Pagina's

woensdag 14 mei 2014

Lang leve de lage loonlast!

De gemeente waar ik woon beleeft dezer dagen een klein Ford Genkje. Een bedrijf dat enkele decennia geleden groeide uit de lokale gemeenschap, evolueerde tot een kleine wereldspeler en ondertussen in onvoorspelbare Amerikaanse handen was, legt de productie stil. De hand van de Amerikaan heeft een streep getrokken over of een kruis gezet naast de naam Wevelgem. De wasmachines worden voortaan in Tsjechië gemaakt.

Uiteraard veroorzaakte de stopzetting een storm van protest én een golf van medeleven op de sociale media. Honderdzesenzestig medewerkers komen op straat en heel veel van hen wonen nog steeds in de lokale gemeenschap. Mijn gemeente wordt de komende maanden wat armer.
Het wekt uiteraard geen verbazing dat deze sluiting zo kort voor de moeder der verkiezingen al snel een politiek kleurtje en geurtje kreeg. De fout van de lageloonlanden, zegt een Facebooker. De fout van de hoge loonkosten, zegt een Twitteraar. De fout van de burgemeester, zegt iemand. De fout van de vakbonden, de fout van de vreemdelingen, de fout van De Wever én van Di Rupo, de fout van alle dikkenekken in Brussel (want zij rijden met dure auto’s), de fout van de profiteurs (want zij profiteren), de fout van de Walen (die ook natuurlijk), de fout van de bazen (zij nog veel meer). Samengevat: ik las een drieste bloemlezing uit verkeerd geciteerde partijslogans voor de komende verkiezingen. De wasautomatenfabriek is nog niet dicht of daar hangt onze vuile was al buiten.

Tussen de vele berichten en reacties door onderschepte ik ook een oproep naar een solidariteitstekst op mijn blog. Niet makkelijk… Ik ben ongevoelig voor slogans maar ben dan ook weer niet de schrandere econoom die in enkele frasen zijn heldere visie op het verschijnsel kan uitschrijven. Laat staan dat ik de sluiting van een lokale onderneming perfect kan duiden in het licht van de wereldeconomie of argumenten kan aanbrengen die de hand van de Amerikaan naar een gom doen grijpen of hem het rode kruisje op zijn blad laten veranderen in een groen vinkje.

Ik ga het verschijnsel vrij intuïtief te lijf met aloude inzichten verworven in de lessen economie van het middelbaar onderwijs. Meneer Bourgeois for president!
Het begrip dat gisteren in de reacties het meest opdook was: hoge loonkost. Die sakkerse boosdoener! Ik sta er versteld van hoe dat woord opeens onze woordenschat is binnengedrongen. En hoe onheus (ik herhaal: ik denk heel intuïtief nu) we het ineens met zijn allen gebruiken.
De wasautomaten worden dus voortaan in Tsjechië gemaakt omdat onze loonkost te hoog is. 
Op de middelbare school leerde ik dat de loonkost uit meerdere elementen bestaat. Als we die allemaal wat afslanken, krijgen we ongetwijfeld een modelstaat met lage loonkosten waardoor geen ondernemingen meer op de vlucht gaan naar een ander land. Voortaan moeten we dus gewoon zelf een lage loonland worden. Poepsimpel, en toch is er geen enkele partij die eraan denkt (alhoewel…).

Er zijn wel enkele nevenverschijnselen natuurlijk.
Een groot deel van de loonlast bestaat uit het nettoloon van de werknemer. Dat moet dus flink wat minder worden. Elke maand een pak minder in onze portefeuille of op onze bankrekening. Uiteraard moeten ook alle sociale bijdragen, zowel van de werknemer als van de werkgever, naar omlaag. Schande hoeveel geld we elke maand betalen voor de profiteurs van onze maatschappij! De werklozen, de gepensioneerden, de leefloners, de gehandicapten en de zieken: als we hen allemaal een beetje minder betalen, dan moeten zij die werken niet zoveel RSZ bijdragen. Makkelijk toch? Ook de bijdragen voor het Kinderbijslagfonds kunnen we uit de loonkost halen, dat scheelt echt wel een serieuze slok op de borrel. Als het in landen als Indië en Brazilië lukt zonder kinderbijslag, waarom dan bij ons niet?
We zijn al goed op weg om een voorbeeldig lage loonland te worden en dan heb ik het nog altijd niet gehad over de plaag van België. Al die belastingen! Is die bedrijfsvoorheffing dan echt nodig? Laten we die gewoon op zijn minst halveren en hopen dan maar dat de files vanzelf verdwijnen en dat de autowegen zichzelf herstellen en overkappen. Treinen kunnen we sowieso afschaffen, zijn we meteen van die vervelende stakingen en aanmodderende ambtenaren verlost. 
Stilaan zijn we Tsjechië geworden, maar het kan nog steeds beter. Allerlei kleinigheden die de loonlast kunstmatig opkrikken, kunnen we nog overboord kieperen. Bijdragen voor verzekeringen bijvoorbeeld. Bijdragen voor arbeidsongevallen, nog een win-element. Als de arbeiders voortaan wat beter uit hun doppen kijken op de werkvloer, kan de werkgever die verzekering annuleren en de loonlast nog meer drukken. Is het zijn fout misschien dat onhandige arbeiders van de ladder vallen?
En vakantiegeld, moet dat eigenlijk wel? De Tsjechen maken toch ook geen citytrips, gaan niet op skivakantie en maken geen exotische reizen? Ze hébben niet eens een zee en als ze al op reis gaan naar het buitenland, boeken ze enkel een heenreis. De snoodaards!

Je beseft het misschien niet, maar als we gaan voor al het bovenstaande, dan behoren we bij de koplopers van de wereld. Staan we helemaal bovenaan het lijstje van de lage loonlanden. Je vraagt je af waarom we al die bijdragen blijven betalen en zoveel blijven verdienen.

De wasautomaten worden dus voortaan in Tsjechië gemaakt omdat de loonkost daar heel laag is. Zullen we dus ook doen. Mijn reis naar de Auvergne heb ik alvast geannuleerd, mijn bezoek aan de tandarts tot nooit meer uitgesteld, de tuinarchitect met een smoes afgebeld, de studies van mijn zonen met ingang van nu stopgezet (‘stop nu  in godsnaam eens met studeren!’), mijn lidmaatschap van het ziekenfonds afgezegd. Ik zeg ook maar mijn verzekeringen af en mijn aanslagbiljet stuur ik onverrichter zake terug. Wel jammer dat ik dat kindergeld niet meer zal krijgen. Pech dat de wasmachine het net nu begeeft, maar voortaan was ik toch met de hand. Sneu dat mijn moeder net nu begint te sukkelen met haar heup en dat die put in de straat niet meer gevuld zal raken. Maar ik woon wel in een lageloonland, joepie!

En in afwachting van de omschakeling van hoge- naar lageloonland, spuw ik toch even mijn intuïtieve middelbare school-ergernis uit. De wasautomatenfabrikant laat zijn goed draaiende, efficiënte en productieve vestiging in Wevelgem in de steek omdat hij in Tsjechië meer winst kan maken. Nóg meer winst dus. En daar past maar één woord voor: schande!

https://www.youtube.com/watch?v=lkE04kbiiQc


zondag 13 april 2014

Roger De Vlaeminck: 'Ik ben 'm en ik blijf 'm!'

