Pagina's

maandag 27 februari 2012

Nakende de vijftig

Op zondag 26 februari was er in Cultuurcentrum Guldenberg een viering n.a.v. vijftig jaar Culturele Raad Wevelgem. Acht verdienstelijke Wevelgemnaren kregen de prijs voor cultuurverdienste.
De organisatoren vroegen mij een feestrede te houden en ik ging graag op hun vraag in.
Ik wandelde door mijn leven en bracht een kleine ode aan enkele iconen van de Wevelgemse cultuur. Namen noem ik niet in de tekst, maar wie goed leest herkent zeker 15 vooraanstaande Wevelgemnaren. 
En een Tsjechisch mannenkoor.

Hieronder de tekst van mijn toespraak. Die duurde 15 minuten, het is dus ook een erg lang blogbericht... ;-)

Dames en heren,

Twee weken geleden, op 14 februari, liefdevoller kan het niet, was het mijn verjaardag. Ik werd 48 jaar, een leeftijd die in mijn vriendenkring wordt gekarakteriseerd als ‘nakende de vijftig’, een typering die helemaal anders klinkt als je ze op haar Wevelgems uitspreekt. Het zal je niet verbazen dat in diezelfde vriendenkring een tijd van feesten is aangebroken. Met een zekere regelmaat vertoef ik dezer maanden en jaren op een verjaardagsfeest van weer iemand die zijn of haar halve eeuw wenst te vieren. Wij, die van nakende de vijftig, spreken dan ons medelijden uit met de oud geworden vriend of vriendin, die zich dan op zijn of haar beurt verkneukelt om ons snotneuzenschap.
In mijn leven is de culturele raad er dus altijd geweest. En als ik er de voorbije weken over nadacht, kwam ik tot het inzicht dat hij er ook altijd écht is geweest. De culturele raad van Wevelgem maakt deel uit van mijn leven, zonder dat ik er ooit echt lid van ben geweest. Op een korte periode na, want je kan mijn naam terugvinden op enkele verslagen uit de jaren negentig, toen ik als onafhankelijke aan de ledenlijst was toegevoegd. 

Je ontmoet wel eens mensen die bedenkelijk het hoofd schudden als je vertelt over de culturele raad. Ze associëren zo’n raad met folkloristische dorpspolitiek. Cultuur onder de kerktoren. Misschien is dat ook wel zo. Als wij in Wevelgem 17 woorden op een geel geschilderde deur schrijven, noemen wij dat een ‘gele haiku’. Als we het stelen van een fiets op zo’n olijk versierde deur niet bestempelen als vandalisme, maar als kunstroof, dan kunnen we niet ontkennen dat we een beetje last hebben van zelfoverschatting. Zo wordt een evenementenhal die veel weg heeft van een bedrijfsloods, bij ons een Porseleinhal genoemd.
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de schepen, beste bestuursleden, wees gerust. Beschouw het voorgaande als grappig opwarmertje. Als ik zeg dat de culturele raad er voor mij altijd geweest is, ben ik daar vooral blij om. Als hij er niet was geweest, zou men hem hebben uitgevonden. Wat in veel gemeenten overigens het geval is geweest: het decreet op het lokaal en geïntegreerd cultuurbeleid van 2002 verplichtte de Vlaamse gemeenten om culturele adviesorganen op te richten. Bij ons in Wevelgem werkten we al veertig jaar conform de nieuwe regelgeving.

Beste aanwezigen, in wat volgt wandel ik even door mijn persoonlijk lokaal cultureel leven en bots ik op monumenten van de jarige culturele raad. Namen zal ik niet noemen, maar zoals het ook bij een goede sleutelroman het geval is, zal de luisteraar weinig moeite hebben om de juiste man of vrouw op de juiste plaats te zetten. Je herkent hen wel. Deze korte tekst is een kleine hommage aan enkele pioniers, sterkhouders of bezielers van het cultureel leven en/of de culturele raad Wevelgem. Zie er zeker geen vingerwijzing in naar wie straks met de prijzen voor cultuurverdienste gaat lopen. Toen schepen Lobke Maes me vroeg om deze inleiding te verzorgen, heb ik haar nog voor ik toehapte meteen gezegd dat ik niet wou weten wie de prijzen zou krijgen. Het zou mijn tekst onvermijdelijk beïnvloed hebben.

De culturele raad was er al heel vroeg. Als kind las ik elke maand heel trouw de culturele kalender, dat blaadje met het rare formaat dat zomaar bij mijn ouders in de bus viel en dat vol aankondigingen van vreemde activiteiten van al even vreemde verenigingen stond. Stel je nu geen bijzondere dingen voor bij het voorgaande: ik las alles als kind. In die zin had die culturele kalender evenveel aantrekkingskracht als het etiket op het botervlootje bij het ontbijt of dat op de confituurpot bij het vieruurtje.

Je mag niet oordelen over het verleden met kennis van het heden, maar het vijfde leerjaar van de gemeentelijke jongensschool zat in 1974 tjokvol lokaal cultureel talent. We zaten bij een beer van een onderwijzer die handen als schoppen had en na schooltijd iets deed met toneel en cultuur. In ons leerjaar zaten onder meer een toekomstig heemkundig voorzitter, een cultuurbeleidscoördinator ad interim en een Vlaams dichter en poëzierecensent. Wisten zij, en wist ik zelf, dat zij ook nog met een toekomstig jeugdauteur opgescheept zaten!

Een eerste bewuste kennismaking met denken over lokaal cultuurbeleid kreeg ik als leerling van het Sint-Pauluscollege. Een leraar Nederlands gaf een vurig pleidooi voor de bouw van een nieuwe bibliotheek in het park. Wandelen in het park en een boek lezen in de schaduw van de bomen of op een bank in de zon. Kuieren in de bib en door de vele ramen uitzien over het prachtige park. Het zou helemaal goed worden als er in dat park een plaats zou zijn waar muziekgroepjes de bezoekers zouden verwelkomen en vergasten op een concert. Middenin het park moest een kiosk komen, zei de leraar. Ik was benieuwd hoe zo’n kiosk er zou kunnen uitzien. En eigenlijk ben ik dat nog altijd. Een kiosk, hoe verzon hij het!
Maar ik was het idee van een bibliotheek in het midden van een park wel genegen en ik was vooral jaloers op die bibliotheekmedewerkers die niet alleen tussen de boeken, maar ook nog tussen de bomen zouden kunnen werken. De gelukzakken!
Ik zat op school in Kortrijk toen de Wevelgemse schooljeugd de bibliotheekboeken van de Hoogstaat naar het park hielp verhuizen. Een immense klus, naar het schijnt. Ik ben blij dat zo’n wissel van de ene bibliotheek naar de andere aan mij is voorbijgegaan.

