou het zijn als er wat minder geweld op straat was. Uiteraard hopen jullie dat het goed afloopt met het ijs van de Noordpool, maar een beetje minder vieze rook en wat meer groen bij ons is minstens even goed. Dat Herman Van Rompuy onze euro redt, is prima, maar worden wij daar ook beter van? En als het water van de oceaan weer zuiver wordt, kunnen we dan net als opa weer zwemmen in de Leie?
Beste oma en opa, ik beloof je op mijn communiezieltje dat ik ervoor zal zorgen dat alles in orde komt. En als ik het zelf niet snelsnel kan regelen, dan vraag ik het aan iemand die dat wel kan. Niet voor mezelf, maar voor jullie achterkleinkinderen.
Volgend jaar sta ik hier weer en je zal zien dat onze streek groener, gezonder, veiliger en welvarender dan ooit zal zijn.
Ik wens jullie een fantastisch nieuw jaar!

Jullie kleinkind,
Koen

Wevelgem, 1 januari 2012

http://www.youtube.com/watch?v=wxrf6MXPNaU

zaterdag 17 december 2011

Een goed jaar voor schrijvers

De 'Vereniging van West-Vlaamse schrijvers' (VWS) bestaat 50 jaar. Dat moet gevierd worden. En hoe kan een literaire vereniging beter haar verjaardag vieren dan door een boekje te publiceren? Ik ging op zoek naar lotgenoten in dit Caleidoscoop van de West-Vlaamse schrijvers en ik vond er vier.

Het is overigens niet zo bijzonder dat VWS met een boekje op de proppen komt. De vereniging geeft al sinds 1966 de VWS-cahiers uit. In zo’n cahier wordt leven en werk van een West-Vlaamse auteur in de schijnwerpers geplaatst. Elk boekje wordt samengesteld door een deskundig gastauteur. De cahiers verschijnen als tijdschrift en abonnees krijgen ze op het einde van elke pare maand trouw in de brievenbus. Het feestnummer dat eind december verschijnt, is nummer 267 in de reeks.

Sinds 2000 ben ik redacteur van de vereniging. Toen het me werd gevraagd (jaja, ze vróegen me of ik het wílde doen!), heb ik even geaarzeld voor ik het aanbod aanvaardde. Ik wou het niet zomaar snel eens doen, maar nam me voor om minstens vijf jaar het redacteurschap waar te nemen. Ondertussen ben ik twaalf jaar enthousiast bezig, voerde ik de redactie van 71 cahiers en nam ik er in 2008 de redactie van een zesdelig schrijverslexicon bij. Ik ergerde me wel eens aan woorden en zinnen, sakkerde met deadlines, vloekte op uitstellers, woekerde met slechte teksten. Maar dat was soms, veel meer las ik mooie teksten over onvermoede publicisten en maakte ik kennis met boeiende auteurs met wie ik samen de boekjes samenstelde. Leve VWS dus! Wat mij betreft mag het nóg 12 jaar duren (13 misschien, dan jubileer ik als redacteur). Als Geert Bourgeois maar geen roet in het eten gooit, want VWS bestaat dankzij de morele en financiële steun van het Provinciebestuur en onze West-Vlaamse minister heeft het niet langer erg begrepen op de provincies. Maar dit helemaal ter zijde.

Ik wou het over lotgenoten hebben en het lot dat een band schept heet 1964.
In het bijzondere boekje dat binnenkort verschijnt, wordt per VWS-jaar (van 1961 tot 2011 dus) een tekst gepubliceerd van een West-Vlaamse auteur. Een pagina uit een roman of een gedicht uit een bundel die in dat jaar verscheen, zorgvuldig gekozen door een zevenkoppige redactie. Het is een eerbetoon aan de West-Vlaamse auteurs van de voorbije vijftig jaar en voor de lezer de kans om in één oogopslag kennis te maken met een stukje fiction made in West-Flanders.
Hugo Claus staat in het boek, ik ging op zoek naar één pagina uit Het verdriet van België. Maar ook Peter Verhelst, Luuk Gruwez, Willy Spillebeen en andere grootheden onder onze gouwschrijvers. Maar over hen wil ik het niet hebben. In het boekje staan namelijk ook vier auteurs die in hetzelfde jaar als ik zijn geboren.

Philip Hoorne bijvoorbeeld. Die ligt wel het meest voor de hand. Ik zat met (één trimester zelfs nààst) Philip op de schoolbanken. Brave jongen was hij toen. Hij was wat teruggetrokken, zat letterlijk in zijn schelp. Hij voerde nooit het hoogste woord en was geen held op het voetbalveld of op de speelplaats. Bij het afstappen werd hij steevast als een der laatsten gekozen. De twee ploegleiders stapten op elkaar af en wie op de schoen van de ander kon stappen, mocht als eerste een speler voor zijn ploeg kiezen. En dan elk om beurt een steeds minder goede voetballer. Philip bleef altijd lange tijd aan de kant staan, je kon weinig met hem in je ploeg. Geen snelheid en geen techniek. Wel veel spelinzicht, maar wat ben je daar mee tijdens de chaos die een voetbalmatch tijdens de speeltijd is? Ik denk overigens dat Philip supporterde voor Club Brugge, in mijn herinnering droeg hij altijd een blauwzwarte sjaal. West-Vlaming in hart en nieren dus, hij staat goed op zijn plaats in dat feestnummer van VWS.
Philip luisterde graag naar muziek in dat jaar dat we samen bij meester Malfait zaten. Ik ook, kleinkunst, de fout van mijn oudere zus. Hij vond mijn muziek wat braaf, zei hij toen. Het verwonderde me wel, hij leek zo zacht en stil en dan vond hij die zachte en stille muziek wat te braaf. Toen al zette hij mensen op het verkeerde spoor. Want wie hem toen kende en nu niet meer, gelooft nooit dat Philip een hartstochtelijk fan van de onbehouwen rockauteur Herman Brusselmans is. En dat hij niet aarzelt om zijn kritische pijlen vlijmscherp af te vuren op coryfeeën van de Vlaamse poëzie, zoals daar zijn Lut De Block en Leonard Nolens.
Philip schrijft zelf mooie poëzie, ook dat geloven klasgenoten van toen meestal niet als ik het hen vertel. De redactie twijfelde er geen moment over of hij zijn plaats verdiende in het feestboek. En ik ben er blij om.
Philip Hoorne staat in het boekje met een gedicht uit zijn bundel ‘Niets met jou’.