Enkele uren voor de start van Paris-Roubaix gaf Roger De Vlaeminck, viervoudig winnaar, een opgemerkte persconferentie in de boswachtershut van Wallers. Zoals het past bij een echte kampioen, nam hij de strijdbijl op en trok resoluut ten aanval tegen ‘azijnpissers van journalisten die mijn scalp willen’ (nvdr: zijn woorden). Roger claimde voor eeuwig en altijd de titel van ‘Monsieur Paris-Roubaix’ en ontwikkelde hiervoor zijn eigen glasheldere theorie.

Het is een ontspannen maar ambitieuze De Vlaeminck die de internationale pers te woord staat. ‘Ik kreeg de voorbije dagen de indruk dat men mij naar de slachtbank leidde. Boonen de vijfde keer en absoluut recordhouder? Cancellara mederecordhouder? Jongens toch, waar zijn jullie mee bezig. Als ik mijn mond open doe, zit het er altijd bovenarms op, dus bleef ik zwijgen. Ik liet me zelfs ontvallen dat ik liever zou hebben dat Boonen tweede zou worden. Ik kreeg spijt van die uitspraak, want ze is dom.’

Roger-le-vrai
grabbelt even in een rommelig bergje paperassen dat voor hem op de tafel ligt. Hij vergewist zich ervan dat alle camera’s draaien en de micro’s goed zijn aangesloten en laat zich iets influisteren door zijn rechterhand, de gewezen wereldkampioen veldrijden Eric De Vlaeminck. Die geeft hem het sein om verder te praten. ‘Kijk, het is eigenlijk vrij eenvoudig. Wie een beetje koersinzicht heeft… tja, daar wringt het schoentje eigenlijk hé, ik heb de indruk dat wielerjournalisten meer geïnteresseerd zijn in de kindjes van de coureurs dan in hun prestaties. Maar soit. Wie een beetje koersinzicht heeft... er zijn er nog hoor, veel van mijn supporters zijn in staat een wedstrijd zorgvuldig te analyseren, maar er zijn ook andere. De Spanjaarden en de Italiaanders bijvoorbeeld, die snappen er niks van. Maar wie wel koersinzicht heeft, vooral in Oost-Vlaanderen spreek ik veel kenners. Wie koersinzicht heeft, weet waar het om draait in Paris-Roubaix. Bekijk eens de erelijst…’
Roger laat de ex-wereldkampioen veldrijden een kopie ronddelen, waarop de top-drie van alle voorgaande edities van de Helleklassieker is terug te vinden. Dan laat hij het persgild een minuut stilte, zodat die zich kunnen voorbereiden op wat volgt.
‘Meer woorden hoef ik er niet aan vuil te maken zeker... Mijn theorie is, en die houd ik al tientallen jaren voor mezelf, zodat ik de jonge gasten hun courage niet afneem, dat de echte monsieur Paris-Roubaix niet de renner is die de koers het meeste heeft gewonnen. Dat is toch duidelijk! Want wie wint er? Hij die ze laten winnen, hij die geen pech heeft gehad, hij die profiteert van het ploegenspel, hij die er het meeste geld heeft tegenaan gegooid. Akkoord, slechte coureurs zullen nooit winnen. Maar de beste coureur in koers is altijd tweede. Ik herhaal: hij is tweede. Dat zijn de echte kampioenen. Zij hebben gekoerst in alle eerlijkheid en openheid en in de wetenschap dat ze niet mogen of kunnen of durven winnen. Wie als tweede op het podium staat, is qua sportiviteit de beste in koers.’

'Geloofwaardigheid  wielersport gered'

Gegniffel in de persboshut. Maar hier en daar wordt goedkeurend geknikt als de erelijst vanuit dit gezichtspunt wordt bekeken. ‘Ik ben duidelijk, denk ik. Kijk maar eens. Ik won vier keer in een jaar dat het niet anders kon. Tja, ze reden toen zo traag dat ik toch moeilijk mijn remmen helemaal dicht kon trekken. Die jaren heb ik de geloofwaardigheid van het internationale wielrennen gered. Ik kreeg er achteraf een dankbrief voor van de baas van de UCI. In 1975 maakte ik ook een beginnersfoutje. Ik kreeg de kans om voor Eddy Merckx te eindigen. Toen was dat nog een jongensdroom, maar later keerde ik de rollen wel om. En in 1977... ik had tweede kunnen worden, maar ik offerde me weer op. Na mij kwam Willy Teirlinck. Laat ik die winnen, dan staat het land op zijn kop. Teirlinck begot! Ik sleepte me echt naar de eindstreep toen.’

Het lijkt even dat Le Gitan een traan zal moeten wegpinken, maar hij herpakt zich snel. ‘Mijn mooiste jaren zijn die waarin ik tweede werd. Kijk maar eens… tweede na Merckx in 1970, ik mocht gewoon nog niet winnen. Twee keer tweede na Moser omdat hij moest winnen van de ploeg. Een keer tweede na Hinault omdat die moest winnen van de organisatie. Die jaren reed ik voor de tweede plaats en ik haalde die elke keer met de vingers in de neus. Het zijn mijn mooiste overwinningen. Ja, ik noem dat overwinningen. Een tweede plaats is zoveel mooier dan de eerste. Ik zie het Boonen en Cancellara nog niet nadoen. Ze hebben het gewoon niet in zich. Altijd strijden voor die eerste plaats terwijl het voor hen zo makkelijk is. Ze kunnen elk om beurt tweede worden want andere renners raken vandaag toch niet over die kasseien. Elk om beurt tweede, op de Oost-Vlamingen na zal niemand iets vermoeden. Maar ach, zij moeten het weten hé.’

Speurend op de erelijst merken we dat niemand in de buurt van Roger De Vlaeminck komt. Enkel de illustere Georges Ronsse kon drie keer tweede worden (in 1928, 1929 en 1932). Daarna is het huilen met de pet op. Coppi, Van Looy, Van Springhel, Merckxi, Moser en Cancellara waren twee keer tweede. Grote kampioenen, maar ver uit de buurt van de vier tweede plaatsen van Le Gitan. Het zegt veel over zijn prestatie.

Van Avermaet

‘Mijn grootste ontgoocheling beleefde ik in 1976. Toen werd ik derde. Marc Demeyere zat de hele tijd aan de staart van de kopgroep en won toen de sprint voor Francesco Moser en ik. Het zag er goed uit, ik had me voorbereid om de spurt te verliezen van Moser en zo een nieuwe overwinning te behalen. Maar die Demeyere gooide roet in het eten. Hij was zot van glorie en spurtte voor de eerste plaats. Het uilskuiken! Nu, achteraf kwam aan het licht hoe hij het deed. Hij had zich volgepropt met doping en was niet meer in staat helder te denken. Dan doe je zoiets, spurten voor de eerste plaats. Ik word er ’s nachts nog wakker van, hoe mooi ik die dag tweede had kunnen worden. Marcske toch…’

Roger-le-vrai
twijfelt niet over wie dit jaar Paris-Roubaix zal winnen. ‘Greg Van Avermaet. Altijd is hij tweede. Als er één renner in staat is mijn record te ontfutselen, is hij het wel. Hij ziet het. Heb je hem al eens een koers zien winnen? Hij weet dat hij het niet moet doen. Hij is nog jong genoeg, als hij het slim aan boord legt, kan hij zeker nog vijf keer tweede worden. En dan leg ik me neer bij zijn meesterschap.’

https://www.youtube.com/watch?v=OUVHM0RQloQ

Lees ook: Roger De Vlaeminck wint Gent-Wevelgem.


maandag 10 februari 2014

Hoera, ik heb een tentoonstelling!

