Pagina's

maandag 2 juli 2012

Veel meer dan jezelf

‘Koen D’haene schrijft nu en dan eens wild om zich heen’. Dat is de baseline van deze blog, die niets meer dan wat vrije woordspielerei wou zijn bij dingen onderweg en tussendoor die me boeien of intrigeren. Meer dan ik het zelf wil, wordt het stilaan een dead man’s blog. Na Jonathan, mijn oversteker, Eva en Oscar is er nu Hans. 

Ik wou eerst niet over Hans schrijven. Het klopt nog steeds niet, ook niet drie dagen nadat het overlijdensbericht binnensijpelde. Ik kan het maar niet aan elkaar lijmen: Hans en de dood. Ook nu hij er niet meer is, blijf ik hem associëren met liefde en passie voor het leven. 
Ik weiger om afscheid van jou te nemen, Hans. Kom, laten we een Omer drinken en praten over de dingen die we samen deden.

Vorig jaar in Bourgogne bijvoorbeeld. We hadden afgesproken naast de kerk van het historische stadje Autun. We kwamen terecht in het decor van de opnames voor een Chinese film (het kan ook een Japanse geweest zijn, weet jij het nog?). We dronken eerst een koffie terwijl de Oosterse acteurs en actrices om ons heen liepen en zich even verderop in een caravan gingen omkleden. Het was een mooie dag. We slenterden wat door de nauwe straatjes en over de restanten van een Romeins amfitheater. Je vertelde over wat je de vorige dagen op reis al had bezocht. Weet je nog hoe we lachten omdat je enkele keren een begonnen zin niet kon afmaken? Middenin vond je een woord niet en je begon opnieuw. Tot hetzelfde woord weer niet kwam. Ik gaf je nog een derde kans en je waagde je moedig aan de laatste poging. Maar weer lukte het niet. ‘Nu is het genoeg geweest’, zei ik, ‘zo kan je blijven proberen. Nu vertel ík wel iets, je zal me niet blijven aan het lijntje houden’. We lachten wat af toen.
Op een groot plein maakten we tijd voor een lange babbel met een groot glas wijn. Je vertelde over je joie de vivre tijdens de korte opeenvolgende reizen die je die zomer maakte. Je wou leven en vreugde opzuigen. Want diep binnenin sluimerde de angst. Er stond je een delicaat onderzoek te wachten, enkele dagen later in Leuven. ‘We gaan moeten springen’, zeiden jullie in duet. Een sterk duet. Together waren jullie zó strong. En wij erg stil toen we even later terug naar ons vakantiehuis in de Morvan reden.

Weet je nog vele jaren terug toen we samen naar het Bronx jeugdtheater gingen? Jij werkte als programmator in het cultuurcentrum en je nodigde me uit om mee op prospectie te gaan. ‘Vallen’, naar het jeugdboek van Anne Provoost. Altijd nodigde je mensen uit, je gunde iedereen alles en je wist heel goed waarmee je iemand kon boeien of een plezier doen. Het was een heel mooie voorstelling. Over iemand die valt, lang voor jij wou springen om niet te vallen. Wat ik me ook nog herinner van die prospectieavond… Dat hij ontzettend lang duurde ;-) Omer moesten ze nog uitvinden en ik weet niet wat we toen dronken. Maar ik weet wel dat ik met een heel gelukkig gevoel thuiskwam. Een avond met jou doorzakken leverde boeiende tooggesprekken op. Het is wel eens anders.

Gesprekken over boeken bijvoorbeeld. We wisselden vaak tips met elkaar uit. Ook toen je ziek was, bleef je trouwe klant van de bibliotheek. Om je boeken te kiezen, maar ook om ‘de meisjes’ en ‘de heren’ van de bibliotheek te zien. Een praatje te maken. Je was door iedereen zo graag gezien, Hans. Als je binnen was, ging het als een lopend vuurtje door de wandelgangen. Jij vertelde ons honderduit over wat je deed en meemaakte. En wij waren blij om je te zien en te horen en ondertussen groeide onze bewondering voor zoveel enthousiasme en levenskracht.
Weet je dat je mij eens heel blij maakte? Toen je me zei dat je had moeten denken aan Oosterschelde windkracht 10 toen je mijn Gek van een eiland had gelezen. Verdomme, die heeft dat aangevoeld, dacht ik bij mezelf. Je kan niet denken hoe blij ik was met dat complimentje. Jan Terlouw is de held onder de schrijvers die ik als tiener las en jij plaatste me naast hem op het schavotje. En ja, jij had het en mij goed gelezen. Ik merkte dat je trots was toen ik zei dat het wel een beetje mijn bedoeling was om een gelijkaardig verhaal te schrijven en eenzelfde sfeer op te roepen. En dat jij de enige was die het had gemerkt.

Over muziek praatten we ook natuurlijk, maar daarover had jij zoveel meer te vertellen dan ik. Maar ken je het liedje hieronder? Het past wel bij jou nu, vind ik. Zo levenslustig, ondanks alles. En de muziek... misschien is het wel iets voor je jazz-combo? Ik haal er de contrabas zo uit! Luister maar eens, het applaus op het einde is helemaal voor jou.

