Pagina's

vrijdag 31 augustus 2012

Standboeken

Op zondag 9 september was er in Vlaanderen weer Open Monumentendag. Dit jaar was het thema 'Muziek, woord en beeld'.
De redactie van de programmabrochure voor de regio Kortrijk vroeg me het onderdeel woord te benaderen. Moeten woorden voor altijd bewaard worden? Alleszins niet door standbeelden op te trekken voor schrijvers, schreef ik in mijn bijdrage.

Het is de verdomde plicht van bibliotheekmedewerkers om de eigen collectie doorlopend te evalueren en gedateerde of stukgelezen publicaties af te voeren. Op de brandstapel te gooien dus.
Ik weet het, sommigen onder jullie zijn nu al boos op mij. Koen de ketter! “Jullie gooien toch geen boeken weg?” Jawel hoor, en heel veel. Sorry, het is en het kan niet anders. De bib focust op actuele collecties: schrijvers van nu, met thema’s van nu en informatie van nu. Maar… geen nood, er zijn procedures die ervoor zorgen dat unieke en kostbare werken niet (nooit!) uit de collectie van de verzamelde Vlaamse bibliotheken verdwijnen. Lees dus met een gerust hart verder.

Omdat mij enige interesse en misschien ook wel wat deskundigheid in de thema’s ‘Taal en letterkunde’ en ‘Geschiedenis’ worden toebedeeld, ontferm ik me met zekere regelmaat over deze rubrieken in de gesloten magazijncollectie van onze bibliotheek. Wat niet meer actueel of waardevol is, moet eruit zodat plaats vrijkomt om recentere boeken nog even in het vagevuur van de bibliotheek op te stellen. Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik dat ik me misschien beter om de rubrieken ‘Esoterie’ en ‘Wiskunde’ zou bekommeren. Dan verdwijnen alle boeken zonder hartzeer zo in de prullenbak en komt er heel veel plaats vrij om nog meer taal- en geschiedenisboeken te bewaren. Maar dit helemaal terzijde.
Onlangs ging ik weer over de rubriek taalkunde en botste op pareltjes uit vervlogen tijden (de jaren ’80 en ’90) die een licht lieten schijnen over het fenomeen taal. 
‘Plastictaal’ (Uwe Pörksen, 1988) leek zo’n pareltje. Over plastic woorden die door verkeerd gebruik in de omgangstaal een nieuwe en onjuiste betekenis kregen. Woorden en zinnen van kunststof: waardeloos, bestemd om even te gebruiken, wegwerptaal. Woorden die je kan recycleren: je geeft ze aan iemand anders en die geeft er een nieuwe betekenis aan. Woorden die alleen maar door een fractie van de bevolking worden begrepen. Zurkeltrutte bijvoorbeeld. In Reninge weten ze wat het betekent, in Ronse hebben ze geen flauw idee. Waarom verbaasde het me ook niet dat de auteur in zijn werk verwees naar de holle woorden van een politicus, naar de modewoorden uit de reclamewereld en naar slogans die niet bedacht hadden mogen worden? Strijken moe? Wij doen het voor joe. Het milieu is tevree, want ik rij op LPG. Elk kakje in een zakje. 
Ook ‘Vrouwentaal en mannenpraat’ (Dédé Brouwer, 1979) trok mijn aandacht. Kennis van de taalverschillen tussen de seksen kan bijdragen tot bewustwording, las ik op de achterflap van het boek. Onlangs was ik op vriendenweekend met een motorclub en dat leerde mij weer dat mannen onder elkaar anders praten dan als er vrouwen in het gezelschap zijn. En onze vrouwen thuis zullen wel niet even stoer voor de dag zijn gekomen als wij, Hell’s Angels for a weekend. Misschien moet ik het boek toch maar eens helemaal lezen vooraleer ik weer met motards op stap ga.
Een boek dat me heel erg boeide, was ‘Ontdek je woorden: over taaltoerisme’ (J.G. Thijs, 1989). De auteur had eind jaren ´80 een zaterdagse taalrubriek in Trouw en veroorloofde er zichzelf menig uitstapje naar de schone letteren in. Ik bladerde en las in het boek en voelde me onderwijl een taaltoerist: iemand die met het grootste plezier op reis gaat door de taal en zich laat verrassen door haar heerlijkheden zonder die academisch te lijf te gaan. Als toerist ben je in vakantiestemming. Het moet prettig blijven. Na lectuur van het boek weet ik waarom ‘klokken’ voor Willem Frederik Hermans vrouwelijk waren en dat ‘iemand gedag zeggen’ geen plastictaal is, maar niets minder dan een vingerwijzing naar hoogstaande literatuur bij Nescio en Marga Minco. Dat en nog veel meer kom je dus aan de weet als je taaltoerist bent.

Maar taal komt ook wel eens op de proppen als je écht op reis bent. Mijn echtgenote en ik voeren spitse dialogen vol hilarische taalvondsten als we in een gezochte stad of gevonden dorp voor een kerk, kathedraal of bibliotheek staan. Deze drievuldigheid zuigt mij op, maar stoot mijn vrouw af. Een wonderlijke taalstrijd is het gevolg.
Ook marmeren standbeelden zorgen voor taaltoerisme. Ik herinner me de immense omweg die we maakten op het einde van een slopende dag in Firenze omdat ik te allen prijze het standbeeld van Dante Alighieri wilde zien. Het stond op pagina 156 van onze reisgids én op het Piazza Santa Croce, een beetje in de luwte van de Florentijnse gekte. Man, wat is dat een lelijk beeld. Dat verdient die arme Dante niet. Werd hij destijds overigens niet levenslang verbannen uit zijn geboortestad? Dan hoefde dit beeld als poging tot eerherstel ook niet.
Toen ik voor het beeld stond (kijken deed ik niet), dacht ik dat taal toch beter niet altijd letterlijk wordt genomen. Je hoort het wel eens: die man (of vrouw) verdient een standbeeld. In de meeste gevallen neemt men dit beter niet letterlijk op, want het standbeeld dat vele jaren later het gevolg is van de uitspraak verdient maar zelden de persoon naar wie het opgetrokken is.
Ik doe een oproep aan stadsontwikkelaars en/of schepenen van cultuur. Als jullie vinden dat lokale schrijvers een standbeeld verdienen, hou je dan vooral aan de figuurlijke betekenis. Schrijvers zijn blij genoeg als er van hen gezegd wordt dat ze een standbeeld verdienen. Verder moet niets meer gedaan worden. Schrijvers zijn mannen en vrouwen van het woord. Woorden maar geen daden. Misschien kan de lijst van wie een standbeeld verdient, worden goedgekeurd door de gemeenteraad, dan krijgt het woord zelfs kracht van wet. Maar alstublieft geen beeld naast een kerk, op een rotonde, op een plein of op een parkeerplaats. 
Daar in Firenze maken duizenden toeristen dagelijks kennis met Dante. Ze kennen de dichter persoonlijk en hoeven hem dus niet eens meer te lezen.
Als je literatoren wil memoreren, moet je vooral geen standbeeld voor hen optrekken. Dat schrijven ze zelf wel. Lezers kunnen het dan lezen en leren de schrijver nog veel beter kennen. Letterlijk dan. Naar woord zonder beeld.

Raadpleeg de volledige programmabrochure [pdf-document - opent traag!]

http://www.youtube.com/watch?v=4Wys9VzF-_E


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen