Pagina's

zaterdag 21 april 2012

Wie zal Donnis zijn?

De laatste auteurslezingen van dit seizoen komen er weer aan. VTI Ieper en Onze-Lieve-Vrouwecollege Oostende heb ik nog te goed (of zij mij) en dan verdwijnen Donnis, Aloïs, Jens en Wout weer voor enkele maanden in mijn lezingentas. Volgend jaar komen ze wel weer naar boven, wellicht samen met een nieuw hoofdpersonage en dat zal voor het eerst een meisje zijn. Het werd tijd!

Ik doe het graag, die lezingen.
In een vorig leven was ik leraar Nederlands en een dagje voor de klas is altijd een beetje thuiskomen. Ik krijg het vaak te horen van organisatoren: 'Je komt zeker uit het onderwijs?' Dat merken ze aan de opbouw van mijn lezingen. Een auteurslezing met Koen D'haene is geen theateruurtje, ik heb geen gitaar bij, ik zing niet. Ik vertel wat me drijft als schrijver en elke vraag van een leerling wordt schijnbaar improvisatorisch beantwoord met een of ander aspect van het schrijverschap. Improvisatie? Vergeet het, elke lezing komt op hetzelfde neer, net zoals pakweg Wouter Deprez en Kader Abdolah altijd hetzelfde vertellen. Denk maar niet dat ze het exclusief voor jou doen, als je hen hoort of ziet!

Nog iets waarom die lezingen voor mij zo boeiend zijn. Ik kom vaak in bibliotheken en dan ben ik dus te gast bij collega's. Altijd leuk en ze maken geen bezwaar als ik wat spiek of hen uithoor. Hoe zij het doen in de bibliotheek. Hebben zij een leesclub en welke boeken lezen ze dit jaar? Wat doen ze tijdens de Jeugdboekenweek of de Bibliotheekweek? Hoe stellen ze hun prentenboeken op? Welke auteurs nodigen zij verder nog uit? Hebben ze een zelfuitleenbalie? Hoe compenseren zij hun overuren? Worden ze op zondag dubbel betaald? Ik leer dus heel veel bij, al ben ik altijd in vakantiestemming als ik lezingen geef. Kom ik in een middelbare school, dan loop ik wel eens een oud-medestudent tegen het lijf. 'Weet je nog, die jaren in Brussel?' En soms, heel soms, een ex-lief. Dát doet raar hoor!

Lezingen doe je voor het contact met de lezers, luidt het officieel. Elke auteur zegt dat en het is ook wel een beetje zo natuurlijk. Schrijven is een eenzame bezigheid en die lezingen geven je de kans om over je personages te praten met zij die het boek hebben gelezen of (misschien wel) zullen lezen. 
Tja, ook dit klopt weer voor een deel. Ik zit lang niet elke minuut van de dag aan mijn bureau - al schrijf ik 24 uur per dag, dat is even uitleggen aan de jonge lezers. Maar zo eenzaam ben ik dus niet. Bibliotheekwerk is een sociaal beroep en ik heb een stamcafé.

Net zoals de personages me ontglippen van zodra het boek er is, geef ik ook veel over hen prijs als ik er met lezers over praat. Soms met tegenzin, want ze zijn van mij. Ze verheffen schrijven net tot een heel sociale bezigheid. Eenmaal ik helemaal in mijn eigen verhaal zit, worden mijn personages echte vrienden.
Hoezo, schrijven is eenzaam? Elke regel die ik schrijf gaat over mensen van vlees en bloed. Ik liep met Donnis door de Bronx en zocht samen met Peter naar een manier om hem uit de rotzooi te halen. Ik was vlaswerker, immigrant, frontsoldaat en tunnelbouwer met Aloïs. Ik ergerde me net als Jens aan de pestkoppen op zijn school en was met zijn Hella op het strandje naast de rivier (wie Valsspeler las, weet hoe leuk het daar werd). En ik was even benieuwd als Wout naar de tragedie die zich had afgespeeld op het mysterieuze eiland Terschelling. Nog een geluk dat hij het mij vertelde zodat ik het kon opschrijven. In die volgorde. 
Sorry voor wie nu hoopt dat ik vertel wat mijn nieuwe vrouwelijke hoofdpersonage zal overkomen. Wait now, read later. Ik hou de lippen stijf. Alleen jongeren krijgen het te horen als ik tijdens een lezing vertel waarover mijn volgende boek zal gaan. En wat de titel is. Lees wat ik over die schrijversvragen vertelde in mijn eerste blog.

Een altijd terugkerende vraag tijdens lezingen in scholen en bibliotheken, is: 'Meneer, zou je graag hebben dat er een boek van jou wordt verfilmd?' Je kan niet denken hoe graag! Helaas, ik ben J.K. Rowling, Henning Mankell of Dirk Bracke niet. Maar de komende weken kom ik dicht in de buurt. De hel in New York en De oversteek komen op de planken. Het maakt me erg benieuwd. Hoe zullen Donnis, Peter en Aloïs er uit zien? Veel kans dat ik hun gezicht ken, want het zijn acteurs uit de buurt.
Mijn personages ben ik kwijt, mijn vrienden zijn gaan lopen. Best dat mijn ex-lief tot hiertoe niet opdook in mijn boeken.


'Bloemspeling', theater en dans gebaseerd op 'De hel in New York' en 'De oversteek', wordt opgevoerd op vrijdag 27 april en maandag 30 april in OC De Stekke Moorsele en op woensdag 16 mei in CC Guldenberg Wevelgem.

http://www.youtube.com/watch?v=Q7gBPBBZHw4


donderdag 29 maart 2012

Daar zijn de voorjaarsmannen!

Een lome zaterdagmorgen in de bibliotheek. Volop zon, maar haar warmte is nog pril en fris. Toch is er weinig volk tussen de rekken, het eerste zomergevoel houdt mensen buiten. Maar de lente doet haar intrede en dit onder de vorm van de eerste voorjaarsmannen: jonge vaders en stoere veertigers die hun doordeweekse werkplunje of strakke bediendepak vervangen door een ergerlijk korte broek van zodra ze ook maar één straaltje zon ontwaren. Met een afgesneden jeansbroek uit Easy Rider, een wijde short uit de familie Flodder (denk ik dan) of een rennersbroek uit de Decathlon verwelkomen ze op hun eigen manier een nieuwe lente.

Elke haalt me uit mijn opkomende ergernis.
- ‘Hoi, lang geleden hé!’
Ik ben blij haar te zien. Het is inderdaad een tijd geleden, ze heeft het druk en naar haar zin op haar nieuwe werk en de drang naar een sollicitatiegids of een goede roman is niet groot dan. 
- ‘Ha, hallo….’
Ik weet even niet wat zeggen en dan kom je automatisch tot…
- ‘Mooi weer hé!’
Ze lacht en voelt de onhandigheid om een babbel te beginnen ook aan. We staan elkaar even sprakeloos aan te staren. God, wat was het makkelijk als ze geen werk had! Toen ze kon vertellen over haar zoektocht naar een job en ik haar moed en tips gaf. We raakten maar niet  uitgepraat toen.
- ‘Ja, mooi weer…’ mompelt ze. 
Ze vindt als eerste haar speelsheid terug.
- ‘Misschien moet je me maar eens uitnodigen voor een barbecue bij je thuis?’
Neen! Heel even stort mijn wereld in.
Tu quoque, mi filia! In één snelle zinsnede brengt ze me in het gezelschap van de voorjaarsmannen. De mannen in korte broek die allemaal gek zijn van de barbecue. 

Het is onvermijdelijk: de komende weken zal ik hen niet kunnen ontwijken. Ik zal er overal mee geconfronteerd worden. Niet alleen in de bibliotheek, maar ook in winkels, op café, aan de schoolpoorten, in stations en banken, in het cultuurcentrum. Een collega bij een andere dienst klaagde dat ze nu ook al opduiken tijdens de diensturen, zelfs als ze die dag moeten aanschuiven voor een (min of meer) belangrijke vergadering. Geen gêne, geen beroepsernst. Ik pleit voor een dresscode voor mannen op het werk. Ooit werd bij ons een jonge vrouw aangesproken omdat haar decolleté te diep was, maar mannen met korte broeken mogen stilaan ongehinderd de werkvloer terroriseren.
Als de temperatuur niet te hoog is (ik stel een minimumtemperatuur van 32 graden voorop), er geen sportieve ambitie schuilgaat (wie jogt, loopt of fietst mag dat in korte broek doen - tijdens het sporten uiteraard) of als je niet in een staat van jaarlijks verlof verkeert (dat is een periode van minimum drie weken), is een korte broek not done
Ook en vooral op café. Was ik kroegbaas, dan weigerde ik alcoholische dranken aan mannen in korte broek. Net als de andere (echte) min-zestienjarigen, kregen ze van mij enkel frisdrank of chocolademelk. Of een zak chips. In de bibliotheek kregen ze prompt gratis lidmaatschap, maar dan zouden ze ook geen boeken uit de volwassenenafdeling mogen kiezen. Enkel toegang tot de jeugdafdeling en als ze cd’s of films wensen te ontlenen, dan moeten ze het met K3 en Harry Potter doen (wat ze overigens best fijn zouden vinden, die voorjaarsmannen). Gaan ze naar het cultuurcentrum, dan kregen ze jongerenkorting en als ze met drie zijn, mocht er één gratis binnen. Op de trein mogen ze dan voor mijn part reizen met de Go-pass, maar dan moeten ze indien nodig wel zonder morren hun plaats afstaan als een leeftijdsgenoot met lange broek opstapt.

Ik kan me perfect inbeelden hoe een prille lentezaterdag van een voorjaarsman eruitziet.
Eerst gaan ze met de kids (zo noemen ze hun kinderen, zodat ze die van zichzelf kunnen onderscheiden) naar de bib (klinkt zoveel leuker dan bibliotheek!) en daarna naar de supermarkt (laat niemand hen op het woord suppie brengen!)
Weer thuis gaan ze hun auto wassen. Als je te oud bent geworden om met de autootjes (lees: matchbokskes) te spelen, kun je dit gedeeltelijk compenseren door elke zaterdagmorgen je voertuig een wasbeurt te geven. Met veel schuim en een hogedrukreiniger, het maakt het speelplezier nog veel groter. Op de achtergrond (voorgrond voor de passanten en buurtbewoners) schalt luide muziek uit de homemuziekinstallatie van de auto, bij voorkeur gebracht door kabouters of drie elfen, zodat de kids kunnen meezingen terwijl ze de velgen van de wielen onderzepen.
In de namiddag is het tijd om alles in gereedheid te brengen voor de barbecue (BBQ dus). Met vuur spelen: de ultieme droom van alle kinderen, die evenwel pas werkelijkheid wordt als je 18+ bent. Dat vuurspelen brengt de voorjaarsmannen ook terug bij des mensen oerinstinct: als een oude Belg hompen vlees bakken en roosteren op het open vuur. Alleen het zelf jagen op wilde beesten zit er niet meer in: de worsten op de rooster komen van de suppie en voor de kids zijn er malse kaasworstjes en stukjes hondenvlees (dat vermoed ik toch als ik een voorjaarsman bij de slager naar dat soort worst hoor vragen). Tijdens het roosteren drinken de voorjaarsmannen heel veel bier, niet uit een glas, zelden uit de fles, meestal uit een blikje: cola uit de Leie voor de kids en pils van de Keizer voor de daddies.
Neen, een voorjaarsman ben ik niet. Geef mij op een warme avond maar een Franse kaasschotel met een glas even Franse rode wijn. Geen gedoe met houtskool of kokoscokes. En dankzij mijn lange broek kan ik tot laat in de avond genieten van mijn terras en van mijn boek.

