Pagina's

woensdag 23 september 2015

Perez de Cuellar

Bijna een kwarteeuw geleden lag al mijn hoop in de handen van secretaris-generaal Perez de Cuellar van de Verenigde Naties. Hij alleen was toen nog in staat om mijn verbittering om het nakende einde van de wereld te laten verdwijnen. De bommen van Bush lagen klaar om Irak van de wereldkaart te vegen. Maar Saddam stelde zijn scuds op scherp zodat hij tijdens zijn verzinken in het zand nog snel Israël en de rest van  de wereld mee naar de verdommenis kon helpen.
En ik? Ik bleef maar schuren en schilderen.

Er was een ultimatum. Volgens resolutie 660 van de Veiligheidsraad moest Irak zich voor 15 januari 1991 onvoorwaardelijk uit Koeweit terugtrekken. Als dat niet gebeurde, zou de internationale coalitie de oorlog tegen het ongehoorzame land inzetten. Saddam Hoessein wreef zich in de handen en streek vaderlijk door de haren van gegijzelde jongetjes in Koeweit. Nog even en de wereld zou kennismaken met zijn vreselijke massavernietigingswapens. Ali Chemicali zou zijn giftige dampen over de hele wereld laten neerstrijken. Meer dan 1 miljoen Iraakse soldaten stond klaar om de Westerse coailtie in de pan te hakken. Mosterdgas, antrax, waterstofcyanide en andere bacteriële giffen zouden de soldaten van de coalitie aan een vreselijke dood toen sterven. Eenmaal de soldaten overwonnen, hield niets nog de bloeddorstige Iraakse soldaten tegen om de hele Arabische wereld te veroveren en in één en dezelfde tijd Europa onder de voet te lopen. De Derde Wereldoorlog zou een korte oorlog zijn.

Ik volgde de berichtgeving op de voet in die winter van 1991. Ik hoopte dat de zoveelste bemiddelingspoging van Perez de Cuellar de onverbiddelijke Hoessein alsnog zou bekeren. Dat een nieuw dreigement uit Amerika Hoessein en de zijnen op andere gedachten zou brengen. Dat de vreselijke generaal Norman Schwarzkopf de Iraakse soldaten schrik zou inboezemen. Dat de Amerikaanse precisiebommen Hoessein uit zijn paleisbunker zouden slingeren. Dat de dreiging van Belgische F16’s de paniek in het Midden-Oosten zou doen inslaan. Dat Gorbatsjov het zou oplossen, de paus, Bono of Wilfried Martens. Ik hoorde hen allen vredesboodschappen en verzoeningspogingen naar voor brengen. 

Urenlang was ik in januari 1991 aan het werk om de oude slaapkamer met de charmante ingebouwde kasten om te toveren tot een vrolijke kinderkamer. Ik had ook een ultimatum. Midden april zou de baby er zijn. Ik moest voortmaken. De brander die de oude verflagen van de houten kast moest helpen verdwijnen, was mijn hoogsteigen Scud-raket. Tegen beter weten in. Ik maakte de vlam groter telkens als een nieuw extra-journaal verslag uitbracht van een zoveelste falen van een zoveelste bemiddelingspoging. De brander werd een vernietigingswapen toen op 15 januari het ultimatum verstreek. En het trilde in mijn handen toen op 17 januari de luchtaanvallen werden aangekondigd. Ik zette mijn wapen af en ging beneden naar CNN kijken. Naar Operatie Desert Storm. Werken aan een kinderkamer was ineens zo wezenloos. Intriest en dom. Ik hoopte op een mooie wereld. En dan kreeg ik dit.

Alles kwam goed toen zoals alles altijd goed komt. Zo’n zeven weken volgde ik elke avond het verloop van de oorlog terwijl ik me krampachtig verdedigde met mijn brander, mijn spatel, mijn schuurmachine en mijn schuurpapier. De angst dat mijn dochter nooit levenslicht zou zien, was groot. Maar ik gaf niet op. De kast was volkomen krasvrij en gladgestreken toen president Bush op 27 februari het staakt-het-vuren afkondigde en met lieflijke pastelkleuren geverfd toen mijn dochter die een zoon bleek te zijn werd geboren. In een wereld vol kleur, vrede en vertrouwen.
Sinds gisteren is de kamer leeg. Mijn zoon ging een paar straten verder wonen met zijn Aude. Hier zitten we nu met die vrolijke kleuren (en die posters van Avril Lavigne en Blink 182 en The Offspring en die affiches van Groezrock en Graspop en als je 't mij vraagt Chiro).
Deze bom valt minstens even hard als die op 17 januari in Bagdad.

https://www.youtube.com/watch?v=2cMPj58Vrp8


dinsdag 14 april 2015

Nooit over jezelf

‘Waarom schrijf je niet eens een boek voor volwassenen?’ vragen vrienden me soms. ‘Misschien, ooit,’  zeg ik dan. ‘Maar eerst wil ik een boek voor jonge kinderen schrijven. Dat lijkt me veel moeilijker’.
Voortaan heb ik een excuus minder om geen boek voor volwassenen te schrijven, want het boek voor kleine kinderen is er. 