Ook een tweede auteur uit het VWS-boekje zat op dezelfde schoolbanken als ik. Hij weet het niet en we zaten ook niet naast elkaar. We kenden elkaar toen ook niet (hij zat in het jaar na mij) al moeten we elkaar wel eens tegen het lijf gelopen zijn, daar in die charmante krakkemikkige gangen en lokalen van het Sint-Thomasinstiuut in Brussel. We moeten ook zowat dezelfde docenten hebben gehad. Lessen Nederlandse literatuur van professor Hugo Bousset bijvoorbeeld. Ik genoot van Boussets baritonstem en sublieme benaderingen van de romanklassiekers uit die tijd. Onder professoren van Hermans. De aanslag van Mulisch. De verwondering van Claus. Turks fruit van Wolkers. Ik vond dat mijn ouders niet mochten weten dat ik dat boek las, ook al was het voor school. Maar Bousset hielp me vrij snel over die terughoudendheid heen. Ik werd gek op Wolkers van het eiland Texel.
Toen ik in 1984 Duet met valse noten van Bart Moeyaert las, kon je in de krant lezen dat de jonge auteur een lerarenopleiding volgde in Brussel. Verdomme, dat ik hem nooit gezien had.
Ondertussen ontmoette ik hem al enkele keren en op een Boekenbeurs schreef hij een wonderlijke opdracht voor Elsy in zijn dichtbundel Verzamel de liefde: ‘Voor Elsy, liefs van Koen en van mij. Het liefs van Koen is méér dan mijn liefs. Dat weet ik zeker.’ Ik ben heel erg jaloers op Bart Moeyaert. Omdat hij mooie dingen op zo’n mooie manier kan vertellen.
Ooit zullen Bart en ik het samen over Hugo Bousset hebben, denk ik (niet). Ik ben wel eens benieuwd te horen wat hij vond van Het bewegen van het hoge gras op de top van de heuvel.
Bart Moeyaert staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Het is de liefde die we niet begrijpen’.

Tijd voor een vrouw en wat voor één. Anne Provoost, zij die Vallen schreef. Het boek dat ik tijdens auteurslezingen altijd noem als het beste en mooiste jeugdboek. Ik ben niet zeker of het dat nog altijd is, ik zou het eens opnieuw moeten lezen. Jan Terlouw noem ik mijn favoriete auteur uit mijn eigen jeugd en onlangs viel het herlezen van de boeken uit die tijd me zwaar tegen. Maar met Vallen heb ik een bijzondere band. Het boek greep me thematisch erg aan. Hoe eenlingen het klaarspelen om andere eenlingen domweg voor hun kar te spannen. Met manipulatie. Geweld. Machtsmisbruik. Vreselijk. En het boek eindigt zo dramatisch. Dat vond ik een beetje jammer, maar het laat je dan ook niet los.
Ik wou een boek over hetzelfde thema schrijven, maar voor iets jongere lezers. Het moest wel beter aflopen, hoopvoller. De titel lag zo voor de hand. Na Vallen, zou ik Opstaan schrijven. Even erg, maar met een hoopvol einde. Uiteindelijk veranderde de titel in de uitgeverij in Valsspeler. Geen slechte ingreep, het is een prachttitel en hij stafrijmt op Vallen. Het lijflied van het boek is ‘Get up, stand up’, vallen en opstaan. Pieter, de held uit het verhaal, leest op pagina 77 een boek. Op de cover staat een zwartwitfoto van een meisje dat op de grond ligt. Eronder is een groot blauw vlak met daarop de titel en de naam van de auteur. Op de achterflap is alleen een blauw vlak met vage gele letters. De eerste editie van Vallen. Niemand die tot hiertoe deze sublieme verwijzing opmerkte. Tot vandaag dus.
Ondertussen is er nog meer dat me bindt aan Anne Provoost. Een jeugdvriendin van haar met wie ze samen op een legendarische nonnenschool in de Westhoek zat, kwam bij ons in de buurt wonen en werd een goede vriendin van mij. Dankzij Caroline kon ik Anne tijdens een lezingenvrije periode (ze schreef aan De Arkvaarders en wou niet afgeleid worden) naar de bibliotheek krijgen – per grote uitzondering! Onlangs was ik tussenpersoon bij het uitwisselen van een hilarische schoolfoto (met blauwe schort, zwarte rok en hoog opgetrokken kousen) onder de vriendinnen en vonden ze elkaar terug - op Facebook.
Dat engagement van Anne Provoost… Het gaf me zo’n warm gevoel toen ik de gevierde auteur onlangs zag tekeergaan tegen het vellen van die mooie bomen van de Keyzerlei in Antwerpen. Enkele jaren geleden zette ik een eenmansactie op tegen de stille sloop van het mooiste huis van Wevelgem. Troost je, Anne, het lukte me ook niet.
Anne Provoost staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Vallen’. Natuurlijk uit ‘Vallen’.