Over hoe je ernaar verlangde om weer eens een tijd zonder pijn te leven. Zonder zorgen om nakende onderzoeken. Om je vrouw (je Mieke) en je kinderen niet met die ellende te moeten blijven opschepen. Maar ook over je grote droom die je alsmaar bleef koesteren: na de vakantie (altijd weer de volgende) hoopte je weer les te geven. Wellicht parttime, maar je wou les geven, musiceren, bij je leerlingen en de collega’s zijn, iets doén! Elke week probeerde je binnen te springen in de leraarskamer van je college. Je moet nog altijd eens bij ons thuis langskomen als je naar het college fietst, Hans. Onze woonkamer is nogal veranderd sinds de tijd toen Janne bij ons in de kinderopvang was. Je Janne en je Jitse, je schatten.

Hoe is het met het boek dat je wou schrijven? Ik herinner me nog heel goed de dag toen je het me vertelde. Dat je tussen al die behandelingen door zoveel tijd had om te lezen en onderwijl groeide die schrijfdroom. Ik weet wat ik dacht toen je het zei: dit zou wel eens kunnen lukken. Er zijn er zovelen die me zeggen dat ze ook een boek zullen schrijven, als ze even wat tijd hebben. Altijd weer moet ik de lippen op elkaar houden. Hen niet vertellen dat het er waarschijnlijk nooit van zal komen. 'Heb je al een thema', vraag ik dan voorzichtig. ‘Een thema? Ik schrijf gewoon over mezelf. Wat ík allemaal al heb meegemaakt!’ Dit wordt niets, denk ik dan en ik heb nog nooit een eerste zin, laat staan een eerste hoofdstuk, gelezen van deze would-be schrijvers. Maar toen jij het zei, dacht ik in mezelf: doen Hans! Ik ben er zeker van dat ergens op je harde schijf het begin van een stevige plot en de aanzet voor een mooi verhaal staan. Niet over je eigen leven. In die val zou jij nooit trappen. Je eigen leven is nooit boeiend genoeg om er een boek over te schrijven. Zelfs niet dat van jou. Jij had zoveel meer te vertellen.

Ik heb op mijn gsm een berichtje bewaard van jou. Datum: 30 oktober 2011, de dag na het muziekfestival Chanté. ‘Proficiat aan de Chantéers. Schitterend! (ik heb niet alle nummers maar ’t is voor de vele organisatoren!)’ Misschien best dat je niet alle nummers had, want je zou vast aan elk van hen een bericht gestuurd hebben. Wij waren blij dat je er was, op het podium met jouw Ortierkoor. Jij dacht niet aan jezelf, maar aan het initiatief vol muziek en lawaai waarvoor je zo hard supporterde. Je was zó sterk, Hans.

Tot mijn verrassing bots ik bladerend door mijn inbox nog op een tweede berichtje van je. ‘Wij zitten tussen de Chinese acteurs naast de St-Lazare. We eten iets op terras van Le Lutrin. Tot straks.’ Het is een schitterend vooruitzicht. Tot straks!

https://www.youtube.com/watch?v=VN_LpWDJesk


Tekening: Brecht Carton

maandag 18 juni 2012

Fietsend reporter

Soms gebeurt er iets dat je herinnert aan een lang vervlogen episode in je leven. Zo verzeilden mijn gedachten deze week meer dan eens naar een ver verleden waarin ik actief was als plaatselijk persmedewerker. 

‘Het Wekelijks Nieuws’ heette het weekblad dat gebruik maakte van mijn pennenvruchten. Als jonge reporter schuimde ik zo’n drietal jaar de gemeente af om organisatoren de zo begeerde promotie voor hun jaarfeest, clubkampioenschap, opendeurdag of jubileumfeest te bezorgen. Computers waren er toen nog niet – althans niet voor plaatselijke reporters. De krant verscheen op vrijdag en ten laatste op maandag moesten mijn bijdragen netjes zijn ingetikt op briefpapier van de krant. Ik wist perfect hoeveel ruimte een vol getikte pagina in beslag nam – en wat mijn rijkelijke gage per blad was (150 frank, meen ik me te herinneren – maar er werd serieus geknipt in de eindafrekening). De enveloppe met het wereldnieuws uit eigen gemeente moest voor de laatste postlichting in de brievenbus om het de vrijdag daarna in de krant te krijgen. Voor de foto’s hadden we een dag respijt: de maandag bij de fotograaf, de dinsdag in de brievenbus. Telkens weer een heel gedoe. De regionale redacteur ratelde ooit over een speciale computer die we eerlang zouden krijgen: we zouden de artikels thuis kunnen intikken en hij zou die automatisch kunnen ontvangen in zijn kleine bureau aan de Dolfijnkaai in Kortrijk. Een fantast, vond ik hem.

Elke maandag hadden we met de plaatselijke medewerkers een korte bijeenkomst, waarop we de opdrachten onder elkaar verdeelden. De redacteur zag er nauwlettend op toe dat we niets vergaten en het grote lokale nieuws helemaal coverden. We hadden een goed team. Een collega focuste op ongevallen, brandstichtingen, botsingen, huwelijksjubilea en winkeldiefstallen. Over de gemeentelijke politiek wou en mocht ik niet schrijven, maar daar hadden we een specialist voor. Ook voor de sportverslaggeving (de miniemen van SV Wevelgem en de studaxen van SK Gullegem) was er een deskundige. Al de rest was voor mij.

Er kon dus heel veel voor een jongeman die vrijuit wou schrijven over wat hem boeide in eigen gemeente. Ik wijdde mij met grote plichtsbewustheid aan de verslaggeving over de culturele gebeurtenissen: het programma van het cultureel centrum, de activiteiten van de bibliotheek, de artikels in het heemkundig tijdschrift, de initiatieven van de wereldwinkel, de werking van de jeugdraad, het programma van de open-monumentendag, de seizoenskeuze van het filmforum. Ik zocht naar een originele invalshoek of een boeiend persoon die een eigenzinnige kijk op het obligate reportagewerk kon bieden. De redacteur moedigde me aan en keek er ook op toe dat mijn bijdragen niet te lang werden. ‘Het Wekelijks Nieuws’ was ‘De Standaard’ niet en de lezers van de krant waren niet altijd even gepassioneerd door de historiek van een verdwenen abdij, de artistieke drijfveren van een schilder, de passie voor Italiaanse films van een cinefiel of de creatieve roeping van een beeldhouwer.

Ik denk overigens dat hij me erg nauwlettend en soms hoofdschuddend in de gaten hield, die brave redacteur. Voor mij was het een uitdaging om ook gebeurtenissen in eigen vriendenkring in de krant te krijgen. Een vriend die schilderde? Vertel maar op. Vrienden die samen wat musiceerden? Laat maar horen. Een vriend die trouwde in een tent? Tell it. Een buurman die met een bakfiets boodschappen deed voor vrouw en vijf kinderen? Een half blad en foto op de cover. Een oom die een reuzegrote pompoen had gekweekt? Voorpaginanieuws! Een nephuwelijk met fake priesters in de jeugdclub? Goed voor een sterreportage. Mijn eigen vrouw naast Stef Bos aan de piano in de catacomben van het cultuurcentrum? Ik verzin wel een artikel. En je raadt nooit wie Johnny Guitar, de leadzanger van ‘The Tropicana’s’, was die tijdens het vrij podium in Jeugdclub Ten Goudberge het publiek én zijn gitaar verpletterde. De foto zit in map drie.

Mijn journalistieke hoogtepunt was evenwel de verslaggeving over de eerste verkiezing van Miss Belgian Beauty in Parkhotel Cortina. De beroepsjournalist van de krant had er geen zin in en gaf zijn vrijkaart grootmoedig aan mij. ‘Maak er maar iets moois van,’ zei hij. In mijn mooiste jeansbroek en minst gekreukte hemd stalde ik mijn fiets tegen de gevel van het parkhotel en bood ik me aan bij de stralende Ignace Crombé. ‘En u bent?’ zei hij, terwijl hij me wat ongerust monsterde. Ik zou zelf de foto’s maken die avond en ik had mijn fototoestel opgeborgen in een oude sporttas (in hel groen en flitsend rood) die over mijn schouder hing. Hij loodste me naar de tafel van de collega’s van de Kortrijkse perskring, die me wat verrast maar snel heel hartelijk begroetten. Ik vergaapte me aan jurylid Jean-Marie Pfaff die via een wijde omweg naar de toiletten ging om toch maar alle dames de kans te bieden een handtekening van hem te krijgen. Trots als een gieter ging ik na de verkiezing naar de persruimte, waar Rani De Coninck, een 21-jarige schone uit Lochristi, het journalistengild te woord stond. Of er nog vragen waren? Ik stak als eerste mijn hand op. Wat haar toekomstplannen waren? Je gelooft het nooit: het meisje verklaarde dat ze ‘iets in de media wou doen’. Toen was dat nog nieuws. Overigens, haar foto zit in map vijf.

Ach, het was een leuke tijd… Ik hield het voor bekeken toen ik vader werd en dat ambt niet langer kon combineren met dat van fietsend reporter. Het zal je van een bibliotheekmens niet verwonderen: alle artikelen die ik bijeen schreef heb ik netjes verzameld in mappen, geordend per week. Als ik eens tijd heb, moet ik ze eens opnieuw lezen. Ik schreef maar een goede drie jaar voor de krant en toch is de artikelenberg 12 cm hoog. Ik zal veel tijd nodig hebben om ze te herlezen en het zal mijn neiging tot nostalgie aanzwengelen.

Stel je voor dat ik die reportersjob pakweg 41 jaar had volgehouden! Geen enkele heemkundige of lokale geschiedschrijver zou ooit zoveel petite en grande histoire bijeen kunnen schrijven als ik zou gedaan hebben. Geen enkele vrijetijdsmedewerker of cultuurbeleidscoördinator zou ooit zoveel kennis van het plaatselijke verenigingsleven kunnen opbouwen als ik schrijvenderwijs zou verzameld hebben. Geen enkele politicus zou ooit zo’n groot netwerk van contactpersonen en referenties kunnen opbouwen als dat van mij. Geen enkele inwoner zou even goed op de hoogte zijn van de grote emoties, kleine verdrietjes en stille dromen van zijn dorpsgenoten.