Of ik de tekeningen in mijn boeken zelf maak, vragen kinderen me vaak als ik een lezing geef in een lagere school. ‘Neen,’ zeg ik dan, ‘dat doe ik niet en daar mogen jullie erg blij om zijn. Want ik kan niet tekenen. En dus ben ik zelf ook blij dat ik de tekeningen voor mijn eigen boeken niet maak, want dan zouden jullie die niet willen kopen. Wedden dat je het een lelijk boek zou vinden nog voor je een zin hebt gelezen? Om tekeningen voor een boek te maken, moet je heel goed kunnen tekenen. Een echte kunstenaar zijn!’ zeg ik dan.
En nu is er een kinderboek met tekeningen van Ellen Loncke die ik bij voorbaat dus een echte kunstenares noemde. 
Kijk in De plannetjes van papa op bladzijde 71. Kijk naar Siemen. Hoe hij zijn linkerbeen strekt en straks zijn voet zal laten neerploffen. En naar dat ene kleine puntje dat zijn rechteroog voorstelt. Hoe woest die blik, hoe geïrriteerd dat gezicht. Hij vindt zijn pa een luierik. Dat zie je zo op zijn gezicht, nog voor je het hem op de volgende bladzijde leest zeggen.  
Dat alles door dat ene puntje. Met een potlood van Caran d’Ache, denk ik. Maar de punt staat precies waar en hoe hij moet staan. Net zo precies, even to the point als de timing tijdens een theatershow van Wouter Deprez. Een flauwe grap wordt hoogstaande humor als je elk woord en elke spatie op het juiste moment laat horen.

Of de boeken die ik schrijf over mezelf gaan, vragen jongeren uit de middelbare school vaak. ‘Neen, dat mag je als schrijver nooit doen,’ zeg ik dan. ‘Iemand die denkt dat zijn eigen leven boeiend genoeg is om er een boek over te schrijven, heeft last van hoogheidswaanzin. Geen enkel leven is boeiend genoeg om er een heel boek aan te wijden. Je kan een prachtig liedje met een schitterende tekst over het leven van Frank Vandenbroucke schrijven, maar geen heel boek. Ik schrijf levensechte verhalen en alles kan ook echt gebeuren. In elk boek zit altijd wel iets van mezelf, maar ik verzin mijn personages en alles wat ze doen.’
Dat probeer ik de scholieren met schrijfgoesting uit te leggen. Dat ze vooral niet te veel over zichzelf moeten willen schrijven.

‘Je hebt gewoon een boek over jezelf geschreven,’ zegt mijn vrouw nadat ze De plannetjes van papa nog eens heeft nagelezen. Ik schrik ervan. Waarom zegt ze dat, want dat wou ik echt niet. Ik verzon maar wat. Mijn prille vaderschap van jaren terug was een inspiratiebron, een aanleiding, maar niet het script voor de verhaaltjes in het boek. 
Ik  spreek wat verbolgen op haar in. ‘Niet waar toch! Ik schreef gewoon vier verhaaltjes over een wat gekke papa en zijn twee zonen. De ene zoon is nogal nuchter en onbezorgd, de andere  piekert meer en heeft last van driftbuien. En ze heten Rindert en Siemen, zo heten die van ons toch niet? En die vader in het verhaal bedenkt dan gekke plannetjes om zijn zonen te helpen als ze een probleem hebben. Echt gek hoor, ronduit stomme dingen! Je houdt het toch niet voor mogelijk wat die man uit zijn botten slaat om zijn jongens iets wijs te maken. Maar hij bedoelt het goed, hij wil hen iets leren. Iets bijbrengen. Hij is vast leraar, denk ik. Alleen…’
Ze laat me niet verder ratelen. ‘Je hebt gewoon een boek over jezelf geschreven…’ lacht ze.

---
De plannetjes van papa is een kinderboek voor jonge lezers vanaf zeven jaar en hun papa’s.
Het verscheen bij De Scriptomanen en is verkrijgbaar in de boekhandel.

Het boek werd voorgesteld tijdens Kinderboekendag op zaterdag 25 april in Standaard Boekhandel Menen en in Standaard Boekhandel Wevelgem.
Op zondag 26 april kon je kennismaken met de plannetjes van papa en de tekeningen van Ellen Loncke tijdens een informele babbel in het Verdip in Wevelgem.



zaterdag 10 januari 2015

Die ochtend in Parijs

Met dit bericht wil ik de heer Filip Rogiers, redacteur van De Standaard en verdienstelijk verhalenverteller, ervan beschuldigen dat hij een boek heeft gelezen. En niet zomaar een boek: het betreft een prentenboek van een westers (meer specifiek: Engels) auteur dat bovendien doorspekt is met humor die je doet nadenken. Een wijs boek dus.

Vanmorgen bladerde ik met meer dan gewone belangstelling snel in het weekendmagazine van De Standaard om het ‘Eerst dit’ (zo heet het editoriaal in dat deel van de krant) te lezen. Ik hou namelijk van editorialen: de auteurs ervan mogen veel meer dan de journalisten van de uitvoerige reportages en nieuwsverslagen hun mening verwoorden in het korte bestek van niets meer dan een goede bladzijde. Van de mening van een eind-, hoofd- of voorwoordredacteur verwacht ik elke keer wel iets. Ik ga ervan uit dat die man of vrouw de hele week met zijn neus in het nieuws zat, alle bijdragen van zijn journalisten doorworsteld en bijgestuurd en besproken en bediscussieerd heeft en daardoor in staat is om een mening te verwoorden die er toe doet. Ook al ben ik het niet eens met die mening: ze helpt mij om wijzer te worden. Beter te begrijpen.