De vierde lotgenoot kan iets wat de drie voorgaande wellicht niet kunnen – al weet ik dat eigenlijk niet. Hij is namelijk een ongelooflijk knappe tekenaar en samen met Carll Cneut en Gerda Dendooven de vaandeldrager van het leger topillustratoren uit de provincie West-Vlaanderen. Klaas Verplancke dus. God, wat kan die mooi tekenen. Op zich is dat al meer dan genoeg om hem te bewonderen, maar bovendien kan hij ook nog ontzettend goed vertellen. Met beelden en tekeningen, maar ook met woorden en zinnen. Ries en Kerel uit Wortels: het zijn klassieke personages uit de kinderboekenoogst van de voorbije jaren. Als je Klaas niet kent en je leest ook niet graag, dan gaat hij je vast inpalmen met zijn tekeningen. En als ook dat niet lukt (maar het lukt wél) zal hij je charmeren met zijn spontane vriendelijkheid en stimulerend enthousiasme. Hij stelde jaren geleden een tentoonstelling op in de bibliotheek waar ik werk. Mooi om te zien en prettig om met hem samen te werken. Toen hij even later het verband ontdekte tussen Koen van de bib en Koen van De hel in New York (het was op de Boekenbeurs van 2001 op de stand van uitgeverij Davidsfonds/Infodok) was zijn enthousiasme haast ontroerend. Er stond een lovende recensie over mijn debuut in Knack. Klaas had die gelezen en was er blijer om dan ik. En het leuke was: hij meende het.
Ik botste ook eens op Klaas tijdens de verkoop van oude boeken in de bib van Brugge. Hij is even gek als ik: hij koopt oude boeken. Daar moet je een schrijver voor zijn. Of een illustrator. Of een bibliothecaris. Eén pot nat.
Klaas Verplancke staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Wortels’.

Het VWS-bestuur stelde als principe dat er geen werk van bestuursleden van VWS in het boekje zou opgenomen worden. Het bespaarde ons vast veel vergadertijd en minstens evenveel rancune en achterklap. De kans dat ik ook in het boekje terechtkwam was dus nihil. Ik miste wel de kers op de taart, denk je nu. Nee hoor, erg is dat niet. En ook een ongepaste gedachte, want soms is de taart veel beter dan de kers.
Of de wijn veel beter dan de krans.

Het boekje ‘Caleidoscoop van de West-Vlaamse letteren’ verschijnt op 31 december 2011.
Het telt 56 bladzijden en kost 5 euro.
Je kan het gewoon via mail bestellen (janbonneure@skynet.be).


vrijdag 9 december 2011

Frozen river

Mijn broer werd in 2011 vijftig jaar. Zijn zonen en dochters maakten een gelegenheidskrant voor vrienden en familie. Of nonkel Koen ook iets wilde schrijven? Tuurlijk. Ik ging terug naar Nonceveux, waar de sympathieke cafébaas Prosper koning was in het land van de Fonds de Quarreux.

Schrijf eens een column over je broer. Of iets dat erop lijkt. Toch iets min of meer literairs dat past in De Herman.

Waarover moet die dan gaan? De koers ligt zo voor de hand. Hermans wielerexploten bieden ruim voldoende stof voor een heroïsche terugblik, doorspekt met allerlei superlatieven en pittige anekdotes. Probleem is dat het moeilijk is om de verhalen wat te kruiden of aan te dikken om de column pittiger te maken. Ik kan me beperken tot een loutere beschrijving van het gefiets om kreten van bewondering bij de lezer op te wekken. Hoe Herman zijn deelname aan Parijs-Roubaix voor wielertoeristen kracht bijzette door er een individuele Wevelgem-Compiègne te laten aan vooraf gaan. Of over de verovering van alle parcours van de voorjaarsklassiekers. De verkenning van de muur van Geraardsbergen of de kennismaking met de goot van Rekkem. Enzovoort. Je leest het al: dit is geen uitdaging voor een gelegenheidscolumnist.

Terug naar 16 mei 1979 dan maar. We zijn op pinksterweekend in Nonceveux. De tent staat trouw op de kampeerplaats tussen de spoorweg naar Luxemburg en de rotsblokken van Quarreux. En even trouw leidt de wandeling naar de watervallen van La Chaudière en de brugjes van de Ninglinspo. Een verplicht nummer vóór de Orval en de Chimay bij good old Prosper.
Die morgen is Herman niet te houden. Tot ergernis van el papa en bezorgdheid van la mama weigert hij het platgetreden pad naast het kabbelende bergriviertje te volgen. Hermans ambities reiken die dag veel hoger. De sterk stijgende helling aan de overkant is zijn doel. Het woord ‘mietjes’ bestaat nog niet, maar op hun pad wil hij niet lopen. Hoger, altijd maar hoger. Hij daagt ons uit. Eerst neef Carl, die niet anders durft dan Herman te volgen. Ze zijn jaargenoten, hij mag niet onderdoen. Ik volg, schoorvoetend. Ik ben drie jaar jonger, maar ik voetbal nog, op de bank van de scholieren van SV Wevelgem. Conditie zat dus. Toen al…
Van beneden naast de rivier stijgt het geroep op. Vaderlijke irritatie en moederlijke bezorgdheid. Maar Herman hoort die niet en wij moeten met hem mee. We vragen ons af wat hem bezielt. Wat wil hij bewijzen op deze desolate flank? Vindt hij dít dan stoer? Toch wat lachwekkend voor een achttienjarige om je ouders de stuipen op het lijf te jagen, je blijft toch geen kind. Of is dit voor hem een sportieve uitdaging? Ik vind er alvast niets bijzonders aan. Nu ja, ik ben voetballer, zij niet.
‘Ha, hier is ze’. Zonder enige euforie of stemverheffing scharrelt Herman in de verdroogde bladeren van de vorige herfst. Hij raapt iets op en steekt het in zijn broekzak. Neef en broer kijken hem even onbegrijpend aan. Een samenzweerderige glimlach verschijnt om zijn mond. ‘Mijn portefeuille. Die ben ik hier gisteren verloren tijdens onze schoolreis’.
Even schokkend gelach. Dan de triomfantelijke afdaling, van boom tot boom, wortel naar wortel. Dertig seconden later staan we bij het groepje oudere familieleden.
‘Mijn portefeuille lag daar nog…’