Ik raak er stilaan aan gewend, aan de grapjes die me dezer dagen te beurt vallen. Vrijdag (jaja, op Valentijntjesdag, maar dié grapjes onderga ik elk jaar!) word ik vijftig jaar. Een halve eeuw oud. 
Vorig jaar schreef ik in het kader van de herdenking van vijftig jaar culturele raad Wevelgem een feestrede. Nakende de vijftig, noemde ik die tekst. Nu is het wel erg nakend. Ben ik zelf wel erg nakend.

De grapjes en de steekjes gaan normaliter zo aan mij voorbij. 50 jaar is 1 jaar meer dan 49 jaar. Ik vond het leuk een heel jaar lang een fortyniner te zijn: ik voelde me een jutezak uit mijn pubertijd (puberteit leest veel te klinisch). Ik voelde me vorige zomer even goed tussen de twintigers en Tom Barman op het Cactusfestival als tussen de vijftigers en Toots Thielemans op Jazz Middelheim. En het was leuk nu en dan weer eens te ervaren dat die pubertijd nog niet uit mijn leven verdwenen is. ‘Waarom schrijf je eigenlijk voor jongeren’, vragen lezers zich steevast af. ‘Het is de boeiendste periode uit je leven’, zeg ik dan. Wat ik daarmee bedoel , kun je horen tijdens een omstandige toelichting die je kan krijgen met subsidie van het Vlaams Fonds voor de Letteren. 
Marc de Bel voelt zich al zijn hele leven elf jaar, ik ben drie jaar ouder dan hem. Al zijn we allebei even gek van Jimi Hendrix. Echt wel oude tieners dus.

Nu ik die jutezak moet wegwerpen, hoef ik mij toch niet ineens een oude zak te voelen? Uiteraard niet. Maar de omstandigheden zitten me absoluut niet mee. Was het nu echt nodig om één week voor ik mijn verjaardag vier mijn geliefkoosde werkplek die de bibliotheek nu toch al meer dan 25 jaar is onder te brengen in een rusthuis? In rusthuis Ter Mote nog wel! Je bent van Wevelgem als je ooit hebt gespot met de oude mensen van Ter Mote. Hij of zij die stijf en strak uit zijn bed kwam, was van Ter Mote. Hij of zij die nauwelijks nog op de fiets kon, was van Ter Mote. Hij of zij die een leesbril nodig had, was van Ter Mote. Hij of zij die in de bibliotheek werkt, is van Ter Mote. We hadden ons imago al niet mee. En nu dit.
Het moge een troost zijn: ooit is iedereen van Ter Mote. Elckerlijc is van Ter Mote.

Hoe we ook ons best hebben gedaan om er iets moois van te maken: voortaan werk ik in Ter Mote. Maar ik zal de naam dragen als een geuzennaam, want onze noodbib is lang geen bib in nood (dixit onze jonge schepen van jeugd). Op het hoofd van Guido Gezelle staat een walkman, in de bib is er free wifi, staan er meer dan 30 pc’s, is er een zelfuitleenbalie en een betaalautomaat, kan je games en straks e-books ontlenen. En ook gedrukte boeken, zelfs met grote letter (oeps, die moeten we misschien maar tijdelijk wat verstoppen).

Binnen twee jaar zal ik zegevieren. Van mijn nu honende leeftijdsgenoten ben ik de enige die Ter Mote zal overleven. Twee, maximaal drie jaar blijf ik er. En dan doe ik wat je normaliter niet kan als je van Wevelgem bent: naar Ter Mote gaan en er ook van terugkeren. Dat is pas Messiaans! Samen met de bib zal ik herrijzen uit mijn as. Bibliotheek Wevelgem kijkt met ambitie naar de toekomst. En ik kijk met haar mee.

Al draag ik ondertussen ook zorg voor het verleden. Het was een tijdrovende bezigheid om de hele bibliotheek in enkele weken tijd veilig, in kartonnen verhuisdozen, over te brengen naar haar tijdelijk onderkomen. Hoe ouder het boek dat je vast neemt, hoe meer tijd erin kruipt. Oude laden en schuiven en zelden betreden ruimtes werden geopend en de neiging om iets in de prullenbak te kieperen om het verhuizen wat te laten opschieten, was bijwijlen groot. Het angstzweet brak me meer dan eens uit. Niet doen, dacht ik dan. Opbergen in doos 1853 en terug zijn plaatsje geven op verdieping 3 (kamer 318) om het binnen twee jaar veilig weer over te brengen naar de bibliotheek van de toekomst die zo goed voor het verleden wil zorgen.
Erfgoed. Je bent van Wevelgem als je goed voor het verleden zorgt. Ik pijnigde mijn hersenen over wat ik met die kartonnen vellen met unieke foto’s en ongeziene plattegronden moest doen. Ze pasten in geen enkele doos, in geen enkele map. In de verhuiswagen zouden ze worden gekreukt en verpletterd. Ik zou er niet bij zijn als de verhuismannen die oude rommel zouden overbrengen. Misschien zouden de pancartes wel verdwijnen in het grof huisvuil.
Ik liet er mijn slaap voor. Als ik er nu niet voor zorg, zijn we ze voor altijd kwijt. Al zal geen haan er ooit naar kraaien. Maar de kraaien zullen het zeggen. Als je de titel van deze blogpost leest, weet je welk besluit ik nam.

Vijftig jaar dus en rijp voor het rusthuis…!
Neen hoor, maak je geen zorgen. Die verjaardag vier ik in stijl. Samen met mijn Woodstockvriend die ook vijftig wordt, organiseer ik deze zomer een festival. Een Fiftyval, om meteen het juiste begrip te introduceren. In zijn tuin komen een podium, een bar, lichtspots, geluidsversterking, een wc-hokje. En muziek. Geen fanfares of koren voor ons, maar the real stuff. Les Tripes om in stijl te openen, Potaerde om onze olijke jeugdjaren in herinnering te brengen (en de aanwezigen toch een keer de kans te geven om een nostalgische traan weg te pinken), het Tsjechisch Mannenkoor om onze jeugdige dommigheden nog eens te etaleren en tot slot Morphine Murphy. Ik ben het niet zeker, maar ik denk dat deze groep optrad op het legendarische Woodstock-festival. Al kan ik er ook een jaar of veertig naast zitten.

See you in my fifties. Of in Ter Mote.

http://www.youtube.com/watch?v=YRcQs7Qbgic

Lees ook Nakende de vijftig (januari 2012).
Lees ook: Het was weer vuil op de weide (augustus 2011)


maandag 23 december 2013

Wat doen we nu met Rudolf?

Ik wou het over de verpampering van onze samenleving hebben. 
In tijden van de warmste week en de groenste kerst hebben we de neiging om even oog en oor te hebben voor de armsten in onze maatschappij. Zij voor wie elke maand net iets te lang duurt. Zij voor wie het leven net iets te moeilijk is. Zij die net iets te veel tegenslag krijgen te verwerken. Zij die zich geen kalkoen voor kerstavond of champagne voor oudejaarsavond kunnen permitteren.