Dat is wat allemaal door mijn hoofd flitst als Elke zichzelf uitnodigt voor een barbecue bij mij thuis. Maar dat zeg ik haar niet.
- ‘Oké, leuk idee! Kom maar af. Maar… mag het ook een kaasschotel zijn?’
Ze kijkt wat vreemd, een glimlach om haar lippen.
- ‘Heel graag! Eigenlijk hou ik niet zo van dat vette en meestal zwartgeblakerde vlees. Kaas is goed, maar dan wil ik er wel een Frans wijntje bij…’
De hemel klaart stilaan helemaal op.
- ‘Natuurlijk, ik heb wel wat wijn in voorraad en voor jou kies ik met de grootste zorg een uitstekende fles…’
- ‘Fijn! Dan laat ik mijn short thuis en trek ik voor jou mijn leukste zomerjurkje aan….’
Ik wist het! Ik wist het!

vrijdag 16 maart 2012

Boemballen


Dag Eva,

We gaan zo’n steentje laten maken en het in het portaal van de kerk plaatsen. 'Vanwege de vrienden van het Kotje'. Je zal er ongetwijfeld erg blij mee zijn. Denk ik toch?
Zo’n steentje maken ze van graniet en dat krijg je erg moeilijk stuk. Het is een beetje onsterfelijk en dat mag ook wel. Een stenen herinnering aan een periode in je leven waarin je echt gelukkig moet geweest zijn. Toen alles zo vreugdevol en zorgeloos begon.
Het Kotje bestaat al heel lang niet meer en het is er ook maar heel kort geweest. Maar God, wat beleefden we een mooie tijd daar in en rond dat vervallen krot op de koer van je vaders koekjesfabriek! Hij vond ons wellicht maar een zootje ongeregeld, maar hij liet ons betijen, want jij was zijn oogappel. Toen je trouwde gaf hij je een huis in geschenkverpakking. Van ons kreeg je een varken in een houten kist.
Het Kotje doofde stilaan uit, er kwamen kinderen. Weet je nog de communiefeesten in de tent in jullie tuin? Amai!
Maar je leven ging niet over rozen en het geluk ontglipte je steeds meer. Letterlijk en figuurlijk, want je kwam steeds minder op plaatsen waar het prettig vertoeven was. De tuin werd stil, het huis duister. Het lukte je niet meer in het licht te komen. Geen mens die het begreep.
Je kwam vaak bij ons langs, soms te vaak, maar altijd welkom. 'Mijn zorgenzusje', zei Elsy, maar je werd een goede vriendin. Zoekend naar wat geluk kon je om kleine domme dingen lachen. Zoals tijdens jullie hilarische zoektocht naar levende duiven voor het verjaardagsfeest. En hoe kon je genieten van de kop koffie die we samen dronken! Met die smakeloze koeken die je meebracht. Ik wou er niet van eten en hoe meer ik dat zei, hoe meer je aandrong. De namiddag voor die nacht stond je nog aan mijn werkkamer en ik beloofde om naar de keuken te komen voor die kop koffie. Maar ik bleef werken en kwam niet, de koffie dronk ik pas toen je al naar huis was. Je liet zo’n smakeloze koek voor me achter. Voor als ik eens tijd had. 
Hij ligt nog steeds onaangeroerd op het aanrecht. 
Misschien zal dit je ook wel blij maken nu. Deze zomer trouwt je Tom. Hoe zag je daar naar uit! Tijdens het feest zal ik even met hem boemballen. Net zoals ik met hem voetbalde toen hij bij ons in de papschool zat. Het is beloofd!
Bye Eva, het ga je goed. We zullen je missen.

http://www.youtube.com/watch?v=m6PLeiFWsBE

dinsdag 13 maart 2012

Writer's blad

Nog drie weken en dan heb ik weer tijd.
Dan is nummer 269 van het tijdschrift kant-en-klaar bij de drukker, is deel 5 van het schrijverslexicon nagelezen en goed voor druk, zijn de lezingen in scholen en bibliotheken achter de rug, is het ook in de bibliotheekschool vakantie, ben ik af van al dat werkverlof en kan ik weer fulltime aan de slag in de bib. Oef!

Het vooruitzicht op zoveel tijd en rust maakt me bang. Kan ik er nog wel mee om? In de bib aankomen en na het lijstje met de need-to-do’s ook dat met de nice-to-do’s aanpakken. En dan thuiskomen en niet in puntjes moeten denken: 1 eten, 2 snel wat boodschappen, 3 werken aan het tijdschrift, 4 les voorbereiden, 5 toespraak uitschrijven, 6 proefdruk corrigeren, 7 wat lezen in het boek voor de leesclub, 8 vroeg genoeg gaan slapen want 9 morgen weer vroeg dag.

Misschien werd ik wel verslaafd aan deadlines…! 
Wat als niemand mij-de-schrijver nog verwacht in een school of een bibliotheek? Als geen drukker nog op mijn sein wacht om zijn drukpersen te starten? Als geen cursist nog op me wacht in een leeg leslokaal? Als ik thuis en in de bib niet voortdurend de feiten achterna hol? Als ik mezelf niet vervloek als ik een hele namiddag in de krant of in een boek blijf lezen? Als ik het zelfs niet erg meer vind als ik naar een rit in de Tirreno-Adriatico of - God beware me - een match in de Jupiler League blijf kijken? Als ik niet de tijd neem om ter ontspanning veertig kilometer te gaan fietsen maar schaamteloos zondig tegen de tijd en maar liefst zestig kilometer op de fiets blijf zitten? Als ik na de tweewekelijkse filmvoorstelling niet het vertrouwde afsluitende biertje, maar ergerlijk overdadig drie à vier biertjes blijf drinken? Wat dan, wat dan?