Het is maar één anekdote die terugleidt naar de jaren van Nonceveux. Ik had ook de verbouwereerde kamerwekker in hotel La Couronne in Luik kunnen schetsen. Die kwam ons wekken, tot drie keer toe. Maar Herman nam hem voor zijn overbezorgde vader en de arme man kreeg een kleine scheldtirade naar zijn hoofd geslingerd. Wonderbaarlijk was de verwondering op het gezicht van de Japanse toerist op de trein, die we in ons onovertroffen schoolfrans vol trots de 'montagnes de jambon' van de Borinage toonden. Oui, oui, c'est du jambon ça! Of over ons middagdutje aan de oever van de Chefna, die andere mythische bergrivier. In putje winter, bij tien graden onder nul, was die dichtgevroren. De watervalletjes verworden tot ijzige stalactieten en -gmieten. Ideaal decor om wat te pitten. Waarna we op zoek gingen naar Le Moulin du Diable, een frisse pint kon er ook nog bij. Helaas, om twee uur ’s middags was de herberg gesloten. Maar mevrouw Prosper was aan het poetsen en pour les fils de monsieur Roger de Wevelgem was er altijd plaats. Terwijl ze de laatste plekjes van de ruime gelagzaal droog dweilde, konden we een pint krijgen aan de toog. Gratis, avec plaisir, lachte ze. En ze bleef lachen. Ook toen Herman even later zijn volle pint van de toog veegde en de glasscherven en de Diekirch zich verspreidden over de glimmende vloer van het café. Niet erg! Les fils de monsieur Roger… Un autre Diekirch?
Avec plaisir!


maandag 28 november 2011

Zie daar gaat de stoomboot

Vorig jaar was ik één van de gastauteurs tijdens de nocturne voor volwassenen in 'Het Huis van de Sint' in Kortrijk. Mij werd gevraagd een passend slaapkamerverhaal te schrijven met de Sint in de hoofdrol. Net iets voor mij, dacht ik...