De leraar Nederlands moet me erg beïnvloed hebben, want enkele jaren later trok ik naar het Sint-Thomasinsituut in Brussel om zelf zo’n leraar te worden. De lessen literatuur boeiden mij veruit het meest. We kregen les van professor Hugo Bousset die ons de liefde voor de schone letteren op onnavolgbare wijze en met een beroemde baritonstem bijbracht. En hoe we die liefde moesten overbrengen op jonge mensen. Tijdens een stageles in een school in Groot-Bijgaarden moest ik aan de slag met een heel mooi gedicht. ‘Rendez-vous’, heette het en het ging over verstikking in een maatschappij vol verbods- en gebodstekens. Later kocht ik in De Plukvogel, de roemrijke Brusselse boekhandel, een hele bundel vol poëzie van de dichter van ‘Rendez-vous’. 
Twee jaar later werkte ik even in het Sint-Pauluscollege in Moorsele en ik kwam al snel met het gedicht en de bijhorende les op de proppen. Bij een eerste lectuur van het gedicht werd ik nogal bruusk onderbroken door twee leerlingen, broer en zus, die zeiden dat het voorgelezen gedicht van hun vader was. Han en Soetkin natuurlijk, het waren niet de braafste maar misschien wel de grappigste en meest fijnzinnige leerlingen van de klas. Ik gaf ze maar net geen straf en dat was maar goed ook, want gelijk hadden ze, zo bleek algauw. Die dichter die in alle schoolhandboeken en didactische gidsen was opgenomen, woonde onder de Moorseelse kerktoren. Vergeet maar wat ik daarstraks zei over cultuur onder de kerktoren.

De literatuur had me erg te pakken toen ik terugkwam van mijn leerschool in de Brusselse Marollenwijk. Als neo-neerlandicus wilde ik de vakliteratuur en de letteren op de voet blijven volgen. Hugo Bousset zou me niet blijven bij de hand houden, nu moest ik het alleen zien klaar te spelen. Een deel van mijn eerste loon – 16.000 frank gestort op de voor onderwijsmensen obligate postchequerekening – zou ik spenderen aan een abonnement op een eerbiedwaardig literair tijdschrift. Toen was er nog keuze zat en ik dacht er lang over na welk tijdschrift het zou worden. Dietsche Warande en Belfort? Ons Erfdeel? Revolver? Yang? Ik onderwierp ze in de bibliotheek, tussen de bomen en de boeken, aan een streng onderzoek en uiteindelijk viel mijn keuze op het literair en kunstkritisch tijdschrift Kreatief. Het zag er het mooiste uit met covers van bekende ontwerpers en artikelen die mij het meeste konden boeien. Ik ging op zoek naar het redactieadres van het tijdschrift en tot mijn grote verrassing leidde die zoektocht me naar de Groeningestraat in Wevelgem. De hoofdredacteur van dat tijdschrift dat me de weg toonde naar boeken en culturen van over de hele wereld woonde in de schaduw van de kerktoren van de Wijnberg. Mijn verwondering was groot, maar die van de hoofdredacteur des te groter, zo bleek later. Je krijgt er als tijdschriftenuitgever niet zo makkelijk en spontaan nieuwe leden bij!

Maar je leeft niet van boeken alleen als je twintig jaar bent. Als ik niet las, vond je mij in die jaren nogal vaak in Jeugdclub Ten Goudberge. In die tijd, toen chiroleiders nog een zadel als hoofddeksel droegen, hadden we een nogal lyrische en creatieve vriendengroep die in het jeugdhuis een forum en een speeltuin vond. Ten Goudberge werd kundig geleid door een pv, een permanent verantwoordelijke. Ik kende de man als speler van de basketbalclub van dewelke ik vele jaren naar de thuismatchen ging kijken, de zondag tijdens de hoogmis. Met de volle steun van de pv organiseerden we fuiven, workshops, spreekbeurtenavonden en politieke debatten. Wat ik me van de man ook nog herinner, is zijn liefde voor vergaderen en overleggen en zijn talent om handig gebruik te maken van subsidiereglementen en decreten om het jeugdhuis vooruit te helpen. Maar hij was er even graag bij als bepaalde activiteiten niet tijdig konden afgerond worden en pas in het holst van de nacht tot volle wasdom kwamen. Bij gebrek aan een cultureel centrum moedigde hij ons aan om in de zaal concerten en optredens te organiseren. Het kruim van de Belgische pop- en rockmuziek kwam in de arena van Jeugdclub Ten Goudberge. Je moet het nu niet meer proberen, zegt mijn oudste zoon, die niet leest en dus nog meer dan ik destijds in het jeugdhuis vertoeft. Grote rockbands, zoals Steak Number Eight of SX, vind je nu alleen nog op de grote festivalweides of op rockconcerten in Londen of Düsseldorf. Of hun zanger of zangeres achter de tapkast van café De Polka in de Menenstraat.

Een uit de hand gelopen grap uit die tijd was de oprichting van een Tsjechisch Mannenkoor. Op de melodie van een lied uit de Vlaamse liederenkrans en met woorden uit titels van liedjes op een plaat met Tsjechische volksliederen bouwden we een repertoire van twee nummers op. Het hilarische koor werd gevraagd als applausmeester, opwarmer, curiositeit of afsluiter van feesten en braderieën. Wevelgem zond zijn zonen uit. Enkel radio-icoon Martin De Jonghe ving bot toen we hem weglachten als hij zei dat hij ons wou laten optreden voor de radio. Hij meende het, maar helaas voor hem wij ook. Voor wie zich bezighoudt met erfgoed: het Tsjechisch koor bestaat nog steeds en geeft binnenkort zijn negende comeback tijdens een schoolfestival in Menen. Op het podium vijftien mannen van nakende de 50 of nog ouder en onder hen de cafébaas van die Polka die in een vorig leven erg belangrijke dingen deed voor de gemeentelijke cultuur.

Wij waren verknocht aan ons jeugdhuis en gingen niet vaak weg vanonder de Wevelgemse kerktoren. De brug over naar Lauwe was een optie. Daar had je jeugdhuis ’t Beerke en we kenden er vele jongeren vanuit onze collegejaren. Maar de roemruchte zéro-huit uit de annalen van de voetbalgeschiedenis van de White Star en de Essevee bleek nog altijd niet doorgespoeld en in Lauwe waren we niet altijd even welkom. Naar Hullehem dan maar. Daar had je de groezelige kroeg ’t Kobbegat en daar viel altijd wel iets te beleven. Rare jongens, die kobbegatters. Ze dronken duister bier uit de fles en hadden geen geld om hun gat te verwarmen. Maar ze haalden wel Drs. P. naar hun café en jazzlegende Dana Gillespie naar hun tent onder de Gullegemse kerktoren. Anno 2012 leeft de geest van ’t Kobbegat nog steeds voort en verspreidt zich over heel Vlaanderen. Een opperkobbegatter werkt bij de redactie van Woestijnvis en verkondigt op woensdagavond weetjes voor de vogelliefhebber in De Laatste Show. Maar hij verzint ook vragen voor De Pappenheimers en zo verzeilde enkele maanden geleden een rubriek Hullehem in de zondagavondquiz. Een hilarisch eerbetoon van het redactielid aan zijn geboortedorp en aan de gemeente waar zijn moeder jarenlang erg belangrijke dingen deed voor de gemeentelijke cultuur.