Niemand zou zoveel respect, vriendschap en waardering verdienen als ik. (KDW)

In dankbare herinnering. Het ga je goed, Oscar.

http://www.youtube.com/watch?v=ErRx1bZXhCE&feature=fvwrel


dinsdag 1 mei 2012

De Dag van de Arbeid

Tijdens de pauze van een theateropvoering naar mijn boeken (wat klinkt dat belachelijk pretentieus!) kreeg ik het weer te horen: ‘Maar wat kun je toch een hele dag doen in de bibliotheek? Je kan daar toch niet wérken?’
Niet wéér, dacht ik. Ik heb de vraag zo’n vijftien jaar geleden opgegeven. Onontvankelijk verklaard vanwege veel te moeilijk en te langdradig beantwoordbaar. En net toen kwam er een nieuwe dimensie bij die vraag: ‘Schrijf je je boeken dan in de bibliotheek?’
Het leven is hard.

In de beginjaren van mijn bibliotheekloopbaan was ik, prille twintiger, trots toen me de vraag werd gesteld. Ik kon in mijn antwoord al mijn kennis van en engagement voor het openbaar bibliotheekwezen etaleren. Al was het niet altijd vleiend, de manier waarop de vraag me werd gesteld.
Die keer op de trein toen ik terugkwam van een studiedag (jawel, een studiedag voor bibliotheekmedewerkers – over AVI-leesniveaus, geen uitleggen aan)… Trots om zoveel opgedane kennis en met een treinticket betaald door de burgemeester op zak, ging ik in gesprek met een oudere reiziger voor mij.
- ‘Wat doe jij van job, jongen?’
- ‘Ik werk in een bibliotheek!’
- ‘Jaja, mijn zoon leest ook wel eens een boek, maar ik bedoel: heb je ook een beroep?’
In die beginjaren sleepte je nóg iets mee als je in een gemeentelijke bibliotheek werkte. Zoals die grijze man me rond 20 september 1987 op de trein ter hoogte van het station Denderleeuw eens vertelde: ‘De bibliotheek? Dan moet je ook wel politieke voorspraak hebben zeker…’ Daar zat ik dan met mijn ‘Akte van Bekwaamheid tot het houden van een openbare bibliotheek’. Diploma? Niet nodig, voorspraak moet je hebben!

Maar dit zijn maar borrelhapjes. Veel consistenter waren de vragen die vrienden en kennissen me later stelden. ‘Wat doe je in godsnaam de godganse dag in die godverdomse bibliotheek?’ (Dimitri Verhulst was nog geen schrijver toen). Toen legde ik alles nog geduldig uit. Dat er best wel wat tijd kruipt in het zorgvuldig selecteren en bestellen van de juiste boeken en cd’s (‘ah, die moeten jullie zelf kiezen!’). Dat het tijdig betalen van de facturen binnen een gemeentelijke administratie best wel wat tijd opslorpt (‘moeten bibliotheken die boeken dan ook betalen?’). Dat er heel wat collega’s intens bezig zijn met het rubriceren en catalogiseren van de boeken (‘ah zo, ook dàt moeten jullie zelf doen!’). Dat er ook een boekverzorger in dienst is (‘plastificeren jullie die boeken dan zelf?’). Dat het organiseren van lezingen, tentoonstellingen en auteursontmoetingen niet vanzelf gaat (‘doen jullie dat dan?’). Dat er ook heel wat tijd kruipt in het promoten van de activiteiten en diensten op affiches, in folders en in de gemeentekrant – weblogs, nieuwsbrieven, websites, facebook en twitter waren er toen nog niet (‘ha, schrijven júllie die teksten in de gemeentekrant dan?’). Dat er best wel heel veel klassen en groepen langskomen voor een rondleiding of instructiebezoek (‘en jullie leiden die groepen dan zélf rond?’ – hopla, terloops nog een sneer naar mijn lerarendiploma).

Je leest het, het waren saaie gesprekken toen. Ik hield me wel eens in voor zoveel onbegrip en verbaasde me erover dat we met zovelen zijn die nog in die kaboutertjes geloven. Kabouters die boeken beoordelen, selecteren, kopen, betalen, rubriceren, catalogiseren, plastificeren, uitlenen, innemen, terugplaatsen en promoten. En nog zoveel meer.

Beste lezers en (vooral) lieve collega’s, tot mijn spijt moet ik bekennen dat het me niet gelukt is om het bibliotheekwerk op passende en overtuigende wijze te promoten. Ondanks al mijn beroepsernst en engagement, slaagde ik er niet in om bij mijn toehoorders enige sérieux los te weken. Tien jaar haalde ik alles uit de kast om respect en waardering op te bouwen. Helaas. Wie in de bib werkt, plaatst stempels, that’s it.

Volledigheidshalve wil ik hieraan toevoegen dat bibliotheekmedewerkers niet de enige bedreigde beroepsgroep vormen. Een directeur van een cultuurcentrum vertrouwde me toe dat geen mens begrijpt wat hij doet. Een vriend van hem had onlangs op een zaterdagavond een voorstelling in het cultuurcentrum bijgewoond en had er zich over verwonderd de directeur er niet te zien. ‘Je zat niet eens in je kantoor!’ Hij verwachtte wellicht niet dat de directeur er echt aan het werk was (wat kán hij ook doen, zo’n directeur?) maar wel dat hij op zijn minst in zijn kantoor zat voor, tijdens en na de voorstelling. Of houdt hij niet van kruiswoordraadsels misschien?