Elke lacht als ik over mijn onrust praat.
- 'Laat een pagina op je blog wit,' zegt ze droog.
Het klinkt weer zo makkelijk. 
- 'Leest dat niet vreselijk inspiratieloos?' opper ik.' Ik ben schrijver, weet je wel…'
Ze lacht.
- 'Net daarom!'
Ze trekt aan haar sigaret, blaast de rook traag langs haar neus, haar ogen, haar voorhoofd. Nipt even zuinig aan haar wijn en kijkt me afwachtend aan.
Ze was er lange tijd niet, ineens kreeg ook zij het erg druk. Gedaan met werk zoeken. Arbeiten nu, en daar is ze o zo blij om. En ik voor haar. Maar ze moet niet vergeten om me af en toe zo spits te inspireren.
Want natuurlijk heeft ze gelijk. Wat kan ik mij beter toewensen dan een wit blad? Geen takenlijstje, geen opdrachtenblad, geen lesvoorbereiding, geen proefdruk, geen lezingenformulier. Maar een wit blad.
Een writer’s blad. Nog drie weken en ik schrijf het helemaal vol. 

maandag 27 februari 2012

Nakende de vijftig

Op zondag 26 februari was er in Cultuurcentrum Guldenberg een viering n.a.v. vijftig jaar Culturele Raad Wevelgem. Acht verdienstelijke Wevelgemnaren kregen de prijs voor cultuurverdienste.
De organisatoren vroegen mij een feestrede te houden en ik ging graag op hun vraag in.
Ik wandelde door mijn leven en bracht een kleine ode aan enkele iconen van de Wevelgemse cultuur. Namen noem ik niet in de tekst, maar wie goed leest herkent zeker 15 vooraanstaande Wevelgemnaren. 
En een Tsjechisch mannenkoor.

Hieronder de tekst van mijn toespraak. Die duurde 15 minuten, het is dus ook een erg lang blogbericht... ;-)

Dames en heren,

Twee weken geleden, op 14 februari, liefdevoller kan het niet, was het mijn verjaardag. Ik werd 48 jaar, een leeftijd die in mijn vriendenkring wordt gekarakteriseerd als ‘nakende de vijftig’, een typering die helemaal anders klinkt als je ze op haar Wevelgems uitspreekt. Het zal je niet verbazen dat in diezelfde vriendenkring een tijd van feesten is aangebroken. Met een zekere regelmaat vertoef ik dezer maanden en jaren op een verjaardagsfeest van weer iemand die zijn of haar halve eeuw wenst te vieren. Wij, die van nakende de vijftig, spreken dan ons medelijden uit met de oud geworden vriend of vriendin, die zich dan op zijn of haar beurt verkneukelt om ons snotneuzenschap.
In mijn leven is de culturele raad er dus altijd geweest. En als ik er de voorbije weken over nadacht, kwam ik tot het inzicht dat hij er ook altijd écht is geweest. De culturele raad van Wevelgem maakt deel uit van mijn leven, zonder dat ik er ooit echt lid van ben geweest. Op een korte periode na, want je kan mijn naam terugvinden op enkele verslagen uit de jaren negentig, toen ik als onafhankelijke aan de ledenlijst was toegevoegd. 

Je ontmoet wel eens mensen die bedenkelijk het hoofd schudden als je vertelt over de culturele raad. Ze associëren zo’n raad met folkloristische dorpspolitiek. Cultuur onder de kerktoren. Misschien is dat ook wel zo. Als wij in Wevelgem 17 woorden op een geel geschilderde deur schrijven, noemen wij dat een ‘gele haiku’. Als we het stelen van een fiets op zo’n olijk versierde deur niet bestempelen als vandalisme, maar als kunstroof, dan kunnen we niet ontkennen dat we een beetje last hebben van zelfoverschatting. Zo wordt een evenementenhal die veel weg heeft van een bedrijfsloods, bij ons een Porseleinhal genoemd.
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de schepen, beste bestuursleden, wees gerust. Beschouw het voorgaande als grappig opwarmertje. Als ik zeg dat de culturele raad er voor mij altijd geweest is, ben ik daar vooral blij om. Als hij er niet was geweest, zou men hem hebben uitgevonden. Wat in veel gemeenten overigens het geval is geweest: het decreet op het lokaal en geïntegreerd cultuurbeleid van 2002 verplichtte de Vlaamse gemeenten om culturele adviesorganen op te richten. Bij ons in Wevelgem werkten we al veertig jaar conform de nieuwe regelgeving.

Beste aanwezigen, in wat volgt wandel ik even door mijn persoonlijk lokaal cultureel leven en bots ik op monumenten van de jarige culturele raad. Namen zal ik niet noemen, maar zoals het ook bij een goede sleutelroman het geval is, zal de luisteraar weinig moeite hebben om de juiste man of vrouw op de juiste plaats te zetten. Je herkent hen wel. Deze korte tekst is een kleine hommage aan enkele pioniers, sterkhouders of bezielers van het cultureel leven en/of de culturele raad Wevelgem. Zie er zeker geen vingerwijzing in naar wie straks met de prijzen voor cultuurverdienste gaat lopen. Toen schepen Lobke Maes me vroeg om deze inleiding te verzorgen, heb ik haar nog voor ik toehapte meteen gezegd dat ik niet wou weten wie de prijzen zou krijgen. Het zou mijn tekst onvermijdelijk beïnvloed hebben.