Enkele jaren later diende zich een nieuw en passend uitgaanshok aan. We konden nu ook naar een echt cultureel centrum en we botsten er weer op die basketbalspeler die Ten Goudberge had geruild voor Guldenberg. Ik ging gretig in op het nieuwe cultuuraanbod en ik was ook een van de vijfenveertig aanwezigen toen op 25 oktober 1985 in het cultuurcentrum het Wevelgemse filmforum weer werd opgestart. De organisator liet de tegenvallende opkomst niet aan zijn hart komen. Hij ging voor het publiek staan en zei met schrapende stem dat de zaal binnen twintig jaar helemaal vol zou zitten. Een man die er prat op gaat dat hij de heilige Jo Röpcke ooit heeft verslagen in een filmquiz, mag je niet van enige overdrijving verdenken. Hij kreeg gelijk: we zijn 25 jaar later en in een tijd dat bioscoopzalen leeglopen, loopt het cultuurcentrum vol voor zijn films. En voor veel meer dan alleen maar zijn films overigens.

Maar stilaan werd het tijd dat ik mij ging settelen. Het onderwijs was in het begin van de jaren tachtig een knelpuntberoep: er was geen werk. Maar het stond in de sterren geschreven dat ik tussen die boeken en die bomen zou gaan werken. Ik schreef me in voor een cursus waarvan de titel me als muziek in de oren klonk: Leergangen tot het bekomen van de Akte van Bekwaamheid tot het houden van een door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde openbare bibliotheek. De lessen vonden plaats in de lokalen van de Provinciale hogeschool in Kortrijk. Het sneeuwde en vroor dat het kraakte op de dag van de eerste les. Toch stond ik ruim op tijd te wachten in de inkomhal van de school, samen met nog een vijftigtal cursisten die onwennig in een grote kring stonden. Het was muisstil, want niemand die wist wat er zou gebeuren. Iedereen die binnenkwam werd uitvoerig gemonsterd want het kon wel eens de lesgever zijn. Plots kwam een man binnen die ik goed kende van onder de Wevelgemse kerktoren. Hij stelde zich voor als de coördinator van de opleiding en verontschuldigde zich voor zijn laattijdigheid. Hij kwam anders nooit te laat zei hij, maar de hevige sneeuw op de weg tussen Wevelgem en Kortrijk maakte het onmogelijk om op tijd te komen.
Het duurde niet lang of ik kon aan de slag tussen de bomen en de boeken onder het gezag van de lesgever van de opleiding. Die bleek al snel veel meer dan alleen maar lesgever en bibliothecaris te zijn. Hij deed erg belangrijke dingen voor de gemeentelijke cultuur, maar toen in het begin van de jaren ’80 de Vlaamse bibliotheken aan de alarmbel trokken omdat aanhoudende besparingen hun werking in het gedrang brachten, stond de man op de barricaden en hij was de woordvoerder van de Vlaamse bibliotheeksector op het kabinet van minister van cultuur Karel Poma.

Beste aanwezigen, je schrijft niet over iets waar je zelf deel van uitmaakt. Van zodra ik ging werken in de bibliotheek, was ik voor eeuwig deel gaan uitmaken van het lokaal cultuurbeleid in Wevelgem. Door de plicht gedwongen maar met heel veel plezier was ik zelf een heel klein stukje lokaal erfgoed geworden. 
Over 25 jaar, als de culturele raad de dan heersende pensioengerechtigde leeftijd van 75 jaar zal bereikt hebben, zal iemand anders de iconen van nu in de kijker stellen. En voor de culturele raad, die nu net het snotneuzenschap is ontgroeid, zal dan pas het ware leven beginnen.

Dat, en nog veel meer, zal je dan ook kunnen lezen in een heel dik en langverwacht boek over de geschiedenis van Wevelgem.

(c) Koen D’haene, 26 februari 2012

Lees ook dit bericht.


http://www.youtube.com/watch?v=JmcA9LIIXWw

vrijdag 24 februari 2012

Alle remmen vast

Plots was hij er totaal onverwacht: de eerste lentedag. Het deed vreemd om pas na de middag het huis uit te gaan. Dan stap je buiten en heb je ineens last van de verkeerde schoenen, een overbodige sjaal en een veel te warme jas. Ik ga maar net niet in de schaduwzijde van de straat lopen.

Het is stil als ik aan de schoolpoort voorbijkom. Toch mis ik de kinderen niet, daarvoor is deze vakantie te kort. Op 1 juli mis ik de joelende bende wel. Het past niet, twee maanden lang een lege speelplaats. Nostalgie nog voor de zomer echt begint. Nu weet ik dat ze er maandag weer zullen zijn. Schreeuwend. Lachend. In het midden van de straat. Met fietsen zonder remmen. Hun ouders met de auto op het trottoir of op het zebrapad. Toeterend voor dat ene plaatsje bij de schoolpoort. En ik mij weer inhoudend om zeker geen vermanende opvoeder te worden. Laat ze maar roepen en de straat innemen. Alhoewel, er moet hen niets overkomen. Het zal weer een evenwichtsoefening zijn om een zorgend én verdraagzaam burger te zijn. 
Ik weet wie ik wél zal missen maandag. Mijn oversteker. De man van wie ik tot voor enkele dagen niet eens de naam wist. Pas nu hij ineens gestorven is, kreeg hij ook voor mij een naam.

Ik blijf hem nog even mijn oversteker noemen. Elke morgen en middag stond hij er, als een rots in de branding. Ik kwam van mijn huis de school voorbij en volgde de tegenovergestelde richting van de schoolkinderen. Maar mijn oversteker zag geen verschil. Van zodra hij mij zag opdoemen, ging hij prompt en bijna zonder uitkijken de straat op en deed de aanrijdende auto’s bruusk stoppen. God, wat was ik vaak bang als ik hem bezig zag. Hij nam zijn taak veel te ernstig, denk ik. Toen ik aan het zebrapad kwam, het zijne, was soms net een hele rij wagens voorbijgeschoven - rijden kunnen ze daar niet ’s morgens om 8 uur - en was er enkel nog de staartwagen van een lange file. De brave burger in mij zou die wagen altijd laten voorbijrijden en dan pas oversteken. Alleen als ik middenin een bijna stilstaande file aankom, maak ik van mijn recht om auto’s te doen stoppen aan het zebrapad gebruik. Maar mijn oversteker deed dat nooit. Altijd hield hij de auto’s tegen. Ook al was er ’s middags maar één wagen in de verre buurt te zien: hij moest stoppen voor mij. Daarvoor was hij gemachtigd: auto’s doen stoppen voor voetgangers, met gevaar voor eigen lijf en leden. Wat voelde ik me soms beschaamd tegenover de autobestuurders. Een arme hulpeloze man die door een man in een oranje jas moet worden geholpen om de lege straat over te steken. Het voelde ook altijd zo betuttelend en paternalistisch. Hate that.

