Pagina's

vrijdag 4 januari 2013

Af

Op 29 december tikte ik als status op mijn Facebookpagina ‘Af’. Ik wist natuurlijk dat dit ultra korte antwoord op de vraag van Facebook ‘wat er aan de hand was’, veel vragen zou opwekken. Ik zal maar bekennen dat ik dat best graag doe, dat teasen. Prijsgeven dat er iets is waarover je verder niets zal vertellen. Foei zeker...

In mijn jeugdjaren, lang voor Facebook, bestond de status ‘af’ ook al. 'Het' was namelijk ofwel ‘aan’, ofwel ‘af’. In deze gaat het niet daarover. Tussen Elsy en ik is het al heel lang ‘aan’ en niets laat vermoeden dat het snel ‘af’ zal zijn. Van die hypothese zijn jullie dus al af.
Wat wel af is, is wat bij vele lezers vaak uit is. Een boek dus. Dat van Gent-Wevelgem was net voor kerstmis al af, dus ook daarover ging het niet. Het ‘boek’ dat op 29 december af was, is ook weer niet echt een boek. Het bevat namelijk 48 pagina’s en volgens de Unesco-normen spreken we dan niet van een boek, maar van een brochure. De ‘brochure’ die af is, is een biografisch essay over de Oostendse schrijfster Katrien Vervaele. De tekst zal eind februari verschijnen als nummer 274 in de reeks cahiers van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers. Ik voer al ruim twaalf jaar de redactie van deze eerbiedwaardige reeks. In elk nummer laat een gastauteur zijn of haar licht schijnen over leven en werk van een levende of overleden schrijver uit West-Vlaanderen.
Deze keer kroop ik zelf in mijn pen en verdiepte ik mij in de schrijverscarrière van Katrien Vervaele. Zij schreef tot 2007 boeiende jeugdromans voor een doelpubliek en over thema’s die ook wel een beetje die van mij zijn. Sinds 2007 schrijft ze niet meer voor jongeren, maar schrijft ze reportages en verhalen over alles wat met de zee te maken heeft. Zij is gek van de zee, ik ben gek van een eiland. Ook dat schept een band. Katrien heeft ook iets met grenzen: ze voelt zich overal en nergens thuis en wil vooral ongedwongen en met een open geest het leven tegemoet treden. Als je op een eiland bent, ben je dan op zee of aan land?
Mijn tekst kreeg als titel ‘Veel meer dan meisje van de zee’. Wie mij al heel lang kent, weet dat ik ooit ook een meisje van de zee kende, maar met haar is het al heel lang 'af'. Katrien Vervaele is op Facebook gekend onder haar alter ego Zee Meermin – nu wordt het wellicht ook duidelijk waarom dat kleine meisje uit Kopenhagen daar momenteel mijn profielfoto is. Nooit is een profielfoto van mij toevallig gekozen: hij verwijst altijd naar een thema dat later wel eens in een boek zal opduiken. Spannend toch? 
Ik maak het nog spannender. Niet alleen het boek over Gent-Wevelgem en het cahier over Katrien Vervaele zijn af. Er is nog een verhaal af. Dit heb ik geschreven, gelezen, gepolijst, geschaafd, herschreven en opgestuurd. Daar komt in 2013 een boek van. Waarover dit gaat, wat de titel is, hoe ik tot een thema kom, wanneer ik schrijf, hoe lang ik over een boek doe? Dat hou ik het liefst voor mezelf. Maar hou mijn profielfoto in de gaten. En op zondag 20 januari zondig ik voor een keer tegen het principe om mijn schrijven dood te zwijgen. Dan vertel ik alles over de boeken die ik heb geschreven en nog hoop te schrijven aan al wie het horen wil. Ook over het boek dat af is en eraan komt.
Kom maar af.




woensdag 12 december 2012

Roger De Vlaeminck wint Gent-Wevelgem!

Ik had het genoegen om samen met wielerjournalist Rik Vanwallegem en koersencyclopedist Rudy Neve het jubileumboek 'Gent-Wevelgem 75' te mogen samenstellen. Het boek is ondertussen klaar en werd op 10 december voorgesteld in aanwezigheid van iconische oud-winnaars als Francesco Moser, Walter Godefroot, Guido Bontempi, Sean Kelly, Freddy Maertens en Oscar Freire. Het werd een prachtige publicatie: thema’s als de veelwinaars, de niet-winnaars, de grote en kleine geschiedenissen en (of course) de Kemmelberg worden cursief beschreven en met fantastische foto’s geïllustreerd. Als uitsmijter schreven Rik, Rudy en ik een persoonlijke terugblik: wat het doet met een koersliefhebber om aan de meet in Wevelgem op te groeien. Over mijn ‘Feest van Saint-Vélo’ zal ik hier niet berichten, dat lees je voortaan in een boek.