‘Die ochtend stapte in Parijs een jongen van 10 de deur uit om wijzer te worden’. Zo begint Filip Rogiers zijn editoriaal en na die zin hield het lezen bij mij op. Die zin had hij gejat (lees: geparafraseerd, ik overdrijf wel eens) uit een prentenboek dat ik in woord en beeld uit mijn hoofd ken. En in één klap steeg Rogiers in mijn achting. Ik stuurde hem ondertussen een vriendschapsverzoek op Facebook: zo groot is mijn adoratie.

Het hoofdpersonage in dat schitterende prentenboek van John Burningham (uit 1988!) heet Bastiaan Boezeman. In het boek vertrekt deze jongen elke morgen moedig en vol verwachting naar zijn school in de hoop om wijzer te worden. Maar Bastiaan treft het niet: alle rampen des heelals dwarsen zijn weg. De ene dag wordt hij aangevallen door een krokodil die uit de stadssloot kruipt en zijn boekentas wil opknabbelen. Een andere dag moet hij op de vlucht in een boom omdat hij op het pad wordt opgewacht door een leeuw met grote honger. Een derde keer wordt hij op het brugje over de beek in het stadspark verrast door een tsunami die er al was nog voor hij was uitgevonden. Elke morgen haalt hij zich de woede van de vreselijke meester op de hals, die geen excuses aanvaardt als je te laat binnenkomt en ook geen greintje mededogen of zin voor humor heeft. Op tijd zult gij zijn, is zijn credo. Geen excuses. En Bastiaan ondergaat lijdzaam de schrijfstraffen en vertrekt vervolgens elke morgen  nog wat vroeger naar school.
Maar de vierde dag gaat hij dwars het klaslokaal door als hij zijn meester hoog aan het plafond aan een lichtbak ziet hangen, gevangen in de klauwen van een gevaarlijke gorilla die nauwelijks kan wachten om hem te verscheuren. ‘Roep snel de oproerpolitie en de terreurbrigades,’ schreeuwt hij naar zijn afvallige leerling. Maar Bastiaan ziet niet in waarom. Zo snel is hij niet uit zijn lood geslagen. Zo slim is hij wel. Er zijn betere plaatsen om nog wijzer te worden.Bij meesters met nuance en wijsheid.

Wijs zijn. Het is een nobel streven. Je hoeft er niet lang voor naar school te gaan en je mag al eens te laat komen. Je hoeft er niet voor naar de hogeschool of naar de universiteit. Je moet geen intellectueel, ingenieur of filosoof te zijn. Je moet zelfs geen jeugdauteur of editoriaal schrijver te zijn. Slim moet je ook al niet zijn. Maar je moet wel elke morgen blijven opstaan en wijzer willen worden. 
Of een prentenboek lezen.

In mijn beginjaren in de bibliotheek was De jongen die altijd te laat kwam, het prentenboek over Bastiaan Boezeman die elke morgen van huis vertrekt om wijzer te worden, mijn favoriete boek om beginnende lezers tijdens een klasbezoek te introduceren in de wereld van het boek. Ik hoor en zie nog steeds de verontwaardiging op de jonge gezichtjes voor me. Hoe durft die kwalijke meester zo lelijk doen tegen Bastiaan? Die krokodil, leeuw en de orkaan waren er toch echt? Ze stonden op de prenten in het boek en ze hadden het echt op Bastiaans leven gemunt.
Maar het was deel van het leerproces. Van rampen word je sterker. Niemand die je vorige dinsdag had geloofd als je te laat op je werk kwam omdat de doorgang werd belemmerd door twee kalashnikovs en een dode agent op het trottoir. Toch was het zo.
Zo worden we elke dag weer wat wijzer. Elke ochtend opstaan in de weerbarstige beschaving. En die proberen te begrijpen. Wijs proberen te zijn.

Straks komen de nieuwe lezers weer op bezoek en op eigen verzoek zal ik hen weer zelf rondleiden in de bibliotheek. En in de wereld van Bastiaan Boezeman, Filip Rogiers en Charlie Hebdo.
Dat wordt lachen!



zaterdag 6 december 2014

De oversteek

Het was best behoorlijk grof deze middag op het journaal op Eén. Dat werd geopend met een ongemeen lange reportage over het overlijden van ene koningin Fabiola. Was dit echt nodig op de dag dat de hele helft van een land rouwt om het heengaan van een held, een jeugdidool, een voorbeeld, een icoon? Wat betekende het zachte heengaan van een vrouw op hoge leeftijd in het licht van de collectieve rouw om het plotse verlies van Vossieboy? 
Het afscheid van Luc kwam pas na dat van de oude dame. En toen ik burgemeester Termont in de bomvolle kerk opmerkte, bedacht ik hoe blij ik was dat Luc De Vos een Gentenaar was.

Ik stel me voor dat de voorbije week talloos veel mensen geschrokken zijn dat de dood van zanger Luc De Vos hen zo raakte. Ik behoor zelf tot die kring. Die menigte, wellicht. Altijd veel respect gehad voor Gorki en Luc De Vos, maar de cd’s staan niet in mijn platenkast. Ik heb denk ik nooit een volledige cd van de groep beluisterd, maar als ik hun liedjes hoorde (bij mij was dat altijd op Radio 1), luisterde ik steevast met wat meer aandacht. ‘Anja’ of ‘Lieve kleine Piranha’ maakten me vrolijk en ik neuriede, zong of floot gelukzalig mee. ‘Mia’ dwong respect af: het nummer maakte me even stil en ik zong in mezelf de woorden mee – zo mooi! En naar een nummer dat ik niet zo goed kende, bleef ik luisteren. De teksten van Luc De Vos boeiden me, maar ik kon ze nooit helemaal begrijpen. Hij maakte wel eens vreemde capriolen en sprongetjes en heel vaak kon ik ze ook letterlijk niet begrijpen. Die gitaren en die rauwe stem, weet je wel. Maar ik wou zijn teksten echt wel helemaal doorgronden, want er vielen me altijd weer prachtzinnen op. 
Een interview met Luc De Vos liet ik nooit ongelezen: hij vertelde altijd zo’n rake dingen. Als hij op televisie kwam, had hij mijn aandacht en interesse. Ik had al heel lang door dat die gekke zanger uit mijn prille jeugd veel intelligenter was dan ik toen dacht. 