Hij moest eens weten, mijn oversteker… Soms ging ik toch met de fiets naar het werk zodat ik niet weer zou verplicht zijn om aan de overkant van de straat post te vatten bij het zebrapad zodat hij het verkeer kon lamleggen om mij veilig naar de overkant te loodsen. Als hij er niet was, zou ik het zebrapad dan negeren, de andere kant van de straat is makkelijker en veiliger, want dan moet ik maar één keer een straat dwarsen. Ik ontdekte ook dat de omweg via het park nauwelijks een minuut vertraging opleverde. Die minuut offerde ik graag op om het verkeer niet onnodig op te houden, de files zijn zo al lang genoeg.
Maar hij was zo enthousiast, mijn oversteker. En nu is hij niet meer. Hij zei me elke morgen een goedendag, alhoewel hij nauwelijks durfde opkijken als ik voorbijkwam. Zo erg waren zijn ogen al gefocust op de volgende wagen die hij straks abrupt tot stilstand zou brengen. Zich niet bekommerend om sakkerende chauffeurs met tikkende wijsvingers of opgestoken middenvingers.

Die keer dat hij zich van vader vergiste. ‘Hoe is het met je vader, is hij al beter?’ vroeg hij. Ik zocht ver in mijn geheugen om er zeker van te zijn dat ik thuis niets had gemist. Ik ga soms veel te weinig langs bij mijn ouders. Wat was er met mijn vader? Niets, zo bleek. Mijn oversteker had zich van klant vergist, hij verwarde de man-van-de-bibliotheek met de man-van-het-cultuurcentrum. En dus ook hun vaders.
‘Bij wie moet ik zijn om schade aan de weg aan te geven?’ zei hij op een morgen, na het oversteken. Hij wees op een venijnige put in het wegdek die het de jonge fietsers wel erg gevaarlijk maakte. Ik verwees hem naar de bevoegde ambtenaar maar zei erbij dat het wel even kon duren vooraleer ze zouden langskomen. ‘Zie je het?’ zei hij ’s middags trots als een aap. Het putje was gedicht met een klad asfalt. Alles voor zijn kinderen en dat verwachtte hij ook van de bevoegde ambtenaar. Voor putjes vullen waren zij gemachtigd en ze moesten dat met evenveel overgave doen als hij bij het oversteken. Vond hij. En zij dus ook, blijkbaar.

Maandag zal hij er niet zijn. Ik ben nauwelijks benieuwd wie zijn vervanger zal zijn. Nooit zullen auto’s nog even bruusk tot stilstand komen in de Lode de Boningestraat. Het ga je goed aan de overkant, Alfred….

http://www.youtube.com/watch?v=rn_YodiJO6k

zaterdag 11 februari 2012

Postpuberpoëzie

Wie schreef er tijdens zijn puberteit geen gedichtjes voor zijn hartsvriendinnetjes en liefjes? Ik.

Aan hen schreef ik gewoon liefdesbrieven, zoals het hoort. De gedichten kwamen later, toen ik in alle stilte begon te dromen van een literaire carrière. Ik was in de ban van de nieuw-realistische poëzie zoals Roland Jooris en Herman De Coninck die op het eind van de jaren ’70 van de vorige eeuw schreven.

Bij een nieuwe opruimactie in mijn werkkamer botste ik op een twintigtal gedichtjes die ik in die tijd op een velletje papier heb getikt. Een cyclus met als titel ‘Een dame troost’. Achttien van die meesterwerkjes vind ik nu ongelooflijk grappig (het klinkt net iets anders dan 'lachwekkend'), drie ervan vind ik het publiceren waard. Als hilarische jeugdherinnering en voor wie benieuwd is naar mijn eerste schrijfexploten.
Voor wie een beetje de poëzie van de jaren zeventig en tachtig kent: wat deed ik mijn best om aan te sluiten bij de nieuw-realistische school van die tijd! Mijn favoriete gedicht van toen krijg je op de foto. Ik vind het overigens nog altijd een krachtig vers van Roland Jooris.

Na 28 jaar... Lees en lach, ik heb er geen woord aan veranderd…


Voor mij geen zomer


zomer in het dorp
zon op de daken
en in de mensen
’t is mooi weer vandaag
en warm dat het is

niets van deze nieuwe adem
van het jaarlijks herleven van
mens en natuur en van
het kusttoerisme
merk ik echter,
schrijvend in mijn koele kamer
door een gloeilamp verlicht
want het rolluik zit vast


Realiteitszin

hoog aan de hemel een blakende zon
die alle duisternis wegneemt
er blijft alleen dit romantische bos
met de hoogklimmende groene bomen
het kronkelende wandelpad
en het flikkerende water
van de oliezwarte vijver
waarin een witte zwaan
me meevoert naar de zachte oever

tot ik plots een versleten schoen zie
want ik heb een stap gezet
die me prompt weer terugbrengt
naar de bekrompen realiteit
van hier en nu


Ochtendnieuws

een nieuwe morgen
een nieuw geluid

een nieuwe bomaanslag
- ik was mijn handen -
en een onschuldige wetsdienaar komt om
- ik grijns mijn gele tanden bloot -
droogte in de Sahel
- ik spoel mijn kater door -
en hongersnood in Afrika
- ik zit aan de ontbijttafel -
met kreperende kinderen en een uitgemergelde moeder
- en eet al met lange tanden -
firma ontwikkelt een nieuw type bus
- die ik daarstraks vergat te poetsen -
sneller en daarenboven minder vervuilend
- ik haast me naar kantoor -
komt de paus naar Tremelo

en pas op
dit zijn nog maar de hoogtepunten
straks volgen nog meer details
en het weerbericht
mijn barometer staat nu al op
humeurig

(januari – juni 1984)

http://www.youtube.com/watch?v=fyTfbtZeGeU&feature=related


vrijdag 27 januari 2012

Staken kan beter

Komende maandag is het land in staking. De vakbonden kijken reikhalzend uit. Het patronaat vindt het een regelrechte schande. De politici roepen op tot kalmte. De verslaggevers noemen de staking nu al een mislukking.
En ik? Ik droom van een betere wereld. Met een dikke knipoog, maar voor wie goed leest: ook met een heel ernstige mening en oproep.