- ‘Nee, dit gaat me nu echt te ver!’
Sinterklaas richt zich op en maakt zijn mijter los. Voor de vijfendertigste keer schuurde het schabouwelijke onding over zijn wangen. Het is genoeg geweest. Hij neemt de mijter van zijn hoofd en kegelt hem tegen de wand van zijn slaapkamer. Tegen de muur waar de ingelijste kindertekeningen hangen. Er volgt nog een soort vloek, de sint is tenslotte ook maar een mens. De brave man kan ook eens een boze man zijn.
Waarom moet ik eigenlijk die slaapmijter op, denkt hij kregelig. Omdat hij de kinderen elk jaar weer vertelt dat hij àltijd zijn mijter op heeft? In bad, in bed en op het toilet. Voor elke plaats heeft hij een speciale mijter. De kinderen vinden het prachtig. Niemand die die mijters ooit te zien krijgt. Maar liegen? Dat doet Sinterklaas niet. Mag hij niet.
Kon ik nu maar slapen, denkt hij. Hij woelt al de hele nacht, geen seconde blijven zijn ogen dicht. Hij denkt aan wat hij morgen nog te doen heeft: 16 scholen, 75 warenhuizen, 185 bezoekjes bij kinderen thuis, 35 rusthuizen. Dit jaar kwamen er ook nog de serviceflats bovenop. In negen flatjes wordt hij morgen verwacht. Met zachte speculoos die niet te vreten is, maar die oudjes vinden die fantastisch. Goed voor de tanden die ze niet meer hebben.
Sinterklaas maakt zich ook zorgen om zijn zwartepieten die nu op pad zijn. Ze worden ook een dagje ouder. Het klimmen over de daken, dat valt nog best mee. Ook met de schoorstenen lukt het nog wel. Maar steeds meer van die moderne blokwoningen hebben glazen daken, dat is oppassen geblazen. En zijn trouwste pieten kwamen ook al vaak klagen over de alarmsystemen. Het wordt dringend tijd dat hij werk maakt van die bijscholing veilig inbreken.
Sinterklaas steekt zijn nachtlampje aan. Hij staart naar zichzelf in de zilveren spiegel. Wat ziet hij er oud uit! Het zou flink wat schelen als hij zijn baard kon afscheren. Hij klikt de televisie aan. Oh nee, telefoonspelletjes… Niets voor hem. Stel je voor dat hij het woord vindt en hij de prijs krijgt! ‘Blijf aan de lijn, dan noteren we je naam en adres, mijnheer… Mijnheer wie? Sinterklaas? Haha mijnheer is een grapjas…’ De meisjes zouden hem niet geloven. Even zappen…. Nee, ook de telefoonspelletjes van de meisjes op het andere net zijn niets voor hem.
De sint doet het licht en de televisie dan maar weer uit. Normaal slaapt hij de pannen van het dak. Maar nu doet hij geen oog dicht. Algauw ligt hij weer te woelen. Is zijn baard weer helemaal om zijn hals gesnoerd.
Sinterklaas probeert om er niet langer aan te denken, maar het lukt hem niet. Natuurlijk is het niet die drukke agenda voor morgen die hem uit zijn slaap houdt. Het lukt hem heus wel, zoals elke dag. Natuurlijk zijn het niet de pieten die hem zorgen baren, ook zij worstelen er zich wel door. Maar het is die stoomboot. De ongelooflijk mooie stoomboot die zijn pieten vorige nacht hebben afgeleverd bij dat ettertje in die foeilelijke villa. Toen ze er vorige week op bezoek waren, had de jongen niet van zijn computer willen komen. Voor de sint stond er geen stoel klaar, voor de pieten geen limonade. De sint bleef dan maar wat drentelen rond die computer en vroeg welk spelletje de jongen speelde. En of hij het van Sinterklaas had gekregen.
- ‘Ben je gek’, zei de jongen zonder opkijken. ‘Facebook? Dat krijg je toch niet van de sint. Dat is er vanzelf…’
Toen schoot dat kreng van een moeder in de lach. Sinterklaas probeerde er zich met een lachje vanaf te maken.
- ‘Ah, Facebook, dat is niets meer voor Sinterklaas. Daar ben ik veel te oud voor. En mijn zwartepieten, die hebben daar geen tijd voor. Nietwaar jongens?’
Er kwam geen antwoord. De pieten deden veel moeite om de sint niet aan te kijken en te doen alsof het scherm er niet was.
- ‘En, wat wil je van de sint?’
Zeg maar snel iets, dacht hij, dan ben ik hier zo snel als het kan weer weg.
De rotjongen keek even op.
- ‘Breng jij me maar een stoomboot!’ lachte hij.
En toen kroop hij weer in zijn Facebook.
De sint zat perplex. Die etter, dat rotjoch, dat verwaande kreng vroeg een stoomboot aan Sinterklaas! Niet omdat hij die wou, maar omdat hij toch íets moest vragen. Hoe kan een verwend kind van steenrijke ouders in een poepsjiek huis naar een stoomboot vragen? Hij zei het gewoon om iets te zeggen, dat had de sint wel door. Maar rotjongen zei het wel. En de sint schreef het onder de goedkeurende blik van krengmama in zijn dikke boek.
Die stoomboot zorgt ervoor dat Sinterklaas voor de tweede nacht op rij niet kan slapen. Hij wil die stoomboot niet kwijt. Rotjongen treft geen schuld, hij kon niet weten dat de sint zelf gek is op stoomboten. Naast de Grote Speelgoedzaal in zijn kasteel in Spanje heeft hij een privéspeelplaats. Daar mag alleen hijzelf in. Geen enkele piet heeft de sleutel, ook de opperpiet niet. In zijn speelzaal heeft de sint wel duizend stoomboten staan. Van steen gehouwen stoomarken uit de steentijd, scheepjes van papyrus uit de Egyptische oudheid, perkamenten schuiten uit de vroege Middeleeuwen, houten stoombootjes uit de Moderne Tijd, gietijzeren schepen uit de eeuw van de Grote Nationale Revoluties, plastic bootjes uit het Interbellum, boten van plexiglas uit de postmoderne tijd en bootjes van papier uit zijn kleutertijd. Van elk bootje heeft hij een exemplaar uitgestald, in de grote bewaarkasten tegen de wand heeft hij van alle versies de volledige voorraad opgeslagen. Nooit eerder heeft een kind een stoomboot gevraagd. Oorlogsschepen, indianenprauwen, onderzeeboten: ze gaan vlotjes de deur uit. De sint heeft er ook geen moeite mee om die uit te delen. Maar stoomboten… die zijn voor hem.
Tot rotjongen er één vroeg. Eergisteren had Sinterklaas zeer tegen zijn zin een stoombootje uit zijn privékast gehaald. Hij had er altijd enkele mee als hij rond december naar België kwam. Je wist maar nooit dat een kind een stoomboot vroeg. De sint wilde er niet aan denken, maar het moest wel.
De stoomboot – hij koos die van plastic, rood met zwarte strepen en wat Sinterklaas betrof de lelijkste uit zijn collectie, hij bleef zelfs niet drijven als je in bad zat – verdween onopvallend in de speelgoedzak van de pieten. Geen van hen die er een opmerking over maakte. Of die zei: kijk eens aan, een stoomboot, dat hebben we nooit eerder gehad.
Nu piekert de sint over de boot. Zíjn boot en niet die van rotjongen. Ook al had hij er nog duizenden in voorraad en al waren die allemaal veel mooier dan dat aartslelijke exemplaar in het poepsjieke huis van dat vervelend Facebookjoch.
Weer gaat de sint rechtop in bed zitten. Hij staart een tijdje in de duisternis. Dan ploft zijn vuist op de zachte verenmatras.
- ‘Ik haal hem terug! Ik haal hem verdorie terug, mijn boot!’
Hij knipt het nachtlampje aan en gaat weer liggen. Plots is de onrust weg. Zijn ogen zijn wijd open. Hij moet goed nadenken hoe hij dit aan boord legt. Morgenvroeg moet hij Opperpiet even apart nemen. Hij zal hem vertellen over zijn stoombootcollectie en hoe graag hij die stoomboot bij rotjongen terug wil. Hij kan het natuurlijk niet zelf aan de deur gaan vragen. Stel je voor, krengmama zou hem vast de huid vol schelden. Rotjongen zou zich een breuk lachen. Hij had al niet zo’n hoge dunk van hem en wat kon hem die stoomboot schelen.
Nee, terug vragen kon niet. Opperpiet moest hem persoonlijk weer uit het huis gaan stelen. Als je door de schoorsteen kunt om speelgoed binnen te brengen, kun je het er op dezelfde manier ook weer weghalen. Opperpiet zou mopperen, maar als het erop aankomt, is Sinterklaas de baas. Tegenpruttelen mag, maar een opdracht weigeren niet. Ook al ben je de opperpiet.
Er verschijnt een venijnig lachje op Sints gezicht. Hij is trots op zijn plan. Makkelijk toch? Maar dan is er plots ook wat twijfel. Mag hij het eigenlijk wel doen? De mensen kennen hem als de goede heilige man. Inbreken is geen heilige bezigheid. Maar… rotjongen houdt toch niet van stoomboten. Hij zal hem niet eens missen. En ik zal Opperpiet vragen om iets heel moois in de plaats te geven, bedenkt Sinterklaas. Iets waar rotjongen veel blijer mee zal zijn. Hij weet zelf niet wat, maar zijn pieten zullen wel een leuk idee hebben. Daarvoor zijn ze er toch? En opdracht is opdracht.
Sinterklaas knippert zijn lamp weer uit. Even later is hij verzonken in een diepe slaap en hij droomt van verre reizen naar onbestemde plaatsen.