Zo’n tien jaar geleden was hij één van de literaire gasten op een regionaal literatuurfestival in Kortrijk. Het publiek die keer was wat ouder (ik ben altijd een vriendelijke jongen geweest…) en ik hoorde een licht afkeurend gemompel toen Luc De Vos werd geïnterviewd. Hij hoorde niet bij de schone letteren, vonden velen. Terwijl Luc net zo zijn best deed om uit te leggen dat hij zijn schrijven wél au sérieux nam en dat hij zich wél schrijver voelde. En of de interviewer dan echt aan alle schrijvers die die avond passeerden zou vragen of ze hun gitaar hadden meegebracht? Ik keek erg geamuseerd en met heel veel belangstelling toe naar die schrijver op het podium.
Ik heb hem één keer gesproken. Tijdens de finale van Humo's Rock Rally in 2008  stond hij na de set van Steak Number Eight ineens naast mij aan de toog van de AB. Ik deed me voor als de vader van de bassist (sorry Brecht) en prompt stak hij de loftrompet over de pubers die ze toen nog waren. ‘Ze worden beter dan Metallica,' zei hij. En ‘ongelooflijk hoe die gasten met hun gitaren omgaan.’ Even later werd Steak uitgeroepen tot winnaar van de Rock Rally. Luc zal er blij om geweest zijn. Hij bleef de band volgen en was een halve god voor de jonge gasten van de groep. Hij was amper dood verklaard en er kwam al een 'Farewell to a special man' op hun FB-pagina.

Vorige zaterdag sloeg het bericht over zijn dood in als een bom. Ik was alleen thuis en maakte er een tribute-avond van. Ik speurde naar al zijn nummers op You Tube en zocht de versie with lyrics. Nu kon ik wél begrijpen wat hij zong. Ragfijn en haarscherp. Ik merkte hoe doorleefd zijn teksten en hoe doorwrocht zijn woorden waren. Hij was nog beter dan ik dacht, verscheen al snel op mijn FB-tijdlijn. De vorige dagen las ik vaker dat zijn teksten pure poëzie waren. Neen hoor, dat waren ze zeker niet. Een goede liedjestekst is lang geen poëzie en dat moet hij ook niet zijn. Maar zijn teksten gingen wel recht naar het hart en de man die ze schreef had zo veel te vertellen. Hij zong over het leven en de angst die hij ervoor had. Hoe bang hij was van de boze wereld om hem heen. Hoeveel troost hij zocht in de Anja’s, Mia’s en piranha’s dezer wereld. Hoe goed hij zijn best wou doen om voor iedereen te zorgen en hoe intens hij hoopte dat de anderen voor hem zouden zorgen. Stilaan maakte  een ongemakkelijk gevoel zich van mij meester. Ik vrees dat Luc de Vos zijn hele leven lang ongelukkig is geweest. Bang ook. Het gevoel sluimert al een hele week in mijn hoofd. Neen, ik ga dit gevoel nu niet inkleden met hartverscheurende en naar de keel grijpende zinsflarden uit zijn liedjes. Het zijn zijn woorden en ik wil ze niet adopteren. Het klein beetje schrijver dat ik ben weet dat ik de veel grotere schrijver die hij was niet mag plagiëren. Een schrijver lees je en schrijf je niet over.

Of zijn dood een gespreksitem voor jonge gasten was gisterenavond, vroeg ik die zondagmorgen aan mijn zoon die de bar van het plaatselijke jeugdhuis runde. En of, hij werd de hele avond op hun vraag gedraaid. Het deed me deugd. Ook toen ik diezelfde zondagmorgen de verhalenbundel De volksmacht van schrijver Luc De Vos op het nachtkastje van mijn andere zoon zag liggen. Hij had het boek dus ooit gekocht en hij had er die nacht weer in gelezen. Als dat geen eerbetoon is.

Het verdriet om Luc vond stilaan een plaatsje in mijn hart en ik hoop dat ik me verder vooral zijn luim, zijn humor, zijn authenticiteit, zijn muziek, zijn rock ’n roll zal blijven herinneren. Want ook die vind je op You Tube. Ik lachte me tussen de sluimerende tranen door ook een bult om Vossieboy. In de AB, op Marktrock, tijdens de Radio 1-sessies, als gast in Café Corsari. Een programma dat me nauwelijks boeit en me steeds weer ergert, tenzij Luc De Vos zijn opwachting maakt. Of Griet Op de Beeck – ik beken.
Het zal straks raar oudejaarsavond vieren zijn. Onze gelegenheidsfeestgroep is best wel into Gorki en in mijn herinnering opende het feest de voorbije dertig jaar altijd met ‘Mia’. Het nummer stond gewoon altijd op 1 in De Tijdloze 100. Het zal dit jaar dus niet anders zijn. Maar wel helemaal anders.