‘Zijn jullie maandag open?’ vraagt Elke.
Met ‘jullie’ bedoelt ze natuurlijk de bibliotheek. Ze moet dringend de uitleentijd van haar boeken over solliciteren verlengen en liefst ook aanvullen met wat leukere lectuur. Over knappe mannen en hippe vrouwen bijvoorbeeld. Dat wou ze maandag doen.
Wat mij betreft is de bibliotheek altijd open. Zondag of geen zondag. Feestdag of geen feestdag. Staking of geen staking. Maar soms heiligt het doel de middelen en deze week was het deelnemen aan de algemene vakbondsactie hot news op elke werkvloer. Ook op die van ons, de bibliotheek. Zelf vond ik het moeilijk te bepalen hoe heilig in dit geval het doel was. Voor mij is het wezenlijke kenmerk, het bestaanrecht zelfs, van elke staking: solidariteit. Of om het met een oud-Vlaams woord te zeggen: solidarność! Dus ben ik in de eerste plaats solidair met de collega’s om me heen. Zelfs de Heilige Bibliotheek moet dus maar dicht als het moet. Nood breekt wet. Maar wat te doen als de helft staakt en de andere helft niet?
Zo is het gelukkig niet deze keer.
‘Neen, we zijn gewoon open. De meeste collega’s waren geen voorstander en het publiek reageert nogal koel. De bibliotheek is open, kom maar af!’
‘Ik zou graag kunnen staken… ‘ zegt ze terwijl ze van me wegkijkt. ‘Als beroepswerkzoekende ligt dat voor mij echter wat moeilijk…’
Haar immer bijtende humor… Ik onderdruk een glimlach, maar vind geen passende repliek.
Ik snap haar wel. In een tijd waarin veel mensen snakken naar passend werk leggen anderen er voor een dag het bijltje bij neer. Omdat ze niet willen dat het misschien wel een heel klein beetje minder goed zou kunnen gaan. Maar anderzijds… Die vakbonden hebben gelijk, de lasten én lusten moeten eerlijk verdeeld worden. En het is niet hún heilige werkende klasse die de crisis moet betalen. Laat de rijken het inderdaad maar doen!
Maar het land nog eens platleggen?

Mmm, dat moet toch veel beter kunnen?
Bijvoorbeeld. Je komt naar de bib, ontleent een boek van Pieter Aspe, komt thuis en ziet dat de baliemedewerker de nieuwste Nicci French in je tas heeft gestopt. Met een leuke bladwijzer erbij: ‘Vanwege een vakbondsactie leent de bibliotheek vandaag alleen goede boeken uit. We hopen dat je onze actie apprecieert en de onheuse besparingsmaatregelen van de regering met de nodige argwaan zal benaderen. We willen er ook in de toekomst voor jullie zijn met passend leesadvies en spannende boeken.’
Of wat dacht je hiervan. Je gaat naar het cultuurcentrum voor de jaarlijkse voorstelling van de plaatselijke amateurtoneelgroep. Een routineklus. Maar als je in de zaal zit en de gordijnen schuiven open, zie je Matthias Schoenaerts, Jan Decleir, Marie Vinck en Lucas Vanden Eynden het podium betreden. Tijdens de pauze krijg je een pamflet: ‘Vanwege een vakbondsactie word je vandaag verrast met een toneelopvoering van de bovenste plank. We hopen dat je geniet van de voorstelling en de onheuse besparingsmaatregelen van de regering met de nodige argwaan zal benaderen. We willen er ook in de toekomst voor jullie zijn met  puike concerten en spannende voorstellingen’.
Of deze. Je stapt die morgen op de trein met je abonnement voor Brussel-Zuid op zak, op weg met je pendeltrein naar je pendelbureau. Als de trein na de vertrouwde reistijd halt houdt - je krant heb je net helemaal uit - ga je automatisch naar de deur en als die opent zie je het bordje Mechelen. Verbouwereerd maar vol verwachting stap je op de klaarstaande bus naar de ingang van Planckendael. Mensen met rode en groene petjes overhandigen je een strooibiljet: ‘Vanwege een vakbondsactie rijdt de trein vandaag niet naar je vertrouwde bestemming. We verrassen je met een vrij bezoek aan het dierenpark als reactie op de onheuse besparingsmaatregelen van de regering. We hopen dat je geniet van je bezoek en dat we je ook in de toekomst kunnen blijven bekoren met leuke ritten naar heerlijke plaatsen vol spannende dieren’.
Je gaat naar het postkantoor om een pakketje af te geven. Net als je dat wil overhandigen aan de loketbediende, roept die een medewerker bij zich. Postzegels heb je niet nodig, de vriendelijke postvrouw achter het loket zal het pakketje persoonlijk overhandigen aan de bestemmeling. Die zal er van de stralende vrouw-in-uniform bovendien nog een stralende glimlach bovenop krijgen. Die krijg jij nu ook, samen met een pamflet: ‘Vanwege een vakbondsactie worden alle postpakketjes vandaag gratis en persoonlijk bezorgd. Zie het als een uiting van onze zorg en bekommernis voor een vlekkeloze bediening, die door de ondoordachte maatregelen van onze regering in het gedrang komt. We hopen je ook in de toekomst even trouw en stipt van dienst te kunnen blijven zijn’.

‘Dan is maandag het zwembad ook open, veronderstel ik...?’
Ik schrik als Elke er opeens weer is. Samen met mijn pakketje was ik meegereisd met de postbediende.
‘Euhm… Ja hoor. Natuurlijk!’ mummel ik.
‘Ik wil wat baantjes trekken om de conditie op peil te houden. Als dopper mag ik me dat pleziertje toch veroorloven denk ik? Of mag ik mijn dopgeld niet aan dergelijke frivoliteiten besteden? Ik heb niet eens een deftig badpak. Als armoezaaier en profiteur draag ik een sjofele bikini uit de solden in de H&M…’
Ik blijf stil. Komaan Elke… Kop op en borsten vooruit in die bikini! Wees trots als een geus op je werkzoekendenstatuut!
Dit wens ik jou maandag toe…
Je gaat naar het zwembad en koopt je ticket aan het loket. Je betreedt hierna met open mond vol verbazing het tot een subtropisch paradijs omgetoverde zwembad. Na het trekken van je baantjes, het stomen in het ene en het bubbelen in het andere bad mag je na een passage aan de cocktailbar naar de saunaruimte waar je een heerlijk sensuele en ontspannende massage krijgt. En een pamflet natuurlijk: ‘Vanwege een vakbondsactie werd de dienstverlening van ons zwembad tijdelijk uitgebreid. Geniet van het warme water, onze heerlijke waterpartijen en de wonderlijke massages. Het is ons protest tegen de oneerlijke besparingen die ons personeel hard dreigen te treffen. We hopen dat je geniet van deze dag en dat we je ook in de toekomst met evenveel enthousiasme zullen kunnen verwelkomen’.
Heerlijk toch die zwembadstaking? Ik leg het idee voor aan de collega’s van de sportdienst en aan de militanten en visionairen van de vakbond die zoeken naar een meer passende methodiek om hun ontevredenheid over het werkbeleid van de regering te uiten.
Elke, ga jij in afwachting op zoek naar een goddelijk badpak?