- ‘Melk…!’
Opperpiet kijkt wat ongerust naar Sinterklaas. Waarom is hij vanmorgen zo kregelig? Aan de ontbijttafel is hij altijd erg goed geluimd. Hij eet zijn koeken, zuigt aan zijn koffie of drinkt zijn melk (nooit chocolademelk!). En dan leest hij fluitend of neuriënd de krant.
Maar vanmorgen niet dus. Er is iets mis met Sinterklaas, weet Opperpiet. En dat twee dagen voor zijn verjaardag.
- ‘Voelt u zich niet lekker, Sinterklaas?’
De sint kijkt hem recht in het gezicht.
- ‘Waarom zeg je dat, Opperpiet? Als er iets met mij scheelt, zal ik het je wel zelf zeggen. Scheelt er misschien iets met jou?’
- ‘Met mij? Euh…nee hoor, met mij is alles prima…’ prevelt Opperpiet. ‘Ik dacht alleen…’
- ‘Vanmorgen hoef jij niet te denken, Opperpiet. Laat dat maar aan mij over. Trouwens, ik wou je eigenlijk…’
Sinterklaas aarzelt. Hij weet niet meer wat hij wou. Deze nacht wist hij het natuurlijk wel. Opperpiet moest voor hem die stoomboot terughalen. Maar vanmorgen toen hij wakker werd, was hij het ineens niet meer helemaal zeker. Hij, Sinterklaas, de goedheilige man, had deze nacht plannen gemaakt voor een inbraak. De politie zou hij wel niet op zijn dak krijgen, daarvoor was Opperpiet een te gewiekste inbreker. Bovendien, zwartepieten mogen toch binnendringen in woningen? Als het maar door de schoorsteen gebeurt, dan laten alerte politieagenten oogluikend begaan. Maar is dit wel goed voor zijn reputatie? Stel je voor dat rotjongen vertelt welke knoeiboel Sinterklaas er bij hem van gemaakt heeft.
- ‘Kan ik soms wat voor u doen, Sinterklaas? Zegt u maar hoor, ik heb de hele dag vrij. Ik verdeelde alle speelgoedplaatsen onder de pieten. En er zijn vier pieten die de hele dag met u meegaan. Zegt u het maar als ik vandaag iets voor u kan doen….’
Sinterklaas richt zijn gezicht op en kijkt zijn trouwste en oudste zwartepiet lang en indringend aan. Er valt een ondraaglijke stilte in de keuken.
- ‘Opperpiet, kom eens bij mij aan de tafel zitten…’
- ‘Zoals u wilt, Sinterklaas…’
De sint wacht tot Opperpiet aarzelend naast hem aan de tafel is komen zitten. Hij kijkt nog even schichtig om zich heen. De andere zwartepieten komen nooit in de keuken, maar je weet maar nooit.
Sinterklaas houdt zijn hand tegen het linkeroor van Opperpiet.
- ‘Jij, beste Opperpiet, moet vandaag helemaal niets voor me doen. Snap je dat? En nu mag je weer van tafel gaan,’ fluistert hij.
Opperpiet kijkt zijn baas verontwaardigd aan.
‘Maar…’ moppert hij.
Sinterklaas geeft hem niet de tijd om meer te zeggen.
- ‘Vandaag – moet – jij – helemaal – niets – voor – me – doen. Dat begrijp je toch?’
- ‘Ja zeker…’
- ‘Wel dan…’
Opperpiet gaat onbegrijpend van tafel weg en begint zwijgend aan de vaat.
Sinterklaas zucht even. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. Nooit eerder voelde hij zich zo opgelucht en blij.


maandag 21 november 2011

Skrivn in 't Wevelgems

We komen uit dezelfde gemeente en we woonden bijna in dezelfde straat. Hij is een ongemeen toffe gast en hij zingt wonderlijke liedjes. Omdat ik hem zo apprecieer en bewonder, heb ik hem enkele maanden geleden iets gevraagd. Al was het een heel vrijblijvend en puur persoonlijk verzoekje.

Wat haat ik de titel van dit blogje! Maar hij vertelt nu eenmaal het best waarover ik het wil hebben. En samen met de eerste zin is dit een fameus statement.

Ik werkte zopas de redactie van een tijdschriftnummer over Willem Vermandere af (VWS-cahier 260). Het werd geschreven door Hedwig Speliers. De dichter-criticus kende ik uit mijn studententijd. Zijn polemische kritieken en strenge literatuuroordeel bezorgden me het beeld van een hardvochtig en verzuurd man. Niets daarvan: het was erg prettig samenwerken met Speliers, al beperkte onze samenwerking zich tot druk mailverkeer en twee telefoongesprekjes.
Hedwig werkte een tijdje samen met Willem Vermandere en werd een trouwe vriend en groot bewonderaar. Hij schreef een mooie tekst voor het VWS-cahier. Hij schept het beeld van een groot artiest: Willem de zanger, de dichter, de verteller, de muzikant, de beeldhouwer. Uit de tekst blijkt dat voor Willem vooral dat laatste erg belangrijk is, ook al is hij zoveel succesvoller als zanger.
Willem Vermandere groeide op in Lauwe, voor mij is dat het dorp aan de overkant van de Leie. We spraken als kind dus dezelfde taal, ook al zorgde de Leie voor een obstakel en wijken die van Lauwe qua uitspraak wel eens af van het Algemeen Wevelgems. Luister maar hoe we aan beide oevers van de rivier 'kerk' of 'kaarten' uitspreken. Schitterend toch, die taalvariatie? Vind ik ook, maar je moet er volgens mij niet mee koketteren in liedjes en versjes.
Ja, ik ben fervent voorstander van het Algemeen Nederlands. Dialect of standaardtaal... het is een item dat dezer jaren vaak opduikt in opiniestukken. Guido Gezelle hebben we van ons afgeschud, zijn zingende adepten plaatsen we op een voetstuk. Flip Kowlier zingt in het Izegems, Axl Peleman in het Antwerps, Wannes Cappelle in het Wevelgems...