Ophouden!, zullen sommigen onder jullie zeggen. Deden we de laatste jaren niet meer dan van ons verwacht kan worden om de bovenstaanden te helpen? We zetten kaarsen voor ons raam, we nodigden eenzamen uit, we vroegen plaatjes aan, we waren een minuut stil en in gedachten bij hen, we deden, hen indachtig, de laatste van de tien flessen niet open, we luisterden zelfs naar Studio Brussel. Alles voor de minder gegoeden, de uitzichtlozen en de ongelukkigen. 
We deden eigenlijk nog veel meer. Wat we als individu niet konden oplossen, lieten we met grote gulheid over aan de overheid en andere menslievende organisaties. Er werden metrostations opengesteld, voedselpakketten uitgedeeld, dekens verspreid, soep geserveerd. Op de stoep dan nog. We keken en zagen dat we goed deden.
Of net niet. Door onze overdreven ijver, onze oneindige goedheid en overdreven verdraagzaamheid hebben we de bovenstaanden gepamperd. Alles ging vanzelf. Als ze het zelf niet konden bolwerken, zou de omgeving wel voor hen zorgen. Als er geen boter op de plank kwam, zouden de buren wel zorgen voor een bord soep op de stoep. Als ze het koud kregen, zou iemand hen wel een deken toestoppen. Ze werden gekoesterd en geknuffeld en met alle goede zorgen van de hele wereld overladen. 

Beste lezers, deze lange geëngageerde inleiding heeft slechts tot doel jullie bijzondere aandacht te vragen voor hij die voortaan alleen nog een toekomst van peilloze ellende en bodemloos verdriet voor zich heeft. Hij die de voorbije tien jaar werd gepamperd, geknuffeld en geliefkoosd, hij die genoot van ieders liefde en adoratie, hij die zich kon wentelen in emotionele en materiële rijkdom, hij die op handen werd gedragen. En nu ineens is er niets dan emotionele leegte….

Zij waren de kamelen van de toendra en de koningen van de taiga toen zij door de Kerstman zelf werden uitverkoren om zijn slee voort te trekken. Sindsdien kleuren Dasher, Dancer, Prancer, Vixen, Comet, Cupid, Donner en Blitzen de merry christmassen over de hele wereld. Alleen de rendieren zijn namelijk in staat om de soms Arctische winters van de kerstdagen te trotseren en dankzij het tapetum lucidum kunnen hun ogen ook tijdens de donkerste dagen blijven zien en de goedgemutste Kerstman ohohoënd over de daken van de huizen loodsen. Met grote ijver kwijten ze zich al eeuwen van deze vooraanstaande taak. De trotse rendieren kruisen de planeet rond en brengen vrolijke pakjes naar altijd vrolijke mensen. Ze ontlokken kreten van vreugde en geluk bij kleine kinderen, hun ouders en die hun ouders.
De aandachtige lezer heeft gemerkt dat een naam ontbreekt in het lijstje van de uitverkoren rendieren. Die van Rudolf, het rendier met de rode en voor wie goed kijkt glimmende neus. Om die neus werd hij destijds verstoten door zijn soortgenoten, die hem bespotten en beschimpten. Rudolf trappelde zonder ambitie of vooruitzicht rond op aarde. In zijn leven zou alleen plaats zijn voor koude kommer en kille kwel. Rudolf zou maar korte tijd leven.
Toen hij op een winterse avond in zichzelf huilend over Vlaamse wegen liep, zich afvragend of er voor hem nog wel een toekomst was en of hij zichzelf en zijn omgeving niet een groot plezier deed door zich terug te trekken in de stilte en de koude van de taiga, kwam hij de Kerstvrouwen tegen. Het moederhart van deze Vlaamse Maria’s bloedde meteen toen ze het arme beest verschrompeld op een bank in het park zagen zitten. Ze namen hem op in de warmte van hun vriendenkring, overlaadden hem met liefde en oeverloze zorg, voedden en troostten hem. Rudolf vond voorwaar zijn levensvreugde terug en stilaan werd hij weer een alive and kicking rendier.
Na enkele weken Kerstvrouwenschap kon hij niet wachten om de ware Kerstman weer op te zoeken. 
‘Hallo, hier ben ik dan, Kerstman!’ zei hij. Santa keek hem even aan, zag dat hij goed was en stelde hem prompt een arrenslee ter beschikking.
Sindsdien kan je Rudolf tijdens de Kerstnacht weer onverdroten behendig tussen de sterren zien manoeuvreren en geen dak van een huis waar christelijke kinderen wonen, ontsnapt aan zijn aandacht. Voor elk van hen heeft hij een fantastisch cadeautje en hij laat niet na hen te trakteren op zijn wonderlijke kreet die hij ten gehore brengt terwijl hij zijn neus extra rood laat glimmen.

De voorbije tien jaar maakte Rudolf twee weken voor de kerstnacht, als de Kerstman hem op verkenning naar zijn geliefkoosde Regio van Vlaanderen stuurde, een serieuze omweg. Hij kon en wou niet nalaten om de Kerstvrouwen, die hem zoveel jaren geleden uit de goot hadden gehaald, een dankbezoekje te brengen. Van hun kant zorgden de Kerstvrouwen voor een groot feest, waarop alle vrienden die Rudolf in die moeilijke levensfase hadden geholpen, werden uitgenodigd. De bovenste zaal, waar al die jaren het prettigste kerstfeest van het jaar plaats vond, gonsde van levensvreugde en geluk en de Kerstvrouwen keken met stralende ogen naar hun Rudolf. Door hem zo schoon te helpen, waren zij ook zelf gelukkiger geworden en ze lieten vele vrienden mee genieten van het feest. Hiermee brachten zij op geheel eigen wijze de kerstboodschap over.

Helaas, driewerf helaas. Door een agendaprobleem is het feest van de Kerstvrouwen komen te gaan. De edele vrouwen verkeren in de onmogelijkheid om een elfde kerstfeest op het getouw te zetten. Rudolf toonde begrip voor deze organisatorische onmogelijkheid, maar zal overmorgen, nadat hij met zijn arrenslee door de Vlaamse kerstnacht zal hebben gekliefd, met heel veel pijn en verdriet naar zijn taiga terugkeren. Ook de Kerstvrouwen zelf zijn er het hart van in. Maar… het gaat niet meer…

Edoch… misschien kunnen de goedmoedige dames in de toekomst op een andere manier de kerstboodschap verkondigen? Misschien moet het niet per se met Kerstmis… Misschien kan het ook in de zomer… Of in de lente of in de herfst. Met Pasen of Odrilligen. Op een maandag of een vrijdag. Iets met kunst of koers of met een notaris. Desnoods verkleed.

Laat het alle dagen een beetje kerstmis zijn!
Alle ideeën voor een kerstmarkt tijdens het jaar kunnen hieronder als reactie worden gepost. De Kerstvrouwen lezen mee en zullen elk voorstel ernstig onderzoeken. En ziet: eerlang maken ze hun comeback.

In afwachting wens ik eenieder een fantastisch kerstfeest en een vreugdevol 2014!

zondag 10 november 2013

Scholeksters

Voor wie aanwezig was op de literaire avond in het kader van Kunstmaand Ameland, ben ik tot het einde der tijden ‘die van de scholeksters’. Vreemd hoe iets loopt. Het was niet de bedoeling, maar ik ben de auteur van de scholeksters. De bonte pieten.

Het was een gezellige avond op donderdag 7 november in herberg De Zwaan in Hollum op het eiland Ameland. Voor het eerst besteedde de jaarlijkse Kunstmaand aandacht aan de eerste aller kunsten. Taal en letteren dus. En ik was de eerste literaire gast, omdat mijn jeugdroman Gek op een eiland helemaal geïnspireerd is door mijn liefde voor de Waddeneilanden en omdat ze wel eens wilden weten waarom een Vlaamse auteur zo erg gefascineerd is door die Friese eilanden.

De gezellige gelagkamer van de statige herberg was mooi volgelopen en al wie er zat, zat er met grote verwachtingen. Als dat maar goed afliep… Maar toen ik van wal stak (paste wel op dat eiland), bleek ik de goede insteek te hebben gevonden. Ik vertelde over mijn jeugdidolen en dat die vaak Nederlanders zijn. Robbie Rensenbrink, Jan Terlouw en Boudewijn de Groot bijvoorbeeld. De Nederlanders voelden gemeende interesse en waardering en bleven geboeid luisteren.

Al was die eerste een risico. Ik bracht nog eens in herinnering dat Robbie Rensenbrink en niet Johan Cruyff de geschiedenisboeken zou zijn ingegaan als de beste Nederlandse voetballer ooit als hij in 1978 tijdens de wereldbekerfinale tegen Argentinië de bal aan de juiste kant van de paal had getrapt. Oeps, dit is een nooit genezen oude wonde nog eens openrijten, bedacht ik nog tijdens het voorlezen. Ik vermoed dat een hele generatie Nederlanders (die van het publiek in De Zwaan) dit trauma nog steeds niet heeft verwerkt. München 1974 was erg, Argentinië 1978 nog veel erger. Als Romelu Lukaku deze zomer tijdens de wereldbekerfinale in Rio de Janeiro de bal aan de juiste kant van de paal in het doel van Stekelenburg zal trappen, mag ik nooit meer Amelandse grond betreden. Hoe dom kan je zijn.

Het was niet het enige risico dat ik liep.“Mijn liefde voor de Waddeneilanden ontbrandde in 1976,” vertelde ik in De Zwaan. 
“Ik zat in de eerste klas van de middelbare school. Elke donderdagavond zaten we met de hele familie aan de televisie gekluisterd. Veel keuze was er toen niet: één Vlaamse zender, de BRT, een Waalse zender, de RTB, en twee Nederlandse zenders. Van die Nederlandse zenders herinner ik me vooral Willem Ruis, Loeki de Leeuw en AVRO’s Toppop. Als kind keek ik niet zo vaak tv, ik zat toen al in de boeken. Toch is het een televisie-ervaring uit die tijd die me jaren later naar de Waddeneilanden dreef. In mijn herinnering zat ik een heel jaar lang elke week te kijken naar Sil de Strandjutter – in werkelijkheid waren er acht afleveringen van de mythische reeks. Acht weken die een hele jeugd duurden. Ik zat met bonkend hart, open mond en gloeiende wangen te kijken naar de lotgevallen van die eilandbewoners op dat verre eiland. Mijn moeder keek ook, ze was gek van die norse Sil, denk ik. Mijn zus keek, zij was verliefd op Jelle en Wietse. En ik? Ik viel voor Lobke en geef graag toe dat dat ook de verdienste was van Monique Van de Ven. De prille verliefdheid kwam pas tot volle wasdom toen ik enkele jaren later naar Turks Fruit keek. Toen keken mijn vader en mijn moeder niet meer mee.”
Ik vertelde over mijn eerste reis naar de eilanden, mijn zoektocht naar het huisje van Sil op Terschelling en mijn jeugdroman die ik er jaren later rond weefde. 
Het publiek vond het een wonderlijk verhaal. Maar in de pauze vroeg een sympathieke mevrouw (de vrouw van de burgemeester, zo bleek later) me welk eiland ik nu eigenlijk het mooiste vond. Het was een gevaarlijke voorzet. Durfde ik toen Terschelling antwoorden, mocht ik de volgende dag met de eerste boot terug naar huis. Maar ik viel op mijn diplomatieke pootjes. “Ik vind ze alle vijf even mooi,” zei ik. “Maar Ameland is toch wel erg bijzonder. Niet te groot en niet te klein.” En toen begon ik snel over de legende van de Amelandse heks Ritskemooi en haar zoon Sjoerd, die me zo had geïntrigeerd. "Gek op een eiland is het verhaal van een moeder die haar zoon moet loslaten. Niet aan de zee, maar in haar hart en haar geest," zei ik. Zo is het en de toehoorders knikten enthousiast. Dankzij Ritskemooi werd ik definitief één van hen. Ik mocht blijven.

Ach, ik was even de sympathieke, onhandige en exotische Vlaming. Ik bracht mijn eerste keer op de Wadden in herinnering, dertig jaar geleden. We reisden ernaartoe en wisten nauwelijks waar we waren en wat we er kwamen doen.

We noemden een eidereend een windei
en een tureluur was gewoon een vogel
toen we hier de eerste keer kwamen.
We vergaapten ons aan de vuurtoren
en huurden één fiets voor ons tweeën.
We bekommerden ons niet om het verboden broedterrein,
zakten verbaasd tot onze knieën in dat mooie onbetreden strand,
zochten in de veerhaven naar een verkooppunt voor een retourtje.
En wat ik ook nog weet van toen:
de campinguitbater noemde me mister O’Heane,
in het Oude Boothuis waanden ze ons Zweden met ons gekke West-Vlaams.

Wij verkneukelden ons aan dat grappige ‘Doei’.
Wat vonden wij Fries toen een rare taal.

Ik was niet de enige gast op de literaire avond in De Zwaan. Lucette van den Berg was er ook. Zij is een Jiddische zangeres met een hemelse stem, prachtige liederen én een goede gitarist. Maar tijdens de pauze vertelde ze me over haar liefde voor de Jiddische poëzie en cultuur. En hoe ze die uit de vergetelheid wil houden door ze niet steeds opnieuw te herhalen. “Nogal wat muzikanten van Klezmer-bands begrijpen niet waarom ik dit doe,” zegt ze. “Ik steek de liederen en de muziek in een heel nieuw en hedendaags kleedje. Dat moet, vind ik. Cultuur leeft en staat niet stil. Als je de Klezmer-muziek alsmaar blijft spelen en herhalen zoals ze dat honderd jaar geleden ook al deden, dan zing je die zo het verleden in. Ik ben trots op mijn afkomst en ik wil daarover getuigen. Met liederen en muziek die boeien”.
We hadden een heel fijn gesprek over taal en muziek en ik had het over het gezwoeg van Vlaanderen. Welke taal is onze cultuurtaal? Omdat het dialect ons nergens brengt en we weigeren het Algemeen Nederlands te omarmen, spreken we nu een tussentaal (Vreselijk woord overigens. Taal is. Taal is niet ergens tussen.). “Waar is dat nu goed voor?” vroeg Lucette zich luidop af. 

Toen ik donderdagavond op Ameland aankwam, was het al pikdonker. Pieter en Marleen voerden me van de veerhaven naar mijn pension en vandaar naar De Zwaan. Op het licht van de vuurtoren na, kreeg ik niets te zien van het eiland. “Ik ben pas op een Waddeneiland als ik een scholekster heb gezien," zei ik guitig tijdens de lezing. Later las ik nog een vers over scholeksters en in het fragment dat ik voorlas uit mijn boek was de wadvogel er weer. “Soms word ik gek van die vogels," foetert Johanna in het boek. “Vooral van die vreselijke scholeksters”. Schreef ik dat?

Mijn medewerking aan de literaire avond werd ruim gehonoreerd met een verlengd verblijf op het eiland. De organisatie zorgde voor een fantastisch logement in pension Ambla. Een fijne kamer met uitzicht over de weidse polder tot aan de waddendijk en met schapen en paarden die kwamen grazen tot op mijn terras. ’s Avonds werd het pikdonker alleen maar gebroken door het schitterend schouwspel van de krachtige lichtstraal van de vuurtoren, die in drie bewegingen en met de regelmaat van een klok zijn licht even spreidde over het aartsdonkere veld.

Ik beleefde drie wonderlijke dagen op het eiland. Het was schitterend weer: geen regen, een beetje wind en voortdurend een flauw zonnetje. Op vrijdag fietste ik het hele eiland rond en vergaapte me twee keer aan een neergestreken zwerm scholeksters op het drooggevallen wad. Ik trok de remmen dicht om ze even te benaderen, maar ze duldden geen gezelschap. Ik voelde me schuldig toen de honderden vogels de andere kant van het wad opzochten uit angst voor die Vlaamse schrijver. Sorry schollies, dacht ik. 
Alleen op het oneindige wad bedenk je de raarste dingen. Ik keek even om me heen, er was echt niemand te bespeuren. En toen zong ik wat je alleen daar doet: “Ons land is klein dat weet eenieder, dat hebben we op school gehad, maar het kan groots zijn in zijn schoonheid, ik denk hierbij speciaal aan ’t wad.” Neêrlands Hoop, Freek de Jonge en Bram Vermeulen, anno 1972. Wees niet plaatsvervangend bang: niemand kon me horen.

De fietstocht leidde me naar fijne en verrassende locaties met aardig kunstwerk van de Kunstmaand. “Heb je al een scholekster gezien?” monkelde de suppoost in de kerk van Hollum. Ik schrok ervan hoe lelijk de storm van 28 oktober in de dorpen had huisgehouden: 85 oude bomen sneuvelden en sommige misten op een haar na de gevel van de eilanderhuizen. Ik kon de verleiding om het kerkhof te bezoeken niet weerstaan en genoot van de zerkjes van de commandeursgraven waarachter een leven vol zeemansleed én -vreugde schuilging. Ik genoot van het geknisper van de schelpenpaadjes door de Noordzeeduinen waar ik niemand ontmoette (op een ree na). In het duingebied rond de eendenkooi bewonderde ik de speelse kunstinstallaties in het zand en ik dronk warme chocomelk in de kroeg op het einde van de wereld. In Buren ging ik Ritskemooi groeten en in Nes zag ik de uitgebrande kerk. Aan kerken geen gebrek op het eiland: je hebt ze doopsgezind, gereformeerd en hervormd. De kerk in Nes die vorige zomer in een brand verging, was de enige rooms-katholieke kerk op het eiland. Het doet je wat, als Vlaming, zo’n zwartgeblakerd skelet van een kerk te zien. Gelukkig was dit geen nawee van de Beeldenstorm. Je weet maar nooit met die calvinisten…

In de erg mooie kerk die het dichtst bij mijn verblijfplaats stond, woonde ik op mijn laatste avond op het eiland een heel innemend concert van Katell bij. Een knappe zangeres die, met steun van een stel goede muzikanten en backgroundzangers, Nederlandse kleinkunst en Frans chanson brengt. Ik hoorde een heel mooie interpretatie van Bécauds ‘Nathalie’ en een helaas wat melige versie van Jules Decortes ‘Ik zou wel eens willen weten’. Dat had niet gemoeten, maar de rest van het concert maakte alles ruimschoots goed. Zo sfeervol, zo stemvast, zo warm. Katell zong een heel mooi eigen nummer over wie ik gemakshalve maar ‘Annelies uit Enschede in Twente’ noem: een lied over een verloren droom. Waarom moest ik ineens denken aan Willem Wilmink, de veel te vroeg gestorven dichter uit Enschede die ik ooit ontmoette in mijn vroege bibliotheekjaren? Nog een bijna-vergeten jeugdidool. Katell moet mijn gemijmer opgemerkt hebben: prompt zong ze Wilminks bewerking van Brels ‘Voir un ami pleurer’. En hop, daar zat ik ineens ook bij Herman Van Veen en Johan Verminnen.

De lange treinreis terug was een langgerekt afscheid aan deze korte Frieslandreis. Tijdens de heenreis had ik vruchteloos gewacht op het grappige koffiekarretje van de Beneluxtrein tussen Antwerpen en Rotterdam. Helaas, het schattige ding is niet meer. Maar ergens tussen Heerenveen en Amersfoort werd doorheen de intercom plots de railcatering aangekondigd. “Dames en heren, zo dadelijk kom ik bij je langs met een heerlijk kopje koffie of thee, verse koffiekoeken, verkwikkende zoetwaren en andere lekkernijen”. Zo zei hij het, de jongen die even later met een volgepropte rug- en buidelzak door de trein laveerde. Ik dacht aan Lucette. Je moet dingen niet de vergetelheid indenken. De koffie kwam uit een rugzak en de jongen die hem serveerde droeg geen uniform met pet, maar het bakkie smaakte even heerlijk.

In Utrecht werd de rust van vier heerlijke dagen definitief verstoord. Een bende jongeren stapte op de bovenverdieping van de trein en deed die prompt wiebelen met rusteloos gestamp. Hun gezang klonk luid uit de trein en echode in de stationshal. Dat het stil was aan de overkant en er geen woorden maar daden moesten zijn. Feyenoordsupporters op weg naar hun Rotterdamse Kuip. Kleine boskampjes, dacht ik. Grote bek maar goed van inborst.
Zouden ze Johan Boskamp kennen? Misschien wel, van op televisie, ook op de NOS laat de halfbelg zijn voetballicht wel eens schijnen. Zouden ze Robbie Rensenbrink kennen? Misschien, van hun vader. Zouden ze Lobke van Terschelling kennen? Wellicht niet. Maar hun vaders wel. Zeker weten.

De 17de editie van Kunstmaand Ameland loopt nog tot en met 1 december 2013. Je moet er echt eens naar toe gaan. Naar Ameland en naar de Kunstmaand.



Luister naar Lucette van den Berg.
Luister naar Katell.
Lees Gek van een eiland....

maandag 9 september 2013

Heartbeat

Als ik aan Luc denk, denk ik aan een megafoon, maar dan een van een vorige generatie. Een die kraakt en sputtert als je erin wil praten. Die huilt en briest als je ermee in de wind staat. Die gevaarlijk ploft als je hem neerzet. Die principieel onverstaanbare klanken spuwt als je erin spreekt.

Die megafoon dus. Luc introduceerde hem in het Wevelgemse straatbeeld. Als coördinator en hoofdanimator (als alles eigenlijk) van ‘het patronaat’ (zo heette de speelpleinwerking in Wevelgem toen en wie Luc heeft gekend zal dat blijven zeggen – zoveel schoner dan Katjeduk) zeulde hij het apparaat altijd met zich mee. Hij gebruikte de megafoon om een spel uit te leggen, kinderen aan te moedigen, richtlijnen te geven, instructies te verspreiden. Kinderen keken vol bewondering naar de man met de megafoon. Maar ze begrepen zijn spitse opmerkingen bestemd voor de oren van de begeleiders niet. De kwinkslagen die hij losliet op de toehoorders en passanten. Wie dicht bij hem stond, zag de typische Luc-grimas. De pretoogjes, de gespannen lippen, de kuiltjes in de wangen. Jarenlang liet Luc kinderen spelen en hij smeedde van zijn animatorengroep een enthousiast team. Toen was ’t Vliegske er nog niet, maar Luc leerde de jongelingen hun eerste aarzelende stappen in een beginnend uitgaansleven zetten. We trokken naar De Vaze en Luc organiseerde hilarische leidersfeestjes in de verblijfshoeve van de kinderboerderij in Marke.
‘Zaterdag ga ik naar Rock Torhout,’ zei hij. ‘Ik wil Chris Rea wel eens zien. Ik vind hem wel iets hebben.’ Ik schrok toen nogal. Luc was tenslotte al 29 en toch nog naar Rock Torhout! Hij was zijn tijd ver vooruit. Jaren later werd hij schooldirecteur maar in zijn hoofd bleef hij zijn hele leven een enthousiaste tiener. Tot gisteren.
Mijn carrière bij het patronaat duurde niet zo lang als die van Luc, al bracht ik het ook tot hoofdanimator in zijn team. Ik leerde veel van hem. Hoe hij dingen aanpakte en nooit tevreden was met ‘gewoon’. De animatoren moesten hun activiteiten uitschrijven in een schriftje en Luc las die voorbereiding aandachtig door. Waar het pedagogisch niet helemaal klopte, kwam hij tussenbeide of hij ging de groep ter plaatse bekijken. Maar hij genoot ervan als je je spelvoorbereiding kruidde met een onzinnige of absurde inkleding. En dan kon je een even leuke kwinkslag van zijn kant terugverwachten. Luc ging op zoek naar betere kinderprogramma’s (‘Samson’ kwam ooit, herinner ik me, lang voor de hond gecommercialiseerd was), streefde naar creativiteit en originaliteit en koppelde dit aan een stevig organisatietalent. Op het einde van de spelnamiddag was er een evaluatie en Luc leerde ons leren van elkaar. De vergadering begon hij overigens altijd met de rituitslag van de Tour (Bernard Hinault won toen elke dag). Onze monden vielen open toen hij plots zei dat hij voor het patronaat een aftandse bestelwagen had gekocht. De wit-groene Volkswagen-camionette verscheen op straat en bewees niet alleen het patronaat maar ook vele jeugdbewegingen en organisaties mooie diensten. Thanks to Luc.

Enkele jaren later kwam Luc weer helemaal in beeld nadat hij begonnen was als reporter van Het Nieuwsblad. 
Toen hij voor het eerst een uitgebreide reportage mocht schrijven (een interview van een volledig blad… toen bestond dat), kwam hij bij mij terecht. Hij interviewde me over het begin van het nieuwe werkjaar van kinderfilmclub Jefi. Het werd een lange babbel: een uur voor de krant en twee uur voor onszelf. Want Luc interesseerde zich écht voor de onderwerpen waarover hij zijn reportages schreef en dat bleef hij zijn hele journalistenbestaan doen.
Luc was een gedegen reporter. Hij maakte werk van zijn teksten en ging uitstekend om met het steeds strakker redactioneel kader. In weinig zinnen kon hij een sfeer oproepen, informatie verstrekken, een mens schetsen. Wie hem te woord stond, herinnert zich zijn rake vragen en was best ook op zijn hoede. Als je niet oppaste, liet je hem ongewild het achterste van je tong zien. Velen herinneren zich ongetwijfeld ook zijn spottende grijns en zijn zoekende blik. Toen ‘wij’ hem ooit vertelden over een optreden van ons Tsjechisch Mannenkoor, verscheen er een frons van ongeloof op zijn voorhoofd, maar wie goed keek zag dat hij eigenlijk veel zin had om zijn balpen weg te kieperen, een snor aan te trekken en duchtig mee te zingen. Chiroleider for ever. En centervoor van SV Wevelgem.

Luc was een doorgewinterd verslaggever van Het Nieuwsblad geworden toen ik even passeerde als collega-reporter bij Het Wekelijks Nieuws. We gingen vaak samen op reportage en Luc had geen moeite om een primeur met mij te delen. Het Wekelijks Nieuws verscheen enkel op vrijdag en als tegenprestatie gunde ik hem altijd wel de woensdag of de donderdag. Toen het persgild nog uit een grote groep reporters bestond, smeedde Luc plannen om een ‘Avond van de Pers’ te organiseren. Die ging enkele jaren door en de avond groeide uit tot officieuze ontmoetingsavond van de Wevelgemse verenigingen. In een ludieke spel- en quizavond (getekend: Luc) namen die het tegen elkaar op. De voorbereidende vergaderingen waren hilarisch, vooral omdat de persmannen elkaar toen ook toevertrouwden wat ze níet hadden geschreven. 
Maar kranten vergaan en reporters gingen, de perskring bleef niet bestaan. Ik heb een huis met een grote zolder en Luc vertrouwde me de spelattributen toe. Wat moet ik daar nu in godsnaam mee?

Wat moet ik met die herinneringen? We zaten samen in de redactie van Klein Tokyo, de themakrant die enkele keren verscheen in het kader van het cultureel project Anno ’02. We lieten ons schrijvenderwijs nogal gaan toen en bedachten o.m. een leuke reportage rond het thema: wat gebeurt er als je op een doordeweekse dag een uur op een Wevelgems plein blijft zitten? Hij nam Gullegem voor zijn rekening, ik ging postvatten op de Wevelgemse Grote Markt. We kwamen tot dezelfde conclusie toen…
Luc kwam onverwachts weer eens op de proppen als presentator van de medewerkersquiz van het gemeentepersoneel. Net iets voor Luc. 'Komaan mannen, er moet voor één keer gewerkt worden vanavond!' Met Luc-grimas.
Onze laatste samenwerking dateert van enkele jaren geleden. Luc was ondertussen schooldirecteur geworden en moest een scriptie schrijven na het volgen van de directeursopleiding. Of ik eens wou nalezen…? Alsof zijn tekst niet goed genoeg zou zijn... Maar Luc was niet tevreden met 'goed genoeg'. Hij moet een ontzettend goede onderwijzer en schooldirecteur zijn geweest.

De laatste maanden zag ik Luc niet zo vaak meer. Hij schreef niet meer voor de krant en het leven gaat niet altijd over rozen. Maar op zijn Facebookpagina zag ik hem onlangs getooid in een kleurrijk hemd, met een enorme ketting om de hals én met de Luc-grimas op het gezicht Balthazar Boma interviewen. En op het Cactusfestival (ja, hij ging nog steeds naar muziekfestivals!) zag ik hem in de verte met zijn dochter: vader-dochter-dag. Het ging goed met Luc. 

Zaterdag stond hij ineens voor mij in de bibliotheek. ‘Hé, da’s lang geleden!’ We hadden een korte babbel. En nu is hij er niet meer.

http://www.youtube.com/watch?v=5URqWXi2elQ

Lees ook Fietsend reporter.


vrijdag 12 juli 2013

De toverdrank van Heinz Schönberger

Voor het eerst sinds vele jaren doet de Ronde van Frankrijk wat van haar verwacht wordt. De zon en de zomer dichterbij brengen. Als de renners geschroeid en geblakerd onder een stralende zon de Champs Elysées oprijden, is het ook voor mij tijd om de koffers te pakken. Richting Frankrijk.

We gingen jaren zonder auto op reis. De trein bracht ons naar verre oorden als Marrakech, Collioure, Albufeira of Székesfehérvár, het vliegtuig naar New York, de bus naar Toscane, de veerboot naar de Friese Waddeneilanden, de fiets naar de Kemmelberg. Nu is die auto er wél en kleuren we met schandelijk veel jaren vertraging de kaart van Frankrijk in. Na Bourgogne en de Alpen reizen we dit jaar naar Bretagne.
‘Het is er heel mooi, maar je moet wel een beetje geluk hebben met het weer,’ zegt iedereen me. Waarom moet ik dan altijd aan een open deur denken? Maar ik ga niet op reis voor het weer. Ongelooflijk hoeveel afwisseling de eigen tuin op weerkundig gebied heeft te bieden.

Ik ga naar Bretagne voor het landschap, de kliffen, de zee, de vissersdorpjes, de rotskust, het achterland. We verblijven nabij Paimpol, de uitvalsbasis van de IJslandsvaarders in de roman van Pierre Loti. Ik had een oud exemplaar van Pêcheur d’Islande in mijn bezit en gaf hem enkele maanden geleden cadeau aan Katrien Vervaele tijdens de voorstelling van het biografische cahier dat ik over haar had geschreven. Ik heb er ineens wat spijt van dat ik hem grootmoedig weggaf en Katrien had geluk dat ik toen nog niet wist dat ik naar Paimpol op reis zou gaan. Maar ze was erg blij met het boek, dat maakt alles goed.
Ik kom voor het eerst in Bretagne, maar toch wordt het een trip down to memory lane en zal ik er op verre jeugdvrienden en verdwijnende herinneringen botsen.

Zo ben ik er rotsvast van overtuigd Asterix en Obelix te ontmoeten. Er wordt in Bretagne onder dorpen en steden nog steeds geruzied over het eigendomsrecht van het bordje ‘Hier woonden Asterix en Obelix’. Volgens kenners situeert dat dorp zich meer in de richting van Normandië, maar daar geloof ik dus niets van. We gaan naar de Côtes d’ Armor. Het Gallische dorp dat moedig weerstand bleef bieden aan de overweldigers en het leven van de Romeinen in de omringende legerplaatsen bepaald niet gemakkelijk maakte, lag in Armorica. Kijk maar eens onder de loep op de eerste stripbladzijde…. Juist, het Gallische dorpje waar Asterix en Obelix leefden, heet nu Bréhec, de vissersplaats waar we voor onze vakantie een huis op het strand hebben gehuurd. 
Ik verheug me er al op om elke morgen, als ik te voet naar de dichtstbijzijnde bakker mijn verse croissants ga kopen, het olijke en stoere stripduo tegen te komen. Ik kan me haast niet voorstellen dat de laatste Romeinen er nu al zijn verdwenen, dus meet ik mezelf nogal wat kans toe om een straatrel tussen Obelix en het Romeinse leger te mogen aanschouwen. Al wordt het ook uitkijken voor rondvliegende Romeinen, terugkerende kanonballen, vluchtende everzwijnen, goedgemikte menhirs, het gezang van Assurancetoruix en de verfijnde visgeur van Kostunrix. 
Rare jongens, die Bretoenen. Al zijn ze dat niet. Bretonnen, moet je zeggen. Voor één keer heb ik het moeilijk om me aan de voorschriften van de Nederlandse taal te houden. Bretons klinkt al even erg als Jeroen in de Nederlandse variant van Jerom in de stripalbums van Suske en Wiske. Jerom en Obelix, de stoere helden van mijn jeugd. De hoop dat zij het ooit in een ultieme strijd tegen elkaar zouden opnemen (en wie er dan zou winnen), heb ik ondertussen opgegeven. Misschien, ooit…

Wie ik de komende week misschien ook wel tegen het lijf zal lopen, is Heinz Schönberger. De iconische middenvelder in het SK Beveren van Jean-Marie Pfaff, dat het einde jaren ’70 tot de halve finales van de Europabeker schopte. Schönberger was de rots in de branding en nam op zijn eentje moeiteloos de maat van de Europese topclubs. Schönberger en Pfaff tegen de rest zoals Asterix en Obelix tegen de Romeinen. Toen al was ik als jonge snaak de enige die doorhad waarom Heinz zo’n weelderige snor onder zijn neus droeg en aan wie (of wat) hij zijn kracht te danken had. De Duitser was een Bretoen en hij viel als kind in een ketel vol toverdrank.
Ik keek naar SK Beveren tegen FC Barcelona, maar dacht in stilte aan de Galliërs tegen de Romeinen.

Ongetwijfeld bots ik binnenkort ook op Bernard Hinault. Dezer dagen zie je hem druk in de weer als ceremoniemeester op het altijd drukke podium na de aankomst van elke etappe in de Tour. Dit jaar (het honderdste) maakte de directie speciaal voor hem een omweg naar zijn geboortedorp Yffiniac in Bretagne. Zijn wagen hield even halt, monsieur Bernard stapte uit en groette breed lachend de Kelten op het marktplein. Jérôme Pineau, Thomas Voeckler of Sylvain Chavanel? Ze komen nog niet aan de hielen van Frankrijks wielerheld. Zelfs de minzame Raymond Poulidor en de pillenvretende Jacques Anquetil kunnen niet tegen hem op. Vijf keer de Tour en een keer Gent-Wevelgem, wie doet het Hinault na? Ik was diehard fan van Bernard Hinault, het leek er even op dat hij Eddy Merckx zou evenaren. Hoe hoopte ik dat toen… Tot hij in 1981 Roger De Vlaeminck versloeg op de eindstreep van de velodroom van Roubaix. Dat had hij niet mogen doen. Het kwam nooit meer helemaal goed tussen Bernard en ik. 

De laatste Bretoense held die ik binnenkort zal ontmoeten in de bakkerij of op het terras van mijn vakantiedorp, is Alan Stivell. De Bretoense zanger met de Keltische harp. In mijn late tienerjaren was ik nogal into folk en Stivell was een icoon. Je had vele goede folkgroepen en je had Stivell. Die stond daar boven, hij had iets mythisch, wat dan weer paste bij de sfeer van de mystiek en symboliek van de Keltische godenverhalen die over Bretagne zweeft. Ik zag Stivell in die jaren op het Folkfestival van Dranouter en ging tijdens dat optreden in mijn eentje in een verloren hoek van de tent staan om mee te zweven met de ware Assurancetourix van Bretagne.
Om me in te leven ging ik op You Tube op zoek naar de heroïsche nummers van zijn cultplaat A l’ Olympia. Dit had ik beter niet gedaan, want ineens viel me op dat ik niet meer zo into folk ben als toen. Ze klinken nogal passé en oubollig, die Keltische winden, Armoricaanse suiten, Tri Martolods en An Durzhunels. Maar het zal me er niet van weerhouden Alan hartelijk te groeten op het terras van Bréhec. Long time no see!

Reizen is altijd weer een beetje thuiskomen, ook al ben je er nog nooit geweest. Ik hunker naar Bretagne. Ondertussen daagt in de verte het reisdoel voor 2014…