De culturele raad was er al heel vroeg. Als kind las ik elke maand heel trouw de culturele kalender, dat blaadje met het rare formaat dat zomaar bij mijn ouders in de bus viel en dat vol aankondigingen van vreemde activiteiten van al even vreemde verenigingen stond. Stel je nu geen bijzondere dingen voor bij het voorgaande: ik las alles als kind. In die zin had die culturele kalender evenveel aantrekkingskracht als het etiket op het botervlootje bij het ontbijt of dat op de confituurpot bij het vieruurtje.

Je mag niet oordelen over het verleden met kennis van het heden, maar het vijfde leerjaar van de gemeentelijke jongensschool zat in 1974 tjokvol lokaal cultureel talent. We zaten bij een beer van een onderwijzer die handen als schoppen had en na schooltijd iets deed met toneel en cultuur. In ons leerjaar zaten onder meer een toekomstig heemkundig voorzitter, een cultuurbeleidscoördinator ad interim en een Vlaams dichter en poëzierecensent. Wisten zij, en wist ik zelf, dat zij ook nog met een toekomstig jeugdauteur opgescheept zaten!

Een eerste bewuste kennismaking met denken over lokaal cultuurbeleid kreeg ik als leerling van het Sint-Pauluscollege. Een leraar Nederlands gaf een vurig pleidooi voor de bouw van een nieuwe bibliotheek in het park. Wandelen in het park en een boek lezen in de schaduw van de bomen of op een bank in de zon. Kuieren in de bib en door de vele ramen uitzien over het prachtige park. Het zou helemaal goed worden als er in dat park een plaats zou zijn waar muziekgroepjes de bezoekers zouden verwelkomen en vergasten op een concert. Middenin het park moest een kiosk komen, zei de leraar. Ik was benieuwd hoe zo’n kiosk er zou kunnen uitzien. En eigenlijk ben ik dat nog altijd. Een kiosk, hoe verzon hij het!
Maar ik was het idee van een bibliotheek in het midden van een park wel genegen en ik was vooral jaloers op die bibliotheekmedewerkers die niet alleen tussen de boeken, maar ook nog tussen de bomen zouden kunnen werken. De gelukzakken!
Ik zat op school in Kortrijk toen de Wevelgemse schooljeugd de bibliotheekboeken van de Hoogstaat naar het park hielp verhuizen. Een immense klus, naar het schijnt. Ik ben blij dat zo’n wissel van de ene bibliotheek naar de andere aan mij is voorbijgegaan.

De leraar Nederlands moet me erg beïnvloed hebben, want enkele jaren later trok ik naar het Sint-Thomasinsituut in Brussel om zelf zo’n leraar te worden. De lessen literatuur boeiden mij veruit het meest. We kregen les van professor Hugo Bousset die ons de liefde voor de schone letteren op onnavolgbare wijze en met een beroemde baritonstem bijbracht. En hoe we die liefde moesten overbrengen op jonge mensen. Tijdens een stageles in een school in Groot-Bijgaarden moest ik aan de slag met een heel mooi gedicht. ‘Rendez-vous’, heette het en het ging over verstikking in een maatschappij vol verbods- en gebodstekens. Later kocht ik in De Plukvogel, de roemrijke Brusselse boekhandel, een hele bundel vol poëzie van de dichter van ‘Rendez-vous’. 
Twee jaar later werkte ik even in het Sint-Pauluscollege in Moorsele en ik kwam al snel met het gedicht en de bijhorende les op de proppen. Bij een eerste lectuur van het gedicht werd ik nogal bruusk onderbroken door twee leerlingen, broer en zus, die zeiden dat het voorgelezen gedicht van hun vader was. Han en Soetkin natuurlijk, het waren niet de braafste maar misschien wel de grappigste en meest fijnzinnige leerlingen van de klas. Ik gaf ze maar net geen straf en dat was maar goed ook, want gelijk hadden ze, zo bleek algauw. Die dichter die in alle schoolhandboeken en didactische gidsen was opgenomen, woonde onder de Moorseelse kerktoren. Vergeet maar wat ik daarstraks zei over cultuur onder de kerktoren.

De literatuur had me erg te pakken toen ik terugkwam van mijn leerschool in de Brusselse Marollenwijk. Als neo-neerlandicus wilde ik de vakliteratuur en de letteren op de voet blijven volgen. Hugo Bousset zou me niet blijven bij de hand houden, nu moest ik het alleen zien klaar te spelen. Een deel van mijn eerste loon – 16.000 frank gestort op de voor onderwijsmensen obligate postchequerekening – zou ik spenderen aan een abonnement op een eerbiedwaardig literair tijdschrift. Toen was er nog keuze zat en ik dacht er lang over na welk tijdschrift het zou worden. Dietsche Warande en Belfort? Ons Erfdeel? Revolver? Yang? Ik onderwierp ze in de bibliotheek, tussen de bomen en de boeken, aan een streng onderzoek en uiteindelijk viel mijn keuze op het literair en kunstkritisch tijdschrift Kreatief. Het zag er het mooiste uit met covers van bekende ontwerpers en artikelen die mij het meeste konden boeien. Ik ging op zoek naar het redactieadres van het tijdschrift en tot mijn grote verrassing leidde die zoektocht me naar de Groeningestraat in Wevelgem. De hoofdredacteur van dat tijdschrift dat me de weg toonde naar boeken en culturen van over de hele wereld woonde in de schaduw van de kerktoren van de Wijnberg. Mijn verwondering was groot, maar die van de hoofdredacteur des te groter, zo bleek later. Je krijgt er als tijdschriftenuitgever niet zo makkelijk en spontaan nieuwe leden bij!

Maar je leeft niet van boeken alleen als je twintig jaar bent. Als ik niet las, vond je mij in die jaren nogal vaak in Jeugdclub Ten Goudberge. In die tijd, toen chiroleiders nog een zadel als hoofddeksel droegen, hadden we een nogal lyrische en creatieve vriendengroep die in het jeugdhuis een forum en een speeltuin vond. Ten Goudberge werd kundig geleid door een pv, een permanent verantwoordelijke. Ik kende de man als speler van de basketbalclub van dewelke ik vele jaren naar de thuismatchen ging kijken, de zondag tijdens de hoogmis. Met de volle steun van de pv organiseerden we fuiven, workshops, spreekbeurtenavonden en politieke debatten. Wat ik me van de man ook nog herinner, is zijn liefde voor vergaderen en overleggen en zijn talent om handig gebruik te maken van subsidiereglementen en decreten om het jeugdhuis vooruit te helpen. Maar hij was er even graag bij als bepaalde activiteiten niet tijdig konden afgerond worden en pas in het holst van de nacht tot volle wasdom kwamen. Bij gebrek aan een cultureel centrum moedigde hij ons aan om in de zaal concerten en optredens te organiseren. Het kruim van de Belgische pop- en rockmuziek kwam in de arena van Jeugdclub Ten Goudberge. Je moet het nu niet meer proberen, zegt mijn oudste zoon, die niet leest en dus nog meer dan ik destijds in het jeugdhuis vertoeft. Grote rockbands, zoals Steak Number Eight of SX, vind je nu alleen nog op de grote festivalweides of op rockconcerten in Londen of Düsseldorf. Of hun zanger of zangeres achter de tapkast van café De Polka in de Menenstraat.

Een uit de hand gelopen grap uit die tijd was de oprichting van een Tsjechisch Mannenkoor. Op de melodie van een lied uit de Vlaamse liederenkrans en met woorden uit titels van liedjes op een plaat met Tsjechische volksliederen bouwden we een repertoire van twee nummers op. Het hilarische koor werd gevraagd als applausmeester, opwarmer, curiositeit of afsluiter van feesten en braderieën. Wevelgem zond zijn zonen uit. Enkel radio-icoon Martin De Jonghe ving bot toen we hem weglachten als hij zei dat hij ons wou laten optreden voor de radio. Hij meende het, maar helaas voor hem wij ook. Voor wie zich bezighoudt met erfgoed: het Tsjechisch koor bestaat nog steeds en geeft binnenkort zijn negende comeback tijdens een schoolfestival in Menen. Op het podium vijftien mannen van nakende de 50 of nog ouder en onder hen de cafébaas van die Polka die in een vorig leven erg belangrijke dingen deed voor de gemeentelijke cultuur.

Wij waren verknocht aan ons jeugdhuis en gingen niet vaak weg vanonder de Wevelgemse kerktoren. De brug over naar Lauwe was een optie. Daar had je jeugdhuis ’t Beerke en we kenden er vele jongeren vanuit onze collegejaren. Maar de roemruchte zéro-huit uit de annalen van de voetbalgeschiedenis van de White Star en de Essevee bleek nog altijd niet doorgespoeld en in Lauwe waren we niet altijd even welkom. Naar Hullehem dan maar. Daar had je de groezelige kroeg ’t Kobbegat en daar viel altijd wel iets te beleven. Rare jongens, die kobbegatters. Ze dronken duister bier uit de fles en hadden geen geld om hun gat te verwarmen. Maar ze haalden wel Drs. P. naar hun café en jazzlegende Dana Gillespie naar hun tent onder de Gullegemse kerktoren. Anno 2012 leeft de geest van ’t Kobbegat nog steeds voort en verspreidt zich over heel Vlaanderen. Een opperkobbegatter werkt bij de redactie van Woestijnvis en verkondigt op woensdagavond weetjes voor de vogelliefhebber in De Laatste Show. Maar hij verzint ook vragen voor De Pappenheimers en zo verzeilde enkele maanden geleden een rubriek Hullehem in de zondagavondquiz. Een hilarisch eerbetoon van het redactielid aan zijn geboortedorp en aan de gemeente waar zijn moeder jarenlang erg belangrijke dingen deed voor de gemeentelijke cultuur.

Enkele jaren later diende zich een nieuw en passend uitgaanshok aan. We konden nu ook naar een echt cultureel centrum en we botsten er weer op die basketbalspeler die Ten Goudberge had geruild voor Guldenberg. Ik ging gretig in op het nieuwe cultuuraanbod en ik was ook een van de vijfenveertig aanwezigen toen op 25 oktober 1985 in het cultuurcentrum het Wevelgemse filmforum weer werd opgestart. De organisator liet de tegenvallende opkomst niet aan zijn hart komen. Hij ging voor het publiek staan en zei met schrapende stem dat de zaal binnen twintig jaar helemaal vol zou zitten. Een man die er prat op gaat dat hij de heilige Jo Röpcke ooit heeft verslagen in een filmquiz, mag je niet van enige overdrijving verdenken. Hij kreeg gelijk: we zijn 25 jaar later en in een tijd dat bioscoopzalen leeglopen, loopt het cultuurcentrum vol voor zijn films. En voor veel meer dan alleen maar zijn films overigens.