Wannes... Die woonde nog dichter bij mij. Vanuit het huis waar ik nu al meer dan twntig jaar woon zie ik zijn geboortehuis. Ik kom er elke dag minstens vier keer voorbij. Jaren geleden hoorde ik vaak heerlijk pianospel en een zingende jongen. Wannes-in-wording. Wannes die opkeek naar Willem Vermandere en nu in zijn traditie verder werkt. Het rockt wat meer, maar het zijn dezelfde teksten. Over de spelletjes op de schoolspeelplaats, het huis van zijn ouders, de hebzucht van de mensen. Willem heeft het wel eens over God en de priesters, Wannes meer over liefde en de meisjes. Goed zo.
Wannes is minstens even sympathiek als Willem. Ik zag hem onlangs nog op een benefietvoorstelling voor de slachtoffers van de watersnoodramp in Pakistan. Natuurlijk wou hij komen en hij bracht een fijn akoestisch optreden. Of het huis van zijn vader er nog altijd staat, vroeg hij zich zingend af. Dat weet je toch zelf wel, Wannes, dacht ik... Als je uit het station komt, eerst de school, dan even naar links... Maar om die anekdotiek gaat het in zijn liedjes niet. Wannes heeft veel meer te vertellen. Schitterend artiest, zonder meer, en een toffe gast.
De taal waarin Wannes zingt varieert maximaal honderd meter van de taal waarin ik overdag spreek. En toch ben ik daar niet onverdeeld gelukkig om. Waarom niet in de standaardtaal zingen? Wannes werkt momenteel een succesrijke theatertournee in Nederland af. Daar ben ik veel blijer om. Maar tegelijk maakt het me een klein beetje bang. Als het maar niet komt omdat ze hem niet begrijpen. Zijn taaltje zo koddig vinden. Zijn uitspraak zo exotisch. Zijn présence zo stuntelig. Wat zijn ze toch sympathiek, die zingende Vlamingen.
Ik weet het wel: 'Blanche en zijn peird' of 'Cowboy en indiaan' in het Algemeen Nederlands, dat lukt niet. Maar Vermanderes 'Kasteel van schelpjes en zand' en Cappelles 'Keuning van de jacht': het zijn verpletterend mooie liedjes die perfect in het Nederlands hadden gekund. Hetzelfde gevoel, hetzelfde effect en evenveel nostalgie nastreven in een taal die ze ook aan de andere kant van de Schelde, de Maas of het Albertkanaal begrijpen... Of de Moerdijk. Toch maar eens proberen?

Toen ik jaren geleden voor het eerst Flip Kowlier hoorde, verwarde ik hem met de Zuid-Afrikaanse Johannes Kerkorrel. De klanken klonken vertrouwd, maar ik begreep de woorden niet. Ook in Izegem spreken ze Wevelgems, maar ik moet de woorden eerst eens kunnen lezen vooraleer ik snap waarover Kowlier zingt. Klaas Delrue komt ook uit de streek, een gemeente verder dan Lauwe... Zijn Yevgueni mag dan lichtvoetiger liedjes zingen, ik begrijp perfect waarover hij het heeft. Zonder handleiding. Makkelijk toch?



zaterdag 5 november 2011

Mijn Boekenbeurs

De Boekenbeurs bezoeken en Zurenborg zien… Ook voor mij is de herfst begonnen. Laat de bladeren maar vallen nu.

De 75ste Boekenbeurs van Vlaanderen is bezig. Auteur Walter Van den Broeck (één van de zeldzame Vlaamse auteurs die ik al sinds mijn twintigste 'volg') bazuinde rond dat hij er al 44 keer op rij naartoe is geweest. Ik ging ook even aan het tellen en kwam tot de slotsom dat ik er zeker ook al zo'n twintig jaar trouw bezoeker ben, waarvan de laatste vijftien jaar onafgebroken.

Begin de jaren ‘80 ging ik er naartoe als bevlogen leraar Nederlands, in de overtuiging dat ik een betere lesgever zou zijn als ik de boeken in mijn handen en de schrijvers ervan in mijn hoofd zou hebben. Vanaf de jaren ‘90 ging ik er naartoe als bibliotheekmedewerker: hoe kan je bibliotheekwerk ernstig nemen als je niet weet welke boeken er zoal op de markt zijn? In 2001 was ik er voor het eerst als auteur - apetrots natuurlijk! De hel in New York was verschenen en ik mocht plaatsnemen aan de signeertafel van de prestigieuze uitgeverij Davidsfonds/Infodok. Met groot succes overigens: zes weken voorheen vloog Osama Bin Laden met twee vliegtuigen door de WTC-torens. De titel van mijn boek stond als dikke kop op de cover van Het Laatste Nieuws. Sinds de jaren 2000 heb ik dus een drievoudige interesse voor de Boekenbeurs en ik ging er in dat decennium dan ook elk jaar in veelvoud naar toe. Om de beurs te bezoeken, om te signeren, om bibliotheekbezoekers te begeleiden. Twee keer mocht ik zelfs achter een tafeltje plaatsnemen in één van de lezingenzalen van de beurs. Ianca Fleerackers legde me op de rooster over het thema pesten in Valsspeler en uitgeverij De Eenhoorn vroeg me om de reeks ‘Lekker Lezen’ voor te stellen aan leerkrachten middelbaar onderwijs. Allemaal heel leuke dingen voor deze mens.