maandag 9 januari 2012

Miss Recuperation

Ik schreef dit stukje in opdracht, als alternatief voor een passend verjaardagsgeschenk. En ik recupereerde een heerlijk fout maar ophitsend protestlied…

Elke straalt als ik haar van ver de bibliotheek zie naderen. Ik ben er blij om. Tijdens haar vorige bezoek aan de bib voelde ze zich niet zo goed. Een dipje. Maar ons blitzbezoek aan Machu Picchu hielp haar er helemaal bovenop.
Ik kom aan de balie om haar reisgidsen over Peru weer in te nemen. Recupereren is een beter woord, zoals later zal blijken.
‘Leuk geweest hé?’
‘Ja hoor,' lacht ze. ‘Moeten we eens meer doen…’
‘Zeker. Niets houdt ons tegen. Landen zat op aarde!’
Bibliotheekmedewerkers worden getraind in het zoeken naar het juiste antwoord op een vraag die de gebruiker nog moet stellen. Maar bij Elke is dat geen probleem. Ze aarzelt niet om haar vraag af te vuren en knap als ze is geeft ze in haar vraag meteen ook het antwoord mee.
‘Ik ben eigenlijk op zoek naar boeken over solliciteren. Die vind ik bij de rubriek samenleving en werken zeker? De boeken met het rode euro-teken op de rug… Maar ik kan misschien ook eens zoeken of ik geen interessante website over het thema vind?’

Even later stappen we samen de bib uit en vertelt ze over haar lastige zoektocht naar passend werk. De voorbije weken heeft ze deelgenomen aan minstens tien sollicitaties. Selecties met interimbureaus, gesprekken met managers en directors, assessments, interviews, schriftelijke proeven. Elke keer mocht ze teruggaan, en nog eens teruggaan. En telkens viel ze als een van de allerlaatsten af. De ene keer was ze te jong, de andere keer te oud, soms had ze te weinig ervaring, dan was ze weer te creatief voor de administratieve job.
Het vreet aan haar, maar ze blijft proberen. 
‘2012 wordt mijn godenjaar…’ zegt ze. ‘Op een dag vind ik de job van mijn leven.’ 
Ze klinkt stoerder dan ze is. Ik hoor de twijfel en de angst die zich in haar verbergen.
‘Momenteel zit ik in een sollicitatie voor een job als medewerker recuperatie…’
‘Haha!’
Het is sterker dan mezelf. Ze kijkt me schuin in het gezicht.
‘Je wordt recuperatiemedewerker, Elke…! Toch maar oppassen hoor!’
‘Dat ze me niet meer willen teruggeven, bedoel je?’
‘Ha ja. Ze willen bezit van je nemen!’
‘Zolang recuperatie maar geen recyclage wordt…’
Dat is waar. Alles wil ze doen voor haar job, maar ze moet wel zichzelf kunnen blijven. In haar oorspronkelijke vorm, want het origineel is zoveel beter dan de kopie.

We dollen maar wat, maar ik merk dat het bij haar niet van harte is. Ze zeult een stapel boeken mee. Milieuwetgeving, personeelsbeleid, gemeentedecreet, afvalverwerking. Geen onderdeel van haar verhoopte toekomstige werk laat ze onaangeroerd. Boeken vol tests en tools voor het assessment en tips en trucs voor de sollicitatie. Ze wil op alles voorbereid zijn, de heren dames selecteurs zullen hun beste beentje moeten voorzetten!
‘Misschien kan jij me wel helpen…’ vraagt ze ietwat schuchter.
Of ik misschien iemand ken bij de werkgever, bedoelt ze… Of kan ze langsgaan bij de lokale politici, met mijn groeten? Mag ze mijn netwerk aanboren? Mijn adresboekje gebruiken?
Neen, Elke, doe jij maar gewoon je best. Lees je wetteksten, raadpleeg die sollicitatietips, lees alles over recuperatie en recyclage, verdiep je in milieuvergunningen, politiereglementen en actieplannen. Focus je op de job. Jou moeten ze hebben daar op die recuperatiedienst. Alleen, dat weten ze nu nog niet dus moet je hen dat zo snel mogelijk diets maken.

En ik? Ik zal de komende weken veel voedsel en drank in kartonnen en plastieken verpakkingen kopen. Liters water uit plastic flesjes, fruitsap uit drankkartons en cola uit blik drinken. Eerstdaags geen verse groenten meer voor mij, maar enkel erwtjes, witte bonen en snijbonen uit conservenblik. Rode kool en worteltjes uit bokalen. Geen appel als dessert, maar vanillepudding, yoghurt en plattekaas uit plastic potjes. Ik heb geen tijd voor de afwas: ik gebruik kartonnen borden en plastic bestek uit de kampeerwinkel. En al die rommel verdwijnt zonder plat te drukken in groene en blauwe afvalzakken. Ik krijg ineens ook een nijdige drang naar vette frietjes, maar eerst moet het nauwelijks gebruikte frituurvet naar het recuperatiepark. 
Het zal er snel bijzonder druk worden. Dan hebben ze niet één, maar al snel twee Elkes nodig om alles in goede banen te leiden.
Maar jij was de eerste. Get that job!

vrijdag 30 december 2011

Beste oma en opa

Of ik een nieuwjaarsbrief wou schrijven voor een regionale krant...? 
Zolang het met letters, woorden en zinnen is, doe ik alles voor iedereen. Dus ook voor die krant. Alleen was er wat minder plaats dan voorzien. In de krant is er een holle light versie, hier kun je het volle script lezen...

Beste oma en opa,

Alweer is een jaar voorbij gevlogen! Een jaar waarin veel gebeurde. Hongersnood in Soedan, burgeroorlog in Libanon, lente in Arabië. In België was er de ramp op Pukkelpop en de aanslag in Luik. We kregen een nieuwe regering met een Italiaan als eerste minister. En La Esterella is overleden, maar Stefanie Callebaut, dat meisje van SX, zingt ook mooi. 
In de familie gaat alles goed. Mijn zonen, jullie achterkleinkinderen, hebben allebei een leuke vriendin. Jullie kinderen, mijn ouders dus, worden er niet jonger op, maar ze beleven samen nog steeds mooie dagen.
Weet je nog 40 jaar geleden? Toen stond ik hier ook en ik zei net hetzelfde. Oh ja, de hongersnood was toen in Bangladesh, Libanon heette Noord-Ierland, de lente was in Praag, de ramp in de Innovation. Ik moest toen alleen niet zeggen hoe het de familie verging. Jullie zagen zelf wel of het de kinderen en kleinkinderen voor de wind ging. En wie van ons een beetje meer aandacht nodig had.
Ik ben er zeker van dat jullie ons van bovenop die wolk moeiteloos vinden in de chaos die de wereld is geworden. Natuurlijk hopen jullie ook op vrede in Afghanistan, maar nog beter zou het zijn als er wat minder geweld op straat was. Uiteraard hopen jullie dat het goed afloopt met het ijs van de Noordpool, maar een beetje minder vieze rook en wat meer groen bij ons is minstens even goed. Dat Herman Van Rompuy onze euro redt, is prima, maar worden wij daar ook beter van? En als het water van de oceaan weer zuiver wordt, kunnen we dan net als opa weer zwemmen in de Leie?
Beste oma en opa, ik beloof je op mijn communiezieltje dat ik ervoor zal zorgen dat alles in orde komt. En als ik het zelf niet snelsnel kan regelen, dan vraag ik het aan iemand die dat wel kan. Niet voor mezelf, maar voor jullie achterkleinkinderen.
Volgend jaar sta ik hier weer en je zal zien dat onze streek groener, gezonder, veiliger en welvarender dan ooit zal zijn.
Ik wens jullie een fantastisch nieuw jaar!