Om niet voortijdig in een burn-out terecht te komen (het zou de perceptie nog moeilijker maken, want hoe kun je een burn-out krijgen als je niet eens een volwaardige job uitoefent?) gooide ik het vanaf het eerste jaar van dit millennium helemaal over een andere boeg. Ze zouden me niet meer in een bij voorbaat hopeloos verloren gesprek over de zin en het nut van bibliotheekwerk laten verzeilen. Ik had mijn lesje geleerd en zou elke beroepsvraag voortaan met een krachtig en overtuigend antwoord counteren. Ik was die trotse en trieste jongen op de trein niet meer en ik zou niet meer met me laten sollen. Het was genoeg geweest.
- ‘Wat doet u als beroep, mijnheer?’
- ‘Ik werk in een bibliotheek.’
- ‘Euhm, ja…de bibliotheek, juist. Is daar dan werk genoeg? Ik bedoel, wat doen jullie daar de godganse dag?’
Ik verpink niet meer.
- ‘Werk genoeg, hoor. Ik bijvoorbeeld vul de kruiswoordraadsels in en sla op elke katern van de krant een stempel. Mijn collega maakt de katernen met nietjes aan elkaar vast.’
Verder niets meer.
Sindsdien weet ik dat er minder slimme en heel slimme mensen op de aardbol zijn.

De eerste groep blijft me verbouwereerd aankijken. Als ze merken dat ik alweer onverstoord over iets anders begin en geen verdere commentaar op mijn job geef, klampen ze me aan. Met nieuwe vragen. ‘Dat kun je toch niet menen? Is dat alles wat je moet doen? Dat is toch ontzettend vervelend! En word je dáárvoor betaald met ons belastinggeld?’
Ik geef geen verdere uitleg: het is wat hopeloos, vrees ik. Weet ik. Zeker als ze over belastinggeld beginnen. De enige vrees die ik dan stilletjes verbijt, is dat ik hen ongewild een bijkomend argument geef om belastingen te ontduiken. Belastinggeld dient toch enkel maar om profiteurs als ik de krant te laten lezen en politici hun zakken te laten vullen. Vooral dat, kijk naar die van Dexia en heb je dat gehoord van Pol Van Den Driessche en Jos Ghysen?

Gelukkig zijn er ook heel veel mensen in de tweede groep. Ook zij kijken mij verbouwereerd aan. Even maar. Als ze merken dat ik halsstarrig weiger mijn beroepsleven verder in te kleuren, verschijnt een glimlach rond hun lippen. En pretoogjes. Meer moet ik dan niet zeggen en meer zullen ze niet vragen.
Ik dank hen voor zoveel begrip en respect voor het edelste beroep op aarde. 


zaterdag 21 april 2012

Wie zal Donnis zijn?

De laatste auteurslezingen van dit seizoen komen er weer aan. VTI Ieper en Onze-Lieve-Vrouwecollege Oostende heb ik nog te goed (of zij mij) en dan verdwijnen Donnis, Aloïs, Jens en Wout weer voor enkele maanden in mijn lezingentas. Volgend jaar komen ze wel weer naar boven, wellicht samen met een nieuw hoofdpersonage en dat zal voor het eerst een meisje zijn. Het werd tijd!

Ik doe het graag, die lezingen.
In een vorig leven was ik leraar Nederlands en een dagje voor de klas is altijd een beetje thuiskomen. Ik krijg het vaak te horen van organisatoren: 'Je komt zeker uit het onderwijs?' Dat merken ze aan de opbouw van mijn lezingen. Een auteurslezing met Koen D'haene is geen theateruurtje, ik heb geen gitaar bij, ik zing niet. Ik vertel wat me drijft als schrijver en elke vraag van een leerling wordt schijnbaar improvisatorisch beantwoord met een of ander aspect van het schrijverschap. Improvisatie? Vergeet het, elke lezing komt op hetzelfde neer, net zoals pakweg Wouter Deprez en Kader Abdolah altijd hetzelfde vertellen. Denk maar niet dat ze het exclusief voor jou doen, als je hen hoort of ziet!

Nog iets waarom die lezingen voor mij zo boeiend zijn. Ik kom vaak in bibliotheken en dan ben ik dus te gast bij collega's. Altijd leuk en ze maken geen bezwaar als ik wat spiek of hen uithoor. Hoe zij het doen in de bibliotheek. Hebben zij een leesclub en welke boeken lezen ze dit jaar? Wat doen ze tijdens de Jeugdboekenweek of de Bibliotheekweek? Hoe stellen ze hun prentenboeken op? Welke auteurs nodigen zij verder nog uit? Hebben ze een zelfuitleenbalie? Hoe compenseren zij hun overuren? Worden ze op zondag dubbel betaald? Ik leer dus heel veel bij, al ben ik altijd in vakantiestemming als ik lezingen geef. Kom ik in een middelbare school, dan loop ik wel eens een oud-medestudent tegen het lijf. 'Weet je nog, die jaren in Brussel?' En soms, heel soms, een ex-lief. Dát doet raar hoor!

Lezingen doe je voor het contact met de lezers, luidt het officieel. Elke auteur zegt dat en het is ook wel een beetje zo natuurlijk. Schrijven is een eenzame bezigheid en die lezingen geven je de kans om over je personages te praten met zij die het boek hebben gelezen of (misschien wel) zullen lezen. 
Tja, ook dit klopt weer voor een deel. Ik zit lang niet elke minuut van de dag aan mijn bureau - al schrijf ik 24 uur per dag, dat is even uitleggen aan de jonge lezers. Maar zo eenzaam ben ik dus niet. Bibliotheekwerk is een sociaal beroep en ik heb een stamcafé.