Rik, Rudy en ik zaten urenlang te speuren in de fotoalbums die stichter en organisator Georges Matthys bijhield. Hij verzamelde koersfoto’s toen die nog zeldzaam en kostbaar waren en hield ze zorgvuldig bij in plakboeken. Bovendien voorzag hij ze van spitse en vaak hilarische commentaren, die hij met de tikmachine op een schamel velletje papier tikte. De helden versagen niet en slaan met onverdroten moed het pad naar de illustere top in.
De fantastische zwart-witfoto’s en de hilarische commentaar van Georges Matthys presenteerden Gent-Wevelgem als een heroïsche koers waarvan je nauwelijks kan geloven dat die in onze contreien werd gereden. Er zijn fascinerende beelden van het wielerpeloton dat in waaiervorm langs de kust fietst. In de jaren vijftig was ‘langs de kust’ nog: ‘naast de duinen’. De foto die we selecteerden voor het boek, lijkt wel gemaakt op Antarctica of in het Zwitserse hooggebergte. Er zijn even wonderlijke foto’s van gesloten rennersgroepen die over de markten en plaatsen van de Vlaamse steden dokkerden. Allemaal bossen van Wallers waren dat doen, bovendien voorzien van ferme tramsporen in het midden van de weg. Ik vermoed dat de beste renners toen in die tramsporen reden, dat was minder hobbelig en het gaf minder wrijving.
En dan die Moeren... Dat was toen nog een landschap om u tegen te zeggen en niet zomaar een streek in het noordwesten van België. Het was letterlijk bachten de kupe. ‘De Moeren’ was toen nog iets zoals de Russische steppe, de Noorse fjorden, de Hongaarse poesta of de Siberische toendra. De West-Vlaamse Moeren. 
Toen was West-Vlaanderen ook nog veel groter, want uit de sfeerverslagen en de foto's van toen blijkt dat de renners uren bleven fietsen door die Moeren. Er waren nauwelijks wegen en toen was er ook veel meer wind dan nu en het vroor en sneeuwde bijna altijd. De renners waagden een beetje hun leven, want slechts om de vijftig kilometer stond er een huis. Daar konden de renners aankloppen bij de plaatselijke bewoners: een soort Neanderthalers, met wilde baard en lange ‘fabrinnen’, die een onverstaanbaar taaltje spraken. Die oerbewoners boden de renners uit een houten mok een papachtige vloeistof aan. En ze konden even verpozen op een boomstronk.
De renners die de Moeren overleefden, moesten toen nog over de vermaledijde Kemmelberg geraken. Daar lag nog geen weg, de renners liepen over een brokkelig aarden pad de berg over en werden vaak geholpen door een vriend die voor hen de fiets (het vehikel) over de berg loodste, zodat de renners zich niet nodeloos moesten vermoeien. Ik vond het niet in de wedstrijdverslagen, maar als ik de foto's uit die vroegste beklimmingen bekijk, kan ik niet anders dan vermoeden dat er toen nog bruine beren in het Kemmelbergmassief woonden.
De weg naar Wevelgem verliep vrij makkelijk, daar waren wel al wegen. Maar de aankomst was nog niet van de poes: die lag op de startbaan van het vliegveld en die vlakte was toen zo open en verlaten dat de kans op wegwaaien reëel was. Bovendien zorgden stuntmannen als vuurspuwers en autospringers voor een voorprogramma dat me minstens even gevaarlijk leek als de laag overvliegende vliegtuigen.
Je gelooft me niet? Bekijk de foto’s in het fantastische boek en oordeel zelf!

Tijdens (en vooral na) de voorstelling van het boek vroegen velen me welke editie voor mij de mooiste was. Aan welke ik het meest plezier beleefde. 
De mooiste editie is nog niet gereden en die zal ook nooit gereden worden, antwoordde ik nogal cryptisch. Want voor mij is de mooiste Gent-Wevelgem die ooit kon gereden worden die met Roger De Vlaeminck als winnaar.
Roger De Vlaeminck won nooit Gent-Wevelgem. Dat is het enige schoonheidsfoutje op de fenomenale erelijst van de wedstrijd. In het boek wijdden we er overigens een afzonderlijk hoofdstuk aan: hoe het komt dat Le Gitan nooit won. Alle wielergroten der aarde reden in de Vanackerestraat als eerste over de streep. Op de erelijst staan maar liefst 23 (drieëntwintig!) wereldkampioenen. Maar niet Roger De Vlaeminck dus. Roger werd overigens ook nooit wereldkampioen, er zit dus wel enige logica in.
Ik was fanatiek wielerliefhebber tussen mijn tiende en twintigste levensjaar en elk voorjaar weer hing ik aan de beeldbuis en toog ik naar de Vanackerestraat in de hoop dat mijn idool eindelijk zijn Gent-Wevelgem zou binnenrijven. Het kwam er nooit van. Op een lijst die door koersfanaat Bernard Callens werd opgemaakt, staat hij op de vijfde plaats, na Merckx, Van Looy, Boonen en Cipollini, de drievoudige winnaars. De Vlaeminck werd maar liefst vier keer tweede, een keer derde en twee keer zesde. Maar hij stond nooit op het hoogste schavotje. 
Wie wat afweet van koers, weet hoe dat komt. Mijn vader zei het toen al: ‘Hij zal nooit winnen, hij doet enkel kilometers. Zondag zal hij winnen, let maar op’. Na de koers fietste Roger over de Grote Markt en de Kortrijkstraat meteen verder naar zijn woonplaats Eeklo. En vier dagen later won hij Parijs-Roubaix. Elke keer, tien jaar lang. In mijn door jeugdige idolatrie doordrongen herinnering blijft Roger de enige echte Monsieur Paris-Roubaix. Ever.
Roger De Vlaeminck piekte nog voor het woord bestond.
Tijdens de voorstelling kwam alle leed uit mijn jeugd weer naar boven. Roger De Vlaeminck won nooit Gent-Wevelgem en dus zat hij ook niet naast mij in de eerste rij. Freddy Maertens en Francesco Moser wel.

Het was ongelooflijk boeiend om met Rik Vanwalleghem en Rudy Neve aan het boek te werken. Zij zíjn koers. Ze kennen alle renners persoonlijk: ze waren kind-aan-huis bij Briek Schotte, doen aan huisruil met Felice Gimondi, zitten aan de toog met Eddy Merckx. Geen koersparcours is hen vreemd, ze hebben de truitjes van Molteni en Brooklyn en ze ratelen elk palmares uit het hoofd. Wie was er in 1973 derde en hoe? Walter Planckaert, op 55 seconden van Merckx en Verbeeck. Wie kwam er in 1994 als eerste op de Kemmelbergtop? Franco Ballerini. Waar was de start van Gent-Wevelgem in 1971? Op het Sint-Baafsplein in Gent. Je leest het nu in het boek, maar zij wisten het al. Of nog.
Eén keer, echt maar een keer, kon ik hen de voorbije maanden op een foute herinnering betrappen. 
We hadden het over de fameuze overwinning van de toen nog nobele onbekende Bretoen Bernard Hinault en hoe jammer dat toen leek voor de erelijst van de wedstrijd. ‘Tot hij drie weken later Luik-Bastenaken-Luik won!’ lachten Rik en Rudy. Ik lachte niet met hen mee, want het klopte niet, dacht ik. Maar ik durfde het vooralsnog niet te zeggen. Eenmaal thuis ging ik snel even googlen. Mijn vermoeden was juist: dat jaar won Bernard Hinault de zondag na Gent-Wevelgem ook de Ardennenklassieker. Geen drie weken, maar vier dagen later dus. Bij een volgende ontmoeting wees ik hen op dit kleine foutje. Rudy moest maar heel even zoeken om mij gelijk te geven.
Natuurlijk had ik gelijk, dat wist ik heel zeker. Zij al het andere, maar ik dat. Het was een klein moment de gloire. Ik schitterde even op het terrein waar mijn twee pennenvrienden heer en meester waren. Ik voelde me zoals ook Barry Hoban, Henk Lubberding of Gerrit Solleveld zich moeten gevoeld hebben toen ze totaal onverwacht Gent-Wevelgem wonnen.
Of Bernard Hinault.

Het boek ‘Gent-Wevelgem 75’ werd uitgegeven door Kannibaal en is te verkrijgen in de boekhandel .

Lees ook: Roger De Vlaeminck: 'Ik ben 'm en ik blijf 'm!'

zaterdag 8 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (3)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stiljlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Dit is het derde blogbericht, lees eerst deel 1 en deel 2.

In 1999 werd ik door Christiaan Germonpré, dichter en bibliotheekcollega in Kortrijk, gevraagd of ik geen zin had om redacteur te worden van de cahiers van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (VWS). Hij was het sinds jaren, maar wou graag de fakkel doorgeven. Ik schrok even. Ik kende de vereniging wel, volgde en las de cahiers, maar ik was geen lid van VWS en ik was toen ook nog (net) geen schrijver. Ook de eerbiedwaardige heren en dame van de VWS moeten wel even geaarzeld hebben of het een goed idee was, want ze kenden mij niet. Maar toen ik na een korte bedenktijd redacteur (en lid!) van VWS werd, hoorde ik dat ze ook bij Willy Spillebeen hadden gepolst. Of hij Koen D’haene kende? Zijn antwoord en referentie hadden de heren en dame van VWS mee overtuigd. Het bijzondere was dat de eerste publicatie die ik voor VWS moest redigeren van de hand van Willy Spillebeen was, over de Wevelgemse letterenmens Lionel Deflo…

De regio is te klein om Willy niet alleen tegen te komen tijdens boekvoorstellingen en lezingen. Een vriend trouwde met zijn dochter, mijn vrouw zorgde even voor zijn kleinzoon, mijn zoon werd de vriend van een andere kleinzoon. 
In de marge van de literaire feesten en uitstapjes leerde ik ook een heel klein beetje Zulma kennen, Willy’s geliefde echtgenote die je na één oogopslag omarmde en verbaasde met zowel moederlijke zorg als literaire interesse. Wat was zij een aimabele vrouw! Hoe hard moet Willy haar hebben gemist toen ze hem plots en onverwacht voorging.  Zijn verdriet was zo groot dat hij even niet meer kon schrijven. Geen letter, geen woord, geen zin en zelfs geen roman. Maar plots was er in 2006 de mooie dichtbundel Liefde, het enige, wonderlijke verzen van groot gemis. Opgedragen aan Z.

Ondanks het feit dat ik Willy leerde kennen en steeds vaker ontmoette, bleef hij voor mij in de eerste plaats een schrijver die ik graag las en naar wie ik opkeek om wat hij schreef. 
Ik las zijn bundel Honderd liefdessonnetten, een heel mooie vertaling van Cien sonetos de amor van de door hem bewonderde Pablo Neruda. Zuid-Amerika, de liefde bleef. Ook bij mij. En de poëzie schitterde zoals ze altijd doet in de bundels van Willy. Hij voelde zich meer dichter dan schrijver en pas nadat ik dat van hem hoorde, las ik ook zijn poëzie. 
Ik las De heuvel, dat wonderlijke boek over Wereldoorlog I in onze regio. ‘Het is onbegrijpelijk dat zo’n zachtaardig en vredelievend man zo’n vreselijke thema’s en gruwelijke taferelen kan schrijven,’ zei dichter Renaat Ramon me tijdens de voorstelling. Er klonk verwondering in zijn stem en er stond bewondering op zijn gezicht. 
Ik las de adolescentroman Anastasia en hoorde er van Willy een fantastisch verhaal bij dat hem had geïnspireerd voor het boek: over een oude Russische vrouw die in Moorsele woonde en daar per abuis terechtkwam omdat ze eigenlijk onderweg was naar Marseille. Moorsele en Marseille, de namen lijken net iets teveel op elkaar als je ze in Rusland hoort.
Ik las Busbeke, of de thuiskomst en kwam zo dicht in de buurt van mijn geliefkoosd romanpersonage Zeno uit mijn absolute favoriete roman, Het hermetisch zwart van Marguerite Yourcenar. Tijdens de voorstelling van Busbeke, in de bibliotheek van Menen en bijna met zicht op de kerk van Busbeke (om die helemaal te zien moet je in de werkkamer van Willy zijn) noteerde ik op een klein briefje een uitspraak die me erg raakte. Wat Willy toen zei is mijn drive als ik in stilte werk aan een historische jeugdroman met Zeno als figurant maar waarover ik verder niets meer vertel.  Zelfs Willy verklap ik die (zijn) uitspraak niet. Het moet een beetje spannend blijven en we hebben tijd zat.
Je verjaart nog wel eens, Willy, en dan kan ik je het boek met je citaat misschien cadeau geven. Maar geniet eerst van deze winter waarin je tachtig wordt. 
Van harte!

http://www.youtube.com/watch?v=v=PO3gcH2N4gs


Bij de verjaardag van Willy (2)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stiljlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Dit is het tweede blogbericht, lees eerst deel 1!

Als het om mijn favoriete Spillebenen gaat, komt De varkensput dicht in de buurt. Met de lectuur van die roman introduceerde Willy me in het nog niet verteerde oorlogsverleden van de Vlamingen. ‘Oorlog en collaboratie’ was een thema dat me meteen intrigeerde. Ondertussen werkte ik in de bibliotheek en Willy kwam over het boek vertellen voor de leerlingen van het vierde jaar van het Wevelgemse Sint-Pauluscollege.  Achteraf bleef ik met Willy en leraar-criticus Marc Desmet een tijdje napraten over de lezing en het boek. En over de sluimerende ontgoocheling dat hij er de Staatsprijs voor Prozaliteratuur niet voor had gekregen. De naam Willy Spillebeen circuleerde hiervoor uitdrukkelijk in de hoogste cenakels van de cultuurbonzen en literatuurpauzen. Er moest veel gebeuren opdat Willy die staatsprijs níet zou ontvangen. Zowat het enige wat niet mocht gebeuren, gebeurde echter: Hugo Claus schreef Het verdriet van België. En won.
Willy was in alle staten en vertrok voor een jaar naar de States. Hij was namens de Vlaamse gemeenschap één jaar lang writer-in-residence en leerde de studenten van de universiteit van Wisconsin Europese, Vlaamse en Menense schrijvers kennen en smaken.

Door mijn werk in de bibliotheek ontmoette ik Willy ook als fietser. Het provinciebestuur organiseerde naar aanleiding van de Bibliotheekweek 2001 een publiekswedstrijd en Willy was de schiftingsvraag. Hij zou met zijn fiets vertrekken aan de bibliotheek van Menen en via de rijksweg naar de bibliotheek van Wevelgem fietsen. Op het moment waarop hij de hand schudde van onze baliemedewerkster, werd de stopwatch ingedrukt. Wie het best de fietserscapaciteiten van Willy had ingeschat, won, want de vragen zelf waren net iets te makkelijk.
Dankzij de bibliotheek had ik vaker professionele contacten met Willy. Hij was onze eerste gast toen we een literaire avond organiseerden, hij was gastspreker tijdens boekvoorstellingen of inleider bij de bespreking van een boek van hem door de leesclub. Maar hij was vooral een graag geziene gast als de bibliotheek een voorstelling organiseerde van een boek van een plaatselijk auteur. Luc Vanhauwaert, Eveline Vanhaverbeke, Philip Hoorne, Vera Hoorens of goede vriend Lionel Deflo: ze waren allemaal blij als Willy opdook. Hij was en blijft geïnteresseerd in nieuw werk van andere schrijvers en zijn belangstelling is gemeend en oprecht. Het is wel eens anders in het literaire wereldje.
Ook ik was blij toen hij er was bij de voorstelling van mijn Hel in New York. Ik glunderde van trots toen hij me feliciteerde en een vriend had dat gemerkt. ‘Je moet toch niet onder de indruk zijn als hij je de hand schudt? Je bent nu toch ook schrijver!’ Ik vond die opmerking erg ongepast en onterecht. Je hebt nu eenmaal schrijvers en schrijvers.

Toch liep onze literaire loopbaan heel even over dezelfde weg. Die van en naar uitgeverij Davidsfonds in Leuven. Mijn eerste drie jeugdromans verschenen bij het prestigieuze uitgevershuis en Willy en ik reisden drie keer samen naar het jaarlijkse auteursfeest in de Brusselse Concert Noble. Gezellige avonden waren dat. Willy zat aan tafel met Jooris Van Hulle en Hubert Van Herreweghen (denk ik), ik zat aan een andere tafel tussen Marc De Bel en Dirk Bracke (weet ik). Eén keer was professor Piet Thomas de derde passagier in de wagen van Willy. Op de terugweg wees hij Willy op foute keuzes in zijn schrijverscarrières en even foute keuzes in zijn wegparcours door de Brusselse binnenstad. Willy bleef er kalm bij: ‘Misschien heb je gelijk, maar ik weet dat wat ik kies ook goed is. Ik laat me niet van de wijs brengen’, voegde hij er lachend aan toe. Om twee uur in de nacht dronken we in het bibliotheekhuis van de professor met zijn drieën samen een halve fles wijn uit. Miswijn denk ik, want in het huis van Thomas was er een altaar waar hij achter ging staan als hij voor zichzelf de mis opdroeg. Echt waar!
Het tweede jaar belde Willy me zelf op om te vragen of ik weer met hem mee reisde en toen hij me uren later weer dropte op de Wevelgemse Grote Markt gaf ik hem verbouwereerd mijn presentexemplaar van De oversteek als onkostenvergoeding. Wat geef je anders aan een schrijver?

Het was overigens niet de enige keer dat ik bij nacht en ontij met Willy op pad ging en niet elke keer hielden we het bij elk een half glas. Na de boekvoorstelling van Vera Hoorens’ Ketterse arts voor de heksen loodste een derde boekenvriend ons mee naar het huis van een collega. Een goede wijnkelder en een grote collectie platen met Frans chanson waren het lokmiddel. Wij klonken op Gilbert Bécaud en Charles Aznavour en zij klonken goed. De terugweg verliep via een jeugdhuis langs de Brugse baan en eindigde tussen al even jong volk in een Wevelgems jongerencafé. Willy gaf one for the road en even later (maar heel laat) togen we tevreden huiswaarts langs die road.


http://www.youtube.com/watch?v=ihtORsGjC2E

vrijdag 7 december 2012

Bij de verjaardag van Willy (1)

Schrijver Willy Spillebeen wordt op  30 december  80 jaar en dat zal ik geweten hebben.  Aan het prikbord in mijn werkkamer hangen momenteel drie uitnodigingen voor stemmige feestjes en stijlvolle recepties met boeiende sprekers en gasten. Literair criticus Jooris Van Hulle, emeriet professor Piet Thomas, historicus Jos Martens, filosoof Bert Demyttennaere en cabaretier Dirk Denoyelle: ze zullen Willy allemaal op passende wijze en helemaal verdiend in de bloemetjes zetten. Ik sluit me daar heel graag bij aan. En omdat het voor Willy drie keer feest is, is ook deze blogpost een drieluik. 

Het lijkt alsof ik Willy Spillebeen al mijn hele leven ken en tegelijk heeft hij minstens zeven levens voor mij. Altijd weer kwam hij op de proppen en altijd weer in een min of meer andere gedaante.

Eerst was er Willy Spillebeen, de schrijver. Toen ik de jeugdromans van Jan Terlouw en Thea Beckman was ontgroeid, kwam ik nogal snel bij hem terecht. Van de leraar Nederlands in het vijfde middelbaar moesten we van drie schrijvers een titel naar keuze lezen: Willy Spillebeen, Ward Ruyslinck en Roger Van de Velde. Het ontgoochelde mij wat want het was geen uitdaging: van dat trio had ik al heel wat boeken gelezen en van Van de Velde had ik ze alle zes gelezen. Ik was gek van zijn Knetterende schedels en Galgenaas. Voor de obligate boekbespreking koos ik toen Spillebeens De Vossejacht. Voor mij is deze roman een deel van het drieluik De krabben, De sfinks op de belt en De Vossejacht: het zijn romans die me toen meer raakten en aanspraken dan het rijtje romans van Ward Ruyslinck dat ik toen achter de kiezen had.
Tijdens mijn opzoekingswerk voor de schooltaak kwam ik te weten dat de schrijver een streekgenoot was en dat hij les gaf in het Sint-Lucasinstituut in Menen. ‘Tuurlijk!’, zei mijn broer. ‘Wist je dat dan niet? Fijne leraar en je kon hem makkelijk bezig houden. Gewoon eens vragen of hij met een boek bezig was en dan kreeg je verder nauwelijks nog les…’

Dat hij met boeken bezig was en goed kon vertellen, dat wist ik wel en steeds beter. In een tweede periode leerde ik een erg geëngageerd schrijver kennen en dat sprak me toen erg aan.
Ik was zelf een combattief Oxfam-Wereldwinkel-activist en Willy’s Zuid-Amerikaanse boeken raakten me erg. Ik las De hel bestaat toen de regio in shock was omwille van de ontvoering van de Menense scheutist Serge Berten in Guatemala (nonkel Serge in mijn De hel in New York).
Een vriend die werkte als maatschappelijk werker in het Menense JIAC zei dat Spillebeen bij hem was geweest en naar informatie vroeg over jeugdculturen. Enkele maanden later las ik De engel van Saint-Raphael. 
In het jeugdhuis waar ik erg actief was kwam een jonge Vietnamese jongen op vraag van zijn ouders en het JIAC meedraaien in de werking. We deden hard ons best om hem te integreren en Nederlands te doen praten. Later kwam ik Tan opnieuw tegen in Een pluisje van de zee.
Enkele jaren later las ik Cortés, of de Val, de roman die nog altijd in mijn top tien van favoriete romans staat en zonder twijfel mijn favoriete Spillebeen blijft. Macht en machtsmisbruik in een wonderlijk historisch decor. Een boek naar mijn hart, nog steeds en voor altijd. En wat was die Hernàn  Cortés een enge man!

Ik heb me dankzij Willy overigens ook zelf eens bezondigd aan een subtiele vorm van machtsmisbruik. Tijdens mijn lerarenopleiding had ik een stageweek in het Sint-Lucasinstituut waar Willy les gaf. De lessen volgden elkaar snel op en ik herinner me dat ik erg tevreden was over het verloop. Ik gaf mezelf goede punten en vond het erg jammer dat de pedagogen en didactici uit het verre Brussel niet eens langskwamen om te observeren en te evalueren.
Toen was er een worst case scenario. Van één les op de laatste stagedag was ik niet zeker van de goede afloop. Een stugge grammaticales over voornaamwoorden (zo’n lessen bestonden toen nog) voor een klas die ik ondertussen als ‘lastig’ had leren kennen. Als ze nu maar niet kwamen observeren… Ze kwamen toch. Tijdens de recreatietijd zag ik de door alle studenten (en zeker de West-Vlaamse met hun g en hun h) gevreesde docent Herman Bogaert de lerarenkamer binnenwandelen. Dit kon niet anders dan fout aflopen. Toen kreeg ik in een flits één van de helderste invallen in mijn jeugd. Ik zou Bogaert, die met poëzieprogramma’s Vlaanderen rondtrok, naar Willy Spillebeen leiden. Ik schudde de gevreesde leraar hoffelijk de hand en vertelde hem enthousiast dat dit de school was waar dichter-schrijver Willy Spillebeen les gaf. 'Kijk, daar is hij net!' Bogaert wist dat natuurlijk, waarom zou hij anders naar het door hem onbeschaafde want onverstaanbaar sprekend West-Vlaanderen komen? Maar ik loodste hem zo hartelijk mogelijk naar Willy Spillebeen die mij wat verbaasd aankeek. Ik had geen stageopdrachten bij hem, hij had er geen idee van wie ik was. Hij keek me even verbouwereerd aan, maar dan begroette hij heel verrast en hartelijk Herman Bogaert. Ik liet de twee heren hartelijk zijn en verontschuldigde me toen even later de bel rinkelde. Of ik misschien alvast naar de klas kon gaan? ‘Ik kom zo bij je’, zei Herman Bogaert.
Mijn pokerspelletje lukte. Ik zag hem die dag niet meer terug.

Lees ook deel 2.

http://www.youtube.com/watch?v=VXujuDnjcqU


zaterdag 27 oktober 2012

De heks van de Kortekeer

Beselare heeft zijn heksen, Kemmel zijn paardje van Malegijs en Dendermonde zijn Ros Beiaard. En Lauwe heeft niets. Hàd niets, want sinds enkele jaren is er de heks van de Kortekeer.

Elke legende valt terug op gebeurtenissen die zich echt voordeden in een stad of dorp. Die worden dan uitvergroot of in een andere context geplaatst. Dat in werkelijkheid niet alles gebeurde zoals het verhaal laat uit schemeren, is duidelijk. Maar toch… er is altijd een grond van waarheid.
Van het Davidsfonds Lauwe kreeg ik in de lente van 2011 een aantal hints en anekdotes waarmee ik een dorpslegende mocht schrijven. Tussen haakjes, ik kreeg ook een aantal thema’s waarover het niet mocht gaan. Over Willem Vermandere bijvoorbeeld, die is een levende legende.
Grote wereldschokkende feiten hebben zich de voorbije eeuwen evenwel niet voorgedaan in Lauwe. De geschiedenis kwam hier voorbij, even geruisloos als het water van de Leie.

Of toch… In 2010 was er iets dat het dorp beroerde. Herinner je je nog de zwerver die bij het begin van de zomer werd overreden door een tractor? Weet jij waar die slapende man in het maïsveld vandaan kwam? Iemand die weet wat die man in Lauwe deed? En, nog straffer, iemand die weet waar hij naartoe trok, want het is een publiek geheim dat hij spoorloos verdween uit het ziekenhuis.
Die anonieme, vreemde zwerver figureert in de legende van de heks van de Kortekeer. De legende brengt ons terug naar de zestiende eeuw, toen Gentenaar Keizer Karel heerste over een rijk waar de zon nooit onderging. 
In het verhaal draait alles rond de bal – hoe kan het anders in een gemeente met twee legendarische voetbalclubs (de Rassing en de Wiet Star) en halve voetbalgoden als Rudy Ducoulombier, Hein Vanhaezebrouck, Bart Maes en Lorenzo Staelens.

In de legende komen we éindelijk ook te weten waarom die van Lauwe en die van Wevelgem het zo vaak met elkaar aan de stok kregen en krijgen. 

Dit droeve voorval dateert van bijna vijfhonderd jaar geleden.
De jonge Gentenaar Keizer Karel heerst over een rijk waar de zon nooit ondergaat en zijn pracht en luister stralen uit over het hele graafschap Vlaanderen. Burgemeesters en edelen zetten hun beste beentje voor zodat hun dorpen en steden er altijd stralend uitzien. Ze hoopten dat de jonge Keizer tijdens zijn zegetochten door de Lage Landen ook hun dorp zou voorbijkomen en dan wilden ze dat op zijn mooist tonen. Overal verschenen fonteinen, praalbomen en huizen met sierlijke gevels en torentjes. Tijdens jaarmarkten en kermissen dongen muzikanten, vuurspuwers, kunstenmakers, toneelspelers en liedjeszangers om beurt naar de gunsten van het publiek.
In het vredige Lauwe in een nietige barak langs de Leie, niet ver van de overzetboot naar de Guldenbergabdij in Wevelgem, ligt visser en voerman Blancke nog slaapdronken op zijn strobed. In de verte slaat de klok van de kerk. Blancke zucht. Het is tijd om naar de rivier te gaan. Het is vrijdag en de burgers in de straten rond de kerk wachten op hun verse vis. Als hij voor zijn voerronde nog tijd wil overhouden voor zijn wekelijkse verkenningsronde langs de oevers van de Leie, mag hij niet langer blijven pitten.
Blancke sluipt door de donkerte van het struikgewas en speurt naar iets van waarde dat de voorbije dagen door de stroming van de rivier op de oever is geworpen. Een stuk hout of wat lompen, het kan zijn schamele inkomen als visser en voerman aanvullen. Woensdag was er felle wind en het onweer sloeg toe, wat zijn kansen op een lucratieve vondst zeker niet vermindert.
Op een boogscheut van de rivier houdt hij in. Wat ligt daar zo mooi te glimmen in de eerste zonnestralen? Blancke stapt er behoedzaam op af. Hij knielt bij het vreemde voorwerp. Het lijkt een zware arduinsteen, rond van vorm. De geheimzinnige bol is groter dan zijn eigen hoofd en door het sierlijke houwwerk strooit het sierlijke lichtstralen uit over de glinstering van het Leiewater. Blancke buigt door zijn knieën en zet zich schrap. Hij wil de steen optillen, maar valt achterover als hij hem in zijn handen neemt. De steen is vederlicht, net alsof hij met lucht is gevuld. Deze steen is veel te rond en te licht voor mensenhanden, dit is een hemelse bol. Blancke wil zo snel mogelijk van het godending af. Hij loert naar de overkant van de rivier. Het is nog stil rond de Guldenbergabdij. Maar het kan niet anders of de bol hoort de cisterciënzerinnen toe.
Hij legt de bol vlakbij de rivier op een bergje aarde en gaat tien passen achteruit…
- ‘Wacht, ellendeling!’
Blancke verstijft en kijkt achterom. Mallo, de heks van de Kortekeer, kijkt hem grijnzend aan. 
- ‘Waag het niet de bal naar de overkant te trappen. Hij hoort de nonnen van Wevelgem niet toe. Jij hebt de bol gevonden en je moet hem de rest van je leven bijhouden’.
Blancke luistert niet naar de heks. Hij neemt zijn aanloop en trapt de bol zo hard hij kan naar de overkant. Hij hoort een doffe bons tegen de poort van de abdij. Nu vlug ervandoor voor zuster-portier openmaakt.
Achter hem krijst Mallo.
- ‘Je weet niet wat je doet, Blancke. Je hebt de bol gevonden en je raakt er nooit meer vanaf.’
- ‘Allemaal praatjes, Mallo’, roept Blancke. Maar hij voelt hoe de angst zich in zijn lichaam nestelt. Niemand in Lauwe weet wat hij met gekke Mallo moet aanvangen. Als ze je eenmaal heeft uitgekozen, laat ze je nooit meer los, zeggen ze.
Als Blancke de volgende morgen weer gaat piepen op zijn plaatsje bij de rivier, krijgt hij met toegesnoerde keel de flikkerende bol weer in de gaten.
Hij loopt er op af en net als hij de bol met een wereldtrap de rivier wil over knallen, hoort hij weer de snerpende stem van de heks.
- ‘Doe het niet, Blancke! De bol is van jou nu. Waag het niet hem de rivier over te trappen…’
- ‘Laat me, smerige heks’, roept hij trillend terug. De angst giert door zijn lichaam als hij de bol met al zijn overblijvende macht over de rivier trapt.
- ‘Hier zal je voor gestraft worden, ellendeling. Hoe meer je de bol van je wegtrapt, hoe groter de duivelse wraak zal zijn. Hou de bol bij je tot hij vanzelf verdwijnt.’
En zo geschiedde het wel acht nachten op rij. Elke morgen gaat Blancke naar de Leie en elke morgen ligt de bol precies op dezelfde plaats op hem te wachten en elke morgen scheldt de heks hem de huid vol als hij de bal naar de overkant kegelt. Niet één keer ziet hij aan de overkant een non die de bol komt ophalen.
Maar op de negende dag, als hij de bal weer tussen het gras op dezelfde plaats ziet liggen, wacht Blancke vruchteloos op het gekrijs van de heks. Hij wacht even om te trappen en kijkt om zich heen. Geen heks te bespeuren.
Blancke neemt de bol op, loopt er mee naar zijn barak en legt hem in de laadbak van zijn voerwagen. Hij verstopt de bol onder een hoop lompen en rijdt naar de burgemeester.
Nadat Blancke hem omstandig over de mysterieuze bol en de woorden van de heks heeft verteld, neemt de burgemeester een wijze beslissing. Op de eerstvolgende jaarmarkt zal de bol bovenop de kerktoren worden gelegd en al wie wil, mag meedingen om hem vanaf de grond met de kruisboog neer te halen. Wie hem naar beneden schiet, mag de glinsterende bol houden.
Zo gezegd zo gedaan. De avond voor de jaarmarkt, midden de zomer, als de marskramers en stuntenmakers van heinde en ver de staten van Lauwe vullen, ligt de bol al te flikkeren op de kerktoren. Drie onbevreesde schutters hebben zich bij de burgemeester aangemeld voor de prijsschieting: een dronkaard uit het zuiden van het dorp, een burger die naast de kerk woont en een paapse herenboer uit Wevelgem. Alle drie zijn ze er vast van overtuigd de kostbare bol mee naar huis te nemen en ze zijn niet bevreesd als ze horen over de dreigementen van de heks.
Maar die avond, als Blancke zijn wagen vult met spullen die hij op de jaarmarkt wil verkopen, staat Mallo plots voor hem. Haar gele tanden vallen haast uit haar mond en haar neus lijkt krommer dan de boog van de poort van de Guldenbergabdij. 
- ‘Je hebt niet naar mij geluisterd’, sist de heks. ‘Ik zei dat je zelf voor de bol moest zorgen. Je hebt je lot in eigen handen genomen en zal hiervoor gestraft worden.’
Blancke wordt er draaierig van en plots begint alles om hem heen te duizelen. In een flits weet hij dat hij de heks heeft uitgedaagd en dat zij hem hiervoor vreselijk zal straffen.
Die nacht als de duisternis over het dorp is gevallen, klimt Blancke met knikkende knieën naar de torenspits. Alleen als hij de bol terugsteelt en hem voor altijd bij zich verborgen houdt, kan hij de duivelse toorn misschien nog ontlopen. 
Zonder dat iemand in het slapende dorp hem opmerkt, gaat Blancke ervandoor. Hij kan niet meer terug naar zijn barak bij de Leie, want daar zullen de woedende dorpelingen ‘s morgens de gestolen bol komen zoeken. Hij vlucht door de stille straten en over het rijpe maïsveld, de bal krampachtig onder zijn armen verborgen. Maar middenin het veld botst hij op de heks Mallo, die hem bruusk tot stilstand brengt.
- ‘Het is te laat, Blancke. Acht keer heb je mijn vermaan genegeerd en dan heb je de bol laffelijk weggeschonken. Niets kan je fout nog goedmaken. Hier in het maïsveld zullen jij en je bol verdwijnen. Voor eeuwen zal je hier naamloos rusten en pas als de duivelse toorn van je afvalt, zul je weer het levenslicht zien en als een verdwaalde geest door het dorp dwalen. Vaart wel, Blancke!’
De gele tanden en de scheve neus zijn het laatste wat de arme Blancke in zijn aardse leven ziet.
En zo komt het dat over het dorp Lauwe een eeuwenlange burenruzie is neergestreken. De volgende dag bij het ontwaken gaven de drie groepen rond de deelnemers aan de wedstrijd elkaar de schuld van de gestolen bol. ’s Avonds tijdens de jaarmarkt rolden woestelingen uit de drie bendes in het licht van de vuurspuwers vechtend over de straat terwijl de heks Mallo hen vanaf de kerktoren grijnzend in de gaten hield. 
Tussen die van de statie en die van de platse en tussen die van Wevelgem en die van Lauwe is het nooit meer goed gekomen.

http://www.youtube.com/watch?v=BW3gKKiTvjs


zaterdag 20 oktober 2012

De bib beu

Vandaag begint de Bibliotheekweek met in elke bibliotheek een verwendag. De gekste dingen gebeuren dan in je plaatselijke bibliotheek.
Enkele jaren geleden nam ik samen met Marc De Bel en Brigitte Minne deel aan een schrijfproject in een Oost-Vlaamse bibliotheek. We schreven samen met de leerlingen het begin van een bibliotheekverhaal en toen we weer weg waren, was het aan de leerlingen om de knoop te ontwarren.
Dit was mijn begin voor de leerlingen van de tweede graad...
Oh ja, je dacht toch niet dat ík de bib beu was? Niet hoor, lang leve de bib!