Jullie kleinkind,
Koen

Wevelgem, 1 januari 2012

http://www.youtube.com/watch?v=wxrf6MXPNaU

zaterdag 17 december 2011

Een goed jaar voor schrijvers

De 'Vereniging van West-Vlaamse schrijvers' (VWS) bestaat 50 jaar. Dat moet gevierd worden. En hoe kan een literaire vereniging beter haar verjaardag vieren dan door een boekje te publiceren? Ik ging op zoek naar lotgenoten in dit Caleidoscoop van de West-Vlaamse schrijvers en ik vond er vier.

Het is overigens niet zo bijzonder dat VWS met een boekje op de proppen komt. De vereniging geeft al sinds 1966 de VWS-cahiers uit. In zo’n cahier wordt leven en werk van een West-Vlaamse auteur in de schijnwerpers geplaatst. Elk boekje wordt samengesteld door een deskundig gastauteur. De cahiers verschijnen als tijdschrift en abonnees krijgen ze op het einde van elke pare maand trouw in de brievenbus. Het feestnummer dat eind december verschijnt, is nummer 267 in de reeks.

Sinds 2000 ben ik redacteur van de vereniging. Toen het me werd gevraagd (jaja, ze vróegen me of ik het wílde doen!), heb ik even geaarzeld voor ik het aanbod aanvaardde. Ik wou het niet zomaar snel eens doen, maar nam me voor om minstens vijf jaar het redacteurschap waar te nemen. Ondertussen ben ik twaalf jaar enthousiast bezig, voerde ik de redactie van 71 cahiers en nam ik er in 2008 de redactie van een zesdelig schrijverslexicon bij. Ik ergerde me wel eens aan woorden en zinnen, sakkerde met deadlines, vloekte op uitstellers, woekerde met slechte teksten. Maar dat was soms, veel meer las ik mooie teksten over onvermoede publicisten en maakte ik kennis met boeiende auteurs met wie ik samen de boekjes samenstelde. Leve VWS dus! Wat mij betreft mag het nóg 12 jaar duren (13 misschien, dan jubileer ik als redacteur). Als Geert Bourgeois maar geen roet in het eten gooit, want VWS bestaat dankzij de morele en financiële steun van het Provinciebestuur en onze West-Vlaamse minister heeft het niet langer erg begrepen op de provincies. Maar dit helemaal ter zijde.

Ik wou het over lotgenoten hebben en het lot dat een band schept heet 1964.
In het bijzondere boekje dat binnenkort verschijnt, wordt per VWS-jaar (van 1961 tot 2011 dus) een tekst gepubliceerd van een West-Vlaamse auteur. Een pagina uit een roman of een gedicht uit een bundel die in dat jaar verscheen, zorgvuldig gekozen door een zevenkoppige redactie. Het is een eerbetoon aan de West-Vlaamse auteurs van de voorbije vijftig jaar en voor de lezer de kans om in één oogopslag kennis te maken met een stukje fiction made in West-Flanders.
Hugo Claus staat in het boek, ik ging op zoek naar één pagina uit Het verdriet van België. Maar ook Peter Verhelst, Luuk Gruwez, Willy Spillebeen en andere grootheden onder onze gouwschrijvers. Maar over hen wil ik het niet hebben. In het boekje staan namelijk ook vier auteurs die in hetzelfde jaar als ik zijn geboren.

Philip Hoorne bijvoorbeeld. Die ligt wel het meest voor de hand. Ik zat met (één trimester zelfs nààst) Philip op de schoolbanken. Brave jongen was hij toen. Hij was wat teruggetrokken, zat letterlijk in zijn schelp. Hij voerde nooit het hoogste woord en was geen held op het voetbalveld of op de speelplaats. Bij het afstappen werd hij steevast als een der laatsten gekozen. De twee ploegleiders stapten op elkaar af en wie op de schoen van de ander kon stappen, mocht als eerste een speler voor zijn ploeg kiezen. En dan elk om beurt een steeds minder goede voetballer. Philip bleef altijd lange tijd aan de kant staan, je kon weinig met hem in je ploeg. Geen snelheid en geen techniek. Wel veel spelinzicht, maar wat ben je daar mee tijdens de chaos die een voetbalmatch tijdens de speeltijd is? Ik denk overigens dat Philip supporterde voor Club Brugge, in mijn herinnering droeg hij altijd een blauwzwarte sjaal. West-Vlaming in hart en nieren dus, hij staat goed op zijn plaats in dat feestnummer van VWS.
Philip luisterde graag naar muziek in dat jaar dat we samen bij meester Malfait zaten. Ik ook, kleinkunst, de fout van mijn oudere zus. Hij vond mijn muziek wat braaf, zei hij toen. Het verwonderde me wel, hij leek zo zacht en stil en dan vond hij die zachte en stille muziek wat te braaf. Toen al zette hij mensen op het verkeerde spoor. Want wie hem toen kende en nu niet meer, gelooft nooit dat Philip een hartstochtelijk fan van de onbehouwen rockauteur Herman Brusselmans is. En dat hij niet aarzelt om zijn kritische pijlen vlijmscherp af te vuren op coryfeeën van de Vlaamse poëzie, zoals daar zijn Lut De Block en Leonard Nolens.
Philip schrijft zelf mooie poëzie, ook dat geloven klasgenoten van toen meestal niet als ik het hen vertel. De redactie twijfelde er geen moment over of hij zijn plaats verdiende in het feestboek. En ik ben er blij om.
Philip Hoorne staat in het boekje met een gedicht uit zijn bundel ‘Niets met jou’.