Wie wel eens een blogbericht van mij leest, weet dat ik altijd eindig met een vrij onverwachts en op het eerste gezicht niet-passend lied. Ik ben ook wel eens een beetje contrarie. Vossiaans, zo je wil. Maar vandaag doe ik het niet. Het nummer dat verborgen zit achter de anders mysterieuze en hopelijk verrassende URL-code is mijn favoriete nummer van Gorki from Belgium. Luister allen goed naar 'Ooit was ik een soldaat'. En hoe schrijnend ‘Ik geef je alles’ klinkt. Met die halve seconde stilte die erop volgt. Nooit eerder betekende alles zo veel.



maandag 17 november 2014

De vijftig genaakt

In het jaar waarin ik zelf vijftig werd, wordt de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers dat niet. Of althans, het tijdschrift van de eerbiedwaardige vereniging. Jammer maar helaas: er komt geen vijftigste jaargang voor de VWS-cahiers. De reeks zal immer jong blijven.

Al is dat in de literaire wereld wel even anders. Een literair tijdschrift dat vijftig jaar zonder tussenpozen, met quasi onveranderde redactionele richtlijn en met een bijna legendarische regelmaat bleef verschijnen, mag zich zonder blozen een grijze eminentie onder de literaire bladen noemen. Toegegeven, de cahiers zijn Dietsche Warande niet, ook niet Belfort, evenmin Dietsche Warande & Belfort en al zeker DW B niet. Net zo min als ik Hugo Bousset ben. Maar toch: vijftig jaar kan tellen, daar ben ik sinds dit jaar persoonlijk heel zeker van.
Het eerste cahier verscheen in 1966. Fernand Bonneure leidde de vierde druk van het verhaal ‘Het Turkse kromzwaard’ van Marcel Mattijs in. In de halve eeuw die volgde, kwam VWS met de regelmaat van een klok op de proppen met een biografische monografie over een West-Vlaams publicist – in een mooi evenwicht tussen de diverse disciplines jeugdliteratuur, proza, poëzie, theater en essay. Binnen enkele dagen verschijnt aflevering 283, een biografisch essay en tevens mooi eerbetoon aan West-Vlaanderens kunstpaus Willy Vandenbussche, die net een jaar geleden in Washington overleed. 

In 1999 werd ik als nobele onbekende (‘bibliotheekmens en beginnend jeugdauteur’) gekatapulteerd tot redacteur van de tijdschriftenreeks. Ik aanvaardde het redacteurschap met lichte aarzeling – ik had al zoveel te doen! – maar nam me  toch voor om het minstens vijf jaar te blijven doen. De schrijvers moeten op hun redacteur kunnen rekenen, vond ik.
Ik hield het lang niet voor bekeken na vijf jaar, want al snel liet ik me met graagte opslorpen door de cahiers. Het samenstellen van een ‘mooie jaargang’, het aftoetsen van het belang en de belangstelling van de auteur, het zoeken naar de juiste samensteller: het bleek veel leuker dan ik ooit had gedacht. De samenwerking met (bijna alle) samenstellers van de cahiers was bijzonder aangenaam en leverde fijne contacten en kennissen op. Het sleutelen aan teksten en het nalezen van proefdrukken werd een geliefkoosde bezigheid – als het een beetje kon, vulde ik er heel deugdzaam mijn zondagnamiddagen mee. Als de deadline het toeliet: want ook die leerde ik snel van heel nabij kennen.
Ik redigeerde in totaal 87 afleveringen van de cahiers en elk nummer dat op tijd en mooi afgewerkt in de bus viel, ontlokte een stil, ingehouden wauw-moment. En ze roken elke keer zo goed, die gloednieuwe boekjes!

Vanavond liet ik mijn ogen wat meewarig over de 87 witte rugjes van de cahiers die ik redigeerde glijden. Ach, bijna elk nummer heeft zijn petite histoire, bedacht ik. De brief van Veerle De Wit, mevrouw Hugo Claus (nr. 200), de bezorgde maar charmante ernst van Jozef Deleu (204), de gemarmerde tekst van Jef Ector over Peter Verhelst (211), het gesakker van Christiaan Germonpré tijdens het schrijven over de roespoëzie van Mark Dangin (210), de tekst over Karel Verleyen en hoe dankbaar hij me daar om was (220), dorpsgenoot Lionel Deflo die heel mooi schreef over zijn vriend en dichter Hedwig Verlinde (229), de vijf velletjes papier die ik kreeg van cahier-pionier Raf Seys en die ik moest uitvullen tot een volwaardig cahier over ene Dries Masure (233), de altijd weer veel te late maar desondanks bijzonder vriendelijke mails van Etienne Vermeersch (238), mijn tijdelijke held van vroeger Petrus Plancius (249), de vrije-blije en soms erg boze poëzie van de sxities die weer tot leven kwamen in de cahiers over Johan Sonneville (207), Herman J. Claeys (254) en Ludwig Alene (281), de gevreesde samenwerking met Hedwig Speliers die een heel aimabel man bleek te zijn en Willem Vermandere die voor ons zong in het stadhuis van Veurne (260), de vertwijfelde maar waardige huldiging van oude knar Roger Verkarre door youngster Fien Devos (265), de rimpelloze samenwerking met de Nederlandse literaire coryfee Cyrille Offermans die resulteerde in een mooi nummer over Luc Devoldere (273), mijn tijdelijke literaire liefdesaffaire met Katrien Vervaele (274) en het mooie wat eigenzinnige cahier over klasgenoot-dichter Philip Hoorne (282).
Ik noem voor de vuist weg maar enkele van de vele mooie cahierervaringen. Ik memoreer voor mezelf ook de vele bijzondere presentaties bij bevriende bibliothecarissen, in kunstenaarsateliers of heemkundige huizen, de redactievergaderingen ten huize Renaat Ramon en de prettige samenwerking met Jet Marchau die een mooie inkijk bood in leven en werk van collega-jeugdauteurs als Lieve Hoet, Patrick Lagrou, Brigitte Minne of Kristien Dieltiens.