Ondertussen zijn we in de jaren '10. Ik ga nog steeds naar de beurs, al heeft die ook voor mij wat van haar glans verloren. Het bezoek werd een routineus, zoniet verplicht, jaarlijks cultureel uitstapje. Een beleefdheidsbezoekje aan de stand van mijn uitgeverij (die was helemaal nieuw en heel mooi overigens dit jaar), een snelle rondgang tussen boeken die veelal geen geheimen meer hebben (om uiteindelijk toch weer betoverd te raken door de 'houten stand' van uitgeverij De Geus – waw!!!), een promotioneel signeermoment, een korte en meestal aangename babbel met collega-jeugdauteurs. En een heel leuk onderhoudend uitstapje met een goede vriendin.

Zo geschiedde het ook tijdens de vooropening op zondag 30 oktober. Moe en afgepeigerd toog ik mee naar de openingsavond: een uit de hand gelopen vriendendienst resulteerde in een afmattend benefietconcert dat me al had geradbraakt nog voor het boekslenteren begon. Het parkeerprobleem nabij Antwerp Expo losten we elegant op: we waren vrij vroeg en vonden een plaatsje in één van de rustige zijwegen van de Van Rijswijcklaan. Het was zondag, dan komt de wijkagent de bewonerskaarten niet controleren, wisten we. We hadden tijd voor een boekenbeursborrel in de oergezellige cafétaria naast ingang 1. Omdat het wachten op een drankje elk jaar in tijd weer uit de hand loopt, verzon de directie van het café een origineel en sfeerscheppend nieuw systeem dat begon met een poëtisch vers als handleiding op de tafel en eindigde met aanschuiven om een drankje aan de bar.
Eenmaal binnen viel het me weer op dat mijn boekenbeurspartner en ik dezelfde neus voor goede boeken hebben: uit het overweldigende aanbod haalt ze zo de leuke en ongekende titels en ze schrijft die nauwgezet in een notaboekje – stikjaloers ben ik op dat schriftje! Of ik ook enkele titels mocht aangeven? Net als ik heeft ze een gezonde aversie voor bekende Vlamingen: nu en dan loodste ze me handig om een kampioen, een samson, een draulans, een minister-op-rust of een televisiekok heen. Wat ze ook met me deelt: een gezonde interesse voor boeiende Vlamingen. Ze kreeg Peter Vandermeersch in de gaten (en hij haar, zo bleek), Walter van den Broeck zag ze zelfs eerder dan ik (niettegenstaande ik hem al mijn hele leven volg). Het is verder altijd leuk om Tine Mortier te ontmoeten en Hilde Vandermeeren weer eens terug te zien. Maar pas op, daar is alweer iemand uit ‘Thuis’!
We slenterden er onze hele tijd rond, Caroline en ik. Moe en voldaan reden we huiswaarts. Met een schriftje vol titels van boeken die we de komende maanden gaan lezen.

Na de openingsavond ging ik nog een keer on my own terug naar de Boekenbeurs. Best leuk geweest. Een signeersessie met aangename buren (wat kan Caryl Strzelecki mooi tekenen en wat is De kleuren van het getto een wonderschoon boek!) en een hartelijke ontvangst door Nele en de collega’s van de uitgeverij. Een lezing in de Gele Zaal met als veelbelovende titel ‘Jeugdliteratuur bestaat niet’. De lezing was evenwel geannuleerd, wat me doet besluiten dat jeugdliteratuur wel degelijk bestaat. Het is een hele geruststelling. En verder nog even rondslenteren in de beursgangen en kuieren in de stands, onderwijl veel handjes schuddend en schouderklopjes gevend en ontvangend. Dag Do! (‘ik zag een lange rij aanschuiven…!’). Dag Katrien (‘mooie uitgave hoor over die IJslandvaarders!’). Dag Kristien (‘je zoon staat in de Standaard der Letteren!’). Dag Dirk (‘tot in Menen en Ieper weer?’). Even geërgerd grijnzen naar die vreselijke rat en opkomende irritatie inslikken bij de Eftelingkabouters en -prinsen. Een niet-onaardige kennismaking met een nieuw verschijnsel: na de televisiekok is er nu ook de boekenbeurszanger. Hij heet Stash, dat valt dus nog mee! Darwin op de Boekenbeurs: eerst waren er schrijvers die signeerden, daarna koks die kookten, nu zangers die zingen. Ook Darwin: Goedele is minder mooi dan ik dacht – of dan ze was? En heel leuk: de boekendokters in de stand van Cobra. Moet ik echt ook eens proberen!
Stilaan afrondend kocht ik aan een heel mooie stand een heel leuk notaboekje om titels van nog te lezen boeken in te noteren: ik droomde al vier dagen van zo’n schriftje. Tot slot ging ik even checken of alles in orde was in zaal 1. Ja hoor, Paul D’hoore zat plichtbewust en met bezwete oksels zijn beleggingsboeken te signeren. Oef, ik kon met een gerust gevoel vertrekken.


Eindelijk kon ik op weg naar het hoogtepunt van mijn jaarlijkse Boekenbeurs. De tram tot station Berchem en dan de Cogels Osylei in. Ik nam de tijd tot een volgende trein om me te vergapen aan de schoonheid van de torentjes, opschriften, versieringen, gevels en huizen van de Antwerpse Art Nouveau. Het is de mooiste straat van ’t Stad en voor één keer is Antwerpen geheel Vlaanderen. Niet te geloven dat elk jaar zoveel mensen dwalen in de boekenbeursgangen zonder deze omweg naar Zurenborg te maken.

Het is allemaal de schuld van Piet Huysentruyt.


Cafetariapoëzie

zet met het potlood een kruisje in het vakje naast de keuze van uw gerecht
geef de ingevulde menukaart aan de kassa en betaal
haal uw dranken af aan de bar en ga terug naar uw tafel
hou de numerieke display boven de bar nauwlettend in het oog
wanneer uw ticketnummer daarop verschijnt begeef u dan met uw plateau en
ticket naar de uithaalpost naast de kassa om uw bestelling af te halen
bedankt voor uw participatie en we wensen u smakelijk eten

Antwerpen, Boekenbeurs 2011