Ook een tweede auteur uit het VWS-boekje zat op dezelfde schoolbanken als ik. Hij weet het niet en we zaten ook niet naast elkaar. We kenden elkaar toen ook niet (hij zat in het jaar na mij) al moeten we elkaar wel eens tegen het lijf gelopen zijn, daar in die charmante krakkemikkige gangen en lokalen van het Sint-Thomasinstiuut in Brussel. We moeten ook zowat dezelfde docenten hebben gehad. Lessen Nederlandse literatuur van professor Hugo Bousset bijvoorbeeld. Ik genoot van Boussets baritonstem en sublieme benaderingen van de romanklassiekers uit die tijd. Onder professoren van Hermans. De aanslag van Mulisch. De verwondering van Claus. Turks fruit van Wolkers. Ik vond dat mijn ouders niet mochten weten dat ik dat boek las, ook al was het voor school. Maar Bousset hielp me vrij snel over die terughoudendheid heen. Ik werd gek op Wolkers van het eiland Texel.
Toen ik in 1984 Duet met valse noten van Bart Moeyaert las, kon je in de krant lezen dat de jonge auteur een lerarenopleiding volgde in Brussel. Verdomme, dat ik hem nooit gezien had.
Ondertussen ontmoette ik hem al enkele keren en op een Boekenbeurs schreef hij een wonderlijke opdracht voor Elsy in zijn dichtbundel Verzamel de liefde: ‘Voor Elsy, liefs van Koen en van mij. Het liefs van Koen is méér dan mijn liefs. Dat weet ik zeker.’ Ik ben heel erg jaloers op Bart Moeyaert. Omdat hij mooie dingen op zo’n mooie manier kan vertellen.
Ooit zullen Bart en ik het samen over Hugo Bousset hebben, denk ik (niet). Ik ben wel eens benieuwd te horen wat hij vond van Het bewegen van het hoge gras op de top van de heuvel.
Bart Moeyaert staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Het is de liefde die we niet begrijpen’.

Tijd voor een vrouw en wat voor één. Anne Provoost, zij die Vallen schreef. Het boek dat ik tijdens auteurslezingen altijd noem als het beste en mooiste jeugdboek. Ik ben niet zeker of het dat nog altijd is, ik zou het eens opnieuw moeten lezen. Jan Terlouw noem ik mijn favoriete auteur uit mijn eigen jeugd en onlangs viel het herlezen van de boeken uit die tijd me zwaar tegen. Maar met Vallen heb ik een bijzondere band. Het boek greep me thematisch erg aan. Hoe eenlingen het klaarspelen om andere eenlingen domweg voor hun kar te spannen. Met manipulatie. Geweld. Machtsmisbruik. Vreselijk. En het boek eindigt zo dramatisch. Dat vond ik een beetje jammer, maar het laat je dan ook niet los.
Ik wou een boek over hetzelfde thema schrijven, maar voor iets jongere lezers. Het moest wel beter aflopen, hoopvoller. De titel lag zo voor de hand. Na Vallen, zou ik Opstaan schrijven. Even erg, maar met een hoopvol einde. Uiteindelijk veranderde de titel in de uitgeverij in Valsspeler. Geen slechte ingreep, het is een prachttitel en hij stafrijmt op Vallen. Het lijflied van het boek is ‘Get up, stand up’, vallen en opstaan. Pieter, de held uit het verhaal, leest op pagina 77 een boek. Op de cover staat een zwartwitfoto van een meisje dat op de grond ligt. Eronder is een groot blauw vlak met daarop de titel en de naam van de auteur. Op de achterflap is alleen een blauw vlak met vage gele letters. De eerste editie van Vallen. Niemand die tot hiertoe deze sublieme verwijzing opmerkte. Tot vandaag dus.
Ondertussen is er nog meer dat me bindt aan Anne Provoost. Een jeugdvriendin van haar met wie ze samen op een legendarische nonnenschool in de Westhoek zat, kwam bij ons in de buurt wonen en werd een goede vriendin van mij. Dankzij Caroline kon ik Anne tijdens een lezingenvrije periode (ze schreef aan De Arkvaarders en wou niet afgeleid worden) naar de bibliotheek krijgen – per grote uitzondering! Onlangs was ik tussenpersoon bij het uitwisselen van een hilarische schoolfoto (met blauwe schort, zwarte rok en hoog opgetrokken kousen) onder de vriendinnen en vonden ze elkaar terug - op Facebook.
Dat engagement van Anne Provoost… Het gaf me zo’n warm gevoel toen ik de gevierde auteur onlangs zag tekeergaan tegen het vellen van die mooie bomen van de Keyzerlei in Antwerpen. Enkele jaren geleden zette ik een eenmansactie op tegen de stille sloop van het mooiste huis van Wevelgem. Troost je, Anne, het lukte me ook niet.
Anne Provoost staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Vallen’. Natuurlijk uit ‘Vallen’.

De vierde lotgenoot kan iets wat de drie voorgaande wellicht niet kunnen – al weet ik dat eigenlijk niet. Hij is namelijk een ongelooflijk knappe tekenaar en samen met Carll Cneut en Gerda Dendooven de vaandeldrager van het leger topillustratoren uit de provincie West-Vlaanderen. Klaas Verplancke dus. God, wat kan die mooi tekenen. Op zich is dat al meer dan genoeg om hem te bewonderen, maar bovendien kan hij ook nog ontzettend goed vertellen. Met beelden en tekeningen, maar ook met woorden en zinnen. Ries en Kerel uit Wortels: het zijn klassieke personages uit de kinderboekenoogst van de voorbije jaren. Als je Klaas niet kent en je leest ook niet graag, dan gaat hij je vast inpalmen met zijn tekeningen. En als ook dat niet lukt (maar het lukt wél) zal hij je charmeren met zijn spontane vriendelijkheid en stimulerend enthousiasme. Hij stelde jaren geleden een tentoonstelling op in de bibliotheek waar ik werk. Mooi om te zien en prettig om met hem samen te werken. Toen hij even later het verband ontdekte tussen Koen van de bib en Koen van De hel in New York (het was op de Boekenbeurs van 2001 op de stand van uitgeverij Davidsfonds/Infodok) was zijn enthousiasme haast ontroerend. Er stond een lovende recensie over mijn debuut in Knack. Klaas had die gelezen en was er blijer om dan ik. En het leuke was: hij meende het.
Ik botste ook eens op Klaas tijdens de verkoop van oude boeken in de bib van Brugge. Hij is even gek als ik: hij koopt oude boeken. Daar moet je een schrijver voor zijn. Of een illustrator. Of een bibliothecaris. Eén pot nat.
Klaas Verplancke staat in het boekje met een bladzijde uit ‘Wortels’.

Het VWS-bestuur stelde als principe dat er geen werk van bestuursleden van VWS in het boekje zou opgenomen worden. Het bespaarde ons vast veel vergadertijd en minstens evenveel rancune en achterklap. De kans dat ik ook in het boekje terechtkwam was dus nihil. Ik miste wel de kers op de taart, denk je nu. Nee hoor, erg is dat niet. En ook een ongepaste gedachte, want soms is de taart veel beter dan de kers.
Of de wijn veel beter dan de krans.

Het boekje ‘Caleidoscoop van de West-Vlaamse letteren’ verschijnt op 31 december 2011.
Het telt 56 bladzijden en kost 5 euro.
Je kan het gewoon via mail bestellen (janbonneure@skynet.be).