Maar stilaan werd het tijd dat ik mij ging settelen. Het onderwijs was in het begin van de jaren tachtig een knelpuntberoep: er was geen werk. Maar het stond in de sterren geschreven dat ik tussen die boeken en die bomen zou gaan werken. Ik schreef me in voor een cursus waarvan de titel me als muziek in de oren klonk: Leergangen tot het bekomen van de Akte van Bekwaamheid tot het houden van een door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde openbare bibliotheek. De lessen vonden plaats in de lokalen van de Provinciale hogeschool in Kortrijk. Het sneeuwde en vroor dat het kraakte op de dag van de eerste les. Toch stond ik ruim op tijd te wachten in de inkomhal van de school, samen met nog een vijftigtal cursisten die onwennig in een grote kring stonden. Het was muisstil, want niemand die wist wat er zou gebeuren. Iedereen die binnenkwam werd uitvoerig gemonsterd want het kon wel eens de lesgever zijn. Plots kwam een man binnen die ik goed kende van onder de Wevelgemse kerktoren. Hij stelde zich voor als de coördinator van de opleiding en verontschuldigde zich voor zijn laattijdigheid. Hij kwam anders nooit te laat zei hij, maar de hevige sneeuw op de weg tussen Wevelgem en Kortrijk maakte het onmogelijk om op tijd te komen.
Het duurde niet lang of ik kon aan de slag tussen de bomen en de boeken onder het gezag van de lesgever van de opleiding. Die bleek al snel veel meer dan alleen maar lesgever en bibliothecaris te zijn. Hij deed erg belangrijke dingen voor de gemeentelijke cultuur, maar toen in het begin van de jaren ’80 de Vlaamse bibliotheken aan de alarmbel trokken omdat aanhoudende besparingen hun werking in het gedrang brachten, stond de man op de barricaden en hij was de woordvoerder van de Vlaamse bibliotheeksector op het kabinet van minister van cultuur Karel Poma.

Beste aanwezigen, je schrijft niet over iets waar je zelf deel van uitmaakt. Van zodra ik ging werken in de bibliotheek, was ik voor eeuwig deel gaan uitmaken van het lokaal cultuurbeleid in Wevelgem. Door de plicht gedwongen maar met heel veel plezier was ik zelf een heel klein stukje lokaal erfgoed geworden. 
Over 25 jaar, als de culturele raad de dan heersende pensioengerechtigde leeftijd van 75 jaar zal bereikt hebben, zal iemand anders de iconen van nu in de kijker stellen. En voor de culturele raad, die nu net het snotneuzenschap is ontgroeid, zal dan pas het ware leven beginnen.

Dat, en nog veel meer, zal je dan ook kunnen lezen in een heel dik en langverwacht boek over de geschiedenis van Wevelgem.

(c) Koen D’haene, 26 februari 2012

Lees ook dit bericht.


http://www.youtube.com/watch?v=JmcA9LIIXWw

vrijdag 24 februari 2012

Alle remmen vast

Plots was hij er totaal onverwacht: de eerste lentedag. Het deed vreemd om pas na de middag het huis uit te gaan. Dan stap je buiten en heb je ineens last van de verkeerde schoenen, een overbodige sjaal en een veel te warme jas. Ik ga maar net niet in de schaduwzijde van de straat lopen.

Het is stil als ik aan de schoolpoort voorbijkom. Toch mis ik de kinderen niet, daarvoor is deze vakantie te kort. Op 1 juli mis ik de joelende bende wel. Het past niet, twee maanden lang een lege speelplaats. Nostalgie nog voor de zomer echt begint. Nu weet ik dat ze er maandag weer zullen zijn. Schreeuwend. Lachend. In het midden van de straat. Met fietsen zonder remmen. Hun ouders met de auto op het trottoir of op het zebrapad. Toeterend voor dat ene plaatsje bij de schoolpoort. En ik mij weer inhoudend om zeker geen vermanende opvoeder te worden. Laat ze maar roepen en de straat innemen. Alhoewel, er moet hen niets overkomen. Het zal weer een evenwichtsoefening zijn om een zorgend én verdraagzaam burger te zijn. 
Ik weet wie ik wél zal missen maandag. Mijn oversteker. De man van wie ik tot voor enkele dagen niet eens de naam wist. Pas nu hij ineens gestorven is, kreeg hij ook voor mij een naam.

Ik blijf hem nog even mijn oversteker noemen. Elke morgen en middag stond hij er, als een rots in de branding. Ik kwam van mijn huis de school voorbij en volgde de tegenovergestelde richting van de schoolkinderen. Maar mijn oversteker zag geen verschil. Van zodra hij mij zag opdoemen, ging hij prompt en bijna zonder uitkijken de straat op en deed de aanrijdende auto’s bruusk stoppen. God, wat was ik vaak bang als ik hem bezig zag. Hij nam zijn taak veel te ernstig, denk ik. Toen ik aan het zebrapad kwam, het zijne, was soms net een hele rij wagens voorbijgeschoven - rijden kunnen ze daar niet ’s morgens om 8 uur - en was er enkel nog de staartwagen van een lange file. De brave burger in mij zou die wagen altijd laten voorbijrijden en dan pas oversteken. Alleen als ik middenin een bijna stilstaande file aankom, maak ik van mijn recht om auto’s te doen stoppen aan het zebrapad gebruik. Maar mijn oversteker deed dat nooit. Altijd hield hij de auto’s tegen. Ook al was er ’s middags maar één wagen in de verre buurt te zien: hij moest stoppen voor mij. Daarvoor was hij gemachtigd: auto’s doen stoppen voor voetgangers, met gevaar voor eigen lijf en leden. Wat voelde ik me soms beschaamd tegenover de autobestuurders. Een arme hulpeloze man die door een man in een oranje jas moet worden geholpen om de lege straat over te steken. Het voelde ook altijd zo betuttelend en paternalistisch. Hate that.

