Pagina's

zaterdag 21 april 2018

Keaukeaubelli

Voor het wereldfestival Kokopelli schreef ik naar aanleiding van wereldwaterdag een verhaal over water dat tegen de stroom oproeit en de wijde zee opzoekt. 

Het water wentelde zich nog eens in de rimpels van de rivier. Hoe anders leek het ineens. Vroeger, niet eens zo heel lang geleden, was het puur verwennerij als het water zijn armen even uitstrekte, de rivier lang bleef knuffelen en genoot van de blinkende karpers en gladde palingen tegen zijn randen en de springende visjes en zoemende insecten boven zijn oppervlak. Ineens leek alles zoveel zwaarder in zijn eens zo zoete meander in de luwte van de brede rivier. De visjes waren er nog, maar zwommen in stilte in het water, dat zich steeds donkerder zag worden. De karpers blonken nog wel, maar lagen vooral lui en saai in hun eigen dikheid onder hem. De schuld van de toeristen en de oma’s en opa’s en hun uitgelaten kleinkinderen, wist het water. Ze bleven maar brokken brood, stukken koek en weke wafels in de rivier werpen. Het water zag vaak geen steek meer voor zich uit door de papperige deegwaren in zich. Het leek op de mist die vroeger boven hem hing, maar dan in een vuile en vieze versie. En dan had het water het nog niet over de zwevende plastic zakjes en de roestende blikjes op de bodem die hem dagelijks kopzorgen baarden.
Steeds meer vroeg het water zich af wat het bond aan deze doodlopende bocht van de rivier. Niet alleen de rivier, maar ook hetzelf kwam hier tot stilstand. Water moet vloeien, leerde het vroeger op school. Maar enkele jaren later verkommerde het zielloos in deze sombere uithoek van de wereld. Hoe bekrompen was zijn leven geworden! In deze verstomde rivierbocht voelde het water zich niet langer als een vis in zichzelf. Het voelde zich gevangen in de meander, alsof het helemaal op zichzelf en brood zat.
Was het niet de hoogste tijd om de wereld te verkennen? Het water voelde steeds meer de drang om de wijde zee op te zoeken. Het waagde zich wel eens naar de rand van zijn meander en maakte een praatje met voorbijkomend water in de stroming van de rivier. Zij lieten het verhalen horen van hoe wijd de zee en hoe diep de oceanen wel waren. Hoe mooier de vissen en hoe kleurrijker de planten. Verhalen over felgekleurde koraalvissen en sierlijke zeeanemonen. Het water kon zich nauwelijks voorstellen dat het even goed in de diepte van de Noordzee of, stel je voor, van de Stille Oceaan had kunnen terechtgekomen zijn. En diep in zich koesterde het de droom om ten minste één keer in zijn leven naar het Groot Barrièrerif te kunnen vloeien.
En dan keek het water weer hoe troebel het zelf was geworden. Neen, het was genoeg geweest.