Liep het dan altijd zo makkelijk? Neen hoor, er waren ook tegenvallers. Nu en dan viel een tekst tegen, andere keren werd de deadline niet gerespecteerd, soms waren er niet in te lossen verwachtingen van samensteller of auteur. En soms – heel soms – liet een samensteller me ook wel eens in de steek. Zo vind ik het ontzettend jammer dat de door mij zo gewaardeerde jeugdauteur Jan Simoen niet het cahier kreeg dat was voorzien omdat de samensteller schromelijk de voeten veegde aan steeds weer met veel goede wil vooruitgeschoven deadlines. Jan overleed begin 2013 en het cahier dat hij zo erg verdiende, haalde helaas de eregalerij van de West-Vlaamse letteren niet.
Maar dit is alleen maar jammer. Veel erger is dat er geen nieuwe cahiers meer zullen verschijnen. Nooit meer. Neen, de redactie gooide de handschoen niet zoals veel tijdschriften de afgelopen decennia dat wel deden of moesten doen. Er was absoluut geen gebrek aan kopij en – dat al zeker niet – aan auteurs. De redacteur was het niet beu – oh nee! Met tegenzin schrap ik het regeltje ‘redacteur van de VWS-cahiers’ van mijn cv. Het uitgebreide word-mapje ‘Cahiers’ verdwijnt van mijn harde schijf, de West-Vlaamse auteurs verhuizen naar de ‘cloud’. 

What happened? Ewel… de cahiers verschenen al die jaren onder auspiciën (lees: met financiële steun en warme bekommernis) van het West-Vlaamse provinciebestuur. En net met die auspiciën loopt het nu ineens verkeerd. De interne staatshervorming geeft de provincies niet langer de kans, het geld en de bevoegdheid om zich vol overgave te bekommeren om kunst en cultuur. Daar zal de Vlaamse overheid zich voortaan wel mee bezig houden.
Ik kan kort zijn nu. Bye bye West-Vlaamse scribenten. And no regrets please.

https://www.youtube.com/watch?v=lE0kivjHvDw

Lees ook:  Veel meer dan meisje van de zee
Lees ook: Een goed jaar voor schrijvers
Lees ook: Petrus Plancius


zaterdag 25 oktober 2014

De Veka Print

In de kerk waar mijn grootouders hun gouden jubileum vierden, mijn jongste nicht haar plechtige communie deed, mijn grootouders werden begraven, mijn vrouw en ik en later nogal wat vrienden in het huwelijk traden en waar ik de voorbije jaren wel eens binnenkwam als weer eens iemand die me nauw aan het hart lag werd begraven, ging ik gisteren naar een muziekconcert.
An Pierlé gaf er een sereen kerkconcert. Getooid in een witte jurk en met haar tere witte huid en blonde haar leek ze op de maagd Maria en dat paste wel in de kerk van het Onbevlekt Hart van Maria in die stille wijk. Ze zei niet veel, An, maar zong des te meer en dat deed ze even goed als haar zwarte tegenpool naast haar. Het was wennen om uit dat kerkorgel andere klanken te horen dan de intro’s van de liederen die nog steeds in mijn hoofd klinken. ‘Want van U is het koninkrijk, en de kracht, en de heeheeheerlijkheid in eeuwigheid. Amen’.

Het is een mooie kerk, daar op die Wijnberghoek. Geen neo-stijl zoals de meeste kerken in Vlaanderen en dus geen would-be-gotiek of would-be-romaanse stijl. Maar een sobere, haast contemplatieve open ruimte zonder storende en vaak foeilelijke versieringen en decoraties en vreemde symbolen en schilderijen die geen moderne parochiaan nog begrijpt. Het was bij aankomst wellicht schrikken voor An Pierlé en haar muzikanten: in deze kerk zouden de bombastische orgelklanken en het frêle engelengezang het door hen gewenste effect vast niet opwekken. De kerk staat er amper een halve eeuw en is een ontwerp van de Nederlandse monnik Hans Van der Laan. ‘De adel van de kerk zit hem in de eenvoud van het ontwerp,’ verdedigde de pater-architect zijn toen vaak gecontesteerd bouwwerk. Maar als je de toren naast de kerk bouwt, moet je niet op handgeklap van de omwoners rekenen.
En dus liep ook deze kerk leeg. Het cultuurcentrum heeft er vanaf nu misschien wel een nieuwe concertzaal bij. Het gebouw biedt perspectieven. Een degelijk orgel, een groot podium, mooie (beschermde!) zitbanken, goede akoestiek, veel parkeergelegenheid in de buurt. Ik zie uit naar meer moois.