Net zoals de personages me ontglippen van zodra het boek er is, geef ik ook veel over hen prijs als ik er met lezers over praat. Soms met tegenzin, want ze zijn van mij. Ze verheffen schrijven net tot een heel sociale bezigheid. Eenmaal ik helemaal in mijn eigen verhaal zit, worden mijn personages echte vrienden.
Hoezo, schrijven is eenzaam? Elke regel die ik schrijf gaat over mensen van vlees en bloed. Ik liep met Donnis door de Bronx en zocht samen met Peter naar een manier om hem uit de rotzooi te halen. Ik was vlaswerker, immigrant, frontsoldaat en tunnelbouwer met Aloïs. Ik ergerde me net als Jens aan de pestkoppen op zijn school en was met zijn Hella op het strandje naast de rivier (wie Valsspeler las, weet hoe leuk het daar werd). En ik was even benieuwd als Wout naar de tragedie die zich had afgespeeld op het mysterieuze eiland Terschelling. Nog een geluk dat hij het mij vertelde zodat ik het kon opschrijven. In die volgorde. 
Sorry voor wie nu hoopt dat ik vertel wat mijn nieuwe vrouwelijke hoofdpersonage zal overkomen. Wait now, read later. Ik hou de lippen stijf. Alleen jongeren krijgen het te horen als ik tijdens een lezing vertel waarover mijn volgende boek zal gaan. En wat de titel is. Lees wat ik over die schrijversvragen vertelde in mijn eerste blog.

Een altijd terugkerende vraag tijdens lezingen in scholen en bibliotheken, is: 'Meneer, zou je graag hebben dat er een boek van jou wordt verfilmd?' Je kan niet denken hoe graag! Helaas, ik ben J.K. Rowling, Henning Mankell of Dirk Bracke niet. Maar de komende weken kom ik dicht in de buurt. De hel in New York en De oversteek komen op de planken. Het maakt me erg benieuwd. Hoe zullen Donnis, Peter en Aloïs er uit zien? Veel kans dat ik hun gezicht ken, want het zijn acteurs uit de buurt.
Mijn personages ben ik kwijt, mijn vrienden zijn gaan lopen. Best dat mijn ex-lief tot hiertoe niet opdook in mijn boeken.


'Bloemspeling', theater en dans gebaseerd op 'De hel in New York' en 'De oversteek', wordt opgevoerd op vrijdag 27 april en maandag 30 april in OC De Stekke Moorsele en op woensdag 16 mei in CC Guldenberg Wevelgem.

http://www.youtube.com/watch?v=Q7gBPBBZHw4


donderdag 29 maart 2012

Daar zijn de voorjaarsmannen!

Een lome zaterdagmorgen in de bibliotheek. Volop zon, maar haar warmte is nog pril en fris. Toch is er weinig volk tussen de rekken, het eerste zomergevoel houdt mensen buiten. Maar de lente doet haar intrede en dit onder de vorm van de eerste voorjaarsmannen: jonge vaders en stoere veertigers die hun doordeweekse werkplunje of strakke bediendepak vervangen door een ergerlijk korte broek van zodra ze ook maar één straaltje zon ontwaren. Met een afgesneden jeansbroek uit Easy Rider, een wijde short uit de familie Flodder (denk ik dan) of een rennersbroek uit de Decathlon verwelkomen ze op hun eigen manier een nieuwe lente.

Elke haalt me uit mijn opkomende ergernis.
- ‘Hoi, lang geleden hé!’
Ik ben blij haar te zien. Het is inderdaad een tijd geleden, ze heeft het druk en naar haar zin op haar nieuwe werk en de drang naar een sollicitatiegids of een goede roman is niet groot dan. 
- ‘Ha, hallo….’
Ik weet even niet wat zeggen en dan kom je automatisch tot…
- ‘Mooi weer hé!’
Ze lacht en voelt de onhandigheid om een babbel te beginnen ook aan. We staan elkaar even sprakeloos aan te staren. God, wat was het makkelijk als ze geen werk had! Toen ze kon vertellen over haar zoektocht naar een job en ik haar moed en tips gaf. We raakten maar niet  uitgepraat toen.
- ‘Ja, mooi weer…’ mompelt ze. 
Ze vindt als eerste haar speelsheid terug.
- ‘Misschien moet je me maar eens uitnodigen voor een barbecue bij je thuis?’
Neen! Heel even stort mijn wereld in.
Tu quoque, mi filia! In één snelle zinsnede brengt ze me in het gezelschap van de voorjaarsmannen. De mannen in korte broek die allemaal gek zijn van de barbecue. 