Net voor de zomer en de jaarlijkse intocht van toeristisch geweld eraan kwam, waagde het water de duik. Het wou niet nog eens de schreeuwende mensen en de dreunende muziek aan de rand en de invasie van blikjes, papier en andere rommel ondergaan. Bovendien zou het in zee minder koud zijn nu waardoor de aanpassing niet zo drastisch zou zijn. In de meander was het nauwelijks twee meter diep, maar in zee zou het tot vele tientallen meters diep worden. Er werd wel wat aanpassingsvermogen van het water verwacht. Maar dit was het uitgelezen moment voor zijn emigratie naar zee.
Het water voelde zich vederlicht toen het zich aan de vertrouwde bocht liet meevoeren met de snel stromende rivier. Het had zich goed voorbereid. Niets hoefde het te doen, alleen maar vloeien en een beetje uitkijken dat het niet te vaak aanbotste tegen steigers en houtbalken die de schepen op zijn oppervlak veilig naar de havens en de loskaaien moesten leiden. In de drukke steden probeerde het water snel te stromen, wat niet meeviel want op veel plaatsen was geprobeerd om het water tot stilstand te brengen en aan de rand stukjes strand na te bootsen. Maar het water was niet meer tevreden met nepstranden. Het wou zo snel als mogelijk naar de zee, hoe verleidelijk het wel eens was om zich te nestelen in de brede rivier die nooit leek te eindigen.
Na enkele dagen vloeien maakte het water kennis met de schaduwzijde van de grote waterwereld. De rivier was ineens zo breed geworden dat het water even in paniek raakte. Dreef het nog wel in de goede richting? Even was het ter plaatse blijven trappen en liet het zich naar boven voeren. Het piepte even boven het oppervlak en zag schepen zo hoog als kerktorens en zo lang als de meander van zijn jeugd. Maar dan moest het snel weer naar beneden, want toeterend kwam zo’n reuzenschip zijn kant op. In zijn paniek botste het tegen ander water aan dat terstond begon te schelden.
‘Doe nu eens normaal, drek. Drijf voort!’
‘Hou de stroom niet op! Verder spoelen vooraan alstublieft!’
‘Als je niet durft vloeien, hoef je hier niet te zijn, smurrie.’
‘Aan de kant, kliederboel!’
Zoveel agressie was het water niet gewoon. In zijn veilige meander was het ons-kent-ons. Iedereen zorgde voor elkaar en de kleine ergernissen werden met de golf der liefde doorgespoeld. Het water keek wat bevreesd om zich heen en zocht naar bekenden, maar nu viel het ineens wel heel erg op dat ze allemaal als twee druppels van zichzelf op elkaar leken.
Het water besloot niet meer na te denken en liet zich met het verstand op zeeniveau meedrijven. Na een tijdje wende het aan de oneindige ruimte waarin het was terechtgekomen. De stroom werd nog breder en zelfs de schepen aan zijn oppervlak leken nu nietig en klein.
Op een plaats waar algen en wieren welig tierden, was er ineens zenuwachtig gewriemel. Er werd geroepen en gescholden en het water zag ander water dat op zijn schreden terugkeerde. Het kostte veel moeite om de tegenwaartse stroming te trotseren.
Plots werd ook het water vastgegrepen. 
‘Wat doe jij hier? Jij hoort in de rivieren thuis. Hier is geen plaats meer voor jou. De zee zit vol!’
Het water was de kluts kwijt. Dit had niemand hem verteld. Moest het zich nu verantwoorden waarom het naar de zee wou verhuizen? Water eindigde toch nooit. Strikt genomen was het water van zijn meander hetzelfde als dat van de Atlantische Oceaan.
‘Ik… Ik wou wel eens de zee leren kennen. Al mijn hele leven sta ik stil waar ik stroom. Er was geen toekomst meer voor mij.’
‘En die hoop je nu in zee te vinden? Weet je dan niet dat het ook daar vol zit? Dat het ook daar stikt van dode vissen, zwevende viezigheid en rottend afval? Dat vissen vreselijke pijnen lijden door de plastics in hun maag en dat ze een vreselijke dood vinden in de netten van de vissers?’
‘Ik dat zo? Daar heb ik nog niet over nagedacht…’ prevelde het water. Even kroop het in zijn schelp.
‘Ha, daar had je nog niet over nagedacht! Dat had je misschien wel eens kunnen doen, dan was die hele drijftocht naar hier niet nodig geweest. Je dacht toch niet dat alle water even welkom was in de zee?’
De wereld van het water stortte in elkaar. Was het dan echt allemaal voor niks geweest? Mocht het water vanaf hier niet meer verder en werd het op botte wijze verplicht om terug te keren naar zijn uitzichtloze meander?
Tegelijk voelde het zich in opstand komen. Het wou tegen de stroom in vloeien. Kon dit vijandige water dat zomaar verhinderen? Wie gaf het het recht om de toekomst van ander water in de weg te staan? Het water van de zee en van de rivieren van elkaar te scheiden?
‘Slechter dan in mijn meander kan het hier niet zijn,’ zei het water stoer. ‘Daar is nog veel meer viezigheid dan in de hele wijde zee. Ik wil het erop wagen. Mijn toekomst ligt hier.’
‘Dat zegt al het water dat hier aanspoelt. Allemaal denken ze dat het water blauwer is aan de overkant. Enkele maanden later kost het veel meer moeite om met hangende pootjes terug te vloeien. Dan is het stroomopwaarts hé, vergeet het niet.’
‘Ik ben jong en sterk…’ zei het water moedig. ‘Dit voelt niet alsof ik mezelf naar zee draag.’
Even werd het stil.
‘Dit heb je mooi gezegd. Vloei jij maar verder, jij redt het wel. Veel succes!’

Ineens voelde het water hoe het weer onhoudbaar werd voortgestuwd. De rivier die al zo’n brede stroom was geworden opende zich toen nog veel verder tot een oneindige zee. 
‘Is dit het dan? Ben ik er echt?’
Het water had moeite om het zich voor te stellen. Het keek om zich heen. Om zich heen zag het vermoeid en wat onthutst water. Aarzelende en onzekere blikken, maar ze stonden vol verwachting en hoop. Water dat hier was, dreef niet meer tegen de stroom in, maar liet zich gulzig verder drijven. Steeds dieper kroop de zee. Steeds sneller vloeide het water. Steeds hoger sloegen de golven van de branding. Even moest het water nog tegen de stroom in beuken, maar het was niet meer te stoppen. Het duurde niet eens heel lang voor het zich veilig in de loom deinende zee voelde. De angst op de gezichten om zich heen was verdwenen. Overal zag het de schittering van de hoop. O ja, er dwarrelde meer plastic dan het had gedacht in deze zee. En niet alle vissen met hun slokoppen en holle ogen keken het even vriendelijk aan. Kreeften met griezelige grijparmen en kwallen met zuigende lippen lieten het van angst de andere kant opkijken. Het rook hier meer dan in zijn meander naar olie en viezigheid en ook hier voelde het zich al eens mistig. Maar het water plaatste zijn blik op oneindig. Het keek hoe ruim dit sop wel was. Hoe mooi de vissen, hoe sierlijk de planten. Hoe onmetelijk was deze waterzee, hoe veelbelovend de toekomst! Het water had geen idee waar zijn vloed naar het leven zou leiden. De zee had geen einde en geen begin en overal lagen de kansen voor het grijpen. Het leven is aan de drijvers.
Bye bye, stille meander. Ik kom eraan, wijde zee. Nooit eerder voelde het water zich zo gelukkig.