Met een grote zwaai zwiert Robrecht zijn fiets tegen de muur. Net op het moment waarop de klok van de kerk negen uur slaat.
Gerda van de bib staat hem bij de deur op te wachten.
‘Dag Robrecht,’ zegt ze vriendelijk.
Hij schrik. Kent ze dan echt van alle mensen die naar de bib komen hun naam? Of hebben ze in de bib een geheime computer waarin van alle bezoekers een foto te vinden is? Zou best wel kunnen, tegenwoordig kun je alles vinden op computers!
‘Je bent er vroeg bij. Of kon je niet langer wachten om je door ons te laten verwennen?’
Robrecht begrijpt er niets van.
‘Euh, ja…’ prevelt hij. ‘Ik kom eigenlijk gewoon internetten. Als ik niet vroeg genoeg kom, is er geen pc meer vrij…’
‘Zozo…’ fluistert Gerda geheimzinnig. ‘Dat zou vandaag dan wel eens kunnen tegenvallen hoor, jongen… Het is verwendag hé! Ik denk niet dat je straks nog veel zin zal hebben om te surfen. Je zal wel iets anders om handen hebben…’
Verwendag… Hij had er iets van gelezen in de gemeentekrant en er was een affiche in de refter op school. ‘Verdwaal in de bib en beleef een superspannend avontuur’, stond er. Maar hij had er verder geen aandacht aan besteed.
In een flits denkt hij aan Ellen. Wat was die gisteren kwaad op hem geweest! Alleen maar omdat hij geen berichtje had gestuurd wanneer hij aan het zwembad zou staan. Tja, een vriendinnetje hebben kan wel eens lastig zijn. Misschien moet hij haar deze namiddag eens verwennen. Of hij kan haar vragen om naar de bib te komen, hoeft hij dan zelf niets voor haar te bedenken!
‘Roembaderum!’
Robrechts hart staat stil. Een tovenaar die zo uit een Harry Potter-film is geplukt, staat vlak voor hem. Hij kijkt hem recht in de ogen zonder verder iets te zeggen.
Dan verschijnt zijn hand vanachter zijn rug. Hij reikt Robrecht een glas met een dampend drankje aan.
‘Dank je…’ zegt Robrecht.
De tovenaar kijkt van hem weg en zijn vurige ogen gaan op zoek naar een andere bezoeker.
Verbouwereerd loert Robrecht de bib binnen. Nog zo vroeg en al zo veel volk! Rond de balie staan wel tien mensen bij een tafel met koffie, fruitsap en croissants. Had hij dat geweten! Thuis had hij heel snel een snee brood uit de zak van gisteren genomen. Hard en vreselijk van smaak.
Vanachter de balie klinkt muziek en hij hoort gelach en gejuich weerklinken vanaf het balkon.
Naast hem staan Ann en Hans van de bibliotheek. Ze kijken tevreden om zich heen. De verwendag verloopt blijkbaar naar wens!
Opeens is er luid gestommel in de jeugdbibliotheek. Mannen roepen, vrouwen gillen, kinderen schreeuwen.
‘Nee, wij willen en zullen hier niet langer blijven’, klinkt een norse stem.
Robrecht loopt Ann en Hans achterna in de richting van het tumult.
Met een schok blijven ze staan.
Op het hoogste rek staat een boek. Blinker en de bakfietsbioscoopEn… het praat!
‘De boeken hebben mij vannacht gevraagd om jullie in naam van alle bibboeken mee te delen dat wij de bib beu zijn! We zijn het beu om elke dag opnieuw door tientallen handen te worden vastgenomen. En daarna altijd weer op de verkeerde plaats te worden teruggeplaatst. Gisteren nog plaatste iemand mij bij de boeken over gifslangen! We zijn het ook beu om meegenomen te worden door slordige lezers die ons vervoeren tussen de snelbinders van hun fiets en ons laten rondslingeren op de gekste plaatsen van de vreemdste huizen…’
Blinker en de bakfietsbioscoop zwijgt even.
‘Vorige week las een jongen Kobe en de salamimannen op het toilet! En een meisje las Sjakie en de chocoladefabriek terwijl ze in bad zat! Sammie Stokvis kwam terug in de bib vol kreuken en ezelsoren en op bladzijde 45 van Het dolfijnenkind heeft iemand in rode letters ‘ZOT’ geschreven. Schande!’
Hier en daar beginnen boeken in de rekken te trillen. Ze mompelen allerlei klachten. De mensen in de bib zijn doodstil. Niemand begrijpt wat er gebeurt.
‘Mijn rug is gekreukt omdat een engerd mij ’s avonds onder zijn nachtkussen legt,’ roept De Grote Vriendelijke Reus. Robrecht had het boek nog nooit kwaad gezien.
Het regent boekenklachten. Tot Blinker en de bakfietsbioscoop in zijn bladzijden klapt.
‘Wij boeken zijn de bib beu’, roept  het dikke boek luid.
Robrecht luistert zijn oren uit. Plots leunt Ann, de bibliothecaresse, op zijn schouder.
‘Sorry, zegt ze, ‘dit wordt me even teveel…’
Van overal klinkt nu geroep uit de rekken.
‘Wij boeken zijn de bib beu! Wij boeken zijn de bib beu!’
Sommige mensen vluchten de bib uit. Nee, op de verwendag gebeurt van alles in de bib, maar dit gaat te ver. 
Robrecht zoekt de tovenaar. Hij schrikt. Die heeft zijn pak uitgetrokken en stopt het haastig in zijn verkleedkoffer. Hij ziet lijkbleek.
Nee, dit is geen bibactiviteit! Dit is bittere ernst! De boeken zijn de bib echt beu!
Ook Ann van de bib is nu helemaal over haar toeren.
‘Hans, wat moeten we doen? Moeten we de politie bellen? De agenten moeten de boeken oppakken! Voor ze er vandoor kunnen gaan..’
Hans lacht.
‘Ann toch, maak je geen zorgen. Dit is toch ongelooflijk grappig? Nog spannender dan het spannendste boek uit de bib! Kijk, moet je de Harry Potters zien tekeer gaan! Haha!!!’
Maar Robrecht vindt dit helemaal niet grappig. Het is tijd voor actie! Dit is het moment waarop ze met de Geheime Klusclub al zolang wachten. Een echt mysterie oplossen! Want de boeken moeten koste wat het kost in de bibliotheek blijven! 
Robrecht  neemt zijn gsm en tikt het afgesproken nummer…

Wat een liedje deze keer... Ik heb er nog op gedanst...
http://www.youtube.com/watch?v=ovwXM_Qg52g