Het is onvermijdelijk: de komende weken zal ik hen niet kunnen ontwijken. Ik zal er overal mee geconfronteerd worden. Niet alleen in de bibliotheek, maar ook in winkels, op café, aan de schoolpoorten, in stations en banken, in het cultuurcentrum. Een collega bij een andere dienst klaagde dat ze nu ook al opduiken tijdens de diensturen, zelfs als ze die dag moeten aanschuiven voor een (min of meer) belangrijke vergadering. Geen gêne, geen beroepsernst. Ik pleit voor een dresscode voor mannen op het werk. Ooit werd bij ons een jonge vrouw aangesproken omdat haar decolleté te diep was, maar mannen met korte broeken mogen stilaan ongehinderd de werkvloer terroriseren.
Als de temperatuur niet te hoog is (ik stel een minimumtemperatuur van 32 graden voorop), er geen sportieve ambitie schuilgaat (wie jogt, loopt of fietst mag dat in korte broek doen - tijdens het sporten uiteraard) of als je niet in een staat van jaarlijks verlof verkeert (dat is een periode van minimum drie weken), is een korte broek not done
Ook en vooral op café. Was ik kroegbaas, dan weigerde ik alcoholische dranken aan mannen in korte broek. Net als de andere (echte) min-zestienjarigen, kregen ze van mij enkel frisdrank of chocolademelk. Of een zak chips. In de bibliotheek kregen ze prompt gratis lidmaatschap, maar dan zouden ze ook geen boeken uit de volwassenenafdeling mogen kiezen. Enkel toegang tot de jeugdafdeling en als ze cd’s of films wensen te ontlenen, dan moeten ze het met K3 en Harry Potter doen (wat ze overigens best fijn zouden vinden, die voorjaarsmannen). Gaan ze naar het cultuurcentrum, dan kregen ze jongerenkorting en als ze met drie zijn, mocht er één gratis binnen. Op de trein mogen ze dan voor mijn part reizen met de Go-pass, maar dan moeten ze indien nodig wel zonder morren hun plaats afstaan als een leeftijdsgenoot met lange broek opstapt.

Ik kan me perfect inbeelden hoe een prille lentezaterdag van een voorjaarsman eruitziet.
Eerst gaan ze met de kids (zo noemen ze hun kinderen, zodat ze die van zichzelf kunnen onderscheiden) naar de bib (klinkt zoveel leuker dan bibliotheek!) en daarna naar de supermarkt (laat niemand hen op het woord suppie brengen!)
Weer thuis gaan ze hun auto wassen. Als je te oud bent geworden om met de autootjes (lees: matchbokskes) te spelen, kun je dit gedeeltelijk compenseren door elke zaterdagmorgen je voertuig een wasbeurt te geven. Met veel schuim en een hogedrukreiniger, het maakt het speelplezier nog veel groter. Op de achtergrond (voorgrond voor de passanten en buurtbewoners) schalt luide muziek uit de homemuziekinstallatie van de auto, bij voorkeur gebracht door kabouters of drie elfen, zodat de kids kunnen meezingen terwijl ze de velgen van de wielen onderzepen.
In de namiddag is het tijd om alles in gereedheid te brengen voor de barbecue (BBQ dus). Met vuur spelen: de ultieme droom van alle kinderen, die evenwel pas werkelijkheid wordt als je 18+ bent. Dat vuurspelen brengt de voorjaarsmannen ook terug bij des mensen oerinstinct: als een oude Belg hompen vlees bakken en roosteren op het open vuur. Alleen het zelf jagen op wilde beesten zit er niet meer in: de worsten op de rooster komen van de suppie en voor de kids zijn er malse kaasworstjes en stukjes hondenvlees (dat vermoed ik toch als ik een voorjaarsman bij de slager naar dat soort worst hoor vragen). Tijdens het roosteren drinken de voorjaarsmannen heel veel bier, niet uit een glas, zelden uit de fles, meestal uit een blikje: cola uit de Leie voor de kids en pils van de Keizer voor de daddies.
Neen, een voorjaarsman ben ik niet. Geef mij op een warme avond maar een Franse kaasschotel met een glas even Franse rode wijn. Geen gedoe met houtskool of kokoscokes. En dankzij mijn lange broek kan ik tot laat in de avond genieten van mijn terras en van mijn boek.

Dat is wat allemaal door mijn hoofd flitst als Elke zichzelf uitnodigt voor een barbecue bij mij thuis. Maar dat zeg ik haar niet.
- ‘Oké, leuk idee! Kom maar af. Maar… mag het ook een kaasschotel zijn?’
Ze kijkt wat vreemd, een glimlach om haar lippen.
- ‘Heel graag! Eigenlijk hou ik niet zo van dat vette en meestal zwartgeblakerde vlees. Kaas is goed, maar dan wil ik er wel een Frans wijntje bij…’
De hemel klaart stilaan helemaal op.
- ‘Natuurlijk, ik heb wel wat wijn in voorraad en voor jou kies ik met de grootste zorg een uitstekende fles…’
- ‘Fijn! Dan laat ik mijn short thuis en trek ik voor jou mijn leukste zomerjurkje aan….’
Ik wist het! Ik wist het!

vrijdag 16 maart 2012

Boemballen


Dag Eva,

We gaan zo’n steentje laten maken en het in het portaal van de kerk plaatsen. 'Vanwege de vrienden van het Kotje'. Je zal er ongetwijfeld erg blij mee zijn. Denk ik toch?
Zo’n steentje maken ze van graniet en dat krijg je erg moeilijk stuk. Het is een beetje onsterfelijk en dat mag ook wel. Een stenen herinnering aan een periode in je leven waarin je echt gelukkig moet geweest zijn. Toen alles zo vreugdevol en zorgeloos begon.
Het Kotje bestaat al heel lang niet meer en het is er ook maar heel kort geweest. Maar God, wat beleefden we een mooie tijd daar in en rond dat vervallen krot op de koer van je vaders koekjesfabriek! Hij vond ons wellicht maar een zootje ongeregeld, maar hij liet ons betijen, want jij was zijn oogappel. Toen je trouwde gaf hij je een huis in geschenkverpakking. Van ons kreeg je een varken in een houten kist.
Het Kotje doofde stilaan uit, er kwamen kinderen. Weet je nog de communiefeesten in de tent in jullie tuin? Amai!
Maar je leven ging niet over rozen en het geluk ontglipte je steeds meer. Letterlijk en figuurlijk, want je kwam steeds minder op plaatsen waar het prettig vertoeven was. De tuin werd stil, het huis duister. Het lukte je niet meer in het licht te komen. Geen mens die het begreep.
Je kwam vaak bij ons langs, soms te vaak, maar altijd welkom. 'Mijn zorgenzusje', zei Elsy, maar je werd een goede vriendin. Zoekend naar wat geluk kon je om kleine domme dingen lachen. Zoals tijdens jullie hilarische zoektocht naar levende duiven voor het verjaardagsfeest. En hoe kon je genieten van de kop koffie die we samen dronken! Met die smakeloze koeken die je meebracht. Ik wou er niet van eten en hoe meer ik dat zei, hoe meer je aandrong. De namiddag voor die nacht stond je nog aan mijn werkkamer en ik beloofde om naar de keuken te komen voor die kop koffie. Maar ik bleef werken en kwam niet, de koffie dronk ik pas toen je al naar huis was. Je liet zo’n smakeloze koek voor me achter. Voor als ik eens tijd had. 
Hij ligt nog steeds onaangeroerd op het aanrecht. 
Misschien zal dit je ook wel blij maken nu. Deze zomer trouwt je Tom. Hoe zag je daar naar uit! Tijdens het feest zal ik even met hem boemballen. Net zoals ik met hem voetbalde toen hij bij ons in de papschool zat. Het is beloofd!
Bye Eva, het ga je goed. We zullen je missen.

http://www.youtube.com/watch?v=m6PLeiFWsBE

dinsdag 13 maart 2012

Writer's blad

Nog drie weken en dan heb ik weer tijd.
Dan is nummer 269 van het tijdschrift kant-en-klaar bij de drukker, is deel 5 van het schrijverslexicon nagelezen en goed voor druk, zijn de lezingen in scholen en bibliotheken achter de rug, is het ook in de bibliotheekschool vakantie, ben ik af van al dat werkverlof en kan ik weer fulltime aan de slag in de bib. Oef!

Het vooruitzicht op zoveel tijd en rust maakt me bang. Kan ik er nog wel mee om? In de bib aankomen en na het lijstje met de need-to-do’s ook dat met de nice-to-do’s aanpakken. En dan thuiskomen en niet in puntjes moeten denken: 1 eten, 2 snel wat boodschappen, 3 werken aan het tijdschrift, 4 les voorbereiden, 5 toespraak uitschrijven, 6 proefdruk corrigeren, 7 wat lezen in het boek voor de leesclub, 8 vroeg genoeg gaan slapen want 9 morgen weer vroeg dag.

Misschien werd ik wel verslaafd aan deadlines…! 
Wat als niemand mij-de-schrijver nog verwacht in een school of een bibliotheek? Als geen drukker nog op mijn sein wacht om zijn drukpersen te starten? Als geen cursist nog op me wacht in een leeg leslokaal? Als ik thuis en in de bib niet voortdurend de feiten achterna hol? Als ik mezelf niet vervloek als ik een hele namiddag in de krant of in een boek blijf lezen? Als ik het zelfs niet erg meer vind als ik naar een rit in de Tirreno-Adriatico of - God beware me - een match in de Jupiler League blijf kijken? Als ik niet de tijd neem om ter ontspanning veertig kilometer te gaan fietsen maar schaamteloos zondig tegen de tijd en maar liefst zestig kilometer op de fiets blijf zitten? Als ik na de tweewekelijkse filmvoorstelling niet het vertrouwde afsluitende biertje, maar ergerlijk overdadig drie à vier biertjes blijf drinken? Wat dan, wat dan?

Elke lacht als ik over mijn onrust praat.
- 'Laat een pagina op je blog wit,' zegt ze droog.
Het klinkt weer zo makkelijk. 
- 'Leest dat niet vreselijk inspiratieloos?' opper ik.' Ik ben schrijver, weet je wel…'
Ze lacht.
- 'Net daarom!'
Ze trekt aan haar sigaret, blaast de rook traag langs haar neus, haar ogen, haar voorhoofd. Nipt even zuinig aan haar wijn en kijkt me afwachtend aan.
Ze was er lange tijd niet, ineens kreeg ook zij het erg druk. Gedaan met werk zoeken. Arbeiten nu, en daar is ze o zo blij om. En ik voor haar. Maar ze moet niet vergeten om me af en toe zo spits te inspireren.
Want natuurlijk heeft ze gelijk. Wat kan ik mij beter toewensen dan een wit blad? Geen takenlijstje, geen opdrachtenblad, geen lesvoorbereiding, geen proefdruk, geen lezingenformulier. Maar een wit blad.
Een writer’s blad. Nog drie weken en ik schrijf het helemaal vol.