Ik ben pro kerkenplan. Ik heb geen leedvermaak om het leeglopen van kerken (ik gun iedereen alles), maar zie met lede ogen aan dat de grootste en vaak mooiste gebouwen in steden en gemeenten geen geloofwaardige bestemming meer hebben en stilaan gaan verkommeren. In een buurgemeente gaan ze petanquebanen in de kerk aanleggen: laat me toe dat erg oneerbiedig te vinden. Daarvoor zouden mijn grootouders in hun kist minstens onwennig op hun zij gaan liggen. Maar een mooi muziekconcert, een fijne theatervoorstelling, een leuke tentoonstelling? Waarom niet. Het brengt mensen samen en het houdt het monumentale gebouw in de kern van de leefgemeenschap overeind. Dan kan misschien ook het plafond in de kerk van Van der Haar hersteld worden, want ik vermoed dat ook hij op dit moment op zijn zij in zijn kist ligt.

Vreemd hoe moeilijk het is om te wennen aan het idee dat onze religieuze gebouwen een nieuwe bestemming moeten krijgen. De bibliotheek in de kerk? Mijn voorstel werd een tiental jaar geleden nog als niet serieus en zelfs oneerbiedig van tafel geveegd. Andere gebouwen hebben die groeipijnen niet. Zowat een jaar geleden reed Wannes Cappelle door de gemeente waar hij zijn kindertijd en jeugd doorbracht en verbaasde hij zich over het verdwijnen van de schoolgeriefwinkel Veka Print op de Grote Markt. ‘Stel je voor, Wevelgem zonder de Veka Print?’ Maar ziet, in het pand heeft zich ondertussen een schoonheidsinstituut gevestigd. Het gaat vanzelf. Operaregisseur Gilbert Deflo kwam vijftien jaar geleden in Wevelgem nadat hij er tientallen jaren niet was geweest en zocht naar de sombere donkere muren van de soldatenkazernes langs de luchthaven. Ze waren gesloopt en schreeuwlelijke winkelpanden kwamen in de plaats. ‘Het lijkt Tokyo wel,’ riep hij verbouwereerd. Sindsdien wonen we met zijn allen zonder probleem in Klein Tokyo en geen haan die nog kraait naar de ooit zo vertrouwde naar Koude Oorlog ruikende betonplaten langs het vliegveld.

Maar, maar… wat dan met de ware gelovigen, hoor ik u vragen. Uiteraard kunnen zij verder hun geloof belijden. Maar het kan eigentijdser. Een schooldirecteur vroeg me een tijd geleden of hij een auteurslezing van mij mocht filmen. ‘Dan moeten wij u volgend jaar niet opnieuw uitnodigen,’ zei hij. Zo erg! Hij mocht niet filmen en ik ging niet meer naar zijn school terug. Maar voor de eucharistieviering kan de misfilm wel een oplossing zijn. Een vooraanstaand regisseur - minstens Erik Van Looy, Jan Verheyen of Stijn Coninx - kan het scenario van de perfecte mis schrijven. Vervolgens gaat een filmteam in elke parochiekerk de typemis opnemen - bij voorkeur met de bisschop zelf achter het altaar. Denk er goede voorlezers, verse kaarsen en de beste gregoriaanse koren bij. Elk weekend wordt de film op vaste tijdstippen vertoond op het grote scherm van OC De Kerk. Alleen voor het uitdelen van de hosties moet een medewerker van het cultuurcentrum worden ingezet. Al zijn ook hier misschien eigentijdse oplossingen: die zelfuitleenbalie van de bibliotheek of de ticketautomaat van het cultuurcentrum moet het toch ook lukken om op een deftige manier hosties aan de man en vrouw te brengen.

Zag je ook het verdriet op het gezicht van de parochiale medewerker van Anzegem die het uitbranden van zijn kerk aanzag? Niet alleen zijn kerk, ook zijn leven stortte in. Hij beleefde zijn persoonlijke nine eleven. 
Ik wil het liever niet meemaken. Het is hoog tijd dat we onze kerken omarmen.

https://www.youtube.com/watch?v=k2CFDsG_oxg


woensdag 14 mei 2014

Lang leve de lage loonlast!

De gemeente waar ik woon beleeft dezer dagen een klein Ford Genkje. Een bedrijf dat enkele decennia geleden groeide uit de lokale gemeenschap, evolueerde tot een kleine wereldspeler en ondertussen in onvoorspelbare Amerikaanse handen was, legt de productie stil. De hand van de Amerikaan heeft een streep getrokken over of een kruis gezet naast de naam Wevelgem. De wasmachines worden voortaan in Tsjechië gemaakt.

Uiteraard veroorzaakte de stopzetting een storm van protest én een golf van medeleven op de sociale media. Honderdzesenzestig medewerkers komen op straat en heel veel van hen wonen nog steeds in de lokale gemeenschap. Mijn gemeente wordt de komende maanden wat armer.
Het wekt uiteraard geen verbazing dat deze sluiting zo kort voor de moeder der verkiezingen al snel een politiek kleurtje en geurtje kreeg. De fout van de lageloonlanden, zegt een Facebooker. De fout van de hoge loonkosten, zegt een Twitteraar. De fout van de burgemeester, zegt iemand. De fout van de vakbonden, de fout van de vreemdelingen, de fout van De Wever én van Di Rupo, de fout van alle dikkenekken in Brussel (want zij rijden met dure auto’s), de fout van de profiteurs (want zij profiteren), de fout van de Walen (die ook natuurlijk), de fout van de bazen (zij nog veel meer). Samengevat: ik las een drieste bloemlezing uit verkeerd geciteerde partijslogans voor de komende verkiezingen. De wasautomatenfabriek is nog niet dicht of daar hangt onze vuile was al buiten.