Hij moest eens weten, mijn oversteker… Soms ging ik toch met de fiets naar het werk zodat ik niet weer zou verplicht zijn om aan de overkant van de straat post te vatten bij het zebrapad zodat hij het verkeer kon lamleggen om mij veilig naar de overkant te loodsen. Als hij er niet was, zou ik het zebrapad dan negeren, de andere kant van de straat is makkelijker en veiliger, want dan moet ik maar één keer een straat dwarsen. Ik ontdekte ook dat de omweg via het park nauwelijks een minuut vertraging opleverde. Die minuut offerde ik graag op om het verkeer niet onnodig op te houden, de files zijn zo al lang genoeg.
Maar hij was zo enthousiast, mijn oversteker. En nu is hij niet meer. Hij zei me elke morgen een goedendag, alhoewel hij nauwelijks durfde opkijken als ik voorbijkwam. Zo erg waren zijn ogen al gefocust op de volgende wagen die hij straks abrupt tot stilstand zou brengen. Zich niet bekommerend om sakkerende chauffeurs met tikkende wijsvingers of opgestoken middenvingers.

Die keer dat hij zich van vader vergiste. ‘Hoe is het met je vader, is hij al beter?’ vroeg hij. Ik zocht ver in mijn geheugen om er zeker van te zijn dat ik thuis niets had gemist. Ik ga soms veel te weinig langs bij mijn ouders. Wat was er met mijn vader? Niets, zo bleek. Mijn oversteker had zich van klant vergist, hij verwarde de man-van-de-bibliotheek met de man-van-het-cultuurcentrum. En dus ook hun vaders.
‘Bij wie moet ik zijn om schade aan de weg aan te geven?’ zei hij op een morgen, na het oversteken. Hij wees op een venijnige put in het wegdek die het de jonge fietsers wel erg gevaarlijk maakte. Ik verwees hem naar de bevoegde ambtenaar maar zei erbij dat het wel even kon duren vooraleer ze zouden langskomen. ‘Zie je het?’ zei hij ’s middags trots als een aap. Het putje was gedicht met een klad asfalt. Alles voor zijn kinderen en dat verwachtte hij ook van de bevoegde ambtenaar. Voor putjes vullen waren zij gemachtigd en ze moesten dat met evenveel overgave doen als hij bij het oversteken. Vond hij. En zij dus ook, blijkbaar.

Maandag zal hij er niet zijn. Ik ben nauwelijks benieuwd wie zijn vervanger zal zijn. Nooit zullen auto’s nog even bruusk tot stilstand komen in de Lode de Boningestraat. Het ga je goed aan de overkant, Alfred….

http://www.youtube.com/watch?v=rn_YodiJO6k

zaterdag 11 februari 2012

Postpuberpoëzie

Wie schreef er tijdens zijn puberteit geen gedichtjes voor zijn hartsvriendinnetjes en liefjes? Ik.

Aan hen schreef ik gewoon liefdesbrieven, zoals het hoort. De gedichten kwamen later, toen ik in alle stilte begon te dromen van een literaire carrière. Ik was in de ban van de nieuw-realistische poëzie zoals Roland Jooris en Herman De Coninck die op het eind van de jaren ’70 van de vorige eeuw schreven.

Bij een nieuwe opruimactie in mijn werkkamer botste ik op een twintigtal gedichtjes die ik in die tijd op een velletje papier heb getikt. Een cyclus met als titel ‘Een dame troost’. Achttien van die meesterwerkjes vind ik nu ongelooflijk grappig (het klinkt net iets anders dan 'lachwekkend'), drie ervan vind ik het publiceren waard. Als hilarische jeugdherinnering en voor wie benieuwd is naar mijn eerste schrijfexploten.
Voor wie een beetje de poëzie van de jaren zeventig en tachtig kent: wat deed ik mijn best om aan te sluiten bij de nieuw-realistische school van die tijd! Mijn favoriete gedicht van toen krijg je op de foto. Ik vind het overigens nog altijd een krachtig vers van Roland Jooris.

Na 28 jaar... Lees en lach, ik heb er geen woord aan veranderd…


Voor mij geen zomer


zomer in het dorp
zon op de daken
en in de mensen
’t is mooi weer vandaag
en warm dat het is

niets van deze nieuwe adem
van het jaarlijks herleven van
mens en natuur en van
het kusttoerisme
merk ik echter,
schrijvend in mijn koele kamer
door een gloeilamp verlicht
want het rolluik zit vast


Realiteitszin

hoog aan de hemel een blakende zon
die alle duisternis wegneemt
er blijft alleen dit romantische bos
met de hoogklimmende groene bomen
het kronkelende wandelpad
en het flikkerende water
van de oliezwarte vijver
waarin een witte zwaan
me meevoert naar de zachte oever

tot ik plots een versleten schoen zie
want ik heb een stap gezet
die me prompt weer terugbrengt
naar de bekrompen realiteit
van hier en nu


Ochtendnieuws

een nieuwe morgen
een nieuw geluid

een nieuwe bomaanslag
- ik was mijn handen -
en een onschuldige wetsdienaar komt om
- ik grijns mijn gele tanden bloot -
droogte in de Sahel
- ik spoel mijn kater door -
en hongersnood in Afrika
- ik zit aan de ontbijttafel -
met kreperende kinderen en een uitgemergelde moeder
- en eet al met lange tanden -
firma ontwikkelt een nieuw type bus
- die ik daarstraks vergat te poetsen -
sneller en daarenboven minder vervuilend
- ik haast me naar kantoor -
komt de paus naar Tremelo

en pas op
dit zijn nog maar de hoogtepunten
straks volgen nog meer details
en het weerbericht
mijn barometer staat nu al op
humeurig

(januari – juni 1984)

http://www.youtube.com/watch?v=fyTfbtZeGeU&feature=related