Tussen de vele berichten en reacties door onderschepte ik ook een oproep naar een solidariteitstekst op mijn blog. Niet makkelijk… Ik ben ongevoelig voor slogans maar ben dan ook weer niet de schrandere econoom die in enkele frasen zijn heldere visie op het verschijnsel kan uitschrijven. Laat staan dat ik de sluiting van een lokale onderneming perfect kan duiden in het licht van de wereldeconomie of argumenten kan aanbrengen die de hand van de Amerikaan naar een gom doen grijpen of hem het rode kruisje op zijn blad laten veranderen in een groen vinkje.

Ik ga het verschijnsel vrij intuïtief te lijf met aloude inzichten verworven in de lessen economie van het middelbaar onderwijs. Meneer Bourgeois for president!
Het begrip dat gisteren in de reacties het meest opdook was: hoge loonkost. Die sakkerse boosdoener! Ik sta er versteld van hoe dat woord opeens onze woordenschat is binnengedrongen. En hoe onheus (ik herhaal: ik denk heel intuïtief nu) we het ineens met zijn allen gebruiken.
De wasautomaten worden dus voortaan in Tsjechië gemaakt omdat onze loonkost te hoog is. 
Op de middelbare school leerde ik dat de loonkost uit meerdere elementen bestaat. Als we die allemaal wat afslanken, krijgen we ongetwijfeld een modelstaat met lage loonkosten waardoor geen ondernemingen meer op de vlucht gaan naar een ander land. Voortaan moeten we dus gewoon zelf een lage loonland worden. Poepsimpel, en toch is er geen enkele partij die eraan denkt (alhoewel…).

Er zijn wel enkele nevenverschijnselen natuurlijk.
Een groot deel van de loonlast bestaat uit het nettoloon van de werknemer. Dat moet dus flink wat minder worden. Elke maand een pak minder in onze portefeuille of op onze bankrekening. Uiteraard moeten ook alle sociale bijdragen, zowel van de werknemer als van de werkgever, naar omlaag. Schande hoeveel geld we elke maand betalen voor de profiteurs van onze maatschappij! De werklozen, de gepensioneerden, de leefloners, de gehandicapten en de zieken: als we hen allemaal een beetje minder betalen, dan moeten zij die werken niet zoveel RSZ bijdragen. Makkelijk toch? Ook de bijdragen voor het Kinderbijslagfonds kunnen we uit de loonkost halen, dat scheelt echt wel een serieuze slok op de borrel. Als het in landen als Indië en Brazilië lukt zonder kinderbijslag, waarom dan bij ons niet?
We zijn al goed op weg om een voorbeeldig lage loonland te worden en dan heb ik het nog altijd niet gehad over de plaag van België. Al die belastingen! Is die bedrijfsvoorheffing dan echt nodig? Laten we die gewoon op zijn minst halveren en hopen dan maar dat de files vanzelf verdwijnen en dat de autowegen zichzelf herstellen en overkappen. Treinen kunnen we sowieso afschaffen, zijn we meteen van die vervelende stakingen en aanmodderende ambtenaren verlost. 
Stilaan zijn we Tsjechië geworden, maar het kan nog steeds beter. Allerlei kleinigheden die de loonlast kunstmatig opkrikken, kunnen we nog overboord kieperen. Bijdragen voor verzekeringen bijvoorbeeld. Bijdragen voor arbeidsongevallen, nog een win-element. Als de arbeiders voortaan wat beter uit hun doppen kijken op de werkvloer, kan de werkgever die verzekering annuleren en de loonlast nog meer drukken. Is het zijn fout misschien dat onhandige arbeiders van de ladder vallen?
En vakantiegeld, moet dat eigenlijk wel? De Tsjechen maken toch ook geen citytrips, gaan niet op skivakantie en maken geen exotische reizen? Ze hébben niet eens een zee en als ze al op reis gaan naar het buitenland, boeken ze enkel een heenreis. De snoodaards!

Je beseft het misschien niet, maar als we gaan voor al het bovenstaande, dan behoren we bij de koplopers van de wereld. Staan we helemaal bovenaan het lijstje van de lage loonlanden. Je vraagt je af waarom we al die bijdragen blijven betalen en zoveel blijven verdienen.

De wasautomaten worden dus voortaan in Tsjechië gemaakt omdat de loonkost daar heel laag is. Zullen we dus ook doen. Mijn reis naar de Auvergne heb ik alvast geannuleerd, mijn bezoek aan de tandarts tot nooit meer uitgesteld, de tuinarchitect met een smoes afgebeld, de studies van mijn zonen met ingang van nu stopgezet (‘stop nu  in godsnaam eens met studeren!’), mijn lidmaatschap van het ziekenfonds afgezegd. Ik zeg ook maar mijn verzekeringen af en mijn aanslagbiljet stuur ik onverrichter zake terug. Wel jammer dat ik dat kindergeld niet meer zal krijgen. Pech dat de wasmachine het net nu begeeft, maar voortaan was ik toch met de hand. Sneu dat mijn moeder net nu begint te sukkelen met haar heup en dat die put in de straat niet meer gevuld zal raken. Maar ik woon wel in een lageloonland, joepie!

En in afwachting van de omschakeling van hoge- naar lageloonland, spuw ik toch even mijn intuïtieve middelbare school-ergernis uit. De wasautomatenfabrikant laat zijn goed draaiende, efficiënte en productieve vestiging in Wevelgem in de steek omdat hij in Tsjechië meer winst kan maken. Nóg meer winst dus. En daar past maar één woord voor: schande!

https://www.youtube.com/watch?v=lkE04kbiiQc